Datum:01-04-2008 Oud-bestuursleden Osinga en Roodbergen van BFVW luiden noodklok


 “Beleid nekt kievitpopulatie”


 

Grafiek waarop het aantal gevonden nesten in het BFVW-nazorggebied is weergegeven. Illustratie: R. Bouma/S.P. Roodbergen
 
Leeuwarden - De nieuwe regels en wetgeving met betrekking tot het ljipaaisykjen in Fryslân hebben een nadelige invloed op de kievitpopulatie.
Ook de vele ganzengedoogzones (circa 40.000 hectare) in Fryslân hebben evenmin een gunstig effect op de weidevogels en frustreren de liefhebber, de aaisiker/neisoager in hoge mate.
Dat betogen Anne Osinga en Sake P.Roodbergen, voormalig voorzitter en dagelijksbestuurslid van de Bond van Friese Vogelwachten (BFVW). Osinga is momenteel waarnemend-voorzitter van de Plattelands Alliantie Nederland (PAN), een landelijk samenwerkingsverband van groot aantal  verenigingen en instellingen die pleiten voor een verstandig gebruik van de groene ruimte en haar wateren.

Op grond van artikel 13 van de Vogelrichtlijn van 1979 mag een lidstaat geen maatregelen treffen die ongunstig zijn voor de (huidige) beschermingssituatie. Volgens Osinga en Roodbergen is dat aantoonbaar het geval. Zij maken zich ernstige zorgen over de toekomst van de kievit (ljip) en het BFVW-beschermingsmodel (voor álle weidevogels).
De beide weidevogelliefhebbers signaleren enkele zorgwekkende ontwikkelingen. Na ruim twintig jaar van groei en het bereiken van een provinciale neisoarch-dekking van vrijwel honderd procent, is het aantal weidevogelbeschermers (nazorgers) sinds 2004 langzaam aan het afnemen. Buiten Fryslân daalde deelname door de eierzoekverboden –een gevolg van de Flora- en faunawet- zelfs van 1200 naar 200 vrijwilligers! Binnen Fryslân zaten er in 2004 6445 nazorgers in de kaartenbak, vorig jaar waren dat er nog 6055.
 
Het lijkt erop dat dit aantal nog verder zal afnemen, omdat de aanwas van de jeugd gering is en de ouderen ernstig gefrustreerd raken en afhaken  Door de ontstane beperkingen in tijdsduur én de enorme toename van de verboden gebieden krijgen jongeren nauwelijks kansen om kennis te maken met de aardigheid van het ljipaaisykjen.
Een  sterk negatief signaal is de afname van het aantal gevonden nesten van de kievit in het nazorggebied van de BFVW. In 2007 was er sprake van een teruggang van 14,1 procent in het 154.000 hectare grote nazorggebied.

De vervroegde sluitingsdatum van 1 april, die sinds 2005 van kracht is, heeft kennelijk geen gunstige invloed gehad op de kievitpopulatie, concluderen Osinga en Roodbergen. Er komen wel vroeger kuikens maar de kans dat deze kuikens overleven is gering. ,,Se komme om yn 'e meanmasine of wurde omploegd op it maislân. Der docht him by dizze iere slutingsdatum fan it aaisykjen in skynbere paradoks foar dat te koart aaisykjen negative gefolgen hat foar de ljip. Eardere sluting fan it aaisikersseizoen liket aardich, mar soarget foar in ekologyske falle", aldus het tweetal. Kuikens zijn praktisch niet te beschermen, maar eieren wel, leggen de ervaren nazorgers uit. Ze pleiten daarom voor uitstel van de broedperiode van de kievit en dus voor een latere sluitingsdatum, tot minimaal 9 april, maar dan wel met enige flexibiliteit. Het was ook juist in de jaren dat die negende april de sluitingsdatum was, van 2002 tot en met 2004, dat er groei in de broedpopulatie zat.
Bijkomend voordeel is dat de kievit dan tegelijkertijd (synchroon) gaat broeden met de tureluur (tsjirk) en grutto (skries). ,,Dat makket de neisoarch koarter en effektiver en mei syn allen kinne de fûgels harren folle better ferwarre tsjin de loftpredatoaren."

De grafische voorstelling van de cijfers lijkt het gelijk van de beide oud-BFVW-ers te bevestigen. En de recente daling kan niet aan het eierzoeken worden toegeschreven. In 2001 gingen de aaisikers vanwege de MKZ-crisis niet het land in. Ook in 2005 werd er niet gezocht, toen vanwege een rechterlijke uitspraak. In beide jaren leidde dat niet tot toename maar in 2001 zelfs tot een duidelijke afname. ,Tsjinstanners fan it aaisykjen tochten, dat it aaisikersferbod yn it foardiel wêze soe foar de fûgels. Dat wie dus net sa. It liket in komplete paradoks, mar in tekoart oan ljipaaisykjen liket min út te pakken foar de ljip. De slutingsdatum is tefolle nei foaren trochsketten”, aldus de beide heren.

Een tweede zorgelijke ontwikkeling is het ganzengedoogbeleid. Het grote aantal ganzengedooggebieden in Fryslân is de weidevogelliefhebbers ook een doorn in het oog. In deze gebieden broeden steeds minder kieviten en zeker minder grutto's en tureluurs. Dat komt omdat de ganzen het gras kort houden, terwijl grutto's en tureluurs liever in langer, polachtig gras broeden. Bovendien ergeren Osinga en Roodbergen zich eraan dat eierzoekers tot half vijf niet in de gedoogzones mogen komen. ,,Dat is fan heal Maart ôf gewoan fernederjend", vindt Roodbergen. “Dan is de bulk fan de guozzen echt al fuort”. Hij wijst erop dat Fryslân vóór 2006 rond 19.000 hectare ganzengedoogland had en dat dit sindsdien rond 39.000 bunder is. ,,It aaisykjen is dêrtroch enoarm beheind."

Een derde beperking is dat er sinds twee jaar niet meer in de graslandgebieden van It Fryske Gea gezocht mag worden. ,,Dat sels sa’n eigen Fryske klub it BFVW-wurkmodel net mear stipet, betsjut in ferkeard sinjaal en in fierdere jammerlike beheining fan it draachflak."
Osinga en Roodbergen betreuren het dat het aaisykjen sinds de komst fan de Flora- en faunawet onderwerp is geworden van een juridisch steekspel. De sluitingsdatum van 1 april is gerelateerd aan de zogenaamde 1 procents-regeling van de EU, die zegt dat niet meer dan 1 procent van de natuurlijke sterfte van een populatie mag worden bemachtigd. ,,Unsinnich fansels, want as der mear fûgels dea geane meie je mear meinimme. Dizze regeling is ek alhiel net bedoeld foar it ljipaaisykjen, mar foar fûgelfangst en jacht yn súdlike lannen."
Osinga en Roodbergen beraden zich nog over de te volgen strategie, óf via de europarlementariërs óf rechtstreeks via een klacht bij de Europese Commissie over
het feit dat Nederland een beleid voert dat nadelig is voor weidevogels én voor bescherming beide. Dat is strijdig met het eerdergenoemde artikel 13 van de Vogelrichtlijn