|
Over natuurgebruik van en recreatie in het
landschap
“Putting people
at the heart of the process” is het dogma van Natura
2000.
De Ramsar Conventie (1971), Het
Verdrag van Bonn (1979), het Verdrag van Bern (1979), De
Vogelrichtlijn (1979), de Habitatrichtlijn (1992), het
mondiale Biodiversiteitsverdrag (1992), de Ecologische
Hoofdstructuur (EHS) en de Natura 2000 richtlijn hebben
geleid tot een sterk nationaal natuurbeleid met grote
natuurbescherming- organisaties als Wereld Natuur Fonds
(wise use), Natuurmonumenten (no use), Vogelbescherming
(no use), Staatsbosbeheer (no use) en Provinciale
Landschappen (no use).
Een groot draagvlak dat echter ons
inziens begint af te brokkelen omdat die natuur met name
in Nederland maar beperkt toegankelijk is en het gebruik
ervan wordt ontmoedigd.
Het natuurbeleid concentreert zich
op ongeveer een kwart van het Nederlands landoppervlak
en omringende kustzeeën. De EHS heeft als grootste
wateren de Zeeuwse Delta, de Waddenzee en het
IJsselmeer. Op het land is de Veluwe het grootste gebied
met daarnaast bijna 200 kleinere gebieden die
bescherming genieten. Velen niet met elkaar verbonden
middels nog aan te leggen robuuste verbindingszones,
waar de politiek over verdeeld is.
Bij de
Tweede Kamer is inmiddels een wijziging van de
Natuurbeschermingswet ingediend waarin de internationale
Habitatrichtlijn is verankerd. Dit betekent dat de
bescherming van de EHS gebieden die tevens
Vogelrichtlijn- of Habitat-richtlijngebied zijn wordt
verzwaard.
Daar staat als scherp contrast
tegenover, vijfenzestig procent van ons landoppervlak,
waar boeren voedsel produceren en waar de natuur binnen
een halve eeuw grotendeels verwoest is, door
ruilverkavelingen, vermesting, vergiftiging van
onkruiden en insecten en door het gebruik van enorme
machines die grote schade kunnen aanrichten aan het
bodemleven en de wilde flora en fauna. Iedere vierkante
meter is in gebruik in verwoede pogingen om voedsel te
produceren tegen
concurrerende prijzen.
Een goed voorbeeld hiervan zijn de
Flevopolder en de Noordoostpolder, eindeloze
grootschalige kale akkers in de winter en met name
monoculturen van granen, aardappelen, bieten.
In de Handreiking Bestemmingsplan
en Natuurwetgeving wordt nog onlangs gewag gemaakt van
een verbreding van natuurbeleid, te weten
(1)
behalve intrinsieke waarde heeft de natuur
belevingswaarde en gebruikerswaarde,
(2)
natuur beperkt zich niet tot beschermde gebieden
maar begint aan de voordeur en
(3)
natuur dient een verantwoordelijkheid van de hele
samenleving te zijn en daar voldoende draagvlak te
vinden.
Maar papier is geduldig en in de
praktijk is dat hooguit en toekomst utopie, een utopie
totaal verschillend van die van Vera van SBB, die blijft
vasthouden aan het herscheppen van oernatuur met
intrinsieke waarde en als zodanig ontoegankelijk voor de
mens. Het levende bewijs zijn de oerrunderen en de
voorhistorische paarden, goedkoop voor het onderhoud en
het openhouden van bossen en struikgewas. Alleen het is
geen natuurbeheer zoals wij voorstaan, maar eigenlijk
veehouderij op grote schaal. Dit schept geen
biodiversiteit.
Het Natuurplanbureau in 1997 merkt
op dat weliswaar het areaal natuurgebied weer toeneemt
in Nederland maar dat de biodiversiteit nog wel steeds
afneemt. De Natuurbalans 2004 spreekt van grote
verschillen wat de kwaliteit van de natuur betreft.
Zo blijkt dat veertig procent van
de broedvogels zich binnen de Vogelrichtlijngebieden
uitbreiden, maar dat ze in agrarisch gebied sterk in
aantallen achteruitgaan.
Overigens verschuift de balans van
prooidieren in lucht en op de bodem ten gunste van de
lopende en vliegende predatoren op een wijze nog nooit
eerder gezien in Nederland. Des te dramatischer omdat de
roofvogelstand nog maar enkele decennia geleden zo
gedecimeerd werd door gechloreerde koolwaterstoffen die
werden gebruikt om insecten in het productieland van de
boeren te bestrijden.
Twee voorbeelden volstaan. Een
halve eeuw geleden waren er voor iedere buizerd duizend
patrijzen, nu is de verhouding – als gekeken wordt naar
het aantal broedparen – slechts een op een. Een kwart
eeuw geleden waren er twee aalscholverkolonies en
slechts enkele duizenden vogels, nu zijn er meer dan
vijftig en 25000 vogels in totaal, die een gigantische
aanslag plegen op onze vissen in het IJsselmeer en de
zoete binnenwateren.
In een brief van de ministers Dr.
C. Veerman en Drs. P. van Geel van 12 november 2004 die
als onderwerp heeft “Biodiversiteit in de Landbouw”
wordt dit begrip als volgt omschreven: “Het geheel aan
plantaardige en dierlijke genetische bronnen, bodem- en
micro-organismen, insecten en andere flora en fauna in
agro-ecosystemen, alsmede elementen van natuurlijke
habitats die relevant zijn voor agrarische
productiesystemen”.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt
in;
(1)
Genetische bronnen zoals rassen en
variëteiten van gedomesticeerde dieren en gewassen,
(2)
Functionele biodiversiteit zoals bacteriën,
schimmels, regenwormen, bestuivers, natuurlijke vijanden
van ziekten en plagen etc. en
(3)
Begeleidende biodiversiteit, weide- en
akkervogels, slootleven en landschapselementen.
In het meerjarenprogramma van de
Agenda Vitaal Platteland wordt aangekondigd dat in de
landbouwsector pilotes worden opgezet met als doel het
bevorderen van de functionele argobiodiversiteit. Want
met de genetische bronnen zit het wel goed, maar met de
“life-support” functie zo noodzakelijk voor een goede
landbouwproductie is van alles mis, om nog maar niet te
spreken van de begeleidende biodiversiteit. En ondanks
de (te kort durende) subsidies regelingen voor
agrarische natuur is het opkrikken van die
argotbiodiversiteit, nog altijd het kind van de rekening.
De Stichting Behoud Natuur en
Landschap (SBNL) heeft samen met de Koninklijke
Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) al een kwart eeuw
aan dit probleem gewerkt, maar hierdoor is slechts
minder dan duizend hectare boerenland opgeknapt met
kleine landschapselementen, een druppel op een gloeiende
plaat. Andere particuliere instanties, met name de
Federatie Particulier Grondbezit, hebben met hulp van
subsidies van de Provincies en Overheid in dezelfde
richting goed werk gedaan.
Dit alles is ruim onvoldoende
geweest en heeft Jaap Dirkmaat, bekend van zijn
beschermingsdrang voor das en korenwolf, doen besluiten
om enige jaren geleden de
Vereniging Nederlands
Cultuurlandschap op te richten en een Deltaplan voor het
Landschap te schrijven.
Daarnaast is onder zijn paraplu
onder andere de Stichting Landschapswacht
actief, die
terreinen - in beheer bij Natuurmonumenten
en Staatsbosbeheer - aan een kritische blik onderwerpt
en tot de conclusie komt dat het natuurbeheer door die
grote organisaties alles behalve perfect is. Dat er
zelfs grote mistoestanden bestaan in vele van die
gebieden, waarbij landschapselementen, zo nodig voor
optimale biodiversiteit, massaal zijn verdwenen.
Het Deltaplan voor het Landschap
wil het boerenland opknappen met het herstellen van
perceelsranden van kavels van weiden en akkers, niet
zozeer de kavels zelf. Van de 450.000 kilometer
kavelgrenzen ooit, is de helft verdwenen, alsmede 35.000
km aan veldwegen, lanen en kerkenpaden. Het plan gaat uit
van langdurige contracten tot twintig jaar en een totale
som van twaalf miljard euro, zeshonderdmiljoen per jaar,
een half procent van de rijksbegroting, om het net van
kavelgrenzen en veldwegen weer volledig te herstellen.
De toeristen industrie heeft in
Nederland een omzet van acht miljard euro per jaar en is
daarmee groter dan de business van de Rotterdamse Haven.
Het wonderschoon opknappen van het boerenland zal die
industrie nog veel groter maken en als we het niet doen
zijn we een dief van onze eigen portemonnaie. De
wandelaars, fietsers, kanoërs, ruiters, de dagjesmensen,
en internationale toeristen, zullen massaler dan ooit in
ons steeds aantrekkelijker boerenlandschap verblijven,
dat echter volledig toegankelijk moet blijven voor de
mens. Tot zover de visie van Jaap Dirkmaat.
Een visie waarvoor hij niet minder
dan vierendertig organisaties om de tafel kreeg,
maatschappelijke groeperingen en
semioverheidsinstanties, die allemaal het
landschapsmanifest hebben ondertekend. Ik noem
Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen,
Vogelbescherming, Waddenvereniging, LTO Nederland, SBNL,
Federatie Particulier Grondbezit etc.
De Plattelandsalliantie Nederland
(PAN) deelt deze visie ook. In ons manifest “ Het Groene
Waas: over oernatuur, boerennatuur en stadsnatuur”
pleiten ook wij voor de boer als de centrale figuur in
het opknappen van het boerenland en vinden wij dat een
en ander structureel aangepakt moet worden over een
periode van tenminste een kwart eeuw, waarbij het
aanleggen en onderhouden van de functionele ruimte naast
de productieruimte in de bedrijfshuishouding van de
agrariër moet passen, zodat hij een goede boterham
verdient aan een en ander en permanent belang heeft bij
een biodivers land om hem heen, waarin vele mooie
landschapselementen zijn opgenomen.
In tegenstelling tot Nederlands
Cultuurlandschap, die nergens in haar deltaplan rept
over eierzoekers, sportvisse rs en jagers, over het
verzamelen van paddestoelen, het plukken van bessen en
andere vruchten in de natuur, stellen wij het op prijs,
dat juist dit gebruik van de natuur sterk bevorderd
wordt. En dat dus de toegankelijkheid van de EHS natuur
zo maximaal mogelijk wordt uitgebreid. Natuur waar geen
mens mag komen mag dan “intrinsieke” waarde hebben, maar
wij twijfelen eraan dat die zoveel te lijden zou hebben
van een grotere toegankelijkheid.
Dat er in de broedtijd van vogels
terreinen worden afgeschermd met bordjes Verboden
Toegang is tot daar aan toe, maar dat een blauwgrasland
niet belopen mag worden als het flink gevroren heeft is
klinkklare onzin. En zo kunnen er nog honderd
voorbeelden aangehaald worden. Dat kinderen geen bos
bloemen mogen plukken lijkt vaak meer op pesterij dan
dat het functioneel zou zijn voor de biodiversiteit.
Het
krampachtige omgaan met onze Kroonjuwelen en het gebruik
van al te veel verbodsborden dient uitgebannen te
worden. Het is een van de grootste oorzaken van
draagvlakverlies op het platteland voor de
kolchozachtige rijksnatuurgebieden en die van
Natuurmonumenten. Minder bordjes en meer en beter
onderhoud en minder runderen en paarden, zouden een
verademing kunnen worden. Er zijn te veel onbegrepen
regeltjes en beperkingen die de mens in de natuur
beknotten.
De Belgen noemen hun alliantie op
het platteland, het platform buitengebied, dat streeft
naar natuurgebruik en natuurrecreatie. Naar “verstandig
gebruik” zoals door plattelanders altijd al is gedaan,
Geen utopisch “nieuw”natuurbeleid waarbij middels
“salami-techniek” het natuurgebruik en de
natuurrecreatie is afgebouwd en de mens uit de natuur is
gebannen. Zaaien om te oogsten mag niet meer.
De volksbeweging sinds 2000 heeft
een indirecte aanhang - middels dertien organisaties -
van 650.000 leden en is inmiddels rechtstreeks betrokken
bij de inrichting van het platteland als adviserende
belangengroep, bij vrijwel alle overheidsinstanties die
daarbij in het Vlaamse land betrokken zijn. Het Platform
Buitengebied verenigt hengelaars, jagers,
grondeigenaars, bosbouwers, de landelijke gilden, het
algemeen boerensyndicaat, de hippische en kynologische
bonden, de vereniging voor historische woonsteden,
waterskiërs en anderen.
De Friese Plattelandsalliantie
ontstaan als gevolg van de Flora en Faunawet in 2002
verenigt 65.000 leden uit clubs voor
vogelbeschermingswachten, sportvissers, jagers, boeren,
ruiters en anderen. Zij hebben het kievitseieren zoeken
weten te redden met hulp van Europa, waar het begrip
hiervoor groter was en is dan in Nederland zelf.
De Plattelandsalliantie Nederland (PAN) breidt zich snel en sterk
uit en in Noord-Holland, Flevoland, Limburg en
Overijssel zijn oprichtingsteam bezig de provinciale
allianties op te zetten. In de andere provincies zijn
ook reeds oprichters actief en het gedachtegoed,
gebaseerd op dat van de Engelsen (Countryside Alliance
van 1997), de Vlamingen (Platform Buitengebied) en de
Friezen (Friese Plattelands Alliantie) is in
ontwikkeling.
Dr. J.H.M. Hilgers, Voorzitter PAN
|