Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

18 maart 2004
 

Wat de boer - lees Toine Ramakers - niet kent in de natuur daar heeft hij geen interesse in
of
Die Pilzlehrschau von Walter Patzold in Hornberg im Hoch Schwarzwald bei Freiburg-im-Breisgau


Beste Peter,

Ik begin dit verhaal vandaag met een citaat van een recente boodschap van mijn goede vriend Toine Ramakers uit het Limburgse, want het inspireert me hem eens een wijze les in opvoeding als "natuurmens" te geven, zo niet eens flink de oren te wassen. En te laat is het niet, want het joch - het is een vuurtoren omdat hij rood haar heeft, althans zo noemden wij roodharigen als kind, herinner ik me nog goed - is nog maar 27 en (gelukkig) nog ongetrouwd, ongebonden, maar eigenlijk al een "te druk baasje" zoals ik hieronder zal aantonen. Te druk in de zin dat hij zijn prioriteiten niet meer netjes op een rij heeft. Als je het mij vraagt en ik zal dat haarfijn uit de doeken doen, beste Peter. Jij hebt hem effe meegemaakt en dat was voldoende denk ik om zeer geïnteresseerd te raken in onze Toine nietwaar. Want het is en blijft een interessante vent.

Want Toine schijnt het effe te druk te hebben met zichzelf en anderen, om zich verder als compleet natuurmens te ontwikkelen, een modern renaissance figuur die van alles verstand heeft en niet van een klein vakgebiedje, een renaissance man als tegenhanger tot de vaak bekrompen specialist, die diep in zijn eigen gegraven kanaaltje zit en van daaruit roept, daar heb ik geen interesse in, ik heb het al druk zat. Dat ken ik niet, daar weet ik niks van. Dat heb ik nog nooit gegeten. Val me alsjeblieft niet lastig.

Met zulke figuren heb ik nooit veel op gehad en als het al moest was het met hooggespecialiseerde wetenschappers en dat zijn vaak enge, eigenwijze, bekrompen, egoïstische, wereldvreemde, vaak ook wat komische, verstrooide figuren, zoals iedereen wel weet en zoals in vele films uitgebeeld. Films waarin zo'n wetenschapper als een slechterik, een boosaardig figuur wordt geboekstaafd en dan heb ik het bijvoorbeeld over Caligari's Cabinet uit de tijd van de Stomme Film en Dr. Strangelove van later datum.

En wat zegt Toine hieronder? Ik ben een specialist, een jager die alleen wil jagen op een manier zoals ik die geleerd heb en daar heb ik voldoende aan. Ja dat zegt het joch. En iets nieuws starten is er niet meer bij, alhoewel ondergetekende het kennelijk gepresteerd heeft - maar toen was Toine nog een stuk jonger en flexibeler - zijn grenzen in ieder geval te verleggen naar de waterwildjacht, die hij nog niet kende. Dat was in het begin van onze vriendschap, toen wij ons leerde kennen in het midden van de negentiger jaren.

Meneer heeft geen interesse in de grootwildjacht in Afrika (weet niet wat hij zegt natuurlijk), geen interesse wat er groeit en bloeit in zijn eigenste Schinveldse bossen (bomen kent hij wel omdat dat bij zijn vak hoort), maakt een grapje over het zoeken van kievitseieren (erg pijnlijk voor mij na dat verhaal wat ik erover schreef vorig jaar Pasen, Verhaal Nr. 74 (Het voorjaar begint vroeg in het land van de kieviten....) en zo zou ik nog effe kunnen doorgaan (heeft zich nog niet gemeld voor het vliegvissen bij Marco Kraal), maar dan wordt het nog pijnlijker voor mij, als allround bioloog uit de School van Koningsberger, Lanjouw, Raven, Van Arkel, Kipp, Nieuwkoop, Van Oort en de grote hoogleraren van de RUU, mijn Alma Mater, in mijn studententijd.

Dat was nog in de tijd dat iemand zich als bioloog vooral niet moest specialiseren tijdens de studie. Dat kwam later vanzelf wel. Een bioloog moest een bioloog zijn met een brede kennis van de natuur, om het maar eens in moderne terminologie te zeggen: een kenner van het DNA in al zijn verschijningsvormen. Hij diende vakken te kiezen in totaal verschillende richtingen.

Nu heeft Toine Ramakers geen biologie gestudeerd en dat is jammer want hij was er voor in de wieg gelegd. Maar het zij zo en is een praktische natuurliefhebber geworden, iets dat hem ook in het buitenwerk van zijn baan bij de Gemeente Heerlen goed van pas komt trouwens. Maar hij heeft zo godsgruwelijk veel geluk gehad met al die fijne contacten zoals met de grote jachtfamilies in zijn contreien zoals die van Van Agten en Nelissen, dat hij nu zijn geluk niet op kan en vooral in zijn lieve jachtleventje - dat vol is - niet meer gestoord wil worden door een drammende ouwe kerel in Indonesië, al is die nog zo interessant.

Nu eerst zijn boodschap:


Nou Jo,
 
dan ook nog maar een compliment van mijn kant: een top verhaal. Met als enige "nadeel": ik had het natuurlijk al vaker gehoord en kende de details dus al. Maar het blijft goed. Dit soort verhalen doen het natuurlijk ook goed bij andere jagers die je nog niet kennen.
 
Bedankt voor de tip omtrent de verjaardag van Henk Weijburg. Ik weet zijn telefoonnummer, want ik heb hem al vaker gebeld en ben ook al eens bij hem op bezoek geweest. Ik heb geen idee of het eerste kievitsei al gevonden is. Ik heb nooit begrepen wat daar nou leuk aan is. En zo'n klein eitje zal je maag ook niet snel vullen en is dus ook nauwelijks functioneel naar mijn idee. Maar ik heb het nooit gedaan en ik weet ook niet of het nog wel mag(?!)  Ik zal het aan Henk vragen als ik hem toch bel.
 
Nee, ik ben een gepassioneerd jager, maar het zoeken van kievitseieren en paddenstoelen heeft nooit mijn interesse gewekt. Ook de jacht op Afrikaans wild trekt mij niet echt. Ik houdt het meer op wilde zwijnen, reeën en natuurlijk kleinwild als haas, konijn en duif. En uiteraard de jacht op waterwild zoals jij me dat geleerd hebt.
 
Vliegvissen interesseert me ook erg, maar blijkbaar (nog) niet genoeg om daarvoor bijvoorbeeld de reeënjacht in mei aan de kant te schuiven, want ik heb nog steeds geen afspraak gemaakt met Marco Kraal. (hij heeft overigens ook nog niet gebeld om eens wat te gaan jagen)  Intussen gaat het nu richting de uitbreiding van de jacht in de Eifel (1 April) en dan zal het nog wel moeilijker worden om tijd vrij te maken om te gaan vissen.
 
Toine


Wat zegt Toine hierboven in een adem: ach beste vriend in kievitseieren zoeken, in paddestoelen herkennen en eten, in jagen in Afrika heb ik geen interesse, ik heb al zat "aan mijn hoofd". Heb nog even gedacht dat ik eindelijk eens iemand getroffen had die ik nog wat kon bijbrengen gezien zijn passie en intelligentie, maar niks hoor, op zijn 27ste zegt die Vuurtoren dat het nu mooi genoeg is wat hem betreft.

Daar sta je dan als renaissance bioloog, als nestor, leermeester en guru van de Nachwuchs, zonder dat er ook nog maar eentje van over is. Want nu valt Toine dus ook al af. Het kan zijn dat er nog wat rondloopt in Maastricht zoals Marcus en Maarten, maar dat is nog niet duidelijk, daarvoor ken ik die twee nog niet lang genoeg.

Na mijn artikelen over de grootwildjacht in Namibië en de natuurveldsport van het kievitseieren zoeken - in een tijd dat er niks te jagen valt - zal ik nu illustreren aan de hand van mijn liefde en kennis van en voor de mycologie of liever de paddenstoelen, wat Toine zoal mist in zijn leven, door niet gewoon af en toe zich te bukken in bos en veld en te kijken naar zo'n wonderschoon, nuttig mycologisch schepsel en het mee naar huis te nemen als het eetbaar is en het smakelijk klaar te maken.

In Midden Europa kent echt iedere jager zijn paddenstoelen die hij heus niet zal laten staan als hij ze bij een jacht tegenkomt. Velen gaan op zondagmiddag in het najaar - als de weersomstandigheden gunstig zijn - het bos in om met een mandje vol eruit te komen en dan even bij de Pilzberater van het dorp langs te gaan om de dubieuze - meestal te oude exemplaren van niet-giftige paddenstoelen - eruit te halen.

Dat er af en toe eentje het loodje legt die niet voorzichtig genoeg is, een leek, komt natuurlijk uitvoerig in de krant om de concurrentie uit het bos te weren en bang te maken. Dat is in het voordeel van de paddenstoelenliefhebber, de mycophiel, maar ook het gifgroene gespuis, maar dan om verschillende redenen. Want het is niet altijd volle bak hoor en je moet toch wel uren maken ook in het bos soms om een maaltje bijelkaar te krijgen.

Een bos is niet gezond als er niet voldoende ectomycorrhyza soorten groeien aan de voet van de inheemse bomen. Onder uitheemse bomen - in Nederland bijvoorbeeld een Douglas spar uit Canada - is er een ectomychoryza woestijn om zo te zeggen, want die hebben niet "geleerd" samen te leven met de lokale paddenstoelen en kunnen dan ook niet profiteren van zo'n symbiotisch samenzijn.

Een bomenkenner die zijn paddenstoelen niet kent, zowel de goeie in de bodem die het mycelium laat ingroeien in de boomwortels om samen te profiteren, alsook de slechte op het hout zelf, de parasieten, zoals de honingzwam, mankeert iets in zijn opleiding.

Ik zeg parasieten en niet saprofyten natuurlijk beste Peter, want die groeien alleen op dood hout, zoals de berkenzwam, een soort elfenbankje, op een dooie berk.

In een bos dat door luchtverontreiniging wordt aangetast verdwijnen de ectomycorrhyza soorten zoals de buisjeszwammen dat zijn, zoals bijvoorbeeld het overheerlijke eekhoorntjesbrood - de Edible Cep, de Fungi porcini, de Herrenpilz, de Steinpilz - en verschijnen de parasieten zoals de voornoemde - ook eetbare - honingzwam en soms in enorme getale. De lekkerste paddestoelen zijn niet te kweken want dan zul je eerst een gezond en goedgroeiend eiken- of beukenbos van honderd jaar oud  voor moeten aanleggen en daar heeft de moderne mens geen tijd meer voor.

Wist ik veel toen ik afstudeerde als bioloog. Wist toen ook niks over de jacht en wat daarbij zoal komt kijken aan kennis van de inheemse fauna. Kende mijn vogeltjes zelfs nauwelijks of eigenlijk niet behalve een merel en een roodborstje. Had wel mijn plantjes, mosjes en korstmosjes goed geleerd dat wel. En de visjes natuurlijk want dat was me door mijn vader ingegeven. Een kievitseitje had ik als Limburger nog nooit zelfs maar gezien of was er aan voorbijgelopen in een gespecialiseerde winkel met delicatessen.

Dus ik was als bioloog - als natuurkenner - nog lang niet "volmaakt" toen ik doctorandus was en heb gezien mijn steeds voortschrijdende passie daar flink wat aan moeten doen. Ik heb hard moeten sappelen om het maar eens plat te zeggen, naast mijn baan als onderzoeker en wetenschapsman. Maar de werkelijk passie en de drang om te leren, om iets nieuws te doen, was er vanaf de prilste jeugd door mijn vader ingestampt en zat en zit waarschijnlijk ook in mijn genen, nietwaar beste Peter.

En dat was zo ongeveer op de leeftijd die Toine nu heeft. Dus toen begon het voor mij pas goed. Terwijl dat joch me vertelt dat het nu al afgelopen is met de studie en het verder uitbreiden van de natuurhobby's. Komt dat omdat het leven jachtiger is geworden? Zijn de tijden veranderd beste Peter? Wat kan hieraan ten grondslag liggen want Toine heeft het werkelijk wel "in" zich. Waarom komt het er nu niet "uit"? Of heeft hij dit bericht te snel en in een vlaag van verstandsverbijstering opgeschreven? Misschien is het aardappelmoeheid aan het eind van de winter, of die virusaandoening in het gezicht die ook zijn hersenen in het passiegebied hebben aangetast? Ik weet het niet, maar ik hou het op verstandverbijstering, want ik blijf een optimist.

Heel, heel lang geleden, toen ik nog een nestje had met opgroeiende schoolkinderen gingen we lekker samen op vakantie in het Schwarzwald in een Ferienwohnung, samen met het kroost. En we wandelden dat het een lieve lust was en ik verveelde me rot, dus zocht ik afleiding en niet alleen eikels, kastanjes en beukennootjes en orchideetjes waarvoor het al te laat in het seizoen was, Meneer.

Van paddenstoelen had ik geen verstand en die liet ik links liggen. Maar uit verveling ging ik er naar kijken en kocht een boek erover. Een boek geschreven door de oprichtster van een paddenstoelenschool niet ver van onze Ferienwohning daar in het Hochschwarzwald. In Hornberg, beroemd Duits plaatsje gezien het beroemde spreekwoord in de Duitse taal - bij ons: het gaat uit als een nachtkaars - Es geht aus wie das Hornberger Schiessen.

Vrouw en kinderen vonden het maar matig want Papa overdreef natuurlijk weer behoorlijk en sprak de hele vakantie over niks anders meer als paddenstoelen en dacht ze al mooi op naam te kunnen brengen met dat boek over 700 Pilze of zoiets. Ongeveer zo'n titel. Dus na een hele mand bijelkaar gezocht te hebben en op de terugweg, mocht Papa effe stilhouden in Hornberg - ik meen met ons Fiatje 850 dat we toen hadden - en bij de School naar binnen lopen.
Blick ins GutachtalEn daar trof ik ene Walter Patzold, de leraar van de School, die me vriendelijk binnenliet en de Hollander even haarfijn uit de doeken deed wat hij zoal in zijn mandje had en hem te vertellen dat er echt niks eetbaars bij was, ook al had ik dat soms gedacht, middels mijn boekenwijsheid. En voor ik het wist stond ik met een beteuterd biologengezicht en een pamfletje over zijn school weer op straat en kon de reis naar huis in het kleine Fiatje worden voortgezet.

Maar het zaadje was gezaaid in mijn brein en het groeide daar uit tot een gezonde boom van interesse in paddenstoelen, zodat ik nu een echte mycophiel ben, een paddenstoelenkenner, helaas nog net geen Pilzberater, omdat ik de moeite niet nam dat examen daarvoor te doen uiteindelijk, waar ik nu wat spijt van heb. Maar die ze in Nederland toch niet nodig hebben, zoals in ieder Duits dorp met bossen in de buurt.

Ik in het najaar van datzelfde jaar - ook al had ik absoluut geen tijd beste Toine - een hele week in mijn eentje naar die School om een cursus van een week te volgen in de kunst van het herkennen van paddenstoelen. Vele malen ben ik er teruggekeerd en weer geweest, later met Gerard Theuns, de jongste broer van mijn vrouw en apotheker in Maastricht.

Het waren niet alleen leerzame weken daar bij Walter Patzold die ik erg bewonderde om zijn kennis van de natuur en het milieu en heus niet alleen wat betreft paddenstoelen. Maar mycologie was zijn specialiteit en vrijwel alle kenners en liefhebbers uit Duitsland kennen hem of gingen wel eens naar zijn School, zijn Pilzlehrschau, vooral naar het hoogtepunt van het najaar, de tentoonstelling, waarbij dan uit heel Duitsland paddenstoelen voor dat ene weekeinde werden meegenomen. Een ongelooflijke happening en uiterst leerzaam.

En geen gifgroene rakkers, nee hoor. Die zaten er ook bij, maar dat waren dan meestal geen echte natuurkenners, maar hobbyisten die eens een keertje stennis kwamen maken. En al gauw met de staart tussen de benen verdwenen. Ik zou willen dat ook in Nederland zoiets bestond, maar als het er al is, heb ik er nooit van gehoord. Want de wetgever heeft het in ons land weer eens Roomser dan de Paus aangepakt: je mag potverdorie die dingen niet eens plukken. Pas op, Gij Paddenstoelen Stroper in de dop.

En middels het principe dat je eigenlijk ook geen bramen mag plukken van een struik, zo mag je ook geen vruchten plukken van een ondergrondse myceliumstruik. Stupide, betuttelend, nergens voor nodig en frustrerend zoals zoveel in de Nederlandse wetgeving de natuur aangaand, maar vooral die voor de jacht natuurlijk. Dus worden ze volop illegaal geoogst door vakantie vierende Duitsers en geen vakantie vierende asielzoekers vooral uit Oost Europa. En er wordt eens lekker gelachen over die stomme mycophobe Hollanders.

Met de trein kwamen we aan in Hornberg op zondagmiddag voor die week. 's Avonds zaten we in ons hotelletje en om de tafel met gelijkgezinden in een van de restaurants in het dorp die om toerbeurt door Patzold en zijn leerlingen werden bezocht om zo iedereen wat te laten verdienen. Bij een heerlijke Kaiserstuhler Weissherbst beste Peter, mijn favoriete Duitse rosé wijn die geen rosé wijn is in de klassieke betekenis van het woord. Of ook wel een Grau Burgunder uit Freiburg-im-Breisgau, waar ik ooit solliciteerde naar een baan bij een Max Planck Instituut en verslagen werd door een Duitse vrouw met zeer Duitse naam Sabine van Kleist.

Of zelfs de rode wijnen van Baden Wurtenberg en de Rheinland Pfalz beste jongen. Ach jij zult ze wel kennen al die heerlijke Duitse wijnen, want je woont er niet ver vandaan, vroeger niet op de Hunsruck en nu ook niet in Zurich.

En dan kregen we al te horen van Walter wat ons de komende week te wachten stond. Of er veel Pilze waren of niet gezien de weersomstandigheden van de vorige weken. En wat voor bijzondere soorten de vorige groep van de week ervoor wel niet gevonden hadden. En of we het record van 250 soorten in een week zouden breken.

En dan werd Knodelsuppchen, Rehmedaillon mit Pfiferlinge gegeten beste jongen en Vanille Eis mit heisse Himbeer Soose na. En het bier van de tap werd geheven en gehesen uit grote glazen, geen fluitjes zoals die zuinige Nederlanders uit het noorden des lands dat doen en de expats, zoals ik in de Northsea Bar van Bandung (toch ook al 12000 rupiahs en geen 8000 meer beste jongen: ook hier slaat de inflatie toe en wordt de rupiahs weer veel te sterk voor mijn zuurverdiende dollars).

Maandagmorgen op school met pakweg twintig leerlingen werd dan nog een laarsje Steinhager of Obstler gehesen op de goede afloop en het onderwijs begon met een theoretisch verhandeling over de basidiomyceten, maar de ascomyceten werden niet vergeten, oftewel er werd vooral geluld over de steeltjeszwammen (waarbij de sporen op steeltjes zitten dus niet paddenstoelen met stelen beste vriend) en minder over zakjeszwammen, waarbij de sporen dus in een zakje zitten.

Na de les gingen we dan groepsgewijs een aangewezen bos in waar we onze mandjes probeerden vol te plukken met zoveel mogelijk soorten, eetbaar of niet eetbaar. En als er eens eens groep mooie grote eetbare stond dan werden die nogal eens verdonkeremaand om in het hotel-restaurant te laten klaarmaken voor het avondeten, maar dat pakte een keer heel verkeerd uit voor deze paddenstoelendief.

Want Walter kwam er een keer aan toen ik net aan mijn maaltje boleten bezig was van een hele zeldzame soort die hij nog goed kon determineren, nadat ze al bereid en wel op mijn bord lagen en ik ze al bijna met een zalige glimlach op mijn gelaat opgepeuzeld had. Het waren grote boleten van de soort die Espen Rotkappe heet en uiterst zeldzaam zijn geworden en zoals je al giste alleen onder Espen voorkomen. En uiterst heerlijk ook.

Dan in de middag terug naar school waar de paddenstoelen werden uitgelegd "op systeem", de buisjeszwammen links op de grote lange tafel en de plaatsjeszwammen daarna en links de zakjeszwammen en ander spul. Er werd dan al druk door de leerlingen gespeculeerd wat wat was, maar als dan de grote leermeester kwam om de dagelijkse paddenstoelenbespreking te doen, dan kon je een speld horen vallen, want bij iedere soort was er wel een spannend verhaal te vertellen.

En natuurlijk of het ding eetbaar of giftig was. Nu zijn er maar relatief weinig die als ze ook al niet giftig zijn ook werkelijk gegeten worden en er zijn aan de andere kant dus ook maar weinig echt giftige. Dus alles wat daartussen zit werd dan aangeduid door Walter als Kriegspilz en op een vraag af en toe hierover, riep dan het hele gezelschap synchroon keihard - zodat ze het in het volgende dorp konden horen - Kriegspilz. Dus het ging er met de paplepel in beste jongen en de veel voorkomende krulzoom zoals wij die noemen is een Kriegspilz, die je maar beter niet eet want die is gewoon niet lekker.

Het summum van lekkerheid is de Mohrenkopf Milchling die dan ook nooit op de tafel kwam omdat die onmiddellijk in het bos verorberd werd door iedereen die deze redelijk zeldzame paddenstoel tegenkwam en dan ook met een loeiende stem in het bos de naam riep van die paddenstoel. Maar de Zigeuner, deLachsreizker

Lachsreizker, de Bratling, de parasol, de niet-zeldzame boleten, de russula's-die-niet-scherp-zijn-op-de-tong, die gingen mee voor de pot en na afloop van de bespreking was er altijd wel iemand die de goed eetbare er snel uithaalde, als het determineren voorbij was, voor een maaltje in het restaurant van die avond.

Ik had iedere dag wel wat eetbaars gestroopt en een portie apart gehouden, zonder die goeie Patzold te verwittigen, maar dat had je al wel vermoed he beste jongen, omdat ik schreef dat het stropersbloed er van vader op zoon is ingegaan.

Des avonds gingen we dan rozig van een dag in de natuur en nog warrig in het hoofd van al die nieuwe kennis samen weer gezellig eten in het volgende restaurant waarbij ik Wildschwein mit Rosenkohl und Kartoffelpuree niet versmaadde natuurlijk. En waar de kopstootjes ook niet van de lucht waren, zodat er een gezellige roes kon worden uitgeslapen na afloop. De volgende morgen was het al weer vroeg uit de veren en zo de hele week, totdat we zaterdag weer huiswaarts keerden vanaf het kleine treinstation van Hornberg. En denk er om dat ik mijn paddenstoelen geleerd heb, vooral natuurlijk bij hun Duitse naam.

En als me iets niet gespeten heeft in mijn leven dan is het wel het bijwonen van die wekelijkse cursussen daar, jaar in jaar uit, in Hornberg. Toen ik eenmaal de vindplaats in Nederland had gevonden, die ene en beste vindplaats die er is onder de meer als honderd jaar oude beuken en eiken, van eekhoorntjesbrood en andere boleten, van parelamanieten en cantharellen, van de paarse ridderzwam, nevelzwammen (zwaar verteerbaar hoor) en verschillende soorten champignons, toen heb ik daar mijn leven lang tot ik naar Indonesië vertrok en zelfs daarna nog, geoogst, geoogst, dat het een lieve lust was.

En waar die vindplaats precies is, dat zal ik nog wel eens uit de doeken doen als ik me nog eens geroepen voel om Toine uit te leggen dat je nooit te oud bent om van iets dat je nu niet kent in de natuur te gaan genieten als nooit tevoren. Iets dat je leven rijker en voller maakt, iets waardoor je nog meer aangetrokken voelt tot de natuur, waardoor je daar nog vaker dan van te voren wilt vertoeven ver weg van de on-natuur die de mens om zich heen gecreëerd heeft.

Beste Toine, met een beetje extra moeite nu en dan kun je dus nog veel bijleren over de natuur en daar later geweldig veel plezier van beleven en daarmee ook ten opzichte van mij bewijzen dat de natuur je werkelijk lief is en niet alleen het jachtbedrijf. Specialistische jagers zijn er al veel te veel en vaak vraag ik me af of ze werkelijk wel in bos en veld thuishoren gezien hun gebrekkige kennis van de natuur.
En als er dan helemaal geen wild meer is zoals nu in de Schinveldse bossen, dan let je op het weer en als dat gunstig is - na warme periode, enkele weken regen en vocht en daarna weer warmer, minstens een week lang en meestal in september of oktober - dan ga je toch lekker een maaltje paddenstoelen zoeken en en passant de reestrikken verwijderen. Heb je toch nog een fijne dag in je bos zonder wild, of het moet zijn dat de Duitsers van over de grens of asielzoekers aan deze kant van de grens ze komen oogsten en je te laat bent voor een goed maaltje.

Met vriendelijke groeten uit Indonesië waar ik nauwelijks een paddenstoel ken en me verloren waan als ik in de natuur ben,

Jo de Zwammerd
 

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz