De
Smiententonnen van Diogenes
Op die woensdag in de laatste week voor Kerstmis zou de
jachtdag in de Assendelftse polder in tweeën worden gedeeld.
Ik 's morgens in mijn eentje in een van de smiententonnen
van Diogenes zoals ik ze vaak noem, en 's middags met zijn
vijven met Albert en zijn hond op de hazen. Daarbij dan ook
Roel de jachthouder en mollenvanger, Leo die net naar
Schotland op de fazantenjacht was geweest en ons aller
nestor, de vriendelijke Ome Jan Strik.
Om zeven uur stond ik met mijn auto voor het veer, dat mij
over het Noordzeekanaal zou brengen. Om half acht reed ik
het erf op en kleedde me aan voor de een kilometer lange
trek de polder in. Ik sjouwde een jute zak met zestien
lokkers, een tas met patronen, proviand en mijn Winchester
dubbelloops.
De wind was matig uit het zuidwesten en de lucht licht
bewolkt en grijs. Links zag ik de lichten van Zaanstad en
voor me was de gloed van weinig laag licht boven de horizon
achter het kanaal. Geleidelijk aan werd het fluiten van de
smienten hoorbaar. Deze eendensoort is vrijwel altijd zeer
luidruchtig, vooral als ze vliegen, maar ook als ze zwemmen.
Ze zullen nooit echt verrassen al komen ze van achteren. Heb
je voor andere eendensoorten vier ogen nodig, voor deze
vogels zijn twee voldoende.
De tocht lag er vol van, maar zoals vorig jaar toen we er
hier wel duizend telden. Nederland heeft misschien wel de
hoogste winterstand van alle Europese landen van de
grasetende smient. Behalve een typisch ganzenland is ons
land dan ook een smientenland. Maar waarom er in onze polder
dit jaar maar een kwart waren vergeleken met vorig jaar,
moest voorlopig onbeantwoord blijven. Waren ze misschien wat
verder doorgetrokken naar de grote rivieren dit jaar, zoals
Roel had vernomen?
Als een donkere massa, fluitend dat het een lieve lust was,
stegen ze uit de wetering omhoog. De verschillende wolken
sloten zich aaneen en weg waren ze, het geluid wegebbend
tussen de andere geluiden in de poldernacht.
De overmaatse zogenaamde milieutonnen hadden we jaren
geleden ingegraven op de twee hoeken van de wetering met
haar dwarssloten. Met het handhei apparaat waren per ton
twee drie meter lange houten palen in de zachte veengrond
geslagen, waarna ze met bouten werden verankerd om te
voorkomen dat de lege tonnen door de opwaartse druk omhoog
zouden komen. De diameter was groot genoeg om er op een
stoeltje in te zitten, met je hoofd net boven het maaiveld.
Er werd zichtbaar voor de overvliegende vogels staande
geschoten.
Heel vroeg in het donker vielen de nietsvermoedende smienten
wel in tussen de lokkers, soms op nog geen drie meter
afstand, maar dan werd er natuurlijk op geschoten. Terwijl
de smient vergeleken met andere eendensoorten in het nadeel
is door zijn luidruchtigheid, is het een voordeel dat de
vogel zeer snel vliegt en uiterst wendbaar is. Weliswaar is
de vlucht rechtlijniger dan die van de wintertaling, maar
met een uiterst snelle en behendige reactie op de zich
vertonende jager, gaan ze soms loodrecht de lucht in. Niet
zo gehoekt vliegend als de houtduif, maar toch flitsend van
links naar rechts als het moet. Veel schoten zijn daarom in
het luchtledige en de vogel is dan duidelijk niet waar de
jager dacht dat hij komen zou. De lokkers met een kort
touwtje en klein anker werden in de tocht gegooid. Links
doemde de dikke ronde gekoepelde watertoren van Westzaan op
uit de lichter wordende duisternis. Het was bij achten en de
verwachtingen waren hoog gespannen.
Al gauw klonk in de verte het karakteristieke aanzwellende
geluid, snel van richting veranderend. Het kon goed worden
nagebootst met de mond, of krachtiger en nog realistischer
fluitend met twee vingers in de mond, een kunstje dat Roel
goed kent. Toch nog onverwacht suisden ze over de lokkers en
gaven mij het nakijken. Ik draaide mee als een tol in de ton
van links naar rechts, om de vogels in het zicht te houden
en zo goed mogelijk onder schot te krijgen. Het was altijd
weer even wennen en een paar kansen waren vlug voorbij. De
eerste twee schoten resulteerden in een prachtig doublet uit
een groep van acht op tenminste vijfentwintig meter hoogte.
Een tot anderhalve meter had ik voor moeten geven hetgeen
noodzakelijk was vanwege de snelle vlucht nu ze voor de wind
kwamen. Ik kroop uit de ton en kroop in het platte bootje om
een van de smienten al peddelend op te halen. De andere was
op het land naast me gevallen. Twee mooie woerden in vol
ornaat. In Nederland is het aantal woerden altijd groter dan
het aantal vrouwelijke eenden. Die trekken vaak wat
zuidelijker door tot in Frankrijk en Spanje. Anas penelope,
de Euraziatische smient, heeft een kastanjebruine ronde kop
met een goudgele voorhoofdskroon boven de kleine grijszwarte
snavel. De borst is oudroze van kleur en de buik wit met
zwarte onderstaartveren waarvan er twee puntig tot achter de
anderen uitsteken. De onderkant van de vleugels is grijs,
donkerder naar de slagpennen en de vleugeltoppen toe. De
bovenkant van de vleugel heeft een groot wit vlak boven de
groen glanzende spiegel. De poten zijn grijs. De smient
houdt qua grootte het midden tussen de wintertaling, de
kleinste onzer eenden en de grote wilde eend, die we vaak
volle eend noemen in jagerskringen. Hij heeft puntige
vleugels en een karakteristiek slank profiel. Smienten
broeden in de wateren van de naaldbomengordel en toendra's
vanaf IJsland in het westen, via Scandinavië, Rusland en
Siberië in het oosten. 's Winters trekken ze naar het zuiden
van Noord-Afrika via het Midden Oosten, naar India,
Indochina en zelfs China. Velen blijven noordelijker, in
Europa met name in Nederland. Op het Amerikaanse continent
neemt Ana americana de plaats in van onze soort. Dit is een
eend met een witte kroon, een metallisch groene streep vanaf
de ogen naar achteren en met zwarte vlekjes en vlekken tegen
een roomwitte achtergrond op het verenkleed van kop en nek.
Ik had er wel eens een in Canada geschoten en het was me
toen duidelijk dat de Amerikaanse widgeon of baldplate veel
minder muzikaal is dan de Europese widgeon. De Duitsers
noemen de smient de Pfeifente vanwege het gefluit. Uit de
grote ver weg in een andere wetering rustende groep met
enkele zwanen ertussen, stegen nu af en toe kleine groepjes
en plukjes omhoog om fluitende de omgeving te verkennen.
Mijn lokkers ontdekkende vlogen ze er hoog overheen, soms
aanstalten makend in te vallen. Schrikkend van schoten hoger
stijgend, nog sneller vliegend en uiteindelijk weer
invallend bij de grote groep verderop, dat was het keer op
keer terugkerende patroon van de ochtendjacht. Tegen elven
lagen er negen. Een oud en oer-Hollands spel tussen de
fluitende eend en de terugfluitende jagers speelde zich af
in de weilandpolder in het Noord-Hollandse, boven en niet
ver van het grote kanaal, gegraven van Amsterdam naar de
Noordzee. Hollandser kon het niet, met een eeuwenoude en
complexe traditie.
De jager in zijn element, genietend van de natuur en de
rijke oogst. Gebogen onder de zware zak met lokkers, een
geweer, een patronentas en een tweede jute zak met wild er
in, sjokte ik, af en toe rustend, terug naar de boerderij.
Roel had op dit weiland in februari en maart goed mollen
gevangen. Er waren nog maar twee ritten met hun rijen zwarte
hopen over. Boer Jos gaf Roel het jachtgenot in ruil voor de
mollenvangst, zodat zijn hooi schoon zou zijn zonder het
stof van meegedroogde veengrond. En het verjagen en bejagen
van de smienten was de boer natuurlijk ook geen doorn in het
oog. Mijn jachtvrienden voor de hazenjacht waren al
gearriveerd en een luidruchtige begroeting achter de
boerderij was mijn deel toen ik de zakken met lokkers en
buit afgooide en het tableau uitlegde. Een hele middag op de
hazen lag nog in het verschiet en een beetje lopen na dat
zitten in die ton was natuurlijk nu erg welkom.
Jo de smientenjager
|
|