Hoofdstuk 199
25 october 2005
De oorsprong van mijn passie
voor de natuur
of
de oudste zoon van een stroper en visser uit het arme Roomse
leven
en
een knotsgekke biologieleraar
Beste Peter, Toine en Servaas,
Mijn grootvader uit Herkenbosch van de kant van vader
Franz Joseph kan ik me niet meer herinneren. Ik weet dat hij
Karele Joep heette omdat mijn vader in zijn geboortedorp
Franz van Karele Joep werd genoemd. Mijn naam Joseph,
afgekort tot Joke toen ik klein was en Jo toen ik groter
werd (en Sjeng door mijn leraar scheikunde op de middelbare
school), is dus eigenlijk mijn grootvaders naam. De broers
van mijn vader heb ik wel nog gekend. Sjeng de oudste die in
Herkenbosch bleef wonen en in de bouw werkte, vooral ook
Joost de jongste - die gevangenisbewaarder werd - en die in
het ouderlijk huis aan de Wijngaardweg aan de rand van
Herkenbosch bleef wonen. Karel was kleermaker en woonde
zuidelijker in Midden Limburg. Dien was een van de zusters
van vader die naar Sittard verhuisde en vaak op bezoek kwam
in Hoensbroek waar ik vanaf mijn twaalfde woonde.
In mijn naamgeving van mijn kinderen heb ik gedeeltelijk
gebroken met de traditie en mijn zoons naar beroemde
Nederlanders genoemd. Vincent Frans en Servaas Joseph. Mijn
vrouw toen brak niet met de traditie en noemde mijn dochter
Christine Gertrudis, naar haar en mijn moeder.
Er schijnt een "tante" Tien te zijn geweest die - als ik
het goed heb - voor mijn Opa heeft gezorgd op latere
leeftijd. Ik neem daarom aan dat mijn Oma vroeg stierf, nog
voor ik werd geboren in juli 1940. De belangrijkste
Herkenbosser in die lang vervlogen tijden was er eentje die
emigreerde naar Amerika en zoveel geld verdiende dat hij een
nieuwe kerk liet bouwen in zijn geboortedorp. Tot op de dag
van vandaag staat die kerk midden in het dorp te pronken.
Daar was Franz Joseph behoorlijk van onder de indruk.
Nellie de vrouw van Joost leeft nog en heb ik al op
advies van broer Louis enkele malen gebeld maar tot nu toe
zonder resultaat. Een gesprek met haar zou veel uit het
duistere verleden kunnen ophelderen. Net als vader, stierf
Joost aan longkanker. Verschrikkelijke rokers waren het van
de grootste bocht, vooral in de Oorlog.
Verhalen uit vader's jeugdjaren concentreerden zich rond
de natuur van het Meinweggebied grenzend aan Herkenbos en
Vlodrop, nu een Nationaal Park met de enige originele wilde
zwijnen populatie van Nederland, dus niet zoals op de Veluwe
waar ze ooit zijn uitgezet. Als ik het goed heb door Koning
Willem III tegen het einde van de negentiende eeuw. Twee van
vaders verhalen uit mijn jeugd herinner ik me nog als de dag
van vandaag en maakten destijds grote indruk op Joke, de
jongen.
Het eerste betrof vaders hulp aan een plaatselijke
grootgrondbezitter - hij zei dat het een heuse graaf is
geweest - bij een drijfjacht in de bossen van de Meinweg op
grootwild. In die bossen aangeplant met mijnhout (dennen)
waren brandgangen aangelegd, die vaak vanuit een punt
uitwaaierden in alle richtingen. Een geweer met zijn
geweerdrager werd altijd op zo'n centraal punt opgesteld
alvorens de drijvers met veel lawaai van stokslagen op bomen
en hun honden het bos introkken. Rennend, overstekend wild
in die brandgangen moest zeer snel aangesproken worden om
een kans te hebben het neer te schieten. En vader die in die
contreien als een der beste stropers bekend stond - dat
wisten de Heren natuurlijk wel omdat ons nu eenmaal ons
kende - was ideaal als hulp bij de jacht.
Hij hoorde alles, had arendsogen en voelde dat een stuk
wild er aan kwam nog voor hij het kon zien. Hij waarschuwde
snel en de Graaf schoot een ree net voor het opnieuw in de
dekking kon verdwijnen, waarop Franz Joseph bliksemsnel wees
op en tweede ree in de brandgang ernaast -dat bij het schot
schrok en even stil stond - en op dat moment ook geschoten
werd door de schutter. Een doublet reeën voor de Graaf en
een fooi van vijfentwintig gulden voor mijn vader. Een
Godsvermogen in die tijd, voor arme mensen die zonder een
moestuin (altijd met als grootste trots asperges die het
goed doen op deze arme zandgronden) niet konden overleven en
maar af en toe een stukje vlees in de pan hadden, als vader
weer eens een konijn of een haas gestroopt had. Hij werkte
toen voor een hongerloon in de pannenbakkerijen langs de
Maas bij Swalmen en Tegelen.
Hij heeft me meerdere keren het verhaal verteld, dat hij
hazen al van ver kon zien liggen in het open veld en er dan
tot tien meter dichtbij kon komen zonder dat ze vluchtten,
waarop hij ze met een stalen jeu de boules kogel in het
leger dood gooide. Hij was een populaire jongen aan de
Wijngaardsweg van Herkenbosch, een arm maar tevreden mens
omringd door de mooiste natuur. De beste jeu de boule
speler. Ook knikkeren kon hij goed net als ondergetekende
die vele zakken glazen - niet alleen kleien - kikkers won
van zijn schoolkameraadjes. En een grote verzameling had van
echte glazen kleurrijke stuiters. En die kon tollen als de
beste met een touwtje en met gemak een draaiende tol van een
concurrent uit de kring en zelfs kapot gooide.
Na het huwelijk van knappe Franz met de mooie Gertrudis
(Trui, later het chique Truus) Smeets uit Posterholt - het
dorp ernaast waar hij naar toe fietste langs de Duitse grens
bij Vlodrop en langs de Roer - kreeg hij een baan als
hulpportier bij de Staatsmijn Maurits en een rijtjeshuisje
toegewezen in de Gravin Oda laan van Kerensheide in Zuid
Limburg, een mijnwerkerskolonie (in het Limburgs met de
klemtoon op -nie-). Daar brachten ze vijf kinderen groot
totdat ik - zijn oudste - twaalf jaar was en hij promotie
maakte tot chef-portier bij de Staatsmijn Emma en we
vertrokken naar Mariarade, een wijk van Hoensbroek naast
Amstenrade.
Daar woonden we eerst op de Voltalaan, ook weer een huis
gehuurd van de Mijnen, totdat vader in eigen beheer een mooi
huis liet bouwen op de Hommerterweg 159. Dat kon omdat
moeder niet alleen de dubbeltjes, maar ook de stuivers en de
centen goed bijelkaar hield. En dat betekende een goed stuk
vlees alleen op zon- en feestdagen, en hooguit een haas met
Kerstmis of Nieuwjaar, als de spoorsneeuw had gelegen en
vader er met succes een in het veld opgeraapt had. Als hij
het huis uitging was dat onveranderlijk met de uitdrukking
dat hij een haas of konijn ging oprapen.
Spoorsneeuw, de eerste sneeuw die valt en in een nacht
een witte deken uitspreidt over het voorheen lössbruine
akkerland. Konijnen en hazen die die nacht actief zijn
geweest of 's morgens erop uit trekken konden dan nagelopen
en gevolgd worden over hun spoor in de sneeuw. In mijn brein
gegrift staat mijn eerste jachtdag met hem in de
spoorsneeuw, die zeldzaam is. Ik moet pakweg acht a negen
jaar geweest zijn en enkele dagen voor de Kerst was er dat
jaar spoorsneeuw gevallen. Voor dag en dauw trokken we de
velden in, vanuit Kerensheide in de richting van het
Kerensbos.

Langs een bosje lopend ging een hazenspoor het veld in en
vader fluisterde me toe te blijven staan en me niet te
verroeren. Zelf liep hij door en dook effe later het bos in
om er met een lange stevige stok weer uit te komen op de
plaats waar ik stond. Achter me blijven lopen op een meter
afstand siste hij me toe. Zelf liep hij voorop, zich
langmakend en langzaam, om het haas in zijn leger te kunnen
verrassen. Hij stond stil en gebaarde dat ik moest blijven
staan, terwijl hij zelf naar rechts afboog en in een halve
cirkel om het haas heen begon te lopen. Op dat moment zag ik
het haas ook liggen en het beest keek me recht in de ogen.
Die ogen volgden mijn vader niet, de blik bleef op mij
gericht. Dit was het geheim van de stroper: het haas werd in
opperste verwarring gebracht en wist niet meer waar te
kijken. Wist niet meer waar het gevaar vandaan zou komen.
Toen wist mijn vader alles.
In het verlengde gekomen van mij naar het haas toe -
achter het beest - maakte vader enkele grote sprongen en
sloeg met zijn stok het haas morsdood in het leger. Er werd
bliksemsnel gepekeld en het dier verdween onder zijn lange
dikke winterjas. Bloed was er niet. Bijna rennend liepen we
terug, want die boer daar kende mijn vader en had hem al
eens bijna gesnapt na het zetten van strikken voor konijnen.
Die Kerst werd er door moeder met veel liefde en geluk
een feestmaal aangericht, zoals in die tijd slechts bij
graven, grootgrondbezitters, rijke boeren en mijningenieurs
werd gegeten. Het geluk na de Nachtmis, het ontbijt met
kerstgebak gevuld met rozijnen en een heus diner met haas,
rode kool, witlof, aardappelen en een zoete rijstekrans met
abrikozen als toetje (specialiteit van moeder) is er nu nog
steeds in mijn gedachten.
Mijnwerkers kochten wel eens een half varken, een heel
enkele keer als ze het konden betalen, ook wel eens een heel
varken, dat aan huis geslacht werd, zoals ook mijn ouders
dat deden. Maar een haas in de pot, dat was een Godenmaal.
Een maal van echte jagers en slechts af en toe van de
succesvolste stropers. Klumpes (balkebrij) met gebakken
appelschijven op zwart brood was het Godenmaal bereid uit
varkensbloed, in die dagen. Een boterham met rinse
appelstroop gewone, alledaagse kost.
De dag dat er strikken werden gezet in het struikgewas
naast de mijnspoorlijn, waarbij experts zoals vader ook
zonder spoorsneeuw konijnenpaadjes konden vinden, hadden we
op de terugweg nog enkele stroppen over, bij vader in zijn
linkerzak. Hij zag de boer al van ver aankomen en stak zijn
linkerhand ongemerkt in de jaszak met de stroppen. Toen hij
werd aangesproken draaide hij zich om en op dat moment -
voor de boer onzichtbaar - haalde hij de stroppen
vliegensvlug uit zijn zak en liet ze vallen. Hij werd toen
niet en is later ook nooit gesnapt. Maar ik moest zwijgen
als het graf en had dus al vroeg samen geheimen met mijn
vader.
Toen moet de passie en de erbij horende spanning ontloken
zijn. Toen stroomde de adrenaline al volop in mijn
bloedvaten.
Maar ook door het vissen op de Maas en het Julianakanaal.
Alvertjes, voorns en baarzen werden gevangen en gegeten. De
voorns met de vele graten werden als braadharing na het
braden in grote potten met azijn en uien ingelegd om de
graten zacht te maken. Een culinaire bijzonderheid kon het
met de beste wil en de grootste honger van de wereld niet
genoemd worden. Brasems, snepen, meunen, karpers en snoeken
werden nauwelijks gevangen. Wel af en toe een dikke paling
in de zomer. Net zo'n lekkernij als een haas in de winter.
De hengelsport was een armelui's sport in die tijd en de vis
werd opgegeten, lekker of niet. Nu eet niemand meer
witvissen, alleen arme Belgen, die immers van alles een
culinair hoogstandje kunnen maken.
Biologieleraar Sterk nam mijn opleiding als natuurmens
over van vader, vanaf de tweede klas van de HBS. Prompt
bleef ik zittten op die klas en op de vierde nog eens. Met
Pasen nog een rapport met allemaal voldoendes, bij de
overgang was het hommeles met te veel onvoldoendes vooral
voor de talen, omdat ik het voorjaar in de kop kreeg en te
veel in het veld en naar mijn biologieleraar ging, om thuis
nog huiswerk te maken.
Zelfs herkansingen in de zomer werden mij niet gegund -
in tegenstelling tot anderen - want directeur Schreinemaker
had het niet zo op mij. Enige burgerlijke ongehoorzaamheid
en een grote mond met veel opschepperij zaten er toen al bij
me in. Dat werd toen nog ongenadig afgestraft en werd een
les voor het leven. Maar een les waar ik nooit helemaal
bovenop ben gekomen en nu nog wel eens een klein
nachtmerrietje aan over heb gehouden.
Mijnheer Sterk woonde vlakbij de Voltalaan en ik kwam er
altijd en eeuwig over de vloer om mee te helpen met het
opzetten van vlinders, kevers, sprinkhanen, spinnen en nog
meer van dat soort hoogst interessant gedierte. Om mee te
helpen met het drogen van planten onder de pers en het
aanleggen van het herbarium. En om in het veld mee te helpen
al die zeldzame en minder zeldzame plantjes en diertjes te
zoeken. Eerst met mijn leraar samen, later moederziel
alleen. Dilettanten nam ik niet mee het veld een, zonde van
de tijd. Ik voelde me in het veld hoog boven het pleps
verheven en was er intens gelukkig.
In de werkkamer van Mijnheer Sterk stonden kolommen
sigarendoosjes en kistjes geklemd tussen vloer en plafond.
Meerdere van die wankele torens, allemaal gevuld met
gedierte, geen ongedierte beste Peter, Toine en Servaas,
begrijp dat alsjeblieft goed. En als zo'n toren instortte
dan was het mijn taak om die weer op te bouwen met hulp van
stoel en tafel om tot het plafond te kunnen reiken. Een
tijdrovende klus die veel gevoel voor balans vergde en
waarbij genummerde doosjes ook inderdaad op hun eigen
nummerplek ertussen geplaatst moesten worden, anders was een
bepaald insect nooit meer terug te vinden. Een beetje gek
was die Mijnheer Sterk wel, maar het was mijn idool. Geen
enkele andere scholier gaf om hem zoals ik dat deed. Ik was
de steun en toeverlaat van mijn eigenste leraar biologie en
vader vond het prachtig en prima. Mijn broers en zus hebben
er nooit veel van begrepen en het is aan hen voorbij gegaan
denk ik.
Mijn grootste wapenfeiten waren achtereenvolgens de
vondst van een klavertje vier (niet zo ongewoon), een
klavertje vijf (een enorme zeldzaamheid) en tenslotte een
klavertje zes, dat nog nooit door een sterveling, zelfs niet
door mijn grote voorbeeld toen al, Carolus Linnaeus, was
gevonden. Een klavertje zes dat ontstaan was, omdat twee
stengeltjes van twee klavertjes drie, overlangs met elkaar
vergroeid waren. En twee keer drie is zes nietwaar. Mijnheer
Sterk kon zijn ogen niet geloven die dag.
Hij werd mijn tweede vaderfiguur, maar het heeft me twee
keer een overgang gekost op de middelbare school, zodat ik
zeven jaar over de HBS deed. Overigens bij het eindexamen
met het hoogste cijfer in het land geslaagd voor mechanica
(er was dat jaar een mechanica vraag die slechts door mij
feilloos was opgelost, als enige in ons landje aan de zee),
met tienen voor de wiskunde vakken en een negen voor
biologie en geschiedenis (jaartallen kende ik als de beste).
Bij de Sint Jan het beste rapport van dat jaar want zo stom
was ik natuurlijk ook weer niet. Ik had me alleen te vroeg
"gespecialiseerd" en vooral de stampvakken, zoals de talen,
verwaarloosd. Mijn revanche op Directeur Schreinemaker, die
het allemaal niet goed gesnapt had wat mij betreft.
Als stroper heb ik nooit en te nimmer mijn vader in zijn
voetsporen gevolgd. Hij hield ermee op toen ik nog erg jong
was, toen de ergste armoede voorbij was. Als hengelaar wel
zoals je weet en ik zorgde maar wat vaak voor de kost als ik
weer eens alleen naar Maas en Kanaal was geweest en met veel
alvertjes, enkele voorns of baarzen en soms een meun of een
paling thuiskwam. Samen met moeder maakte ik direct alles
schoon om op te eten of in te leggen in het zuur. In de
goeie boter knappend gebakken geschubde alvertjes in de
koekenpan met brood erbij was een graatvrije delicatesse. Ik
zorgde al vroeg met vader mee voor het huisgezin en voelde
dat als mijn taak en verantwoordelijkheid.
Na de HBS wilde ik biologie gaan studeren en vroeg
daarvoor toestemming aan mijn ouders. Geen sprake van werd
er gezegd. Iemand die zeven jaar over de HBS had gedaan
moest eerst maar laten zien dat hij zijn brood kon
verdienen. En ik moest vooral niet denken dat ik - Joke uit
Hoensbroek - zo'n extreme slimmerik was dat ik zomaar een
universitaire opleiding kon volgen. Daar waren in het dorp
nog nauwelijks of geen voorbeelden van. Vader zorgde voor
een baan op het Centraal Laboratorium van de Staatsmijnen,
tussen Urmond en Stein. Ik werd er chemisch analist en mocht
op mijn tweeëntwintigste biologie gaan studeren in Utrecht.
Ik had toen drie jaar lang mijn hele salaris, te weten
zestig gulden per week, aan moeder gegeven voor het gezin.
Eerst voor tien en later voor vijftien gulden zakgeld in het
weekend. Om uit te gaan en te dansen. Het begin van het
vrijers- en uitgaansleven.
Zo rijk was het Roomse leven dus niet, althans in
financieel opzicht. Het was armoe troef en sparen stond hoog
in het vaandel van moeder. Van iedere mijnwerkersvrouw uit
die tijd. Rijk was het wel wat beleving van godsdienst (ik
was een fanatiek misdienaar en biechtte al mijn misdaden
trouw op aan Mijnheer Pastoor in de biechtstoel, die mij wel
mocht trouwens) en het muzikale verenigingsleven betreft. Zo
waren mijn twee broers Harrie en Frans en ikzelf lid van de
Fanfare Sint Josef van Heerlerheide en die stond hoog
geplaatst in de ere afdeling, met alleen de afdeling
uitmuntend daar nog boven.
Toen liepen we in optochten als er lintjes werden
uitgereikt door de Koningin en in processies van kerk naar
kerkhof, als er notabelen werden begraven. Toen deden we mee
aan de vele Limburgse muziekconcoursen. Toen ontstond het
wereldmuziekconcours van Kerkrade in het oude centrum van de
mijnstreek, van de Nassau en Domaniale Mijnen, niet de
Staatsmijnen. Toen speelde ik nog op Koninginnedag de
Koopman van Venetië op mijn schuiftrombone, staande op het
met een plank afgedekt biljart. Voor een rondje voor de
fanfare van een rijke dorpeling met liefde voor muziek en
een lekker biertje of cognacje, een Vieux van Hollandse
makelij omdat een Franse toen nog veel te duur was. Het was
nog de tijd van een soort wijn: Pleegzuster Bloedwijn. De
tijd van het Elske met suiker, de Limburgse pendant van de
Friese Berenburger.
Toen donken wij broers geen bier maar samen een glas
limonade, om maar zo veel mogelijk chocoladerepen (bij een
rondje was het of een drankje of een reep chocolade) mee
naar huis te kunnen nemen voor moeder. Twee fietsen hadden
we en bij mij zat Frans achterop want ik was de oudste en de
sterkste. Harrie fietste alleen en sneller dus. Met
schuiftrombone, waldhoorn en saxofoon. Als wij dan
thuiskwamen wist moeder al precies hoeveel repen chocola van
Côte d'Or we bij ons hadden. En die werden maar mondjesmaat
uitgedeeld, vooral ook aan de jongere kinderen Louis en
Marie-José, om zo de week door te komen met snoepgoed en
zoetigheid. Chocola van de allerbeste en enig echte
Belgische kwaliteit.
Met muziek heb ik het slechts gebracht tot het
Groenenorkest van Veritas, de studentenvereniging van de
Utrechtse Universiteit. Dixieland en New Orleans jazz heb ik
nog net met enig enthousiasme gespeeld, maar toen nam mijn
liefde voor de biologie en de natuur het over. De passie
ging er nooit meer uit. Dat bleek op mijn zevenenveertigste
toen ik eindelijk jager werd en de "verloren" tijd begon in
te halen. Toen was ik al vliegvisser geworden en had al over
de halve wereld gevist op zalm en forel. Vader maakte het
niet meer mee, die stierf te vroeg op zijn zestigste in
negentienzeventig.
Met vriendelijke groeten van
Jo met herinneringen over hoe de passie voor de natuur
ontstond
|