HET GROENE WAAS: over oernatuur, boerennatuur en stadsnatuur
 

Dr.J.H.M. Hilgers, bioloog

 

“In Nederland heerst een welhaast permanente strijd om de natuur, die steeds meer met verbetenheid of zelfs verbittering wordt uitgevochten”. Zo begint een tekst van Jozef Keulartz in: “Rustig, ruig en rationeel: filosofische debatten over de verhouding cultuurnatuur” waarin een aantal bijdragen uitgesproken in Kasteel Groeneveld, in Baarn, in het jaar 2000. “In discussies over de ruimtelijke inrichting van Nederland gaat het telkens weer over de betekenis van en de verhouding tussen drie uiteenlopende landschapstypen, het nieuwe natuurlandschap, het oude cultuurlandschap en het moderne stadslandschap”.

In de huidige natuurontwikkelingsvisie staat nog steeds de zogenaamde “oernatuur” voor het nieuwe natuurlandschap centraal. Die dient zich ongestoord te ontwikkelen en menselijke ingrijpen moet tot een minimum beperkt blijven, “hands off” en “no use” in plaats van “wise use” is het devies.

Aanvankelijk werd gedacht binnen de school van de florist Jac Thijsse en de latere plantensocioloog Victor Westhoff (Nijmegen) dat die oernatuur een aaneengesloten bos was van verschillende typen zoals eikenbeukenbos op de hogere rijkere gronden, naar elzenbroekbos in lager gelegen natte biotopen. Vanaf het begin van de negentiger jaren kwam daar als alternatieve climax vegetatie - van de boreale loofhoutgordel, die zich rond het noordelijk halfrond bevindt onder de naaldhoutgordel - die van Frans Vera (Wageningen) tegenover te staan. 

Deze maakt zich sterk voor een grote invloed van runderen en paarden in zulke bosgebieden, die door tred en begrazing voor een voortdurende verjonging van bomen en struiken zorgden zodat er een halfopen parklandschap zou hebben bestaan. Ik citeer nogmaals Keulartz: “Van nature bestaat de vegetatie uit een mozaïek van grote en kleine graslanden, struwelen, solitaire en groepsgewijs voorkomende bomen”.

Het oude boerennatuurlandschap is ontstaan toen de jagende mens een landbouwende mens werd. Bossen verdwenen grotendeels uit het landschap en Nederland werd een grote open ruimte, die zijn hoogste waarde aan biodiversiteit bereikte rond het midden van de negentiende eeuw, toen na 1850 de industriële revolutie begon en de urbanisatie op gang kwam. Een afwisselend weids landschap met een grote verscheidenheid aan planten en dieren, met name vogels, was het gevolg van de eeuwenlange continue, jaar in en jaar uit terugkerende bewerking van het land door de boer.

Het land van riet – jong en oud waar de grote karekiet en de roerdomp leeft - van grienden, schraallanden zoals blauw- en kalkgraslanden met zeldzame orchideeën, trilvenen met bijzondere hoogveen vegetaties, heidevelden met zandverstuivingen en nog steeds kleine bossen, struwelen en niet in ontginning gebracht “onland”. De boerennatuur in optima forma, ook wel “het oude cultuurlandschap” genoemd. Een wezenlijk ander landschap dan dat van de “echte natuur”, ooit hier aanwezig duizenden, tienduizenden jaren geleden, toen er nog wisenten en oerrunderen, Przewalski paarden en tarpans in deze contreien voorkwamen

Voor Willem van Toorn in zijn boek uit 1998, het “Leesbaar Landschap”, met een schat van verhalen, is juist die boerennatuur de bakermat van onze identiteit. Hans Achterhuis is een der grootste voorvechters van het behoud van de boerennatuur. Over de oernatuurfanatici zegt hij: “ze verwoesten het rivierenland van mijn ouders en grootouders”.

Petran Kockelkoren uit Twente gaat een stap verder. Hij bekritiseert niet alleen de oernatuurfilosofen maar ook de boerennatuur liefhebbers, die een Ot-en-Sien-natuur voorstaan met mandenvlechters, klompenmakers en andere Middeleeuwse landelijke ambachtslieden waarmee de braderieën bevolkt worden. Valse nostalgie! De inrichting van de huidige natuur moet volgens Kockelkorn gezien worden als een exponent van het verstedelijkingsproces. Onze hedendaagse grootindustriele “technotoop” kan volgens Kockelkoren gunstige condities bieden voor natuurexpressie en een acceptabele stadsnatuur.

Ik wijs hier wellicht ten overvloed op de definitie van de natuur van Victor Westhoff: “Alles wat geheel of gedeeltelijk door menselijk toedoen ontstaan is en wat door de mens kan worden waargenomen. Binnen dit kader zijn zaken die helemaal door de mens gemaakt zijn zoals gebouwen, schilderijen en kunst geen natuur. Parken en tuinen daarentegen wel: die zijn allen ten dele buiten het toedoen van de mens ontstaan”.

Tot zover de beschrijving van het hedendaagse Nederlands natuurcultuurlandschap: een mix van oernatuur (het nieuwe natuurlandschap), boerennatuur (het oude cultuurlandschap) en stadsnatuur (het moderne stadslandschap).

Kwantitatief benaderd gaat het om een miljoen hectare verstedelijkt gebied met stads- en buitenwijknatuur,  twee miljoen hectare boerenatuur (het moderne bioarme vergiftigde onland) en om nog eens een miljoen hectare van het nieuwe natuurlandschap, globaal binnen de EHS en de Natura 2000 gebieden. Van dit laatste kwart is de helft water, te weten, de Zeeuwse delta, de Waddenzee en het IJsselmeer.

Verarmde boerennatuur bestaat nu uit eindeloze lange stukken land met monoculturen, met rechte grenzen waar nu gigantische landbouw machines, het paard en boerenkar hebben vervangen. De boerennatuur uit de achttiende en negentiende eeuw met de hoogste biodiversiteit ooit – wellicht nog hoger dan van die van de  oorspronkelijke oernatuur van duizenden jaren geleden  – is er nauwelijks meer. De resten ervan worden beschermd door natuurbeherende instanties, ook buiten de EHS.

Verdwenen binnen een halve eeuw. De race om meer en goedkoper voedsel met behulp van monoculturen van Engels raaigras, suikerbieten, aardappelen, granen en maïs, liet geen plaats voor de echte boerennatuur. Begonnen na de laatste Grote Oorlog toen in het kielzog van Sicco Mansholt, de rode boer uit Groningen, de landbouwconsulenten op de erven van de boeren verschenen.

En juist dit bio-arm land zal in de komende decennia worden omgezet in nieuwe woonwijken, infrastructuur en industrieterreinen. De boerennatuur omgezet in beton, baksteen en asfalt, het heeft immers geen natuurwaarde meer. Maar ruimte is ons hoogste uiterst schaarse goed en het gebruik van de natuur onze liefste wens.

Voor de eierzoeker, de visser, de jager, de ruiter blijft er niks meer over, ingeklemd tussen verstedelijking enerzijds en (on)toegankelijke natuur anderzijds. Ja in de reservaten, mag een wandelaar nog wel komen,  maar een ruiter nauwelijks en iemand die van de paden af een paddestoel plukt, bosbessen verzamelt, laat staan iemand die eieren zoekt, vist en jaagt wordt daar niet getolereerd. Een voorbeeld, terwijl in Duitsland vrijwel overal paddestoelen geplukt mogen worden – het zijn immers slechts de vruchten van een ondergronds mycelium dat daar niet onder lijdt – mag het in Nederland bijna nergens.

Meer recent is die bijna totale ontoegankelijkheid bij vele terreinbeherende instanties langzamerhand afgeschaft en is er een ontwikkeling gaande in de goede richting, maar die is nog lang niet ver genoeg gevorderd. Er zijn nog steeds totaal onbegrijpelijke “wetten” van ontoegankelijkheid en totale bescherming van kracht onder het mom “het is slecht voor de biodiversiteit”. Zo laat Staatsbosbeheer het zoeken van kievitseieren niet toe op haar weidegebieden in Friesland terwijl ze zelf de mening zijn toegedaan dat deze praktijk niet nadelig is voor de populatie. Het lijkt vaak gewoon willekeur. Of is men bang voor de gekleurde mening van een paar fanatici, die niet weten wat deze mensen met hun natuur bindt en handig gebruik maken van allerlei rechtsregels uit de Flora- en Faunawet.

En dat blijkt een grote blunder en misrekening van jewelste te zijn geweest, want het draagvlak op het platteland is daarmee verdwenen voor Vera’s meest oorspronkelijke oernatuurconcept met het “no use” principe. De imaginaire bloemenplukweiden voor kinderen tot twaalf jaar van Jac Thijsse, waar een grote bos bloemen voor vader en moeder mag worden geplukt – ja hoor, in de kroonjuwelen van onze natuur – zijn er nooit gekomen. Dat zou de rust en de natuurlijke processen maar verstoren.

Natuurlijk in tropische, ontoegankelijke en stinkende moerassen met steekvliegen en parasieten, daar komt een mens niet en toch is de biodiversiteit daar hoog en waardevol en gunstig voor de omgeving ervan. En natuurlijk ook in ons land zijn er stukken en plekjes natuur waar beter geen mens kan komen, bijvoorbeeld in de vogelbroedtijd. Maar de ontoegankelijkheid wordt niet begrepen en beschouwd als onrechtvaardig.

In de oernatuur van weleer toen we nog jaagden voor ons brood, in de boerennatuur van het tweede millennium, ja zelfs in de stadsnatuur van de laatste eeuw tot nu, is er nooit en te nimmer een mens uit die natuur geweerd. De toegankelijkheid was honderd procent, met uitzondering van een door grachtenpanden ommuurde binnentuin in onze grote steden. De mens stond er centraal in, gaf er toegevoegde waarde aan.

Alleen de “diehards”, de echte oernatuur proponenten kunnen  genieten van diezelfde oernatuur omdat zij er de kennis voor hebben, althans zo luidt het devies. Bij ieder nieuw gedetermineerd plantje, ieder nieuw vogeltje, iedere zeldzame libellensoort die in het levensstreepjesboek der natuur der puristen opgetekend wordt, stijgt de liefde voor die speciale ongestoorde natuur. Hun natuur, niet die van het plebs. Zij zijn de Groene Adel, zij maken uit wat goed voor ons is en goed voor ons is dat we er niet komen, want och want het volk begrijpt het toch niet.

Dit zijn de discipelen van Vera, niet meer met geitenwollensokken als arme biologie studenten struinend van akker tot akker in het Limburgse krijtland – op zoek naar het groot spiegelklokje en teer guichelheil - nee de rijke natuurfanatici met gigantische veldkijkers, schitterende determinatietabellen en boeken met kleurenfoto’s tot in de grootste details en hun onafscheidelijke levensstreepjesboek met een wereldrecord aan observaties van de zeldzaamste en mooiste in het planten- en dierenrijk.

Daar begrijpt een boer, een visserman en een jager helemaal niks van. Die mensen zijn alleen maar dom, lastig en van het intricate reilen en zeilen van de natuur hebben ze geen notie. En stel je voor ze staan nog te knallen ook.

En zolang de proponenten van oernatuur in het centrum van de macht de dienst uitmaken bij de landelijke en provinciale terreinbeherende instanties – in mindere mate bij de particuliere grondbezitters - zullen er meer en meer miljarden worden uitgegeven om het oernatuurconcept met robuuste verbindingszones te vervolmaken – tenminste tot 2018 - en zal het moderne bioarme land der boeren niet worden opgeknapt, al is het maar voor drie procent, pakweg zestigduizend hectare van de twee miljoen.

Wat een arrogantie overigens om te denken dat de natuur zich laat leiden middels verbindingszones. Daar had Westhoff al vanaf het begin zijn twijfels over "want vogels hebben deze niet nodig en insecten al helemaal niet, ook voor planten is het moeilijk om zich zo te verspreiden als de grondsamenstelling niet de juiste is". Belangrijker is om het vergiftigde en ontwaterde land op te knappen. Het zou bijvoorbeeld de Grote Peel, een deel van de EHS veel soortenrijker en biodiverser maken, als de omringende vermeste en uitgedroogde boerenlanderijen er niet zo’n nadelige invloed op hadden. Veel beter voor de biodiversiteit dan welke corridor naar welk ander gebied dan ook.

Zou het niet zo zijn dat de nog steeds voortschrijdende teloorgang van onze biodiversiteit het gevolg is van het feit dat juist het bio-armste land niet verbeterd wordt met kleine landschapselementen zoals; singels, struwelen, hagen, heggen, houtwallen, bosranden, natuurlijke bosjes, solitaire bomen, rietkragen, sloten en slootranden, poelen, fauna-akkers en – randen, meanderende beekjes met plas-dras gebieden, kranswieren en vlietende waterranonkels? Wat is er, maatschappelijk bezien, op tegen om de boer of een particuliere grondeigenaar, natuur te laten produceren als bedrijfsproduct? Wat is er op tegen om hem daar een bedrijfsmatig inkomen voor te betalen

Zou het niet eens tijd worden om onze aandacht hier op te richten in structurele zin met contracten voor de boeren voor een kwart eeuw liefst nog langer. De tijd voor het korte termijn en het hapsnap beleid en het opknappen van hooguit enkele duizenden hectares in de voorbije kwart eeuw is voorbij. Het is niet goed genoeg is en wekt slechts ergernis op het platteland mede door de enorme regelgeving en vooral de onzekerheid op langere termijn,zodat vaak alles weer snel verloren gaat.

Het zal niet gebeuren tenzij het evenwicht der machten in Nederland in de strijd om de natuur verschuift, tenzij er een nieuwe visie ontstaat ten faveure van de kleinschalige boerennatuur. Bijvoorbeeld die van ons bij de Plattelandsalliantie, genoemd: “Het Groene Waas boven en onder Water”, voor zestigduizend hectare van de twee miljoen modern productieland.