|
Bekentenis van een Zalmvisser
De Sportvisser, 19, pp. 247-249, 1971, N.V. Zuid-Nederlandse
Uitgevers-Maatschappij, ‘s Hertogenbosch, Redactie Jo
Hilgers, John Preger, Rein van Rutten en Carel Vorstelman,
Hoofdredacteur Cor van Heugten.
De laatste hoop op een zalmvergunning voor dit weekend was
nu gevestigd op Ragna Bjornsson die haar broer zou bellen in
Borgarfjordur en zou vragen of hij zijn eigen
hengelvergunning beschikbaar wilde stellen. Maar ook dit
liep op niets uit en dat terwijl het warm was geweest zodat
het geen zin had om naar de Thorlauksleikur te gaan op
zeeforel. De zuidelijke gletsjerrivieren waren nu te hoog
door het smeltwater. De forellen zouden in het bruine water
nauwelijks een spinner, laat staan een vlieg kunnen zien.
Ik besloot een goede maaltijd te genieten in het Saga Hotel
en dan naar het noorden te rijden om te gaan zien of er nog
boeren waren die mij alsnog aan een vergunning konden
helpen. Dit was toch te gek; midden in de paaitrek van de
zalm (die dit jaar zeer goed was!) op IJsland zijn en niet
te kunnen vissen.
Het zou niet helemaal donker worden vannacht. Bovendien reed
ik naar het noorden en dus naar het licht toe. De zon was
eerst verbleekt en daarna rood geworden. De zwarte bergen
ten noorden van de walsvisfjord tekenden zich scherp af
tegen het rood van de nachtelijke hemel. De weg viel mee.
Het was droog geweest zodat de steenslag niet slipperig was
en ik goed kon opschieten. Eigenlijk was ik wat vroeg
vertrokken en zou ik het "dal aan de zalmrivier" (waar
de Laxdaela Saga zich afspeelde) reeds om vijf uur in de
morgen kunnen bereiken.

Daar lag Borgarnaes. Het was eigenlijk maar een kleine
verzameling huizen om een haventje. Hier en daar lagen
boerderijen maar ze werden steeds schaarser en nu had ik al
zeker geen half uur lang geen boerderij of huis meer gezien.
Op de kaart zag ik dat de Langa naderde. Eem klein
stippellijntje naar rechts duidde op een "weg"
stroomopwaarts en landinwaarts. Het was pas vier uur maar nu
toch geheel licht.
Een lage nevel hing over het zwak glooiende , boomloze
landschap. Een kleine gedrongen Salix waarvan ik de precieze
naam niet kende, was de aspectbepalende struik. De
nevelslierten hingen in de dalen, maar ondanks de mist had
ik toch enige schitterende rivieren gezien en op dit moment
betreurde ik het ten zeerste dat ik niet gezorgd had voor
een vergunning door naar mijn vriend Guamundsson te
schrijven. Ik besloot de stippellijn te volgen, hetgeen
steeds moeilijker werd.
De mist werd dichter en ik kon de rivier slechts nu en dan
zien schitteren in de koude morgenlucht. Het werd iets
heuvelachtiger en ik rook nu een zwavellucht. Een zeer smal
bruggetje doemde voor me op. Geelachtige dampen stegen op
uit geelachtig water. Steeds weer kwam je voor verrassingen
te staan in dit sagenlandschap. Ik kon nu eigenlijk niet
meer verder en besloot een kijkje te nemen bij de rivier.

Het was vrij vlak hier en het kille zwarte water stroomde
over afgeronde kiezels. Hier werd duidelijk kiezel gehaald
voor de IJslandse wegen. Stroomafwaarts lopend zag ik dat
het zwarte water zich mengde met het gele zwavelwater. Dit
was zeker geen plaats waar Salmo salar lang zou verblijven.
Ik draaide mijn auto en reed aarzelend terug. De mist
was iets lichter en plotseling zag ik een kleine onderbroken
heuvelrug. Daar moest de Langa stromen. Zou ik doorrijden?
Ik stopte en ging kijken en misschien was dat al het moment
waarop ik de grootste zonde deed die een hengelaar maar
bedrijven kan. Het was sterker dan mijzelf. Vergeef mij,
zelfs dit excuus is niet op zijn plaats: dit is een
bekentenis, zonder excuus, niet voor U en niet voor mezelf.

Het was de prachtigste "pool" die ik ooit van mijn leven had
gezien. Die "pool" was nu van mij en niemand kon hem op dit
moment van me afnemen. Aarzelend daalde ik af naar het water
en op hetzelfde moment sprong een prachtige zalm als in een
vertraagde opname uit het water om enigszins stroomopwaarts
er weer in te duiken met een duidelijk hoorbare plons in
deze ongestoorde stilte.
Als in een roes liep ik terug naar de auto en tuigde mijn
vliegenhengel op. Deze prachtige hengel die Cor voor mij
gebouwd had kon een nummer acht lijn werpen. De leader liep
uit in een punt 24/100ste, hetgeen ik eigenlijk wat licht
vond, maar de tijd drong. Ieder moment immers kon een woeste
IJslandse boer met een grote Vikingbijl opdoemen in de mist.
Intuïtief koos ik de juiste plaats en begon ik voor-
en achteruit te zwaaien. Een lange worp was niet
noodzakelijk. Tien meter zou ruim voldoende zijn. Ik had mij
laten verleiden door het prachtige verenpak dat Green
Highlander heet, een vlieg die ik bij Jim Deren in New
York gekocht had. Het was een grote vlieg op haak 2/0 zelfs.
Ik voelde hem nu langs mijn oren suizen. Ze zakte snel
nadat ze aan een gestrekte lijn van hooguit acht meter
het wateroppervlak doorbroken had.
In de felle stroom vlak onder de stroomversnelling, in de
top van de "pool" verdween hij toch vrijwel onmiddellijk in
de diepte en op hetzelfde moment kwam de beet. Als een flits
kwam de zilveren zalm na de aanslag het water uit om met een
verschrikkelijke vaart stroomafwaarts te zwemmen. Daar
verdween de groene vliegenlijn. De "backing" vloog van de
reel. Langzaam vermeerderde ik de druk, maar ik moest
voorzichtig zijn vanwege de dunne tip.
De hengel schokte en ving de stoten van de vluchtende
vis op in een prachtig gekromde houding. De lijn viel slap.
De vis kwam terug. Snel maar uiterst voorzichtig draaide ik
de lijn op de reel. Op het moment dat ik strakdraaide, kwam
de vis uit het water. De gehele leader zag ik mee uit het
water komen en met de zalm weer terugvallen. Hij begon aan
zijn tweede run. Ik realiseerde mij dat ik een goede kans
had deze naar schatting achtponder te vangen en dat was het
moment dat ik ook weer besefte dat ik viste zonder
vergunning.
Een kil gevoel bekroop me. Ze zouden me wel in de gevangenis
zetten of iets dergelijks. Mijn handen trilden nu niet
alleen van de met zijn kop schuddende vis, het typische
gebaar van een zalm die het ergens niet mee eens is.
Langzaam zwom hij van zijn plaats, nog meer de sterke
hoofdstroom in, enigszins stroomopwaarts naar het midden van
de "pool". Zenuwachtig keek ik om. Was daar iemand?
Met een machtige sprong kwam de vis het water uit. Mijn
reflex was een fractie van een seconde te laat. In de sprong
draaide zijn kop van me af en met een felle ruk brak hij de
leaderpunt, op de knoop met de 28/100ste. Ik wist het al nog
voordat ik het gezien had. Mijn angst had mij doen verliezen
en het was alsof de vis afkeurend geknikt had toen hij mij
geheel volgens de regelen der zalmkunst in de morgenkou liet
staan.
Wanneer ik op dat moment opgehouden was met vissen was ik
een alsnog held geweest en had ik hier geen bekentenis
gedaan. Maar ik was te zwak. Ik word trouwens toch zeer gauw
kwaad, niet alleen op mijzelf maar ook op de vissen, als ik
om God weet wat voor reden een vis verspeel. En een
dergelijke kwaadheid gaat pas over als ik een andere vis
gevangen heb of totdat de tijd die kwaadheid langzaam heeft
doen vergeten.
Met trillende handen bond ik de volgende vlieg aan de nieuwe
tip, nu 26/100ste. Dit was een zelfgemaakte Thunder and
Ligthning op haak 1/0, opnieuw een grote haak. Drie worpen
waren voldoende voor de volgende beet.
De geschiedenis herhaalde zich, maar de anticlimax was
nabij.
De spanning was geweken op het moment dat ik voelde dat ik
deze vis, die de zes pond niet eens zou halen, zou vangen.
Ik wist dat ik me geen enkele zenuwachtigheid kon
veroorloven en op dat moment was ik de kalmte zelf. Dan ben
ik koelbloedig en laten mijn reflexen me niet in de steek.
Alleen mijn noodlot kan in zo'n geval de vis redden. Ik zag
bij een van zijn sprongen dat hij was gehaakt in de mondhoek
en was dat niet het duidelijkste teken dat ik deze vis
inderdaad vangen zou ?
Ik voelde nu dat er niemand zou opdagen in de mist, daarvoor
was het nog te vroeg. En ik realiseerde mij dat ik dit alles
eens zou moeten bekennen. Het stropersbloed van mijn vader
zat ook in mezelf. Ik wist ook dat iedere zalm die ik nog
ooit zou vangen een pijnlijke herinnering zou oproepen aan
dit eenzame, mysterieuze avontuur in het land der oeroude
sagen.

Jo Hilgers
|