|
18 maart 2004
Wat de boer - lees Toine
Ramakers - niet kent in de natuur daar heeft hij geen
interesse in
of
Die Pilzlehrschau von Walter Patzold in Hornberg im Hoch
Schwarzwald bei Freiburg-im-Breisgau
Beste Peter,
Ik begin dit verhaal vandaag met een citaat van een recente
boodschap van mijn goede vriend Toine Ramakers uit het
Limburgse, want het inspireert me hem eens een wijze les in
opvoeding als "natuurmens" te geven, zo niet eens flink de
oren te wassen. En te laat is het niet, want het joch - het
is een vuurtoren omdat hij rood haar heeft, althans zo
noemden wij roodharigen als kind, herinner ik me nog goed -
is nog maar 27 en (gelukkig) nog ongetrouwd, ongebonden,
maar eigenlijk al een "te druk baasje" zoals ik hieronder
zal aantonen. Te druk in de zin dat hij zijn prioriteiten
niet meer netjes op een rij heeft. Als je het mij vraagt en
ik zal dat haarfijn uit de doeken doen, beste Peter. Jij
hebt hem effe meegemaakt en dat was voldoende denk ik om
zeer geïnteresseerd te raken in onze Toine nietwaar. Want
het is en blijft een interessante vent.
Want Toine schijnt het effe te druk te hebben met zichzelf
en anderen, om zich verder als compleet natuurmens te
ontwikkelen, een modern renaissance figuur die van alles
verstand heeft en niet van een klein vakgebiedje, een
renaissance man als tegenhanger tot de vaak bekrompen
specialist, die diep in zijn eigen gegraven kanaaltje zit en
van daaruit roept, daar heb ik geen interesse in, ik heb het
al druk zat. Dat ken ik niet, daar weet ik niks van. Dat heb
ik nog nooit gegeten. Val me alsjeblieft niet lastig.
Met zulke figuren heb ik nooit veel op gehad en als het al
moest was het met hooggespecialiseerde wetenschappers en dat
zijn vaak enge, eigenwijze, bekrompen, egoïstische,
wereldvreemde, vaak ook wat komische, verstrooide figuren,
zoals iedereen wel weet en zoals in vele films uitgebeeld.
Films waarin zo'n wetenschapper als een slechterik, een
boosaardig figuur wordt geboekstaafd en dan heb ik het
bijvoorbeeld over Caligari's Cabinet uit de tijd van de
Stomme Film en Dr. Strangelove van later datum.
En wat zegt Toine hieronder? Ik ben een specialist, een
jager die alleen wil jagen op een manier zoals ik die
geleerd heb en daar heb ik voldoende aan. Ja dat zegt het
joch. En iets nieuws starten is er niet meer bij, alhoewel
ondergetekende het kennelijk gepresteerd heeft - maar toen
was Toine nog een stuk jonger en flexibeler - zijn grenzen
in ieder geval te verleggen naar de waterwildjacht, die hij
nog niet kende. Dat was in het begin van onze vriendschap,
toen wij ons leerde kennen in het midden van de negentiger
jaren.
Meneer heeft geen interesse in de grootwildjacht in Afrika
(weet niet wat hij zegt natuurlijk), geen interesse wat er
groeit en bloeit in zijn eigenste Schinveldse bossen (bomen
kent hij wel omdat dat bij zijn vak hoort), maakt een grapje
over het zoeken van kievitseieren (erg pijnlijk voor mij na
dat verhaal wat ik erover schreef vorig jaar Pasen, Verhaal
Nr. 74 (Het voorjaar begint vroeg in het land van de
kieviten....) en zo zou ik nog effe kunnen doorgaan (heeft
zich nog niet gemeld voor het vliegvissen bij Marco Kraal),
maar dan wordt het nog pijnlijker voor mij, als allround
bioloog uit de School van Koningsberger, Lanjouw, Raven, Van
Arkel, Kipp, Nieuwkoop, Van Oort en de grote hoogleraren van
de RUU, mijn Alma Mater, in mijn studententijd.
Dat was nog in de tijd dat iemand zich als bioloog vooral
niet moest specialiseren tijdens de studie. Dat kwam later
vanzelf wel. Een bioloog moest een bioloog zijn met een
brede kennis van de natuur, om het maar eens in moderne
terminologie te zeggen: een kenner van het DNA in al zijn
verschijningsvormen. Hij diende vakken te kiezen in totaal
verschillende richtingen.
Nu heeft Toine Ramakers geen biologie gestudeerd en dat is
jammer want hij was er voor in de wieg gelegd. Maar het zij
zo en is een praktische natuurliefhebber geworden, iets dat
hem ook in het buitenwerk van zijn baan bij de Gemeente
Heerlen goed van pas komt trouwens. Maar hij heeft zo
godsgruwelijk veel geluk gehad met al die fijne contacten
zoals met de grote jachtfamilies in zijn contreien zoals die
van Van Agten en Nelissen, dat hij nu zijn geluk niet op kan
en vooral in zijn lieve jachtleventje - dat vol is - niet
meer gestoord wil worden door een drammende ouwe kerel in
Indonesië, al is die nog zo interessant.
Nu eerst zijn boodschap:
Nou Jo,
dan ook nog maar een compliment van mijn kant: een top
verhaal. Met als enige "nadeel": ik had het natuurlijk al
vaker gehoord en kende de details dus al. Maar het blijft
goed. Dit soort verhalen doen het natuurlijk ook goed bij
andere jagers die je nog niet kennen.
Bedankt voor de tip omtrent de verjaardag van Henk Weijburg.
Ik weet zijn telefoonnummer, want ik heb hem al vaker gebeld
en ben ook al eens bij hem op bezoek geweest. Ik heb geen
idee of het eerste kievitsei al gevonden is. Ik heb nooit
begrepen wat daar nou leuk aan is. En zo'n klein eitje zal
je maag ook niet snel vullen en is dus ook nauwelijks
functioneel naar mijn idee. Maar ik heb het nooit gedaan en
ik weet ook niet of het nog wel mag(?!) Ik zal het aan
Henk vragen als ik hem toch bel.
Nee, ik ben een gepassioneerd jager, maar het zoeken van
kievitseieren en paddenstoelen heeft nooit mijn interesse
gewekt. Ook de jacht op Afrikaans wild trekt mij niet echt.
Ik houdt het meer op wilde zwijnen, reeën en natuurlijk
kleinwild als haas, konijn en duif. En uiteraard de jacht op
waterwild zoals jij me dat geleerd hebt.
Vliegvissen interesseert me ook erg, maar blijkbaar (nog)
niet genoeg om daarvoor bijvoorbeeld de reeënjacht in mei
aan de kant te schuiven, want ik heb nog steeds geen
afspraak gemaakt met Marco Kraal. (hij heeft overigens ook
nog niet gebeld om eens wat te gaan jagen) Intussen
gaat het nu richting de uitbreiding van de jacht in de Eifel
(1 April) en dan zal het nog wel moeilijker worden om tijd
vrij te maken om te gaan vissen.
Toine
Wat zegt Toine hierboven in een adem: ach beste vriend in
kievitseieren zoeken, in paddestoelen herkennen en eten, in
jagen in Afrika heb ik geen interesse, ik heb al zat "aan
mijn hoofd". Heb nog even gedacht dat ik eindelijk eens
iemand getroffen had die ik nog wat kon bijbrengen gezien
zijn passie en intelligentie, maar niks hoor, op zijn 27ste
zegt die Vuurtoren dat het nu mooi genoeg is wat hem
betreft.
Daar sta je dan als renaissance bioloog, als nestor,
leermeester en guru van de Nachwuchs, zonder dat er ook nog
maar eentje van over is. Want nu valt Toine dus ook al af.
Het kan zijn dat er nog wat rondloopt in Maastricht zoals
Marcus en Maarten, maar dat is nog niet duidelijk, daarvoor
ken ik die twee nog niet lang genoeg.
Na mijn artikelen over de grootwildjacht in Namibië en de
natuurveldsport van het kievitseieren zoeken - in een tijd
dat er niks te jagen valt - zal ik nu illustreren aan de
hand van mijn liefde en kennis van en voor de mycologie of
liever de paddenstoelen, wat Toine zoal mist in zijn leven,
door niet gewoon af en toe zich te bukken in bos en veld en
te kijken naar zo'n wonderschoon, nuttig mycologisch
schepsel en het mee naar huis te nemen als het eetbaar is en
het smakelijk klaar te maken.
In Midden Europa kent echt iedere jager zijn paddenstoelen
die hij heus niet zal laten staan als hij ze bij een jacht
tegenkomt. Velen gaan op zondagmiddag in het najaar - als de
weersomstandigheden gunstig zijn - het bos in om met een
mandje vol eruit te komen en dan even bij de Pilzberater van
het dorp langs te gaan om de dubieuze - meestal te oude
exemplaren van niet-giftige paddenstoelen - eruit te halen.
Dat er af en toe eentje het loodje legt die niet voorzichtig
genoeg is, een leek, komt natuurlijk uitvoerig in de krant
om de concurrentie uit het bos te weren en bang te maken.
Dat is in het voordeel van de paddenstoelenliefhebber, de
mycophiel, maar ook het gifgroene gespuis, maar dan om
verschillende redenen. Want het is niet altijd volle bak
hoor en je moet toch wel uren maken ook in het bos soms om
een maaltje bijelkaar te krijgen.
Een bos is niet gezond als er niet voldoende ectomycorrhyza
soorten groeien aan de voet van de inheemse bomen. Onder
uitheemse bomen - in Nederland bijvoorbeeld een Douglas spar
uit Canada - is er een ectomychoryza woestijn om zo te
zeggen, want die hebben niet "geleerd" samen te leven met de
lokale paddenstoelen en kunnen dan ook niet profiteren van
zo'n symbiotisch samenzijn.
Een bomenkenner die zijn paddenstoelen niet kent, zowel de
goeie in de bodem die het mycelium laat ingroeien in de
boomwortels om samen te profiteren, alsook de slechte op het
hout zelf, de parasieten, zoals de honingzwam, mankeert iets
in zijn opleiding.
Ik zeg parasieten en niet saprofyten natuurlijk beste Peter,
want die groeien alleen op dood hout, zoals de berkenzwam,
een soort elfenbankje, op een dooie berk.
In een bos dat door luchtverontreiniging wordt aangetast
verdwijnen de ectomycorrhyza soorten zoals de buisjeszwammen
dat zijn, zoals bijvoorbeeld het overheerlijke
eekhoorntjesbrood - de Edible Cep, de Fungi porcini, de
Herrenpilz, de Steinpilz - en verschijnen de parasieten
zoals de voornoemde - ook eetbare - honingzwam en soms in
enorme getale. De lekkerste paddestoelen zijn niet te kweken
want dan zul je eerst een gezond en goedgroeiend eiken- of
beukenbos van honderd jaar oud voor moeten aanleggen
en daar heeft de moderne mens geen tijd meer voor.
Wist ik veel toen ik afstudeerde als bioloog. Wist toen ook
niks over de jacht en wat daarbij zoal komt kijken aan
kennis van de inheemse fauna. Kende mijn vogeltjes zelfs
nauwelijks of eigenlijk niet behalve een merel en een
roodborstje. Had wel mijn plantjes, mosjes en korstmosjes
goed geleerd dat wel. En de visjes natuurlijk want dat was
me door mijn vader ingegeven. Een kievitseitje had ik als
Limburger nog nooit zelfs maar gezien of was er aan
voorbijgelopen in een gespecialiseerde winkel met
delicatessen.
Dus ik was als bioloog - als natuurkenner - nog lang niet
"volmaakt" toen ik doctorandus was en heb gezien mijn steeds
voortschrijdende passie daar flink wat aan moeten doen. Ik
heb hard moeten sappelen om het maar eens plat te zeggen,
naast mijn baan als onderzoeker en wetenschapsman. Maar de
werkelijk passie en de drang om te leren, om iets nieuws te
doen, was er vanaf de prilste jeugd door mijn vader
ingestampt en zat en zit waarschijnlijk ook in mijn genen,
nietwaar beste Peter.
En dat was zo ongeveer op de leeftijd die Toine nu heeft.
Dus toen begon het voor mij pas goed. Terwijl dat joch me
vertelt dat het nu al afgelopen is met de studie en het
verder uitbreiden van de natuurhobby's. Komt dat omdat het
leven jachtiger is geworden? Zijn de tijden veranderd beste
Peter? Wat kan hieraan ten grondslag liggen want Toine heeft
het werkelijk wel "in" zich. Waarom komt het er nu niet
"uit"? Of heeft hij dit bericht te snel en in een vlaag van
verstandsverbijstering opgeschreven? Misschien is het
aardappelmoeheid aan het eind van de winter, of die
virusaandoening in het gezicht die ook zijn hersenen in het
passiegebied hebben aangetast? Ik weet het niet, maar ik hou
het op verstandverbijstering, want ik blijf een optimist.
Heel, heel lang geleden, toen ik nog een nestje had met
opgroeiende schoolkinderen gingen we lekker samen op
vakantie in het Schwarzwald in een Ferienwohnung, samen met
het kroost. En we wandelden dat het een lieve lust was en ik
verveelde me rot, dus zocht ik afleiding en niet alleen
eikels, kastanjes en beukennootjes en orchideetjes waarvoor
het al te laat in het seizoen was, Meneer.
Van paddenstoelen had ik geen verstand en die liet ik links
liggen. Maar uit verveling ging ik er naar kijken en kocht
een boek erover. Een boek geschreven door de oprichtster van
een paddenstoelenschool niet ver van onze Ferienwohning daar
in het Hochschwarzwald. In Hornberg, beroemd Duits plaatsje
gezien het beroemde spreekwoord in de Duitse taal - bij ons:
het gaat uit als een nachtkaars - Es geht aus wie das
Hornberger Schiessen.
Vrouw en kinderen vonden het maar matig want Papa overdreef
natuurlijk weer behoorlijk en sprak de hele vakantie over
niks anders meer als paddenstoelen en dacht ze al mooi op
naam te kunnen brengen met dat boek over 700 Pilze of
zoiets. Ongeveer zo'n titel. Dus na een hele mand bijelkaar
gezocht te hebben en op de terugweg, mocht Papa effe
stilhouden in Hornberg - ik meen met ons Fiatje 850 dat we
toen hadden - en bij de School naar binnen lopen.
 En
daar trof ik ene Walter Patzold, de leraar van de School,
die me vriendelijk binnenliet en de Hollander even haarfijn
uit de doeken deed wat hij zoal in zijn mandje had en hem te
vertellen dat er echt niks eetbaars bij was, ook al had ik
dat soms gedacht, middels mijn boekenwijsheid. En voor ik
het wist stond ik met een beteuterd biologengezicht en een
pamfletje over zijn school weer op straat en kon de reis
naar huis in het kleine Fiatje worden voortgezet.
Maar het zaadje was gezaaid in mijn brein en het groeide
daar uit tot een gezonde boom van interesse in
paddenstoelen, zodat ik nu een echte mycophiel ben, een
paddenstoelenkenner, helaas nog net geen Pilzberater, omdat
ik de moeite niet nam dat examen daarvoor te doen
uiteindelijk, waar ik nu wat spijt van heb. Maar die ze in
Nederland toch niet nodig hebben, zoals in ieder Duits dorp
met bossen in de buurt.
Ik in het najaar van datzelfde jaar - ook al had ik absoluut
geen tijd beste Toine - een hele week in mijn eentje naar
die School om een cursus van een week te volgen in de kunst
van het herkennen van paddenstoelen. Vele malen ben ik er
teruggekeerd en weer geweest, later met Gerard Theuns, de
jongste broer van mijn vrouw en apotheker in Maastricht.
Het waren niet alleen leerzame weken daar bij Walter Patzold
die ik erg bewonderde om zijn kennis van de natuur en het
milieu en heus niet alleen wat betreft paddenstoelen. Maar
mycologie was zijn specialiteit en vrijwel alle kenners en
liefhebbers uit Duitsland kennen hem of gingen wel eens naar
zijn School, zijn Pilzlehrschau, vooral naar het hoogtepunt
van het najaar, de tentoonstelling, waarbij dan uit heel
Duitsland paddenstoelen voor dat ene weekeinde werden
meegenomen. Een ongelooflijke happening en uiterst leerzaam.
En geen gifgroene rakkers, nee hoor. Die zaten er ook bij,
maar dat waren dan meestal geen echte natuurkenners, maar
hobbyisten die eens een keertje stennis kwamen maken. En al
gauw met de staart tussen de benen verdwenen. Ik zou willen
dat ook in Nederland zoiets bestond, maar als het er al is,
heb ik er nooit van gehoord. Want de wetgever heeft het in
ons land weer eens Roomser dan de Paus aangepakt: je mag
potverdorie die dingen niet eens plukken. Pas op, Gij
Paddenstoelen Stroper in de dop.
En middels het principe dat je eigenlijk ook geen bramen mag
plukken van een struik, zo mag je ook geen vruchten plukken
van een ondergrondse myceliumstruik. Stupide, betuttelend,
nergens voor nodig en frustrerend zoals zoveel in de
Nederlandse wetgeving de natuur aangaand, maar vooral die
voor de jacht natuurlijk. Dus worden ze volop illegaal
geoogst door vakantie vierende Duitsers en geen vakantie
vierende asielzoekers vooral uit Oost Europa. En er wordt
eens lekker gelachen over die stomme mycophobe Hollanders.
Met de trein kwamen we aan in Hornberg op zondagmiddag voor
die week. 's Avonds zaten we in ons hotelletje en om de
tafel met gelijkgezinden in een van de restaurants in het
dorp die om toerbeurt door Patzold en zijn leerlingen werden
bezocht om zo iedereen wat te laten verdienen. Bij een
heerlijke Kaiserstuhler Weissherbst beste Peter, mijn
favoriete Duitse rosé wijn die geen rosé wijn is in de
klassieke betekenis van het woord. Of ook wel een Grau
Burgunder uit Freiburg-im-Breisgau, waar ik ooit
solliciteerde naar een baan bij een Max Planck Instituut en
verslagen werd door een Duitse vrouw met zeer Duitse naam
Sabine van Kleist.
Of zelfs de rode wijnen van Baden Wurtenberg en de Rheinland
Pfalz beste jongen. Ach jij zult ze wel kennen al die
heerlijke Duitse wijnen, want je woont er niet ver vandaan,
vroeger niet op de Hunsruck en nu ook niet in Zurich.
En dan kregen we al te horen van Walter wat ons de komende
week te wachten stond. Of er veel Pilze waren of niet gezien
de weersomstandigheden van de vorige weken. En wat voor
bijzondere soorten de vorige groep van de week ervoor wel
niet gevonden hadden. En of we het record van 250 soorten in
een week zouden breken.
En dan werd Knodelsuppchen, Rehmedaillon mit Pfiferlinge
gegeten beste jongen en Vanille Eis mit heisse Himbeer Soose
na. En het bier van de tap werd geheven en gehesen uit grote
glazen, geen fluitjes zoals die zuinige Nederlanders uit het
noorden des lands dat doen en de expats, zoals ik in de
Northsea Bar van Bandung (toch ook al 12000 rupiahs en geen
8000 meer beste jongen: ook hier slaat de inflatie toe en
wordt de rupiahs weer veel te sterk voor mijn zuurverdiende
dollars).
Maandagmorgen op school met pakweg twintig leerlingen werd
dan nog een laarsje Steinhager of Obstler gehesen op de
goede afloop en het onderwijs begon met een theoretisch
verhandeling over de basidiomyceten, maar de ascomyceten
werden niet vergeten, oftewel er werd vooral geluld over de
steeltjeszwammen (waarbij de sporen op steeltjes zitten dus
niet paddenstoelen met stelen beste vriend) en minder over
zakjeszwammen, waarbij de sporen dus in een zakje zitten.
Na de les gingen we dan groepsgewijs een aangewezen bos in
waar we onze mandjes probeerden vol te plukken met zoveel
mogelijk soorten, eetbaar of niet eetbaar. En als er eens
eens groep mooie grote eetbare stond dan werden die nogal
eens verdonkeremaand om in het hotel-restaurant te laten
klaarmaken voor het avondeten, maar dat pakte een keer heel
verkeerd uit voor deze paddenstoelendief.
Want Walter kwam er een keer aan toen ik net aan mijn
maaltje boleten bezig was van een hele zeldzame soort die
hij nog goed kon determineren, nadat ze al bereid en wel op
mijn bord lagen en ik ze al bijna met een zalige glimlach op
mijn gelaat opgepeuzeld had. Het waren grote boleten van de
soort die Espen Rotkappe heet en uiterst zeldzaam zijn
geworden en zoals je al giste alleen onder Espen voorkomen.
En uiterst heerlijk ook.
Dan in de middag terug naar school waar de paddenstoelen
werden uitgelegd "op systeem", de buisjeszwammen links op de
grote lange tafel en de plaatsjeszwammen daarna en links de
zakjeszwammen en ander spul. Er werd dan al druk door de
leerlingen gespeculeerd wat wat was, maar als dan de grote
leermeester kwam om de dagelijkse paddenstoelenbespreking te
doen, dan kon je een speld horen vallen, want bij iedere
soort was er wel een spannend verhaal te vertellen.
En natuurlijk of het ding eetbaar of giftig was. Nu zijn er
maar relatief weinig die als ze ook al niet giftig zijn ook
werkelijk gegeten worden en er zijn aan de andere kant dus
ook maar weinig echt giftige. Dus alles wat daartussen zit
werd dan aangeduid door Walter als Kriegspilz en op een
vraag af en toe hierover, riep dan het hele gezelschap
synchroon keihard - zodat ze het in het volgende dorp konden
horen - Kriegspilz. Dus het ging er met de paplepel in beste
jongen en de veel voorkomende krulzoom zoals wij die noemen
is een Kriegspilz, die je maar beter niet eet want die is
gewoon niet lekker.
Het summum van lekkerheid is de Mohrenkopf Milchling die dan
ook nooit op de tafel kwam omdat die onmiddellijk in het bos
verorberd werd door iedereen die deze redelijk zeldzame
paddenstoel tegenkwam en dan ook met een loeiende stem in
het bos de naam riep van die paddenstoel. Maar de Zigeuner,
de
Lachsreizker, de Bratling, de parasol, de niet-zeldzame
boleten, de russula's-die-niet-scherp-zijn-op-de-tong, die
gingen mee voor de pot en na afloop van de bespreking was er
altijd wel iemand die de goed eetbare er snel uithaalde, als
het determineren voorbij was, voor een maaltje in het
restaurant van die avond.
Ik had iedere dag wel wat eetbaars gestroopt en een portie
apart gehouden, zonder die goeie Patzold te verwittigen,
maar dat had je al wel vermoed he beste jongen, omdat ik
schreef dat het stropersbloed er van vader op zoon is
ingegaan.
Des avonds gingen we dan rozig van een dag in de natuur en
nog warrig in het hoofd van al die nieuwe kennis samen weer
gezellig eten in het volgende restaurant waarbij ik
Wildschwein mit Rosenkohl und Kartoffelpuree niet versmaadde
natuurlijk. En waar de kopstootjes ook niet van de lucht
waren, zodat er een gezellige roes kon worden uitgeslapen na
afloop. De volgende morgen was het al weer vroeg uit de
veren en zo de hele week, totdat we zaterdag weer huiswaarts
keerden vanaf het kleine treinstation van Hornberg. En denk
er om dat ik mijn paddenstoelen geleerd heb, vooral
natuurlijk bij hun Duitse naam.
En als me iets niet gespeten heeft in mijn leven dan is het
wel het bijwonen van die wekelijkse cursussen daar, jaar in
jaar uit, in Hornberg. Toen ik eenmaal de vindplaats in
Nederland had gevonden, die ene en beste vindplaats die er
is onder de meer als honderd jaar oude beuken en eiken, van
eekhoorntjesbrood en andere boleten, van parelamanieten en
cantharellen, van de paarse ridderzwam, nevelzwammen (zwaar
verteerbaar hoor) en verschillende soorten champignons, toen
heb ik daar mijn leven lang tot ik naar Indonesië vertrok en
zelfs daarna nog, geoogst, geoogst, dat het een lieve lust
was.
En waar die vindplaats precies is, dat zal ik nog wel eens
uit de doeken doen als ik me nog eens geroepen voel om Toine
uit te leggen dat je nooit te oud bent om van iets dat je nu
niet kent in de natuur te gaan genieten als nooit tevoren.
Iets dat je leven rijker en voller maakt, iets waardoor je
nog meer aangetrokken voelt tot de natuur, waardoor je daar
nog vaker dan van te voren wilt vertoeven ver weg van de
on-natuur die de mens om zich heen gecreëerd heeft.
Beste Toine, met een beetje extra moeite nu en dan kun je
dus nog veel bijleren over de natuur en daar later geweldig
veel plezier van beleven en daarmee ook ten opzichte van
mij bewijzen dat de natuur je werkelijk lief is en niet
alleen het jachtbedrijf. Specialistische jagers zijn er al
veel te veel en vaak vraag ik me af of ze werkelijk wel in
bos en veld thuishoren gezien hun gebrekkige kennis van de
natuur.
En als er dan helemaal geen wild meer is zoals nu in de
Schinveldse bossen, dan let je op het weer en als dat
gunstig is - na warme periode, enkele weken regen en vocht
en daarna weer warmer, minstens een week lang en meestal in
september of oktober - dan ga je toch lekker een maaltje
paddenstoelen zoeken en en passant de reestrikken
verwijderen. Heb je toch nog een fijne dag in je bos zonder
wild, of het moet zijn dat de Duitsers van over de grens of
asielzoekers aan deze kant van de grens ze komen oogsten en
je te laat bent voor een goed maaltje.
Met vriendelijke groeten uit Indonesië waar ik nauwelijks
een paddenstoel ken en me verloren waan als ik in de natuur
ben,
Jo de Zwammerd
|