|
Brief
Fryske Plattelandsalliantie aan Minister LNV ivm
evaluatie FF-wet in 2006
Dr. Ir. A. Osinga, secretaris
Dr. Wassenberghstr. 1
9061 AL GYTSJERK
Gytsjerk, 15 juni 2006
Aan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Voedselkwaliteit.
Postbus 20401
2500 EK ‘s GRAVENHAGE
Excellentie,
Het is de FPA bekend dat in 2006 de Flora- en
faunawet wordt geëvalueerd om daarna in 2007 tot een
verbeterde versie te komen. Wij menen er goed aan te
doen aan de evaluatie een bijdrage te leveren vanuit de
praktijk waar onze participanten (zie daartoe de
bijgevoegde folder) mee te maken hebben.
Filosofie
We willen graag beginnen met de filosofie die achter de
wet zit. Uitgangspunt is de intrinsieke waarde van het
dier. Afgezien van het feit dat niet geheel duidelijk is
wat hiermee wordt bedoeld, is de consequentie dat ieder
individueel dier beschermwaardig is. Dit standpunt is in
de praktijk niet houdbaar omdat dan het doden van dieren
feitelijk onmogelijk is gemaakt en beheer in de zin van
deels doden van populaties uitgesloten is. Beter is het
te spreken over bescherming van soorten met maatregelen
al naar gelang de stand van de soort en het verstandig
gebruik eveneens al naar gelang de stand van de
populatie die het betreft. Met een dergelijke filosofie
is het ook mogelijk de verantwoordelijkheid voor het
beheer te leggen bij de mensen die het dichtst bij de
natuur staan: jagers, weidevogelbeschermers,
sportvissers, BOA’s etc. Zij kunnen zich bezighouden met
de bestrijding van predatoren en het reguleren van
populaties met de verplichting een evenwichtige stand
van de fauna te garanderen, hetgeen zou kunnen blijken
uit een jaarlijkse rapportage over de aantallen die
daarvoor relevant zijn. De procedures zijn nu vaak
ingewikkeld en tijdrovend zodat van een adequate aanpak
geen sprake kan zijn. De intrinsieke waarde van de mens
in de groene ruimte zou daardoor meer aandacht kunnen
krijgen.
Verder een aantal concrete zaken:
Zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren
Voor wat betreft het zoeken, rapen en beschermen van
kievitseieren doen wij een dringend beroep op u te
willen streven naar een regeling die strookt met de
Brusselse regelgeving, zodat eens en voor altijd
afgezien kan worden van gerechtelijke procedures die
handen vol geld kosten. En dat is geld dat in
belangrijke mate onttrokken wordt aan de activiteiten
door vrijwilligers in het veld t.b.v de weidevogels. De
regels die gesteld zijn aan de vrijwilligers op grond
van de eisen van de Raad van State zijn dusdanig dat zij
volstrekt contraproductief zijn. Het risico bestaat dat
vrijwilligers gedemotiveerd zullen afhaken omdat de
grenzen van de vrijwilligheid zijn bereikt en dat
betekent alleen maar verlies voor de vogels. De
belangrijke rol die de beschermers spelen bij de
uitvoering van het weidevogelbeheer in het kader van het
agrarisch natuurbeheer in Fryslân komt dan ook in het
gedrang en dat geldt ook voor de tellers die met veel
enthousiasme zijn opgeleid in 2005 maar die hun
motivatie dreigen te verliezen. Ik wijs u er in dit
verband op dat de vereniging voor weidevogelbescherming
Vanellus vanellus na het verbod op het rapen van
kievitseieren in 11 provincies ruim 1000 vrijwilligers
heeft verloren die bescherming uitvoerden op 90000
hectare. Wij verzoeken u te willen bevorderen dat het
zoeken en rapen ook in de andere provincies wordt
toegestaan. Wat goed is voor Fryslân moet ook goed zijn
voor andere provincies. Wij willen er met nadruk op
wijzen dat het tijdelijk en beperkt rapen ook een grote
educatieve waarde heeft voor de jeugd. Educatieve
activiteiten ter bevordering van de deskundigheid van
toekomstige weidevogelbeschermers worden sterk
ondersteund door een beperkt rapen van eieren. Het is
tegenwoordig erg moeilijk de jeugd te motiveren voor de
natuur. Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat het rapen
van kievitseieren niet mag maar moet, alleen al vanwege
de belangrijke keerzijde in de vorm van een langdurige
en intensieve bescherming van de vogels na de raaptijd.
In de wet wordt als algemene sluitingsdatum voor het
rapen van kievitseieren 8 april genoemd. Wij begrijpen
dat deze datum is ontstaan als compromis in een
politieke discussie. Voor onze provincie is de datum
ecologisch gezien echter zeer ongunstig en 1 april is
nog ongunstiger. Een sluitingsdatum van 8 april betekent
dat de eerste jonge kieviten worden geboren rond 8 mei
en de eerste week drukken de jongen zich bij naderend
gevaar. Ze zijn dan in de praktijk onvindbaar. Omdat de
grasoogst als regel begint rond 8 mei worden de pullen
dan het slachtoffer van de cyclomaaier; dit is nog erger
bij een sluitingsdatum van 1 april. Op maïsland worden
bij een sluitingsdatum van 1 april of eerder massaal
pullen van de kievit ondergeploegd en het is zeer de
vraag in hoeverre vrouwelijke kieviten in staat zijn na
een volledige broedperiode tot herleg te komen. De
beschermers zijn het er duidelijk over eens dat het
gemakkelijker is nesten te beschermen dan jonge vogels.
Wij pleiten daarom voor een sluitingsdatum van 13 april,
die per provincie en per jaar flexibel kan worden
gemaakt aan de hand van de stand van de gewassen, de
vordering van de landbouwwerkzaamheden en het legstadium
van de kievit. Het rapen van de eerste eieren heeft
bovendien als voordeel dat de kieviten synchroon gaan
broeden met de andere weidevogels waardoor de
luchtverdediging tegen predatoren beter wordt
uitgevoerd. Bovendien biedt synchronisatie meer
efficiëntie in de bescherming van alle weidevogels.
Wij geven u in overweging bij de EU te bepleiten dat er
een regelgeving komt die toegesneden is op het zoeken,
rapen en beschermen van kievitseieren. Thans wordt door
de rechterlijke macht in Nederland gewerkt met het zgn
1% criterium waarbij het oogsten uit de natuur moet
worden beperkt tot 1% van de natuurlijke sterfte van een
populatie. Deze regel is echter niet gemaakt voor het
rapen van eieren maar voor de jacht en het vangen van
(zang)vogels. Een vertaling naar eieren is niet goed
mogelijk. Verder merken wij op dat in Frankrijk
jaarlijks meer dan 400.000 kieviten worden afgeschoten
door de jacht en nog eens meer dan 100.000 andere
steltlopers waaronder soorten die in ons land op de rode
lijst staan. Ook de Zuid-Europese landen laten zich op
het gebied van de jacht niet onbetuigd. Het moge
duidelijk zijn dat dergelijke praktijken niet motiverend
werken op onze vrijwillige weidevogelbeschermers. U zou
dit in de EU eens aan de orde kunnen stellen.
Ganzengedooggebieden
Nu de raaptijd in Fryslân is beperkt tot en met 31 maart
betekent dit dat er in de ganzengedooggebieden, die in
dit jaar enorm in omvang zijn toegenomen, alleen mag
worden gezocht, geraapt en beschermd na 16.30 uur. Dit
betekent nog een extra beperking bovenop de week tussen
1 en 8 april en een daarmee samenhangende demotivatie.
Wij willen er dan ook bij u op aandringen de
sluitingsdatum voor het gedoogbeleid op 15 maart te
stellen omdat de betreffende ganzen op dat moment in een
normaal jaar al zijn vertrokken of zich (kunnen)
ophouden op terreinen van de natuurbeherende
instellingen. De jacht in de zin van beheer van de
predatoren zou dan ook meer ruimte krijgen om afschot te
plegen in de gedooggebieden.
Predatie
Een factor die ook demotiverend werkt op de inzet van
vrijwillige weidevogelbeschermers, is de predatie.
Weliswaar zijn de vos en de kraai inmiddels bejaagbaar,
maar daarmee is het probleem niet opgelost. Er is
plaatselijk ook erg veel overlast van de Blauwe Reiger
en de Buizerd en ook andere soorten kunnen leiden tot
overlast in de zin van overmatige predatie (o.a. de
kleine marterachtigen, waaronder de steenmarter). Een
gebied als Gaasterland heeft een uitstekend resultaat
bereikt met een vrijwillig natuurplan maar scoort laag
waar het de weidevogels betreft als gevolg van
overmatige predatie van Reigers en Buizerds naast de
gebruikelijke predatoren. Wij geven u in overweging de
verantwoordelijkheid voor de regulering, ook van
beschermde soorten, te leggen bij de verantwoordelijke
mensen van de Vogelwachten en de WBE’s. Deze mensen zijn
in staat de verantwoordelijkheid te dragen en kunnen
snel en efficiënt de nodige maatregelen nemen. Zij
zullen er nimmer op uit zijn om soorten uit te roeien
omdat de doelstellingen van hun organisaties zich
daartegen verzetten. Een grondige rapportage over hun
activiteiten en een inventarisatie achteraf moet
voldoende zijn om tot een verantwoord beheer te komen.
In dit verband willen wij u ook wijzen op de toenemende
predatie van vis door Aalscholvers. Ook hier is het
nodig te komen tot een verantwoorde regulering waarbij
naar ons oordeel de verantwoordelijkheid moet liggen bij
de visserijorganisaties en de WBE’s.
Middelen bij het beheer
In verband met de predatie vragen wij ook uw aandacht
voor de toe te passen middelen. Bij het gebruik van een
kraaienvangkooi moet er in de kooi als lokvogel een
geringd exemplaar worden gebruikt. De vraag is hoe
iemand aan een geringd exemplaar van de Zwarte Kraai kan
komen. Er zijn geen fokkers van deze soort en het ringen
van nestjongen is qua veiligheid vrijwel uitgesloten.
Het gebruik van lokvogels moet naar ons oordeel
vrijgelaten worden mits de dieren goed worden verzorgd.
ROS-SANOS
Wij vragen vervolgens ook uw aandacht voor de regeling
betreffende de ROS – of SANOS-gelden. Wij verzoeken u
met de grootste klem deze gelden beschikbaar te stellen
als een afkoopsom waarover geen verantwoording behoeft
te worden afgelegd. Er moet alleen worden vastgesteld
wat er voor dit geld moet worden aangeleverd:
telgegevens, rapportage etc. Het is ons bekend dat er
agrarische natuurverenigingen zijn die afzien van deze
gelden en een kleine heffing bij de leden toepassen om
e.e.a. te financieren. Er wordt dan ook niet geteld en
de vraag is dan in hoeverre uw beleid gecontroleerd kan
worden. Bovendien bespaart u met een afkoopsom een hoop
geld voor controle en dat geld zou mogelijk ook ten
goede kunnen komen aan het beheer en dus bijv. aan de
weidevogels en de boeren.
Handhaving groene wetten
Een volgend punt is de handhaving van de groene wetten.
Fryslân kent daartoe de zgn toezichtkringen waarin o.a.
vogelbeschermers, sportvissers, jagers en personeel van
waterschappen fungeren als oog en oor van de politie om
de groene wetten te handhaven. Op zich is dit een goede
zaak waar de leden van de FPA ook aan meewerken. Het is
echter duidelijk dat het aanpakken van agrarische
ondernemers die in de fout gaan door vogelbeschermers en
jagers niet werkt omdat ze teveel van elkaar afhankelijk
zijn en gebaat zijn bij goede verhoudingen. BOA’s zijn
echter uitermate geschikt om deze taak te vervullen.
Fryslân heeft echter te weinig BOA’s met name ook om de
visstroperij die geweldige vormen aanneemt in dit
gewest, te bestrijden. Daarbij komt nog dat de BOA’s
slecht zijn uitgerust, o.a. door het niet dragen van
wapens, waardoor zij niet adequaat kunnen optreden tegen
overtreders die veelal wel gebruik maken van (illegale)
wapens. Wellicht kunt u in overleg met uw collega van
Justitie iets ondernemen omdat in andere provincies de
BOA’s wel bewapend zijn. Wij prijzen ons gelukkig dat er
in onze provincie een nieuwe consensus is tussen de
sportvissers en de beroepsvissers, waardoor er geen
illegale bijvangsten worden gedaan maar de visstroperij
is waarschijnlijk veel groter dan de illegale
bijvangsten van de beroepsvissers.
Agrarisch natuurbeheer
De FPA is een groot voorstander van agrarisch
natuurbeheer omdat het bij uitstek de boeren zijn de
eeuwen door de groene ruimte gratis hebben beheerd. Dat
de maatschappij daar thans eisen aan gaat stellen, mag
dan juist zijn, de consequentie is wel dat er een
prijskaartje aan komt te hangen. De vergoedingen moeten
zodanig zijn dat het voor de boer aantrekkelijk is zich
in te spannen voor de natuur zonder dat hij in zijn
ondernemerschap als voedselproducent wordt aangetast.
Ganzengedoogbeleid
Ten aanzien van het ganzengedoogbeleid merken wij het
volgende op. Het gedoogbeleid is geen
beschermingsmaatregel want de soorten waar het om gaat
zijn niet bedreigd, integendeel de aantallen nemen nog
steeds toe. Het is slechts een tegemoetkomen aan onze
verantwoordelijkheid om “onderdak” te bieden in de
wintermaanden aan grote delen van de populaties. Het is
echter de vraag of ons landschap de druk van de ganzen
kan verdragen. Wij denken daarbij aan de mest die in
grote hoeveelheden op de landerijen maar ook in het
oppervlaktewater terecht komen. Bij vorst is het
duidelijk te constateren hoeveel mest er op het ijs
ligt. Is deze eutrofiëring niet nadelig voor ons
oppervlaktewater? Een kleine berekening: een gans
produceert ongeveer 1kg mest per dag, de aantallen
worden geschat op 2 miljoen en de verblijfsduur in de
huidige zachte winters is gemiddeld 120 dagen. De
productie is dan 240.000 ton mest waarvan naar schatting
de helft in het oppervlaktewater terecht komt en dat is
geen kleinigheid. De vraag doet zich ook voor hoe de
ganzenmest zich verhoudt met de strenge mestregelgeving
voor agrarische ondernemers. Verder weten wij uit de
praktijk dat gebieden waar ganzen verblijven tot in de
broedtijd van de weidevogels, worden gemeden door de
weidevogels: dat betekent verlies aan biotoop in
kwantitatieve zin maar ook in kwalitatieve zin omdat de
grasmat wel erg kort wordt gehouden door de ganzen.
Kritische soorten als de grutto en de tureluur verdragen
dit niet, want die willen broeden in lang gras. Er moet
dus een evenwichtig beleid komen met ruimte voor de
ganzen en voor de weidevogels. Daarbij is een vrije
bejaging buiten de gedooggebieden van doorslaggevend
belang en beslist niet schadelijk voor de populaties. In
het bijzonder vragen wij uw aandacht voor de
overzomerende ganzen. Dit betreft niet alleen grauwe
ganzen maar ook kolganzen en brandganzen komen reeds tot
broeden. Zij zijn zeer intolerant tegenover andere
vogels en richten ook schade aan aan gewassen, zowel
vraatschade als schade door vervuiling met mest.
FBE
Wij menen te weten dat de FBE’s veelal kampen met
geldgebrek omdat de financiering van deze instellingen
te wensen over laat. Met het leggen van de
verantwoordelijkheid voor de regulering van predatoren
bij de WBE’s en de weidevogelbeschermingsorganisaties
zou de taak van de FBE verlicht kunnen worden. Dat zou
dan tevens kosten besparen. Bij de WBE’s en de
vogelwachten zit naar ons oordeel veel kennis van zaken
en verantwoordelijkheid om deze taak op zich te nemen.
Een rapportage achteraf moet voldoende zijn om grip op
de zaak te houden.
Verder zou de FBE rechtstreeks van het faunafonds
gegevens moeten ontvangen over schade. De FBE is wel
belast met het verstrekken van ontheffingen t.b.v.
schadebestrijding maar krijgt geen informatie over de
hoogte van de uitgekeerde schade en andere relevante
gegevens. De FBE zou ook betrokken moeten zijn bij de
opstelling van de regelgeving door de provincie inzake
schadebestrijding. De kennis van zaken in de FBE’s via
de WBE’s wordt onvoldoende benut.
Ook gaat de FBE gebukt onder de uitdijende regelgeving
en bureaucratie. Met name zou de regelgeving over
schadebestrijding in de nieuwe Flora- en faunawet
drastisch beperkt moeten worden.
Vuurwapens
Tenslotte nog graag uw aandacht voor het volgende.
Ingevolge de Wet Wapens en Munitie (WMM) mogen
jachtwapens niet schietklaar worden vervoerd. Er is
echter een moment dat een wapen uit de auto wordt
genomen en over enkele meters over de openbare weg moet
worden gedragen. De wet moet dit mogelijk maken. Bij de
bestrijding van de vos met kunstlicht en jachtwapens is
het volgens de Flora- en faunawet toegestaan vanaf de
openbare weg en vanuit een voertuig bestrijding en
beheer te plegen. De WMM (circulaire) staat niet toe dat
men zich op de openbare weg bevindt met een voor direct
gebruik geschikt vuurwapen. Ook vanaf de openbare weg,
bij nacht dus. Deze situatie is op zijn minst verwarrend
en de bestrijding van de vos kan niet optimaal worden
uitgevoerd. Wij verzoeken u te willen bevorderen dat er
ruimte komt voor een adequate aanpak van de regulering
en de verantwoordelijkheid te leggen bij de jagers die
in ons land uitstekend zijn opgeleid en derhalve die
verantwoordelijkheid best kunnen dragen. Geef dan die
verantwoordelijkheid ook aan deze mensen!
Wij hopen met dit schrijven een waardevolle bijdrage
te leveren aan de discussie over de Flora- en faunawet
en zien met veel belangstelling de evaluatie en
verbetering van de wet tegemoet. Indien gewenst zijn wij
gaarne bereid onze inzichten nader toe te lichten.
Hoogachtend,
A. Osinga, secretaris
i.a.a. Provincie Fryslân, Landelijk Gebied
Vaste kamercommissie voor natuur en landbouw
FBE Fryslân
LTO noord
BoerenNatuur
|