|
d’Olde Karre van de zuidelijke Fluessen
Met in de rug een stevige bries uit het
zuidwesten,
Tussen bruine, zachtwuivende rietstengelresten,
Op het kabbelende water in de drijvende hut,
Met stevige palen tegen stormen gestut,
De ochtend glorend in het gezicht,
De lokkers zachtjes trekkend aan hun gewicht,
Zich richtend aan hun touwen in de wind,
Lint na evenwijdig lint,
Met als achtergrond de verre vaargeultonnen,
Is de dag en de jacht aan d’Olde Karre nu begonnen.
Eerst nog stippen aan een schemerende lucht,
Snel wiekend in zwenkende vlucht,
Gekleurd en getekend nu en duidelijk zichtbaar,
Cirkelen de smienten zonder misbaar,
Zoekend naar hun vermeende soortgenoten,
Komen ze over de lokstal aangefloten.
Eer de jager verbouwereerd zijn wapen richt,
Stijgen ze omhoog, geschrokken van zijn gezicht.
Maar de grote groep draait fluitend weer erbij
En nu spreken de geweren zij aan zij.
Kaarsrecht peddelend boven de horizon
Snellen de kuifeenden tussen wolk en zon.
Donkerzwart van boven met felwitte buik,
Plotseling reagerend in zeilende duik,
Vallen ze tussen de lokkers in
En zwemmen nietsvermoedend naar hun zin.
Wij maken ons staande kenbaar
En met tegenzin en een schrikkend gebaar,
Vliegen ze stijl uit het water omhoog
En verlaten de onheilsplek in grote boog.
Het karren van de roodkoppen klinkt als muziek in de oren,
De tafeleenden laten zich luid en duidelijk horen.
We karren terug in dit spel van hoogverraad,
Maar de vogels bespeuren het onraad.
Vliegensvlug wordt weer geaccelereerd,
Ze buigen af buiten schot en ongedeerd.
Valinger, roskop en kareend zijn de oude Friese namen.
Die zullen uitsterven nu tezamen.
Want de waterwildjagers en hun taal van weleer
Zijn er eigenlijk al nauwelijks meer |