|
Limburg mijn
jagersland niet dat van de dwazen
Waar op de vette kalkhoudende
golvende lössige grond
Waar van fruit nog een eenzame hoogstamboomgaard stond
Daar gloorde nu het rode schaapjesgewolkte morgenlicht
Vanuit het hoge Ransdalerveld met zuidelijk zicht
Vanaf mijn hoogzit aan de boom
voelde ik mij van adelstand
Speurend als jager naar de vos tot aan het dal in heuvelland
Bij vijfen floten de flierefluiters hun ochtendnatuurconcert
Waarvan het nog nooit een mens te moede werd
Tegen zessen rommelde zacht de
miljoenentrein door het dal
Een traktor kwam pruttelend te voorschijn uit een boerenstal
Langzaam werd mij het zicht op de lampelichtjes ontnomen
Het zonnelicht was in de heiige morgenlucht gekomen
Een geelgroene dalwei gaf
reeds een eerste snit van hooi
Ernaast een hooiland donkergroen van bloemen mooi
Op de kale goudbruine aarde van de velden
Kwamen zich nu in mei de aardappelplanten melden
Grote witgeflankte koeien in
nevel liepen loom en traag
Eerst nog ver maar naderend gestaag
Geinteresseerd starend naar de tweebenige mens
Als ware tweebenigheid hun liefste wens
Elegant en rood golfde het
vossenlijf vloeiend door de natuur
Het slanke roofdier voelde zich veilig in dit vroege
morgenuur
De jager keek naar hem en door de kijker bleef maar turen
Maar een halve kilometer ver was te ver om er op te vuren
De houtduiven begonnen te
vliegen toen de kraaien al krasten
Zwevend van de hoge fruitbomen naar de hoogspanningsmasten
De kaalgesnavelde roeken zaten als zwarte schaakstukken bij
elkaar
In een veld met genoeg regenwormen en een maaltijd daar
De laatste sterren verdwenen
uit het morgenlicht
Tot ver bij de Berghoeven boven Stokhem reikte nu het zicht
Hier ben ik geboren hier voel ik me soms weemoedig thuis
Hier in het land van de vos de kraai en de eikelmuis
Of de nachtegaal er nog zingt
weet ik niet
Een compliment maak ik voor wie de leeuwerik ziet
En waar zijn toch het haas en de fazant gebleven
Die hoeven toch niet allemaal door de vos te sneven
Zevenhonderd jaren werd hier
het beste bier gebrouwen
Van de jacht in de natuur en het bier zal ik altijd houen
Tot mijn dood wil ik hier op de jachthoorn blazen
Dit is mijn jagersland en niet dat van de dwazen
|