|
|
“Beleid nekt kievitpopulatie”

Grafiek waarop het aantal gevonden nesten in het BFVW-nazorggebied is
weergegeven. Illustratie: R. Bouma/S.P. Roodbergen
Leeuwarden - De nieuwe regels en wetgeving met betrekking tot het
ljipaaisykjen in Fryslân hebben een nadelige invloed op de
kievitpopulatie.
Ook de vele ganzengedoogzones (circa 40.000 hectare) in Fryslân hebben
evenmin een gunstig effect op de weidevogels en frustreren de
liefhebber, de aaisiker/neisoager in hoge mate.
Dat betogen Anne Osinga en Sake P.Roodbergen, voormalig voorzitter en
dagelijksbestuurslid van de Bond van Friese Vogelwachten (BFVW). Osinga
is momenteel waarnemend-voorzitter van de Plattelands Alliantie
Nederland (PAN), een landelijk samenwerkingsverband van groot aantal
verenigingen en instellingen die pleiten voor een verstandig gebruik van
de groene ruimte en haar wateren.
Op grond van artikel 13 van de Vogelrichtlijn van 1979 mag een
lidstaat geen maatregelen treffen die ongunstig zijn voor de (huidige)
beschermingssituatie. Volgens Osinga en Roodbergen is dat aantoonbaar
het geval. Zij maken zich ernstige zorgen over de toekomst van de kievit
(ljip) en het BFVW-beschermingsmodel (voor álle weidevogels).
De beide weidevogelliefhebbers signaleren enkele zorgwekkende
ontwikkelingen. Na ruim twintig jaar van groei en het bereiken van een
provinciale neisoarch-dekking van vrijwel honderd procent, is het aantal
weidevogelbeschermers (nazorgers) sinds 2004 langzaam aan het afnemen.
Buiten Fryslân daalde deelname door de eierzoekverboden –een gevolg van
de Flora- en faunawet- zelfs van 1200 naar 200 vrijwilligers! Binnen
Fryslân zaten er in 2004 6445 nazorgers in de kaartenbak, vorig jaar
waren dat er nog 6055.

Het lijkt erop dat dit aantal nog verder zal afnemen, omdat de aanwas
van de jeugd gering is en de ouderen ernstig gefrustreerd raken en
afhaken Door de ontstane beperkingen in tijdsduur én de enorme
toename van de verboden gebieden krijgen jongeren nauwelijks kansen om
kennis te maken met de aardigheid van het ljipaaisykjen.
Een sterk negatief signaal is de afname van het aantal gevonden
nesten van de kievit in het nazorggebied van de BFVW. In 2007 was er
sprake van een teruggang van 14,1 procent in het 154.000 hectare grote
nazorggebied.
De vervroegde sluitingsdatum van 1 april, die sinds 2005 van kracht is,
heeft kennelijk geen gunstige invloed gehad op de kievitpopulatie,
concluderen Osinga en Roodbergen. Er komen wel vroeger kuikens maar de
kans dat deze kuikens overleven is gering. ,,Se komme om yn 'e
meanmasine of wurde omploegd op it maislân. Der docht him by dizze iere
slutingsdatum fan it aaisykjen in skynbere paradoks foar dat te koart
aaisykjen negative gefolgen hat foar de ljip. Eardere sluting fan it
aaisikersseizoen liket aardich, mar soarget foar in ekologyske falle",
aldus het tweetal. Kuikens zijn praktisch niet te beschermen, maar
eieren wel, leggen de ervaren nazorgers uit. Ze pleiten daarom voor
uitstel van de broedperiode van de kievit en dus voor een latere
sluitingsdatum, tot minimaal 9 april, maar dan wel met enige
flexibiliteit. Het was ook juist in de jaren dat die negende april de
sluitingsdatum was, van 2002 tot en met 2004, dat er groei in de
broedpopulatie zat.
Bijkomend voordeel is dat de kievit dan tegelijkertijd (synchroon) gaat
broeden met de tureluur (tsjirk) en grutto (skries). ,,Dat makket de
neisoarch koarter en effektiver en mei syn allen kinne de fûgels harren
folle better ferwarre tsjin de loftpredatoaren."

De grafische voorstelling van de cijfers lijkt het gelijk van de
beide oud-BFVW-ers te bevestigen. En de recente daling kan niet aan het
eierzoeken worden toegeschreven. In 2001 gingen de aaisikers vanwege de
MKZ-crisis niet het land in. Ook in 2005 werd er niet gezocht, toen
vanwege een rechterlijke uitspraak. In beide jaren leidde dat niet tot
toename maar in 2001 zelfs tot een duidelijke afname. ,Tsjinstanners fan
it aaisykjen tochten, dat it aaisikersferbod yn it foardiel wêze soe
foar de fûgels. Dat wie dus net sa. It liket in komplete paradoks, mar
in tekoart oan ljipaaisykjen liket min út te pakken foar de ljip. De
slutingsdatum is tefolle nei foaren trochsketten”, aldus de beide heren.
Een tweede zorgelijke ontwikkeling is het ganzengedoogbeleid. Het
grote aantal ganzengedooggebieden in Fryslân is de weidevogelliefhebbers
ook een doorn in het oog. In deze gebieden broeden steeds minder
kieviten en zeker minder grutto's en tureluurs. Dat komt omdat de ganzen
het gras kort houden, terwijl grutto's en tureluurs liever in langer,
polachtig gras broeden. Bovendien ergeren Osinga en Roodbergen zich
eraan dat eierzoekers tot half vijf niet in de gedoogzones mogen komen.
,,Dat is fan heal Maart ôf gewoan fernederjend", vindt Roodbergen. “Dan
is de bulk fan de guozzen echt al fuort”. Hij wijst erop dat Fryslân
vóór 2006 rond 19.000 hectare ganzengedoogland had en dat dit sindsdien
rond 39.000 bunder is. ,,It aaisykjen is dêrtroch enoarm beheind."
Een derde beperking is dat er sinds twee jaar niet meer in de
graslandgebieden van It Fryske Gea gezocht mag worden. ,,Dat sels sa’n
eigen Fryske klub it BFVW-wurkmodel net mear stipet, betsjut in ferkeard
sinjaal en in fierdere jammerlike beheining fan it draachflak."
Osinga en Roodbergen betreuren het dat het aaisykjen sinds de komst fan
de Flora- en faunawet onderwerp is geworden van een juridisch steekspel.
De sluitingsdatum van 1 april is gerelateerd aan de zogenaamde 1
procents-regeling van de EU, die zegt dat niet meer dan 1 procent van de
natuurlijke sterfte van een populatie mag worden bemachtigd. ,,Unsinnich
fansels, want as der mear fûgels dea geane meie je mear meinimme. Dizze
regeling is ek alhiel net bedoeld foar it ljipaaisykjen, mar foar
fûgelfangst en jacht yn súdlike lannen."
Osinga en Roodbergen beraden zich nog over de te volgen strategie, óf
via de europarlementariërs óf rechtstreeks via een klacht bij de
Europese Commissie over
het feit dat Nederland een beleid voert dat nadelig is voor weidevogels
én voor bescherming beide. Dat is strijdig met het eerdergenoemde
artikel 13 van de Vogelrichtlijn
|