De discussie die Marianne Thieme met haar vragen aan minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit aanzwengelde naar aanleiding van publicaties in Friese kranten is prima. Het is heel goed dat de minister zich over deze zaak buigt.
Genoeg
schijnbare paradoxen voor een wat dieper gravend verhaal.
‘Kleine hoeveelheden’
Over het aspect van ‘kleine hoeveelheden’ in de zaak van het Ijipaaaisykjen is de laatste tijd veel te doen. ‘Kleine hoeveelheden’ is een term uit in de Europese Vogelrichtlijn terzake van april 1979. De term verwijst naar de jacht en is een vuistregel om te garanderen dat de oogst beperkt blijft in relatie tot de totale populatie van de jachtsoort. Er mag alleen geoogst worden van een surplus. In dit geval wordt vaak gesproken in termen van rente en kapitaal.
In de
periode na introductie van de Vogelrichtlijn kreeg de vage term
langzamerhand inhoud. Geleidelijk werd de zg. 1%-norm geïntroduceerd
door de werkgroep die zich over de concrete invulling boog. Daarbij
gaat het erom dat de jaarlijkse afschot of vangst moet blijven
binnen het aantal van 1% van de jaarlijkse populatiesterfte. Dit criterium
betreft oogsten van ouderdieren uit een populatie. Daarbij gaat het
om een zaak van geheel andere orde dan bij het zoeken en rapen van
kievitseieren. Men zou de vergelijking kunnen maken dat het bij
jagen gaat om het omzagen van bomen terwijl het bij het
kievitseierenzoeken gaat om het oogsten van de vruchten. De Raad van
State plaatste eind 2006 terecht vraagtekens bij de toepassing van
dit Ornis-criterium in de zaak van het zoeken en rapen van
kievitseieren. Een probleem in dezen is dus dat er bij dit
eierzoeken sprake is van een in Europees verband uniek fenomeen.
Bovendien nog met een grote waarde van de eierzoeker in de
legselgerichte weidevogelbescherming, waardoor er sprake is van een
schoolvoorbeeld van ‘verstandig en duurzaam gebruik’. Maar de
Nederlandse overheid heeft destijds verzuimd om de Kievit op de
Index van de Richtlijn te plaatsen –hetgeen door veel andere landen
wél met bepaalde soorten werd gedaan- zodat de eis van ‘kleine
hoeveelheden’ ook voor het kievitseierenzoeken en –rapen een
invulling dient te krijgen De rechter
eiste echter dus terecht een criterium Onder deze druk sloegen de
ambtenaren aan het rekenen en kwamen uit op een getal van rond de
zevenduizend –om precies te zijn 6934- kievitseieren gemiddeld per
jaar. Als die jaarlijks gevonden en geraapt zouden worden, dan zou
er voor de populatie geen bedreiging zijn. Vogelbescherming
Nederland verzoende zich met deze berekeningen en stopte haar
verzet, zich bewust van de natuurbeschermende waarde –de achterkant-
van het eierzoeken in de weidevogelbescherming.
Hans van
Ophem, de advocaat voor de provincie Fryslân, beklemtoonde het feit
dat in een gemiddeld voorjaar en 1 april als sluitingsdatum, de
eieren van slechts tien procent van de Friese kievitenpopulatie
gevonden kunnen worden. De andere 90 procent van de kieviten komen
pas later aan de leg. Het aantal geraapte (of beter: mogelijkerwijze
aanwezige kievitseieren) kievitseieren is door de verkorting en de
verdere beperkingen in grondgebied waar überhaupt in Fryslân
naar kievitseieren mag worden gezocht met meer dan 400% is
afgenomen, zo werd door Van Ophem betoogd.
Voorts, zo zei hij,
sprak ‘Europa’ al in 2002/2003 van
’een
verwaarloosbaar effect van eierrapen op de stand van de kievit’,
in correspondentie aan de Nederlandse organisatie en dat was in een
periode dat het eierzoeken nog op meer gebieden en tot een langere
periode was toegestaan. Van enige schade aan de stand is dan ook
geen sprake. Hans van Ophem
wees dan ook terecht op het gegeven dat sinds 2000 de kievitenstand
stabiel is, ondanks de op dat moment nog veel grotere raapdruk. Het is een
opvallend feit in dit geheel van gehanteerde aannames in het
cijfermodel ter berekening van de 6934 eieren die per voorjaar
ongestraft geraapt kunnen worden, de instemming verwierf van
Vogelbescherming Nederland in Zeist. Deze organisatie deed dan ook
niet mee in de bodemprocedure.
In deze zaak wordt voortdurend duidelijk dat
niet alles in cijfertjes te vangen is. Elk voorjaar verschilt van
het voorgaande. Er is sprake van enorme schommelingen. Als men
alleen al de vinddatum van het eerste Friese kievitsei beschouwt dan
is het allervroegste ooit gevonden op 4 maart (1989), het
allerlaatste op 31 maart(1969)! Hoe wil men het weer en resultaten daarvan bv. voor het aantal geraapte eieren per jaar in cijfers en formules vangen. “Biologie is nu eenmaal geen wiskunde’, verzuchtte de rechter terecht. Het is duidelijk dat het aantal te rapen kievitseieren en handhaving van die bepaling een buitengewoon slecht handhavingsmaatregel is. De al honderden jaren toegepaste uiterste sluitingsdatum (een beperking in de tijd) is daarvoor natuurlijk veel doelmatiger. In de bepalingen is op aandrang van het ministerie in Den Haag het getal van vijftien jaarlijks te rapen eieren per eierzoeker ingevoerd. Dat zou dan een extra waarborg zijn voor de ecologische onschuld. Dit is een overbodig en moeilijk te hanteren criterium. Overbodig omdat de sluitingsdatum voldoende waarborg is om die onschuld te garanderen; moeilijk te hanteren omdat controle op dit aantal (quotum) buitengewoon lastig is. Hoe zullen de controlerende diensten dit aantal ooit kunnen controleren?? De AID is nu al redelijk actief met de controle van de noodzakelijke documenten. Dat is nu al een heksentoer die dan ook steekproefsgewijs gedaan wordt. De controle op het aantal meegenomen eieren is bovendien zinloos. Dat heeft te maken met het volgende omstandigheid en dat element ontbreekt opvallend in deze hele discussie. Het wordt voorgesteld alsof de kieviten hun eieren leggen op weiden en akkers waar verder niets gebeurt. Maar die voorstelling van zaken is natuurlijk geen schim van de werkelijkheid. Men moet zich realiseren dat het fenomeen eierzoeken zich afspeelt in een periode dat het in de weilanden en op de akkers een drukte van belang is. Daar wordt geëgaliseerd, gefreesd, gegreppeld, kunstmest gestrooid, drijfmest geïnjecteerd of met kilometerslange sleepslangen uitgereden, dat het een lieve lust is. Eierzoeken is niet zelden een wedstrijd tussen de boer die zijn werkzaamheden uitvoert en de eierzoeker die zijn kânske heeft. Als het vroege kievitsei niet door de eierzoeker gevonden en opgeraapt wordt dan gaat het dikwijls juist in die vroege fase van intensieve voorjaarswerkzaamheden verloren. Dit is ook precies wat op een enorme schaal gebeurt buiten de provincie Fryslân. Daar worden de vroeg gelegde kievitseieren niet opgeraapt. Maar het merendeel van die gelegde kievitseieren wordt simpelweg stuk gereden of gaat anderszins verloren en de mensen staan er –zich totaal niet bewust van deze ecologische ramp- met de rug naar toe! Beschermen is in die vroege fase vrijwel ondoenlijk. Het beruchte voorbeeld zijn de honderden hectares Noordbrabantse maïsvelden langs de Maas. Daar worden nu geen kievitseieren meer geraapt. Maar juist in de fase dat de kieviten al vrij ver met het broedproces zijn, komen de grote landbouwmachines en wordt in enkele dagen het totale gebied bewerkt en ingezaaid. Alles wat daar aanwezig is –en het gaat dan om aanzienlijk meer dan de 6934 Friese eieren- gaat stuk, ook de verbroede eieren. De ernstige vraag is of de kievitvrouwtjes bij verlies van het legsel in die late broedfase dan nog in staat zijn tot een vervolglegsel. Die vraag is in Fryslân niet aan de orde. Vrijwel alle eieren worden vers geraapt en de kievit begint na verlies van een compleet legsel na een dag of acht tot tien weer met het volgende legsel van vier, met een ovarium in goede conditie. Het eierzoekverbod lijkt dus winst maar is het niet! De filosofie van de BFVW en de provincie Fryslân is dan ook: laat die allereerste, buitengewoon lastig te beschermen kievitseieren opzoeken door de ljipaaisiker tot een bepaalde vastgestelde datum en mobiliseer daarna die gemotiveerde mensen als beschermer. Dat is de Friese praktijk. En het werkt voortreffelijk. De helft van alle weidevogelbeschermers (rond 6250 van de 12.000) in ons land woont in Fryslân. En Fryslân is meteen ook de provincie waar de dichtheid aan weidevogelbeschermers rond tienmaal hoger is dan in welke andere provincie ook. De Friezen maken hun verantwoordelijkheid voor de weidevogels dus aardig waar.
Bijlage:
Opmerkingen over de aantallen: De handel in kievitseieren werd rond 1975 verboden en daarmee verdween de registratie van aantallen door de poeliers. Uit het verre en meer recente verleden zijn echter wel enkele getallen bekend. Zo circuleren cijfers uit onbekende bron over de aanvoer naar de markten in Sneek en Leeuwarden. Deze cijfers zijn:
voor
1903
68.725 kievitseieren
1904
144.800
,,
1905
61.700
,,
1906
66.582
,, Van andere
historische gegevens is de bron wel bekend.
In 1932 bestudeerde de heer G.Wolda de marktcijfers. Wolda
was werkzaam bij de Plantenziektenkundige Dienst in Wageningen. Hij
gebruikte voor zijn studie de marktgegevens omtrent de aanvoer van
kievitseieren, zoals die vroeger werden opgenomen in diverse dag- en
weekbladen. Zijn doel was om met deze cijfers de achteruitgang van
de kievitenstand in die tijd te bewijzen. Maar
de grilligheid van de cijfers verhinderde het leggen van
enige relatie met vermeende achteruitgang.
Enkele marktcijfers die hij berekende:
Het gaat hier
om landelijke cijfers. Bron: Ecologische Atlas van de Nederlandse
Weidevogels, Albert Beintema, 1995. In de tijd van
deze beide reeksen was het kievitseierenzoeken landelijk toegestaan
tot en met 28 april. In 1937 bracht de rijksoverheid de zoekperiode
terug door de sluitingsdatum vast te stellen op 20 april (19 april
laatste zoekdag). In 1955 werd de
zoekperiode in de andere provincies teruggebracht naar 13 april, in
Fryslân beleef 20 april gehandhaafd.
In
1975 werd de sluitingsdatum zonder overleg met betrokkene
organisaties hetgeen was toegezegd, plotseling vastgesteld op 6
april, maar na hevige protesten van Friesland werd deze datum in
deze provincie het jaar daarop weer met een week verlengd tot 13
april. Deze situatie, dat in Friesland een week langer naar
kievitseieren mocht worden gezocht, bleef probleemloos gehandhaafd
tot het voorjaar van 1993. Vanaf dat jaar wordt de sluitingsdatum 9
april tot het jaar 2001 als de Flora- en Faunawet wordt ingevoerd.
Die nieuwe natuurwet decentraliseert de zaak van het
kievitseierenzoeken; voortaan moet elke provincie zelf bepalen hoe
men met het kievitseierenzoeken en –rapen omgaat. Dat betekent het
einde voor het zoeken en rapen van kievitseieren in alle provincies
met uitzondering van Friesland. Hier wordt het
eierzoeken fel verdedigd door het Provinciaal Bestuur én de groene
organisatie Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW), een
ongesubsieerde vereniging die de negentiende plek inneemt in VARA’s
Vroege Vogelparade. Een derde groep
van getallen heeft betrekking op de aanvoer naar één adres, namelijk
poelier De Jong in Leeuwarden, het belangrijkste, maar niet het
enige, aanvoeradres in Friesland. Opgemerkt moet worden dat in 1975,
het jaar dat de sluitingsdatum teruggebracht werd naar 6 april, er
sprake was van een koud en laat seizoen. Het aanvoercijfer laat dat
effect ook zien. In het jaar erna werd de zoekperiode weer verlengd
naar 13 april, hetgeen ook direct terug te vinden is in een weer
stijgende aanvoer. Aanvoer naar poelier De Jong, Sintjakobstraat, Leeuwarden. Waar na het jaartal niets is ingevuld ontbreken goede cijfers:
Van de jaren na
1990 is de aanvoer niet bekend. In 1993 werd de handel in
kievitseieren bij wet verboden. Het is niet
juist om de steeds lagere marktaanvoercijfers als het getal te
aanvaarden van de in dat jaar gevonden totale aantal kievitseieren.
Behalve een aanzienlijke berperking in tijd, moet ook worden bedacht
dat vanaf de tachtiger jaren geleidelijk een praktijk begon te
heersen dat kievitseieren minder dan vroeger aangeboden werden voor
de verkoop. Meer en meer werden ze vanaf die tijd in familiekring
geconsumeerd. Dat had ook te maken met de stijgende welvaart. De
relatief geringe prijs voor de kievitseieren in vergelijking met
vroeger tijden maakte de gang naar de poelier minder interessant.
Bijlage 2:
Is afbraak van het ljipaaisykjen de oplossing voor de kievit?
De Flora- en
faunawet (sinds 2002) schrijft voor dat provincies ontheffing moeten
verlenen om het eierzoeken toe te staan. Een dergelijke ontheffing
is altijd vatbaar voor bezwaar en beroep. Fryslân, de
enige provincie die daartoe besluit, heeft in de ontheffing 31 maart
als laatste zoekdag (1 april sluitingsdatum) opgenomen. Dat betekent
een beperking van het eierzoeken
met 8 dagen. Het is de meest ingrijpende beperking in tijd in
de laatste vijftig jaar van de historie van het ljipaaisykjen.
De
gemiddelde vinddatum van het eerste Friese ljipaai over de laatste
20 jaar is 13 maart. De gemiddelde vinddatum van ‘myn persoanlike
earste’ is rond 20 maart
Mijn vroegste is 12 maart 2007; mijn laatste is 6 april 1969!
In dat jaar 1969 werd het eerste Friese kievitsei op precies 31
maart gevonden! Ik schat mijzelf in als een redelijk deskundig en in
ieder geval enthousiast ljipaaisiker. In de huidige
situatie vindt de gemiddelde eierzoeker pas een kievitsei in de
allerlaatste week van maart. Dan is het ljipaaisykjen
simpelweg te kort om maar enige wervende waarde naar de jeugd te
hebben. En van die jeugd moeten we het hebben. Het eierzoeken
is de dobber waarop de Friese weidevogelbeschermingsinzet drijft.
Duidelijk is dat het eierzoeken moet doorgaan. Het proces van erosie
van betrokkenheid en daadwerkelijke inzet dat nu al gaande is moet
worden gestopt. Zo niet, dan verliezen grote groepen van waardevolle
mensen voorgoed de belangstelling. Verlies van betrokkenheid
betekent onherroepelijk verloedering. De Friese
weidevogelbescherming betreft intussen bijna 150.000 hectares en
bijna dertig soorten weidevogels. Het gaat om rond zestigduizend
legsels. In 2004 deden in Fryslân rond 6450 mensen mee aan de
bescherming (de neisoarch). Het
kievitseierenzoeken en –rapen moet in dit geheel beschouwd worden
als de kost die voor de baat uitgaat! Er vindt juist
op dit moment een grote herbezinning plaats op het ministerie m.b.t.
de Flora- en Faunwet. Het is hét moment om ons met elkaar te
bezinnen op de waarden van het aloude kievitseierenzoeken in het
licht van nieuwe inzichten. Die evaluatie
moet verder en dieper gaan dan de nogal eendimensionale benadering
van Marianne Thieme zoals die blijkt uit haar vragen aan de
minister. Sake
P.Roodbergen
Akkrum juni 2007 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||