|
Met Job en Oscar op de Vinkeveense Plassen bij de Botshol
Smienten suisden fluitend over
de Vinkeveense Plas
En met lokkers nog in de boot en brood in onze tas
Niet zonder slag of stoot
Bereikten wij de krakende hut ternauwernood
Nooit ging Henk de broodjager
op de polder
Met zijn lokkers van de zolder
Bij zo'n weer en ontij
Windkracht zeven was het uiterste zei hij
Daar in de luwte van de
eilanden
Met als dekking de hoogste bosschages rond de weilanden
Waren mijn jachtvriend en ik nu helemaal alleen
Zonder verder een jagende sterveling om ons heen
Met Job als kwakende en
fluitende matador
En Oscar zijn trouwe Labrador
Was dit de hemel op aarde
Waar nu de dageraad klaarde
Vollen en roodkoppen halven en
talingen vlogen af en aan
Zoals ze dat op Vinkeveen nog zelden hadden gedaan
Voor de grauwe ganzen was het te guur
Die bleven aan de grond van weer en wind volledig overstuur
En Oscar afstammeling van
wolven
Sprong keer op keer in de golven
Apporterend eend na eend
Door Job gestuurd en goed getraind
Dit was zo'n zeldzame dag der
dagen in Neerland's bange nadagen van het eendejagen
|