Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.
Hoofdstuk 199
25 october 2005

De oorsprong van mijn passie voor de natuur
of
de oudste zoon van een stroper en visser uit het arme Roomse leven
en
een knotsgekke biologieleraar

Beste Peter, Toine en Servaas,

Mijn grootvader uit Herkenbosch van de kant van vader Franz Joseph kan ik me niet meer herinneren. Ik weet dat hij Karele Joep heette omdat mijn vader in zijn geboortedorp Franz van Karele Joep werd genoemd. Mijn naam Joseph, afgekort tot Joke toen ik klein was en Jo toen ik groter werd (en Sjeng door mijn leraar scheikunde op de middelbare school), is dus eigenlijk mijn grootvaders naam. De broers van mijn vader heb ik wel nog gekend. Sjeng de oudste die in Herkenbosch bleef wonen en in de bouw werkte, vooral ook Joost de jongste - die gevangenisbewaarder werd - en die in het ouderlijk huis aan de Wijngaardweg aan de rand van Herkenbosch bleef wonen. Karel was kleermaker en woonde zuidelijker in Midden Limburg. Dien was een van de zusters van vader die naar Sittard verhuisde en vaak op bezoek kwam in Hoensbroek waar ik vanaf mijn twaalfde woonde.

In mijn naamgeving van mijn kinderen heb ik gedeeltelijk gebroken met de traditie en mijn zoons naar beroemde Nederlanders genoemd. Vincent Frans en Servaas Joseph. Mijn vrouw toen brak niet met de traditie en noemde mijn dochter Christine Gertrudis, naar haar en mijn moeder.

Er schijnt een "tante" Tien te zijn geweest die - als ik het goed heb - voor mijn Opa heeft gezorgd op latere leeftijd. Ik neem daarom aan dat mijn Oma vroeg stierf, nog voor ik werd geboren in juli 1940. De belangrijkste Herkenbosser in die lang vervlogen tijden was er eentje die emigreerde naar Amerika en zoveel geld verdiende dat hij een nieuwe kerk liet bouwen in zijn geboortedorp. Tot op de dag van vandaag staat die kerk midden in het dorp te pronken. Daar was Franz Joseph behoorlijk van onder de indruk.

Nellie de vrouw van Joost leeft nog en heb ik al op advies van broer Louis enkele malen gebeld maar tot nu toe zonder resultaat. Een gesprek met haar zou veel uit het duistere verleden kunnen ophelderen. Net als vader, stierf Joost aan longkanker. Verschrikkelijke rokers waren het van de grootste bocht, vooral in de Oorlog.

Verhalen uit vader's jeugdjaren concentreerden zich rond de natuur van het Meinweggebied grenzend aan Herkenbos en Vlodrop, nu een Nationaal Park met de enige originele wilde zwijnen populatie van Nederland, dus niet zoals op de Veluwe waar ze ooit zijn uitgezet. Als ik het goed heb door Koning Willem III tegen het einde van de negentiende eeuw. Twee van vaders verhalen uit mijn jeugd herinner ik me nog als de dag van vandaag en maakten destijds grote indruk op Joke, de jongen.

Het eerste betrof vaders hulp aan een plaatselijke grootgrondbezitter - hij zei dat het een heuse graaf is geweest - bij een drijfjacht in de bossen van de Meinweg op grootwild. In die bossen aangeplant met mijnhout (dennen) waren brandgangen aangelegd, die vaak vanuit een punt uitwaaierden in alle richtingen. Een geweer met zijn geweerdrager werd altijd op zo'n centraal punt opgesteld alvorens de drijvers met veel lawaai van stokslagen op bomen en hun honden het bos introkken. Rennend, overstekend wild in die brandgangen moest zeer snel aangesproken worden om een kans te hebben het neer te schieten. En vader die in die contreien als een der beste stropers bekend stond - dat wisten de Heren natuurlijk wel omdat ons nu eenmaal ons kende - was ideaal als hulp bij de jacht.

Hij hoorde alles, had arendsogen en voelde dat een stuk wild er aan kwam nog voor hij het kon zien. Hij waarschuwde snel en de Graaf schoot een ree net voor het opnieuw in de dekking kon verdwijnen, waarop Franz Joseph bliksemsnel wees op en tweede ree in de brandgang ernaast -dat bij het schot schrok en even stil stond - en op dat moment ook geschoten werd door de schutter. Een doublet reeën voor de Graaf en een fooi van vijfentwintig gulden voor mijn vader. Een Godsvermogen in die tijd, voor arme mensen die zonder een moestuin (altijd met als grootste trots asperges die het goed doen op deze arme zandgronden) niet konden overleven en maar af en toe een stukje vlees in de pan hadden, als vader weer eens een konijn of een haas gestroopt had. Hij werkte toen voor een hongerloon in de pannenbakkerijen langs de Maas bij Swalmen en Tegelen.

Hij heeft me meerdere keren het verhaal verteld, dat hij hazen al van ver kon zien liggen in het open veld en er dan tot tien meter dichtbij kon komen zonder dat ze vluchtten, waarop hij ze met een stalen jeu de boules kogel in het leger dood gooide. Hij was een populaire jongen aan de Wijngaardsweg van Herkenbosch, een arm maar tevreden mens omringd door de mooiste natuur. De beste jeu de boule speler. Ook knikkeren kon hij goed net als ondergetekende die vele zakken glazen - niet alleen kleien - kikkers won van zijn schoolkameraadjes. En een grote verzameling had van echte glazen kleurrijke stuiters. En die kon tollen als de beste met een touwtje en met gemak een draaiende tol van een concurrent uit de kring en zelfs kapot gooide.

Na het huwelijk van knappe Franz met de mooie Gertrudis (Trui, later het chique Truus) Smeets uit Posterholt - het dorp ernaast waar hij naar toe fietste langs de Duitse grens bij Vlodrop en langs de Roer - kreeg hij een baan als hulpportier bij de Staatsmijn Maurits en een rijtjeshuisje toegewezen in de Gravin Oda laan van Kerensheide in Zuid Limburg, een mijnwerkerskolonie (in het Limburgs met de klemtoon op -nie-). Daar brachten ze vijf kinderen groot totdat ik - zijn oudste - twaalf jaar was en hij promotie maakte tot chef-portier bij de Staatsmijn Emma en we vertrokken naar Mariarade, een wijk van Hoensbroek naast Amstenrade.

Daar woonden we eerst op de Voltalaan, ook weer een huis gehuurd van de Mijnen, totdat vader in eigen beheer een mooi huis liet bouwen op de Hommerterweg 159. Dat kon omdat moeder niet alleen de dubbeltjes, maar ook de stuivers en de centen goed bijelkaar hield. En dat betekende een goed stuk vlees alleen op zon- en feestdagen, en hooguit een haas met Kerstmis of Nieuwjaar, als de spoorsneeuw had gelegen en vader er met succes een in het veld opgeraapt had. Als hij het huis uitging was dat onveranderlijk met de uitdrukking dat hij een haas of konijn ging oprapen.

Spoorsneeuw, de eerste sneeuw die valt en in een nacht een witte deken uitspreidt over het voorheen lössbruine akkerland. Konijnen en hazen die die nacht actief zijn geweest of 's morgens erop uit trekken konden dan nagelopen en gevolgd worden over hun spoor in de sneeuw. In mijn brein gegrift staat mijn eerste jachtdag met hem in de spoorsneeuw, die zeldzaam is. Ik moet pakweg acht a negen jaar geweest zijn en enkele dagen voor de Kerst was er dat jaar spoorsneeuw gevallen. Voor dag en dauw trokken we de velden in, vanuit Kerensheide in de richting van het Kerensbos.

 

Langs een bosje lopend ging een hazenspoor het veld in en vader fluisterde me toe te blijven staan en me niet te verroeren. Zelf liep hij door en dook effe later het bos in om er met een lange stevige stok weer uit te komen op de plaats waar ik stond. Achter me blijven lopen op een meter afstand siste hij me toe. Zelf liep hij voorop, zich langmakend en langzaam, om het haas in zijn leger te kunnen verrassen. Hij stond stil en gebaarde dat ik moest blijven staan, terwijl hij zelf naar rechts afboog en in een halve cirkel om het haas heen begon te lopen. Op dat moment zag ik het haas ook liggen en het beest keek me recht in de ogen. Die ogen volgden mijn vader niet, de blik bleef op mij gericht. Dit was het geheim van de stroper: het haas werd in opperste verwarring gebracht en wist niet meer waar te kijken. Wist niet meer waar het gevaar vandaan zou komen. Toen wist mijn vader alles.

In het verlengde gekomen van mij naar het haas toe - achter het beest - maakte vader enkele grote sprongen en sloeg met zijn stok het haas morsdood in het leger. Er werd bliksemsnel gepekeld en het dier verdween onder zijn lange dikke winterjas. Bloed was er niet. Bijna rennend liepen we terug, want die boer daar kende mijn vader en had hem al eens bijna gesnapt na het zetten van strikken voor konijnen.

Die Kerst werd er door moeder met veel liefde en geluk een feestmaal aangericht, zoals in die tijd slechts bij graven, grootgrondbezitters, rijke boeren en mijningenieurs werd gegeten. Het geluk na de Nachtmis, het ontbijt met kerstgebak gevuld met rozijnen en een heus diner met haas, rode kool, witlof, aardappelen en een zoete rijstekrans met abrikozen als toetje (specialiteit van moeder) is er nu nog steeds in mijn gedachten.

Mijnwerkers kochten wel eens een half varken, een heel enkele keer als ze het konden betalen, ook wel eens een heel varken, dat aan huis geslacht werd, zoals ook mijn ouders dat deden. Maar een haas in de pot, dat was een Godenmaal. Een maal van echte jagers en slechts af en toe van de succesvolste stropers. Klumpes (balkebrij) met gebakken appelschijven op zwart brood was het Godenmaal bereid uit varkensbloed, in die dagen. Een boterham met rinse appelstroop gewone, alledaagse kost.

De dag dat er strikken werden gezet in het struikgewas naast de mijnspoorlijn, waarbij experts zoals vader ook zonder spoorsneeuw konijnenpaadjes konden vinden, hadden we op de terugweg nog enkele stroppen over, bij vader in zijn linkerzak. Hij zag de boer al van ver aankomen en stak zijn linkerhand ongemerkt in de jaszak met de stroppen. Toen hij werd aangesproken draaide hij zich om en op dat moment - voor de boer onzichtbaar - haalde hij de stroppen vliegensvlug uit zijn zak en liet ze vallen. Hij werd toen niet en is later ook nooit gesnapt. Maar ik moest zwijgen als het graf en had dus al vroeg samen geheimen met mijn vader.

Toen moet de passie en de erbij horende spanning ontloken zijn. Toen stroomde de adrenaline al volop in mijn bloedvaten.

Maar ook door het vissen op de Maas en het Julianakanaal. Alvertjes, voorns en baarzen werden gevangen en gegeten. De voorns met de vele graten werden als braadharing na het braden in grote potten met azijn en uien ingelegd om de graten zacht te maken. Een culinaire bijzonderheid kon het met de beste wil en de grootste honger van de wereld niet genoemd worden. Brasems, snepen, meunen, karpers en snoeken werden nauwelijks gevangen. Wel af en toe een dikke paling in de zomer. Net zo'n lekkernij als een haas in de winter. De hengelsport was een armelui's sport in die tijd en de vis werd opgegeten, lekker of niet. Nu eet niemand meer witvissen, alleen arme Belgen, die immers van alles een culinair hoogstandje kunnen maken.

Biologieleraar Sterk nam mijn opleiding als natuurmens over van vader, vanaf de tweede klas van de HBS. Prompt bleef ik zittten op die klas en op de vierde nog eens. Met Pasen nog een rapport met allemaal voldoendes, bij de overgang was het hommeles met te veel onvoldoendes vooral voor de talen, omdat ik het voorjaar in de kop kreeg en te veel in het veld en naar mijn biologieleraar ging, om thuis nog huiswerk te maken.

Zelfs herkansingen in de zomer werden mij niet gegund - in tegenstelling tot anderen - want directeur Schreinemaker had het niet zo op mij. Enige burgerlijke ongehoorzaamheid en een grote mond met veel opschepperij zaten er toen al bij me in. Dat werd toen nog ongenadig afgestraft en werd een les voor het leven. Maar een les waar ik nooit helemaal bovenop ben gekomen en nu nog wel eens een klein nachtmerrietje aan over heb gehouden.

Mijnheer Sterk woonde vlakbij de Voltalaan en ik kwam er altijd en eeuwig over de vloer om mee te helpen met het opzetten van vlinders, kevers, sprinkhanen, spinnen en nog meer van dat soort hoogst interessant gedierte. Om mee te helpen met het drogen van planten onder de pers en het aanleggen van het herbarium. En om in het veld mee te helpen al die zeldzame en minder zeldzame plantjes en diertjes te zoeken. Eerst met mijn leraar samen, later moederziel alleen. Dilettanten nam ik niet mee het veld een, zonde van de tijd. Ik voelde me in het veld hoog boven het pleps verheven en was er intens gelukkig.

In de werkkamer van Mijnheer Sterk stonden kolommen sigarendoosjes en kistjes geklemd tussen vloer en plafond. Meerdere van die wankele torens, allemaal gevuld met gedierte, geen ongedierte beste Peter, Toine en Servaas, begrijp dat alsjeblieft goed. En als zo'n toren instortte dan was het mijn taak om die weer op te bouwen met hulp van stoel en tafel om tot het plafond te kunnen reiken. Een tijdrovende klus die veel gevoel voor balans vergde en waarbij genummerde doosjes ook inderdaad op hun eigen nummerplek ertussen geplaatst moesten worden, anders was een bepaald insect nooit meer terug te vinden. Een beetje gek was die Mijnheer Sterk wel, maar het was mijn idool. Geen enkele andere scholier gaf om hem zoals ik dat deed. Ik was de steun en toeverlaat van mijn eigenste leraar biologie en vader vond het prachtig en prima. Mijn broers en zus hebben er nooit veel van begrepen en het is aan hen voorbij gegaan denk ik.

Mijn grootste wapenfeiten waren achtereenvolgens de vondst van een klavertje vier (niet zo ongewoon), een klavertje vijf (een enorme zeldzaamheid) en tenslotte een klavertje zes, dat nog nooit door een sterveling, zelfs niet door mijn grote voorbeeld toen al, Carolus Linnaeus, was gevonden. Een klavertje zes dat ontstaan was, omdat twee stengeltjes van twee klavertjes drie, overlangs met elkaar vergroeid waren. En twee keer drie is zes nietwaar. Mijnheer Sterk kon zijn ogen niet geloven die dag.

Hij werd mijn tweede vaderfiguur, maar het heeft me twee keer een overgang gekost op de middelbare school, zodat ik zeven jaar over de HBS deed. Overigens bij het eindexamen met het hoogste cijfer in het land geslaagd voor mechanica (er was dat jaar een mechanica vraag die slechts door mij feilloos was opgelost, als enige in ons landje aan de zee), met tienen voor de wiskunde vakken en een negen voor biologie en geschiedenis (jaartallen kende ik als de beste). Bij de Sint Jan het beste rapport van dat jaar want zo stom was ik natuurlijk ook weer niet. Ik had me alleen te vroeg "gespecialiseerd" en vooral de stampvakken, zoals de talen, verwaarloosd. Mijn revanche op Directeur Schreinemaker, die het allemaal niet goed gesnapt had wat mij betreft.

Als stroper heb ik nooit en te nimmer mijn vader in zijn voetsporen gevolgd. Hij hield ermee op toen ik nog erg jong was, toen de ergste armoede voorbij was. Als hengelaar wel zoals je weet en ik zorgde maar wat vaak voor de kost als ik weer eens alleen naar Maas en Kanaal was geweest en met veel alvertjes, enkele voorns of baarzen en soms een meun of een paling thuiskwam. Samen met moeder maakte ik direct alles schoon om op te eten of in te leggen in het zuur. In de goeie boter knappend gebakken geschubde alvertjes in de koekenpan met brood erbij was een graatvrije delicatesse. Ik zorgde al vroeg met vader mee voor het huisgezin en voelde dat als mijn taak en verantwoordelijkheid.

Na de HBS wilde ik biologie gaan studeren en vroeg daarvoor toestemming aan mijn ouders. Geen sprake van werd er gezegd. Iemand die zeven jaar over de HBS had gedaan moest eerst maar laten zien dat hij zijn brood kon verdienen. En ik moest vooral niet denken dat ik - Joke uit Hoensbroek - zo'n extreme slimmerik was dat ik zomaar een universitaire opleiding kon volgen. Daar waren in het dorp nog nauwelijks of geen voorbeelden van. Vader zorgde voor een baan op het Centraal Laboratorium van de Staatsmijnen, tussen Urmond en Stein. Ik werd er chemisch analist en mocht op mijn tweeëntwintigste biologie gaan studeren in Utrecht.

Ik had toen drie jaar lang mijn hele salaris, te weten zestig gulden per week, aan moeder gegeven voor het gezin. Eerst voor tien en later voor vijftien gulden zakgeld in het weekend. Om uit te gaan en te dansen. Het begin van het vrijers- en uitgaansleven.

Zo rijk was het Roomse leven dus niet, althans in financieel opzicht. Het was armoe troef en sparen stond hoog in het vaandel van moeder. Van iedere mijnwerkersvrouw uit die tijd. Rijk was het wel wat beleving van godsdienst (ik was een fanatiek misdienaar en biechtte al mijn misdaden trouw op aan Mijnheer Pastoor in de biechtstoel, die mij wel mocht trouwens) en het muzikale verenigingsleven betreft. Zo waren mijn twee broers Harrie en Frans en ikzelf lid van de Fanfare Sint Josef van Heerlerheide en die stond hoog geplaatst in de ere afdeling, met alleen de afdeling uitmuntend daar nog boven.

Toen liepen we in optochten als er lintjes werden uitgereikt door de Koningin en in processies van kerk naar kerkhof, als er notabelen werden begraven. Toen deden we mee aan de vele Limburgse muziekconcoursen. Toen ontstond het wereldmuziekconcours van Kerkrade in het oude centrum van de mijnstreek, van de Nassau en Domaniale Mijnen, niet de Staatsmijnen. Toen speelde ik nog op Koninginnedag de Koopman van Venetië op mijn schuiftrombone, staande op het met een plank afgedekt biljart. Voor een rondje voor de fanfare van een rijke dorpeling met liefde voor muziek en een lekker biertje of cognacje, een Vieux van Hollandse makelij omdat een Franse toen nog veel te duur was. Het was nog de tijd van een soort wijn: Pleegzuster Bloedwijn. De tijd van het Elske met suiker, de Limburgse pendant van de Friese Berenburger.

Toen donken wij broers geen bier maar samen een glas limonade, om maar zo veel mogelijk chocoladerepen (bij een rondje was het of een drankje of een reep chocolade) mee naar huis te kunnen nemen voor moeder. Twee fietsen hadden we en bij mij zat Frans achterop want ik was de oudste en de sterkste. Harrie fietste alleen en sneller dus. Met schuiftrombone, waldhoorn en saxofoon. Als wij dan thuiskwamen wist moeder al precies hoeveel repen chocola van Côte d'Or we bij ons hadden. En die werden maar mondjesmaat uitgedeeld, vooral ook aan de jongere kinderen Louis en Marie-José, om zo de week door te komen met snoepgoed en zoetigheid. Chocola van de allerbeste en enig echte Belgische kwaliteit.

Met muziek heb ik het slechts gebracht tot het Groenenorkest van Veritas, de studentenvereniging van de Utrechtse Universiteit. Dixieland en New Orleans jazz heb ik nog net met enig enthousiasme gespeeld, maar toen nam mijn liefde voor de biologie en de natuur het over. De passie ging er nooit meer uit. Dat bleek op mijn zevenenveertigste toen ik eindelijk jager werd en de "verloren" tijd begon in te halen. Toen was ik al vliegvisser geworden en had al over de halve wereld gevist op zalm en forel. Vader maakte het niet meer mee, die stierf te vroeg op zijn zestigste in negentienzeventig.

Met vriendelijke groeten van

Jo met herinneringen over hoe de passie voor de natuur ontstond

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz