|
Patrijs
als Dodo
Zo
begint een stuk in Vogels, het eerste nummer van 2007,
van René de Vos in de rubriek “Opmerkelijke soorten van
de Rode Lijst”.
Ik
citeer: “Dat heeft tot een gênante situatie geleid. Niet
de vogelbeschermers, maar de jagers luidden de noodklok
voor de patrijs. Ze hebben in heel Europa uitstekend
onderzoek gefinancierd naar de reden van de neergang. De
aap kwam deze maand uit de mouw toen Vogelbescherming de
uitkomst van een – in haar opdracht uitgevoerde –
literatuurstudie publiceerde”.
Ik
citeer verder: “In de jaren vijftig scharrelden er
200.000 broedparen rond in Nederland, nu nog 10.000. De
neergang was een drietrapsraket:
ü
pesticiden,
ü
Ruilverkavelingen en intensivering van de grootschalige
landbouw en
ü
ruim
baan voor de predatoren”.
Ik
citeer nog verder: “Het cynische van de situatie is de
oplossing”. In Frankrijk, een groot patrijzenland, met
minstens een half miljoen broedparen, hebben ze lappen
van 1000 hectare van kruidenrijke randen voorzien. Heel
even ging het goed met de patrijzen, daarna waren ze
verdwenen. De “reservaten” blijken te werken als
luilekkerlandjes voor predatoren; de schaal is te klein
om de patrijs veiligheid te bieden. Andere onderzoekers
laten zien dat de patrijzenstand groeit als kool wanneer
de predatoren consequent worden afgeschoten”.
Tot
nu toe zou dit stuk in De Nederlandse Jager niet
misstaan hebben en zou het vol trots door een jager
geschreven kunnen zijn.
Maar
plotseling komt een
tweede aap uit de mouw en zegt de auteur en ik
citeer nogmaals: “Dat is schrikken, want zo willen we in
Nederland niet aan natuurbescherming doen. De enige
waardige
oplossing is een totaal ander landbouwbeleid waarbij de
natuur in de herkansing komt. Maar als de patrijs weer
pech heeft, ligt hij al naast de dodo-botjes voordat de
herkansing een feit is”.
Laten
we praktisch zijn en eens nagaan wat de “enige waardige”
oplossing is en wat een totaal ander landbouwbeleid zou
moeten inhouden. Ten eerste geen pesticiden meer,
hetgeen ondenkbaar is en ten tweede extensivering van de
landbouw. Dat is niet niks natuurlijk. Dat gebeurt niet
op korte termijn op grote schaal en is totaal
onrealistisch. Hier en daar wellicht in een klein gebied
waar graan weer verbouwd wordt op de ouderwetse wijze en
waarin het akkerbiotoop waar de patrijs een
indicatorsoort voor is weer terugkeert. Hetgeen veel
steun van de Overheid op lange termijn vergt anders doet
een boer het niet.
Overigens ook een “waardige oplossing” voor het
akkerbiotoop. Het akkerbiotoop waar de korenbloem, de
akkerboterbloem, akkerdoornzaad,
akkerleeuwenbek, dreps, glad biggenkruid, groot
en klein spiegelklokje, handjesereprijs, korensla,
naaldenkervel, nachtkoekoeksbloem, roggelelie en
stinkende kamille als bedreigde akkeronkruiden weer
kunnen terugkomen en de biodiversiteit verhogen. Om niet
de spreken van al die insecten en andere ongewervelden,
van muizen en andere zoogdieren en typische
akkervogelsoorten, zoals veldleeuwerik en geelgors, die
er dan weer opduiken en kunnen leven, op die ouderwets
bewerkte akkers zonder landbouwgift.
Nu
bestaan er twee mogelijkheden;
1)
hier
en daar worden stukken productieland van boeren
aangekocht en onder beheer geplaatst van de grote TBO’s
die het beheer gaan uitvoeren of
2) het boerenland
wordt structureel voor bijvoorbeeld drie procent van het
gehele areaal van twee miljoen hectare, dus voor 60.000
hectare (Het groene Waas concept van de PAN), opgeknapt
met kleine landschapselementen waaronder extensief
bebouwde akkers met granen op daarvoor geschikte
gronden.
In
het eerste geval scheppen we hier en daar lokaal
tafeltje dekje voor de zich uitbreidende predatoren
populaties in Nederland.
Maar
door het creëren van overlevingsruimte in de
landbouwwoestijnen, die overblijven na de oogsttijd,
zullen ze tenminste een overlevingskans hebben, die er
nu vaak totaal niet meer is. Als er niets gedaan wordt
voor deze rode lijst soort, dan overleven alleen de
sterkste en dat zijn de predatoren, die kunnen zich
aanpassen, door over te stappen naar een ander voedsel
aanbod. Dat kunnen de patrijzen, die leven in hun
beperkt gebied van vaak niet meer dan 20 tot 30 ha niet.
Als
voorbeeld een grafiekje over de sterk groeiende
populatie van de buizerd als broedvogel in Nederland met
inmiddels ongeveer 10.000 broedparen. Nu zal een buizerd
wellicht niet leven van patrijzen, maar voor de meeste
roofvogelsoorten, zoals de havik,
die best wel de
patrijzen en hun kuikens slaan, geldt ook uitbreiding,
om maar niet te spreken van vossen en kleinere
landroofdieren in het veld.
In
het tweede geval zullen patrijzenpopulaties zich over
het gehele landbouwareaal met name in hoog en oostelijk
Nederland weer enigszins kunnen herstellen en is
wellicht predatie een relatief kleiner probleem. Maar
ook dat lijkt onwaarschijnlijk omdat de predatoren
populaties alsmaar doorgroeien. De balans zal meer en
meer verstoord worden en het gaat sneller en sneller de
verkeerde kant op.
Denk hierbij ook aan de effecten van de sterk groeiende
blauwe reiger populaties voor jonge weidevogels, zoogdieren
en kikkers op land en vissen in het water.
Wat de vissen betreft aan de gigantische uitbreiding van
de aalscholvers, die visvijvers met helder water en
zonder begroeiing rücksichtslos leegvissen en daarmee
het “kapitaal” van de sportvisser vernietigen. Nu er
niet genoeg vissen in Noordzee en IJsselmeer
zijn voor die vogels, die van oorsprong daar
foerageerden en die nu het land in trekken en waarvoor
op Europees niveau een “Concerted Action” op touw wordt
gezet om zo in heel Europa met een effectief
bestrijdingsplan te komen. Van het bevorderen van
begroeiing onder water ter dekking voor de vissen, tot
het elimineren van hele broedkolonies middels het rapen
van eieren en ja hoor, de beheerjacht (overigens geen
plezier voor jagers).
Als René de Vos – what’s in a name? – zegt dat is”
schrikken” en zo doen we in Nederland niet aan
natuurbescherming, dan spreekt hij voor zichzelf en zijn
organisatie De Vogelbescherming. Hij “schrikt” ervan en
noemt de oplossing een “cynische”. De Vos realiseert
zich niet dat “zijn natuurbescherming”, te weten zonder
beheer met het geweer, tot een scala aan calamiteiten en
regelrechte rampen voor de natuur en de boeren leidt, nu
reeds vier jaar lang en op steeds grotere schaal, na het
ingaan van de Flora en Faunawet. Hij “schrikt” omdat hij
buiten de werkelijkheid staat en nog slechts fantaseert
over een ideale vogelwereld in balans.
De vossen – naast wezels, hermelijnen, bunzings en
steenmarters - hebben zich inmiddels zo sterk uitgebreid
dat er in het hele land wantoestanden zijn ontstaan. Een
populatiedichtheid bij Meijendel in de duinen met nu 12
vossen per honderd hectare (nog nooit eerder beschreven
in de literatuur), met een telling van geschoten wild
bij de
WBE Voerendaal van 145 hazen en 141 vossen in het
afgelopen jachtseizoen, met een opbrengst van 78 vossen
rond de Kollenberg bij Sittard waardoor nog net enkele
hamsters konden overleven.
Om maar enkelen, van honderden van zulke verhalen, te
vertellen die in het hele land opgang doen.
In feite is het op vele plaatsen in het land al te laat
voor beheer van het geweer en vreten vossen bij gebrek
aan wild natuurlijk ook steeds meer en meer zeldzame
prooidieren en worden een gevaar voor de biodiversiteit.
De grootste vosssendichtheden doen zich inmiddels reeds
voor rondom de steden omdat daar vuilnisbakkenvoedsel is
zij kunnen zich goed aanpassen als cultuurvolgers. In de
natuur wordt vossenbuit
schaars en dus groeit het vuilnisbakkenras
En die tomeloze, nooit tevoren in Nederland voorgekomen
uitbreiding der predatoren, geldt ook voor de
(bejaagbare) kraaien en kauwen en de (niet bejaagbare)
roofvogels in nog hogere mate. De balans tussen roof- en
prooidieren is totaal verstoord en op weg om nog meer
verstoord te raken.
Artikel 37 van de FF-wet “redelijke wildstand”
geeft aan;
1. De jachthouder is verplicht datgene te doen wat een
goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het
in zijn jachtveld
aanwezige wild
te handhaven dan wel,
bij het
ontbreken daarvan,
te bereiken en
om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te
voorkomen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
handhaven van een redelijke wildstand.
Hypocrisie wat betreft de natuur ten top. Want als wij
jagers vragen om meer maatregelen te mogen nemen om de
aan ons via de wet toebedeelde taak in ons eigen
jachtveld uit te voeren, dan worden hiervoor alle
middelen onthouden.
Wel als het gaat om een “korenwolf” of een weidevogel,
maar als het gaat om een bedreigde Rode Lijst soort
zoals de patrijs (wildsoort) dan is het niet nodig, dat
er een ontheffing wordt verleend om de predator zoals de
vos te mogen bestrijden met een lichtbak ontheffing. In
Duitsland bijvoorbeeld is dit een heel normale zaak dat
er 's-nachts vanaf een hoogzit op een vos gejaagd mag
worden. Waarom hier niet?
De vraag is dan ook aan de orde waar ligt het verschil
en waarom wordt zo gedacht door de provincies. De oude
dogma’s veranderen niet maar de natuur wel en snel ook.
Dus die dogma’s liggen onder vuur. Er zal hierover snel
nagedacht moeten worden, anders is de patrijs net een
dodo.
De
Vos merkt op dat er een halve eeuw geleden 200.000
broedparen van patrijzen waren, nu nog 10.000. Inmiddels
zijn er in plaats van pakweg 200 broedparen van de
buizerds toen (de tijd van de gechloreerde
koolwaterstof vergiften en de broze eieren), nu 10.000.
De verhouding
patrijs:buizerd was 1000:1, nu 1:1. En als daarin
alle predatoren voor de patrijs worden meegenomen in
zulke berekeningen, dan is het zo klaar als een klontje
dat de patrijzenstand er nooit meer boven op zal komen
als er geen drastische maatregelen genomen worden ten
aanzien van de vliegende predatoren.
Zoals reeds bekend, "bepaald
het voedselaanbod het aantal predatoren“
dit is een uitspraak, die eigenlijk nergens opslaat. Dat
het voedselaanbod het aantal predatoren bepaald, is maar
zelden geconstateerd. Uitzonderingen bevestigen echter
de regel.
Maar bijvoorbeeld de kraai, ekster, havik, buizerd, vos
en de marterachtigen zijn voedselgeneralisten, die goed
in staat zijn om de wildsoorten en de weidevogels het
overleven onmogelijk te maken en daarna gemakkelijk over
te stappen naar andere voedselbronnen.
Alleen bij een zeer beperkt aantal soorten predatoren is
het voedselaanbod bepalend voor hun aantallen, zoals
bijvoorbeeld de uilensoorten.
Het zou het mij ook niet verstandig lijken om de
visstand tot een minimum te beperken om de stand van de
aalscholver te beperken.
In het land van de Friezen waar meer en vaker stemmen op
om roofvogels te gaan bestrijden ten faveure van de
stand der kieviten en andere weidevogels.
Overigens kan het wel wat lijden met die kievitenstand,
ook al schieten de Fransen er ieder jaar bijna een half
miljoen op de trek, een traditie net zo oud en sterk als
die der eierzoekers in Friesland. De Fransen decimeren
ze, de Friezen beschermen ze en het afschaffen van het
eierzoeken hetgeen Vogelbescherming nog steeds voorstaat
- tegen wetenschap en beter weten in -
zou vanuit Europa bestraft moeten worden, want
het is inmiddels tegen de Europese regels.
Maar op die tragikomedie in het land van Bonifatius,
over de felle strijd om behoud van de plattelandscultuur
die gepaard gaat met het ljipaaisykjen en de nazorg op
het Friese platteland en decennia lang onbehoorlijk
bestuur, ga ik nu liever niet in.
De “enige waardige” oplossing – terug naar de
boerennatuur van voor de laatste Grote Oorlog - is
helemaal geen oplossing,
zou hooguit een deel van de oplossing kunnen
zijn, die zonder bestrijding der predatoren nooit meer
zal slagen en dus heeft Reinaert de Vos gelijk en zal de
Patrijs onze Dodo worden.
Een opgezette allochtone dodo uit Mozambique
Staat nu in Leiden bij het museum antiek
Onze kleurrijke Nederlandse patrijs is onlangs geteld
En verdwijnt als sneeuw voor de zon uit het veld
Nog effe en we hebben een eigen autochtone dodo
Omdat de mens de natuur behandelt als een jojo
Jo
Hilgers
06 maart 2007
|