|
Hoofdstuk 79
25 april 2004
De
Puszta, het land van de kapitale reebokken: een doublet
wilde honden
Beste Peter,
De eerste mei is niet alleen de opening van het
waadseizoen op de Roer in Duren voor het vliegvissen, het is
ook de opening van het reebokkenseizoen, niet alleen in
Nederland, maar ook in Hongarije, het land van de puszta.
Een land zo plat en vlak als het Hollandse polderland met
dien verstande dat er een soort grote kuilen in zitten die
een diameter hebben van pakweg enkele honderden meters. Hoe
dat geologisch precies zit weet ik niet maar het zal wel te
maken hebben met een terugtrekkende ijskap na de ijstijden
waarbij dus hier en daar een soort ondiepte - van hooguit
enkele tientallen meters - achterbleef, toen het ijs weg
was. Maar dan snap ik weer niet waarom we zoiets ook niet in
Oost-Nederland hebben, zo'n gatenkaaslandschap.
In die grote kuilen bevindt zich soms een klein meertje
met veel riet erin en struiken en bomen erom heen, met name
wilgen van vele soorten en acacia's. Dit zijn ideale
schuilplaatsen overdag voor de reeën die hier veel voorkomen
en huizen in dit landschap. In overvloed omdat er voedsel is
in overvloed, grote vlakten met alfalfa en allerlei granen
en grassen, voedsel voor mens en dier dus. En ook omdat de
dekking overdag zo fantastisch is in die ondiepten met
altijd drinkwater op de soms hete puszta.
En omrasteringen hebben ze daar nog niet uitgevonden. Er
is hier en daar hooguit een ondiep slootje. En op de puszta
bij Scolnock ten zuiden van Boedapest pakweg midden in
Hongarije, zijn er ook nauwelijks verharde wegen in dat
landschap. De dorpjes hebben nog bijna geen
straatverlichting en zien er uit zoals de vooroorlogse
dorpen in de zandstreken in Oost-Nederland, zoals Posterholt
en Herkenbosch waar ik als kind mijn grootouders, ooms en
tantes bezocht (met als grootste wapenfeit op mijn zesde
jaar, dat ik met een kinderkruiwagen het middenpad van een
volle kerk inliep - tijdens de Hoogmis - om mijn Moeder te
zoeken, want ik ging nog niet mee naar de kerk en mocht de
heilige communie toen nog niet doen).
Je kunt er dus ver kijken, daar op de puszta, vrijwel
altijd tot aan de horizon. Er is een enorme wildstand van
hazen, patrijzen en fazanten en een der spectaculairste
jachtvogels komt hier nog in het wild voor nl de Grote Trap,
een soort 747 onder de vogels die meer als 10 kilo zwaar kan
worden en waarvan een nauw verwante soort in Afrika
voorkomt, hetgeen ik al opmerkte in mijn jachtverhaal over
Namibië en die daar op zijn Zuid-Afrikaans gompou heet: de
pauw die gom eet van de acacia's.
Een
kleinere soort de Kleine Trap is ook vrijwel verdwenen in
Europa maar komt bijvoorbeeld nog voor op Sicilië en meer
zuidoostwaarts tot in het Midden Oosten waar in Arabië die
vogel met de valk bejaagd wordt en een enorm aantrekkelijke
jachtbuit is. De Grote Trap werd honderd jaar geleden nog in
het Duitse Brandenburg bejaagd trouwens, waar een
Nederlander ooit een boek over schreef omdat hij daar
jachtrechten had, ongetwijfeld een vriend van Prins Bernard.
Is nu beschermd ook in Hongarije alhoewel de Scolnockse
jachtvereniging nog een opgezet exemplaar heeft staan in
haar clubhuis. Waar natuurlijk een hele muur met reebok
tropheeen ook volhangt.
Er vliegt hier en daar een kiekendief ook, de bruine
vooral, zoals in de polder. Maar kraaien en eksters worden
te vuur en te zwaard bejaagd omdat die slecht zijn voor de
wildstand. De Hongaarse jagers zijn vanouds zeer goed
georganiseerd en beheren per groot dorp tienduizenden
hectares tezamen. Het benodigde geld voor een goed beheer
komt van de trofeeënjagers op de reebok in mei en de
kleinwildjagers op haas en fazant in het najaar.
Hongarije heeft scholen voor jachtopzichters tot op
universitair niveau. Hongarije heeft ongelooflijk veel en
goede jachtschilders. De jacht werd onder de communisten
niet werkelijk geschaad en nu tijdens het kapitalisme op
verantwoorde wijze uitgevoerd. Er is een heel systeem van
"punten" voor tropheeen en de kapitaalste bokken met "goud"
op de kop worden voor zeer veel geld "verkocht" aan
kapitaalkrachtige jagers uit Oostenrijk, Italië en Duitsland
vooral. Hongarije valt vaak in de hoogste prijzen op
Europees niveau met haar tropheeen.
Van gifgroen antijacht gespuis hebben ze in Hongarije nog
nooit gehoord omdat de mensen er meer bij de natuur
betrokken zijn en er ook weinig grote steden zijn. Het zijn
ook mycophielen, terwijl Nederlanders wat paddestoelen
betreft ook al een fobie hebben. Verder zijn het
karpereters, terwijl zeevis etende Nederlanders daar te
"verwend" voor zijn en het eten van zo'n graterig geval maar
lastig en vervelend vinden.
Swarowski, de Oostenrijkse meester van het geslepen glas
en de verrekijkers en schathemeltjerijk, is daar ieder jaar
op de eerste Mei, daar in Scolnock en "koopt" de bokken van
500 gram en meer aan geweigewicht op hun kop, of zelfs een
pruikenbok. Zoiets vreselijks om te zien - zo'n "pruik" van
wildgroei - vind ik zelf, staat soms op de kop van een oud
ree dat met zijn ballen ergens tussenin heeft gezeten of aan
de prikkeldraad gehangen, zodat de hormonen ontregeld zijn,
speciaal het testosteron zoals je wel zult raden, beste
Peter, want dat is hard nodig voor de opbouw van een gewei
op een mannelijke kop. En zo'n pruik kan wel tot een kilo
zwaar worden en is dan natuurlijk "te gek" voor sommige
vreselijke rijke jagers en jachtidioten. en brengt dan
prijzen op van 5000 marken en meer (er werd toen nog in
Duitse marken gerekend)
Dus Weijburg en ik kwamen er niet precies op de eerste
mei aan, maar enkele dagen later toen Swarowski zijn buit al
weer binnen had voor dat jaar en wij er twaalf "besteld"
hadden, zes voor Henk van meer als 300 gram en zes voor mij
van 250-300 gram. Die laatste zijn de goedkoopste en in de
buurt van enkele honderden marken per stuk, terwijl die van
Henk tegen en over de duizend mark moesten opbrengen voor de
plaatselijke club. Een prijskaartje dus voor mij van pakweg
2000-3000 mark aan trofeeën en voor Henk van 6000-10.000
mark, alleen voor de trofeeën dus.
We logeerden in het plaatselijke hotel van oude sjiek en
veel traditie. Met een kuurbad en bruin gemeubileerde
kamers, alles nog niet echt hersteld van mensenlevens lang
communistisch bewind. Er was daar een bruiloft en die nacht
hebben we niet geslapen en heb ik de Czardas gedanst met de
bruid. Ze viel bijna van haar stokje toen ik haar in een
echte Wiener Walz, want die worden ook in Hongarije
gespeeld, dol heb gedraaid, zo dol dat ze in het
huwelijksbed nog lag te tollen als je het mij vraagt en haar
man mij achteraf nog vervloekt moet voor die wilde dans die
hijzelf had moeten dansen, maar waarvoor hij al te veel in
de olie was, of het moet zijn dat hij van ellende naast haar
in slaap is gevallen zonder de daad te plegen.
God wat zijn Hongaarse bruiden mooi. Ik zie haar nog
steeds in mijn gedachten en ik weet bijna zeker dat het
omgekeerde ook het geval is. Haar oudste zal nu wel tegen de
zes a zeven jaar zijn, misschien wel acht van het is al weer
een hele tijd geleden.
De derde dag in mei begon de
jacht bij Scolnock
Op de geweidragende Hongaarse reebok
Gastvrijheid, Weidmannsheil en een boerenland
Met zandpaden zoals in vooroorlogs Nederland
Schaarse geluiden en weinig
nachtelijk licht
Behalve van sterren en het maangezicht
hebben we daar gezocht en ook gevonden
en heeft de Puszta aan ons hart gebonden
September was nog niet
aangebroken
Of de passie was opnieuw ontloken
Henk stuurde de Jeep met vaste hand
Nu naar het Punitzerwoud in Burgenland
We reden snel en met grote
vaart
En die klus naar Oostenrijk werd snel geklaard
Naar enorme herten op schitterende bronstweide
Nooit gezien op de Veluwse heide
Het was te mooi om waar te
zijn
En zelfs dat ene dodelijke schot deed pijn
Machtige Dertigenders in ons brein gegrift
Maar niet gezien in wilde drift
In December zijn we naar
Duitsland gekomen
In hoop op vervulling van jongensdromen
Met grote keilers in gedachten
Stonden we ze langs het bospad te wachten
's Morgens reden we er op uit naar een hoogzit toe of
gewoon door het vroege veld om te zien of er nog reeën
"buiten" stonden op de vlakte en niet alweer hun dutje deden
in een van die voornoemde inzinkingen in het landschap. In
de middag werd gerust in het hotel en in de vroege avond
reden we rond in onze Grand Cherokee, dan wel in een heel
oud minuscuul vrachtwagentje van Russisch makelij, het
vervoermiddel van de jachtclub van het dorp bij Scolnock
waar we dus te gast waren en waar tientallen jagers
meeleefden met onze avonturen en de jachtopzieners met ons
meegingen, want die wisten waar het wild zich ophield en die
konden op honderd meter en verder middels goede kijkers
bepalen hoeveel het gewicht zou zijn van een gewei op de kop
van een mannelijk ree. En meestal werd dat tot op 10 gram
nauwkeurig geschat bleek later. En ik had er uiteindelijk
twee van 298 gram dus betrekkelijk goedkoop vergeleken met
een gewei van pakweg 305 gram.
Terwijl Swarowski hier boven de 200 meter schoot en goed
schoot, want de jachtopzichters konden er nog steeds niet
over uit, schoten Henk en ik eigenlijk nooit boven de 200
meter afstand en liefst tussen de 100 en 150 meter. Van de
eerste vijf schoot ik er vier met een schot dood op het
blatt, waarbij we lang moesten zoeken naar de vijfde reebok
die een nekschot kreeg - omdat ik alleen de kop en de nek
ervan zag - van mij en omviel in de hoge alfalfa en niet
meer te vinden was, totdat er zweethonden bij gehaald
werden. Henk schoot ook vrijwel ieder keer raak en goed
raak, zoals het een "Gouden Bok der Jagers" betaamt. Want ik
noemde hem vaak "Goude Bok", een eretitel natuurlijk. Soms
ook wel "Zilveren Bok" want hij heeft zilvergrijze haren.

Af en toe werd op een verre vos geschoten en ik schoot er
een dood op 180 meter. Onze buksen met de grote Zeiss
kijkers en de 3-12 variomaten waren dus goed dodelijk, maar
overmoed kwam uiteindelijk ook bij mij en daarmee enkele
schoten die totaal mis waren op een veel te verre bok.
Swarowski kon ik nu eenmaal niet overtreffen, dat was wel
duidelijk aan het eind van de jacht, die erg intens was,
maar die maar drie dagen geduurd heeft trouwens, want toen
kwam de derde groep aan de bak, ongetwijfeld weer iets armer
dan Henk en ik. Wat overblijft na de maand mei wordt verloot
onder de plaatselijke jagers.
Het beheer is er op gericht dat er het volgend jaar weer
minstens even veel is aan trofeeën, liefst meer natuurlijk.
En dat is nou net de kunst mijn liefje.
Tot die laatste dag van mijn overmoed, was alles volgens
plan verlopen en ik mocht dus voor het eerst "alleen" er op
uit, op dat minuscule vrachtwagentje met twee
jachtopzichters, zonder Henk's toezicht, zeer strenge
toezicht overigens, want Henk is streng en secuur als het om
de jacht gaat. Ik zat naast de bestuurder in het kleine
cabinetje en de tweede opzichter zat bovenop in het bakkie
op een losse stoel. Als hij iets zou zien zou hij op het
cabinetjesdak (dit woord om aan te duiden hoe minuscuul dat
minkukeltje onder de vrachtwagentjes wel niet is) slaan met
zijn hand en moesten we stoppen.
En ja hoor we waren het dorp nog niet uit - het was nog
wat nevelig zo in de vroege morgen van die vroege meidag -
en hobbelden de puszta in, of er werd voorzichtig op het dak
getikt. Ik stap snel uit met geladen Winchester Sporting
Rifle Nr. 70 met vijf in het oude Joegoslavië vervaardigde
kogels in het magazijn van 30.06 kaliber en de grote Zeiss
kijker erop en loop naar achter het miniscuultje, waar
gefluisterd werd; "Hunde, Hunde". Ja ze spreken een beetje
Duits die Hongaren, niet veel, maar genoeg voor mij om te
weten dat het over honden ging. Ik denk nog, wat zullen we
nu hebben, of ik zie twee hartstikke grote honden op pakweg
50 meter afstand, een chocoladebruine en een zwarte, een op
zijn achterwerk zittend, de tweede liggend en halfverborgen
in het gras.
"Schiessen, schiessen", beet hij me toe. Zoiets had ik
nooit van zijn leven verwacht. Ik heb een hele bibliotheek
jachtboeken gelezen, maar over hondenjacht op de puszta was
ik nooit iets tegen gekomen. Later bleek dat halfverwilderde
herdershonden, of weet ik wat voor groot Hongaars of ander
ras, hier inderdaad rondschuimen en een terreur zijn voor
het wild. Ze zijn maar heel moeilijk aan de kleren te komen
ondanks dat ze vogelvrij zijn; het schadelijkste wild van de
puszta, schadelijker dan vossen. Een soort vervangers van de
wolven wellicht, die hier natuurlijk ook al lang uitgeroeid
zijn.
Ik richtte rustig staand met het zware geweer tegen de
schouder, zonder ergens steun te zoeken en uit de vrije hand
zoals dat genoemd wordt en schoot de halfzittende hond dood.
Als door de bliksem getroffen rent de andere schuin van ons
af en weg en hem volgend in het vizier, na de grendel
overgehaald te hebben, schoot ik die tweede ook dood. Een
doublet honden beste Peter.
Ik had er nooit van gehoord, toen niet en nu nog niet.
Maar in dat dorp op de puszta praten ze er nog over, neem
dat van mij aan. Die twee jachtopzichters stonden als aan de
grond genageld en namen tegelijkertijd hun jachthoed af en
riepen uit volle borst: "Weidmannsheil, Herr Doctor". God
wat voelde ik me. Dit was nog eens een verhaal dat bij de
kampvuren van alle jagers in de hele wereld, waarmee ik aan
het kampvuur heb gezeten, goed zou kunnen zijn voor veel
eerbiedig hoofdgeknik en gemompel en voor vele extra "proosts".
En dat was ook zo. En hier goed genoeg voor de climax van
een dagboekverhaal, nietwaar beste jongen.
Een uurtje later schoot ik dus op een reebok die te ver
stond een heel magazijn leeg, zonder te raken. Overmoed komt
voor de val beste Peter en Swarowski is daar dus nog steeds
de Ster van het Veld, wat scherpschieten betreft. Maar die
gekke Hollandse doctor, ondanks dat hij een beetje
verstrooid was, heeft toch de plaatselijke annalen en
verhalen gehaald die geschreven zijn en gesproken worden bij
iedere reegulash met veel paprika, die daar wordt opgediend
op de afscheidsavond aan de rijke jagers van verre, ja zelfs
helemaal vanuit Nederland.
Jammer dat op die avond geen vrouwvolk mocht komen anders
had ik van blijdschap nog een keer de Czardas gedanst, beste
Peter, want ik ben een danser, geen zanger.
Met vriendelijke groeten nu vanuit Pangandaran waar
Rakimin en Darto nu op vrijdag nog steeds niet terug zijn
van de kreeftenvisserij (al op maandag vertrokken) en waar
de ketelbinkies Karsim en Wagino er met de Mees op uit zijn
geweest op de tenggiri maar zonder resultaat. Ze worden al
gevangen maar nog sporadisch, sommige hebben al een hele
buit van 30-100 een tot twee kilo zware vissen per net, maar
de meeste netten zijn nog leeg. Kiki en ik gaan nu naar Papa
Imin om zijn visser aan de gang te krijgen, maar die heeft
alleen nog maar een layur net.De tenggiri netten zijn op in
het dorp en de machines van Cilacap kunnen de vraag niet
aan, terwijl de voorraden in Cirebon ook op zijn.
Jo, de hondenjager
|