kievitsei  Marianne Thieme en het kievitsei   

 

De discussie die Marianne Thieme met haar vragen aan minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit aanzwengelde naar aanleiding van publicaties in Friese kranten is prima. Het is heel goed dat de minister zich over deze zaak buigt.

  • Maar laat Marianne zich wel wat degelijker in de zaak verdiepen.

  • Beter ware het geweest vragen te stellen waarom het prima systeem van weidevogelbescherming dat de Friezen zonder enige subsidie, opgebouwd hebben –en waarbinnen het kievitseierenzoeken inderdaad de belangrijkste incentive is- niet ook in de andere provincies van de grond is gekomen.

  • En laat haar vragen wat de minister eraan denkt te gaan doen dat de Europees voorbeeldige situatie zoals die in Fryslân ontstaan is, ook elders van de grond komt, en of het ministerie daarbij wellicht niet het voortouw zou moeten nemen door de successievelijke eierzoekverboden weer ongedaan te maken. Dán komen we er misschien achter hoe het zo heeft kunnen komen dat in de andere provincies het eierzoeken gesmoord is. Dat is geen goede situatie maar een enorme achterstand. Een schoolvoorbeeld van contraproductief beleid met dank aan de nieuwe Flora- en Faunawet (van 2002).

Genoeg schijnbare paradoxen voor een wat dieper gravend verhaal.  Fryske platteland

 

‘Kleine hoeveelheden’

 

Over het aspect van ‘kleine hoeveelheden’ in de zaak van het Ijipaaaisykjen is de laatste tijd veel te doen.

‘Kleine hoeveelheden’ is een term uit in de Europese Vogelrichtlijn terzake van april 1979. De term verwijst naar de jacht en is een vuistregel om te garanderen dat de oogst beperkt blijft in relatie tot de totale populatie van de jachtsoort. Er mag alleen geoogst worden van een surplus. In dit geval wordt vaak gesproken in termen van rente en kapitaal.

In de periode na introductie van de Vogelrichtlijn kreeg de vage term langzamerhand inhoud. Geleidelijk werd de zg. 1%-norm geïntroduceerd door de werkgroep die zich over de concrete invulling boog. Daarbij gaat het erom dat de jaarlijkse afschot of vangst moet blijven binnen het aantal van 1% van de jaarlijkse populatiesterfte.

Dit criterium betreft oogsten van ouderdieren uit een populatie. Daarbij gaat het om een zaak van geheel andere orde dan bij het zoeken en rapen van kievitseieren. Men zou de vergelijking kunnen maken dat het bij jagen gaat om het omzagen van bomen terwijl het bij het kievitseierenzoeken gaat om het oogsten van de vruchten. De Raad van State plaatste eind 2006 terecht vraagtekens bij de toepassing van dit Ornis-criterium in de zaak van het zoeken en rapen van kievitseieren. Een probleem in dezen is dus dat er bij dit eierzoeken sprake is van een in Europees verband uniek fenomeen. Bovendien nog met een grote waarde van de eierzoeker in de legselgerichte weidevogelbescherming, waardoor er sprake is van een schoolvoorbeeld van ‘verstandig en duurzaam gebruik’. Maar de Nederlandse overheid heeft destijds verzuimd om de Kievit op de Index van de Richtlijn te plaatsen –hetgeen door veel andere landen wél met bepaalde soorten werd gedaan- zodat de eis van ‘kleine hoeveelheden’ ook voor het kievitseierenzoeken en –rapen een invulling dient te krijgen 

De rechter eiste echter dus terecht een criterium Onder deze druk sloegen de ambtenaren aan het rekenen en kwamen uit op een getal van rond de zevenduizend –om precies te zijn 6934- kievitseieren gemiddeld per jaar. Als die jaarlijks gevonden en geraapt zouden worden, dan zou er voor de populatie geen bedreiging zijn. Vogelbescherming Nederland verzoende zich met deze berekeningen en stopte haar verzet, zich bewust van de natuurbeschermende waarde –de achterkant-  van het eierzoeken in de weidevogelbescherming.  

Hans van Ophem, de advocaat voor de provincie Fryslân, beklemtoonde het feit dat in een gemiddeld voorjaar en 1 april als sluitingsdatum, de eieren van slechts tien procent van de Friese kievitenpopulatie gevonden kunnen worden. De andere 90 procent van de kieviten komen pas later aan de leg. Het aantal geraapte (of beter: mogelijkerwijze aanwezige kievitseieren) kievitseieren is door de verkorting en de verdere beperkingen in grondgebied waar überhaupt in Fryslân naar kievitseieren mag worden gezocht met meer dan 400% is afgenomen, zo werd door Van Ophem betoogd.  Voorts, zo zei hij,  sprak ‘Europa’ al in 2002/2003 van ’een verwaarloosbaar effect van eierrapen op de stand van de kievit’, in correspondentie aan de Nederlandse organisatie en dat was in een periode dat het eierzoeken nog op meer gebieden en tot een langere periode was toegestaan. Van enige schade aan de stand is dan ook geen sprake.

Hans van Ophem wees dan ook terecht op het gegeven dat sinds 2000 de kievitenstand stabiel is, ondanks de op dat moment nog veel grotere raapdruk.

Het is een opvallend feit in dit geheel van gehanteerde aannames in het cijfermodel ter berekening van de 6934 eieren die per voorjaar ongestraft geraapt kunnen worden, de instemming verwierf van Vogelbescherming Nederland in Zeist. Deze organisatie deed dan ook niet mee in de bodemprocedure.

In deze zaak wordt voortdurend duidelijk dat niet alles in cijfertjes te vangen is. Elk voorjaar verschilt van het voorgaande. Er is sprake van enorme schommelingen. Als men alleen al de vinddatum van het eerste Friese kievitsei beschouwt dan is het allervroegste ooit gevonden op 4 maart (1989), het allerlaatste op 31 maart(1969)!

Hoe wil men het weer en resultaten daarvan bv. voor het aantal geraapte eieren per jaar in cijfers en formules vangen. “Biologie is nu eenmaal geen wiskunde’, verzuchtte de rechter terecht.

Het is duidelijk dat het aantal te rapen kievitseieren en handhaving van die bepaling een buitengewoon slecht handhavingsmaatregel is. De al honderden jaren toegepaste uiterste sluitingsdatum (een beperking in de tijd) is daarvoor natuurlijk veel doelmatiger.

 

In de bepalingen is op aandrang van het ministerie in Den Haag het getal van vijftien jaarlijks te rapen eieren per eierzoeker ingevoerd. Dat zou dan een extra waarborg zijn voor de ecologische onschuld. Dit is een overbodig en moeilijk te hanteren criterium.

Overbodig omdat de sluitingsdatum voldoende waarborg is om die onschuld te garanderen; moeilijk te hanteren omdat controle op dit aantal (quotum) buitengewoon lastig is. Hoe zullen de controlerende diensten dit aantal ooit kunnen controleren?? De AID is nu al redelijk actief met de controle van de noodzakelijke documenten. Dat is nu al een heksentoer die dan ook steekproefsgewijs gedaan wordt.

 

De controle op het aantal meegenomen eieren is bovendien zinloos. Dat heeft te maken met het volgende omstandigheid en dat element ontbreekt opvallend in deze hele discussie.

Het wordt voorgesteld alsof de kieviten hun eieren leggen op weiden en akkers waar verder niets gebeurt. Maar die voorstelling van zaken is natuurlijk geen schim van de werkelijkheid.

 

Men moet zich realiseren dat het fenomeen eierzoeken zich afspeelt in een periode dat het in de weilanden en op de akkers een drukte van belang is. Daar wordt geëgaliseerd, gefreesd, gegreppeld, kunstmest gestrooid, drijfmest geïnjecteerd of met kilometerslange sleepslangen uitgereden, dat het een lieve lust is. Eierzoeken is niet zelden een wedstrijd tussen de boer die zijn werkzaamheden uitvoert en de eierzoeker die zijn kânske heeft.

Als het vroege kievitsei niet door de eierzoeker gevonden en opgeraapt wordt dan gaat het dikwijls juist in die vroege fase van intensieve voorjaarswerkzaamheden verloren.

 

Dit is ook precies wat op een enorme schaal gebeurt buiten de provincie Fryslân. Daar worden de vroeg gelegde kievitseieren niet opgeraapt. Maar het merendeel van die gelegde kievitseieren wordt simpelweg stuk gereden of gaat anderszins verloren en de mensen staan er –zich totaal niet bewust van deze ecologische ramp- met de rug naar toe! Beschermen is in die vroege fase vrijwel ondoenlijk. Het beruchte voorbeeld zijn de honderden hectares Noordbrabantse maïsvelden langs de Maas. Daar worden nu geen kievitseieren meer geraapt. Maar juist in de fase dat de kieviten al vrij ver met het broedproces zijn, komen de grote landbouwmachines en wordt in enkele dagen het totale gebied bewerkt en ingezaaid. Alles wat daar aanwezig is –en het gaat dan om aanzienlijk meer dan de 6934 Friese eieren- gaat stuk, ook de verbroede eieren. De ernstige vraag is of de kievitvrouwtjes bij verlies van het legsel in die late broedfase dan nog in staat zijn tot een vervolglegsel.

Die vraag is in Fryslân niet aan de orde. Vrijwel alle eieren worden vers geraapt en de kievit begint na verlies van een compleet legsel na een dag of acht tot tien weer met het volgende legsel van vier, met een ovarium in goede conditie. Het eierzoekverbod lijkt dus winst maar is het niet!

 

De filosofie van de BFVW en de provincie Fryslân is dan ook: laat die allereerste, buitengewoon lastig te beschermen kievitseieren opzoeken door de ljipaaisiker tot een bepaalde vastgestelde datum en mobiliseer daarna die gemotiveerde mensen als beschermer. Dat is de Friese praktijk. En het werkt voortreffelijk. De helft van alle weidevogelbeschermers (rond 6250 van de 12.000) in ons land woont in Fryslân. En Fryslân is meteen ook de provincie waar de dichtheid aan weidevogelbeschermers rond tienmaal hoger is dan in welke andere provincie ook. De Friezen maken hun verantwoordelijkheid voor de weidevogels dus aardig waar.

 

(zie grafiek)

 

 

Bijlage:    Opmerkingen over de aantallen:

 

De handel in kievitseieren werd rond 1975 verboden en daarmee verdween de registratie van aantallen door de poeliers. Uit het verre en meer recente verleden zijn echter wel enkele getallen bekend. Zo circuleren  cijfers uit onbekende bron over de aanvoer naar  de markten in Sneek en Leeuwarden. Deze cijfers zijn: 

voor  1903     68.725 kievitseieren

         1904   144.800      ,,

         1905     61.700      ,,

         1906     66.582      ,,

Van andere historische gegevens is de bron wel bekend.  In 1932 bestudeerde de heer G.Wolda de marktcijfers. Wolda was werkzaam bij de Plantenziektenkundige Dienst in Wageningen. Hij gebruikte voor zijn studie de marktgegevens omtrent de aanvoer van kievitseieren, zoals die vroeger werden opgenomen in diverse dag- en weekbladen. Zijn doel was om met deze cijfers de achteruitgang van de kievitenstand in die tijd te bewijzen. Maar  de grilligheid van de cijfers verhinderde het leggen van enige relatie met vermeende achteruitgang.

Enkele marktcijfers die hij berekende:

Jaar

kievitseieren

1913

86.000

1914

104.000,

1915

118.000

1916

110.000

1917

60.000

1918

68.000

1919

124.000

1920

166.000

1921

113.000

1922

40.000

1923

70.000

1924

93.000

1925

87.000

1926

119.000

1927

111.000

1928

69.000

1929

75.000

1930

84.000

Grafiek kievitseieren 1913-1930 

Het gaat hier om landelijke cijfers. Bron: Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels, Albert Beintema, 1995.

In de tijd van deze beide reeksen was het kievitseierenzoeken landelijk toegestaan tot en met 28 april. In 1937 bracht de rijksoverheid de zoekperiode terug door de sluitingsdatum vast te stellen op 20 april (19 april laatste zoekdag).

In 1955 werd de zoekperiode in de andere provincies teruggebracht naar 13 april, in Fryslân beleef 20 april gehandhaafd.

 In 1975 werd de sluitingsdatum zonder overleg met betrokkene organisaties hetgeen was toegezegd, plotseling vastgesteld op 6 april, maar na hevige protesten van Friesland werd deze datum in deze provincie het jaar daarop weer met een week verlengd tot 13 april. Deze situatie, dat in Friesland een week langer naar kievitseieren mocht worden gezocht, bleef probleemloos gehandhaafd tot het voorjaar van 1993. Vanaf dat jaar wordt de sluitingsdatum 9 april tot het jaar 2001 als de Flora- en Faunawet wordt ingevoerd. Die nieuwe natuurwet decentraliseert de zaak van het kievitseierenzoeken; voortaan moet elke provincie zelf bepalen hoe men met het kievitseierenzoeken en –rapen omgaat. Dat betekent het einde voor het zoeken en rapen van kievitseieren in alle provincies met uitzondering van Friesland.

Hier wordt het eierzoeken fel verdedigd door het Provinciaal Bestuur én de groene organisatie Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW), een ongesubsieerde vereniging die de negentiende plek inneemt in VARA’s Vroege Vogelparade.

Een derde groep van getallen heeft betrekking op de aanvoer naar één adres, namelijk poelier De Jong in Leeuwarden, het belangrijkste, maar niet het enige, aanvoeradres in Friesland. Opgemerkt moet worden dat in 1975, het jaar dat de sluitingsdatum teruggebracht werd naar 6 april, er sprake was van een koud en laat seizoen. Het aanvoercijfer laat dat effect ook zien. In het jaar erna werd de zoekperiode weer verlengd naar 13 april, hetgeen ook direct terug te vinden is in een weer stijgende aanvoer.

Aanvoer naar poelier De Jong,  Sintjakobstraat,  Leeuwarden. Waar na het jaartal niets is ingevuld ontbreken goede cijfers:

1957          178.000        1971     35.000          1985     12.000

1958                             1972     52.000          1986     11.000

1959                             1973     40.000          1987       8.000

1960            98.000        1974     47.000          1988     15.000

1961                             1975     10.275 (!)      1989     12.000

1962            68.000        1976     20.330          1990       7.000

1963                             1977     31.000

1964                             1978     22.000

1965                             1979     13.000

1966            80.000        1980     17.000

1967           100.000       1981     20.000

1968                             1982     11.000

1969             60.000       1983     17.000

1970             36.100       1984     12.000

Grafiek kievitseieren 1957-1990

Van de jaren na 1990 is de aanvoer niet bekend. In 1993 werd de handel in kievitseieren bij wet verboden. 

Het is niet juist om de steeds lagere marktaanvoercijfers als het getal te aanvaarden van de in dat jaar gevonden totale aantal kievitseieren. Behalve een aanzienlijke berperking in tijd, moet ook worden bedacht dat vanaf de tachtiger jaren geleidelijk een praktijk begon te heersen dat kievitseieren minder dan vroeger aangeboden werden voor de verkoop. Meer en meer werden ze vanaf die tijd in familiekring geconsumeerd. Dat had ook te maken met de stijgende welvaart. De relatief geringe prijs voor de kievitseieren in vergelijking met vroeger tijden maakte de gang naar de poelier minder interessant.

Bijlage 2: Is afbraak van het ljipaaisykjen de oplossing voor de kievit? 

De Flora- en faunawet (sinds 2002) schrijft voor dat provincies ontheffing moeten verlenen om het eierzoeken toe te staan. Een dergelijke ontheffing is altijd vatbaar voor bezwaar en beroep.

Fryslân, de enige provincie die daartoe besluit, heeft in de ontheffing 31 maart als laatste zoekdag (1 april sluitingsdatum) opgenomen. Dat betekent een beperking van het eierzoeken  met 8 dagen. Het is de meest ingrijpende beperking in tijd in de laatste vijftig jaar van de historie van het ljipaaisykjen.

De gemiddelde vinddatum van het eerste Friese ljipaai over de laatste 20 jaar is 13 maart. De gemiddelde vinddatum van ‘myn persoanlike earste’ is rond 20 maart  Mijn vroegste is 12 maart 2007; mijn laatste is 6 april 1969! In dat jaar 1969 werd het eerste Friese kievitsei op precies 31 maart gevonden! Ik schat mijzelf in als een redelijk deskundig en in ieder geval enthousiast ljipaaisiker.

In de huidige situatie vindt de gemiddelde eierzoeker pas een kievitsei in de allerlaatste week van maart. Dan is het ljipaaisykjen simpelweg te kort om maar enige wervende waarde naar de jeugd te hebben. En van die jeugd moeten we het hebben.

Het eierzoeken is de dobber waarop de Friese weidevogelbeschermingsinzet drijft. Duidelijk is dat het eierzoeken moet doorgaan. Het proces van erosie van betrokkenheid en daadwerkelijke inzet dat nu al gaande is moet worden gestopt. Zo niet, dan verliezen grote groepen van waardevolle mensen voorgoed de belangstelling. Verlies van betrokkenheid betekent onherroepelijk verloedering. De Friese weidevogelbescherming betreft intussen bijna 150.000 hectares en bijna dertig soorten weidevogels. Het gaat om rond zestigduizend legsels. In 2004 deden in Fryslân rond 6450 mensen mee aan de bescherming (de neisoarch).

Het kievitseierenzoeken en –rapen moet in dit geheel beschouwd worden als de kost die voor de baat uitgaat!

Er vindt juist op dit moment een grote herbezinning plaats op het ministerie m.b.t. de Flora- en Faunwet. Het is hét moment om ons met elkaar te bezinnen op de waarden van het aloude kievitseierenzoeken in het licht van nieuwe inzichten.

Die evaluatie moet verder en dieper gaan dan de nogal eendimensionale benadering van Marianne Thieme zoals die blijkt uit haar vragen aan de minister.

Sake P.Roodbergen

Akkrum

juni 2007

F