De acht agrarische natuurverenigingen die in Noord Nederland collectief
weidevogelmozaïekbeheer toepasten hebben in vaste telgebieden van in totaal
2.571 hectare de aantallen nesten of broedparen bijgehouden. De
broedpaardichtheid van de grutto in de mozaïekgebieden was in 2009 ongeveer de
helft van die in de Friese weidevogelreservaten, maar met 18 paar per 100
hectare nog heel redelijk. De dichtheid van de tureluur was ongeveer gelijk en
die van kievit en scholekster respectievelijk 40% en bijna 50% hoger. Dat blijkt
uit het rapport ‘Weidevogelmozaïekbeheer Noord-Nederland Resultaten 2009’.
Met uitzondering van de scholekster vertonen de steltloperweidevogels in 2009 in
het algemeen een daling ten opzichte van 2008. Het aantal gebieden met een
negatieve ontwikkeling overtreft het aantal met een positieve ontwikkeling. Een
positieve uitschieter is ‘t Bûtlân, waar sinds de start van het mozaïekbeheer de
gruttostand verdubbelde en het aantal tureluurs verdrievoudigde. De droogte in
april lijkt minder dan in 2007 de aantallen broedparen en nesten parten te
hebben gespeeld. De weersomstandigheden leken gunstig voor opgroeiende pullen.
Op de totale oppervlakte mozaïekbeheer gaat de grutto sinds 2004 achteruit. Over
de hele periode 2000-2009 is de populatie echter nog stabiel. De kievit neemt
gemiddeld met 4% per jaar toe. De tureluur en de scholekster zijn stabiel, zij
het met soms flinke schommelingen. De ontwikkelingen van de aantallen bij het
mozaïekbeheer onderscheiden zich positief van de algemene ontwikkelingen in de
provincie Friesland, waar de vier stelloperweidevogels tot en met 2008 met 4 tot
8% per jaar achteruitgingen. Het goede resultaat lijkt niet hoofdzakelijk het
gevolg van immigratie uit andere gebieden. In de jaren 2006-2008 werden in de
mozaïekgebieden voldoende jonge grutto’s en tureluurs groot om de jaarlijkse
sterfte onder volwassen vogels te compenseren.
De jongenproductie bij de grutto was in 2006-2008 in de mozaïekgebieden beter
dan in Friese reservaten en bij de tureluur even goed. Alleen bij de kievit
leidde het mozaïekbeheer tot een ombuiging van een negatieve naar een positieve
trend. Voor de andere soorten was dat niet het geval. Het positieve resultaat is
dus niet zonder meer aan het mozaïekbeheer toe te schrijven. Er zijn ook andere
factoren die de gebieden tot goede weidevogelgebieden maken.
Mozaïekbeheer lijkt ertoe bij te kunnen dragen om goede weidevogelgebieden goed
te houden. Daarom moet het met voorrang in de resterende goede
weidevogelgebieden worden toegepast, samen met andere beschermingsmaatregelen
zoals herstellen van landschappelijke openheid, vermindering van predatie en
waar mogelijk waterpeilverhoging.