Vier uur in de morgen na
Hemelvaartsdag stond Stijn, telg uit het beroemdste
Limburgse geslacht van bierbrouwers, voor ons hotel aan
de Markt in Maastricht. Het was vrijdagmorgen en de
laatste studenten liepen nog lawaaierig van cafe tot
cafe, terwijl de marktlui al volop bezig waren de kramen
van de wekelijkse vrijdagsmarkt op te zetten. Terwijl
heel Nederland sliep die nacht, was er in Maastricht
volop leven. Tijdens Carnaval en rond Hemelvaarstdag is
er weinig verschil in Maastricht tussen de dag en de
nacht. Bourgondische nachten zijn het dan.
Het was een korte nacht
geweest. Servaas en ik hadden asperges a Limbourgoise
gegeten, die ze hier a la Flamande noemen en in
Vlaanderen a Limbourgoise, de grootste en dikste
asperges, met kleine gekookte krieltjes, gesmolten boter
iets verdund met aspergevocht, het wit en het geel van
gekookte eieren, met goeie gekookte ham, peterselie
erover, maar zonder nootmuskaat waar ik speciaal om
moest vragen.
Stijn kwam na de
maaltijd, want die wilde met zijn vriendinnetje eten die
avond en het donkere Palm bier van de tap was
verrukkelijk. Er waren vele herinneringen om op te halen
en jachtverhalen om te vertellen, ook al zaten we niet
rond een kampvuur, maar midden in Maastricht in een
restaurant.
We zouden gaan jagen in
het Ransdalerveld en moesten daar zijn voordat het licht
werd. Het licht kwam er in - in de morgenlucht - zei
Servaas, om kwart voor vijf. Hij weet dat precies omdat
hij in Amsterdam wonend, ook nogal eens de nacht
doorfeest. Per slot van rekening is het nog niet zo lang
geleden dat hij daar student was. En nu wist hij het
precies, want middels een jarige vriend van een collega,
had hij de vorige nacht in een Amsterdams Cafe
feestgevierd en "vrij" gedronken en zo het eerste
morgenlicht van Hemelvaartsdag aanschouwt.
Gelukkig was er rond
vieren in de nacht even geen verlammend verkeer en reden
we om half vijf het jachtveld in achter Valkenburg, ter
noorderzijde van het Geuldal bij Ransdaal waar enkele
ooms van Stijn al van oudsher een jachtveld hebben van
bijna vijfhonderd hectare, boven het Natuurreservaat de
Vrakelberg, waar ik als biologie student een deel van
mijn botanische studies naar orchideeën uitvoerde. Een
graftenland met wat nu genoemd wordt kleine
landschapselementen. Vroeger struikgewas en kleine
bosschages.
Stijn bracht eerst
Servaas naar zijn plekkie bij een hoogstamboomgaard, een
hoogzit-ladder aan een boom, met een majestueus uitzicht
over het zuidelijke Geuldal tussen Schin op Geul en
Wylre, waar de Brand clan zijn oorsprong kent en
gedurende vele eeuwen slechts competitie ondervond van
de bierbrouwersclan van het naburige Gulpen, van het
Gulpener bier. Nu is ons beste bier in handen gevallen
van de Hollanders en is Wylre bedroefd omdat tradities
verdwijnen.
Immers de winsten moeten
hoogopgevoerd worden en de folklore er om heen is te
duur geworden. Brandts bier wordt slechter maar Gulpener
bier blijft beter en hoppiger worden. Dat beloof ik U
waarde lezer. Waarbij volledigheidshalve nog vermeld
wordt dat een der ooms van Stijn nog in het brouwersvak
zit en het excellente Christoffelbier produceert,
onafhankelijk van de Hollanders.
Stijn bracht mij naar een
plek met een bosje op een heuvel, rijen bomen en
struiken langs de graftranden rond weiden met grote
witte koeien, op vette kalkhoudende lössige grond. Met
bouwland waar de aardappelen net boven stonden, met hier
en daar een laagstamfruitboomgaard, een langgerekt groot
weiland in het dal, met eerste snit van hooi er al af en
een hooiland met lang gras op de glooiende zuidelijk
geëxposeerde heuvel naar onderen.
Ik had mijn hoge
zitstoeltje bij me en ging langs een graft zitten onder
een kleine kriekenboom waarvan de kersen nog groen
waren, achter hoge brandnetels met kleefkruid ertussen,
langs het prikkeldraad, dat al verborgen was onder het
hoge groen op de vruchtbare grond.
Het uitzicht in het
heiige morgenlicht was fantastisch. Ik was weer thuis en
keek zelfs tot aan Stokhem boven Wylre en de Wylrebossen
met de Berghofweide, een rijke wilde
orchideeënwei, waar ik als student biologie het
praktische werk voor mijn hoofdvak vegetatiekunde deed,
voor wijlen hoogleraar Lanjouw aan mijn Utrechtse Alma
Mater. Waar de bierbrouwers overigens nog een bosjacht
hebben van bijna honderd hectare, met reewild, maar ook
daar veel vossen, meer nog.
Hier en daar een lichtje
over het dal tot in de verte toen het nog donker was en
pas om zes uur het eerste onnatuurlijke geluid van de
eerste trein op het miljoenenlijntje onder in het dal
aan deze kant van de Geul en de rijksweg tussen Wylre en
Schin op Geul.
De vogels zongen dat het
een lieve lust was maar ik ken mijn Passeriformes
nauwelijks aan hun geluid, alhoewel ik me niet zou
verbazen als daar ook een nachtegaal floot. Merels
floten in ieder geval volop en verdere kleine
flierefluiters maakten er een waar ochtendnatuurconcert
van. De duiven in het bosje boven mij begonnen te
koeren, zittend op hun nesten met eieren en jongen, dan
wel nergens op, zomaar in een tak hoog in de boom.
Enkele grote kraaien
krasten en vlogen rond. Ik miste er een die eigenlijk
wat hoog vloog, met twee schoten uit mijn hagelgeweer.
Als enige had ik geen kogelgeweer om de vos te bejagen
vandaag. Servaas en Stijn wel. Ik zag hier en daar hazen
en ook konijnen rondhuppelen en tegen zevenen vlogen de
eerste houtduiven rond.
Stijn schoot met de kogel
rond zessen en miste een vos. Iets later miste hij een
tweede vos, vertelde hij later, volgde de vos achter een
bosje, rende zich een ongeluk om het beest bij te
blijven en schoot het dier alsnog dood. Een kat die
schrok en wegliep miste hij onmiddellijk daarna. Servaas
zag een vos maar die kwam niet binnen schot. Later
schoot hij een grote kraai. Ik heb geen vos gezien.
We reden terug door het
veld rond achten, onder een klein viaduct door van het
miljoenenlijntje, waarna we in Wylre rijste- en
kersenvlaai kochten die nog warm was en nog maar net uit
de oven kwam. De beste vlaaienbakker van de streek
volgens Stijn, omdat de rijke bierbrouwers ze daar
kochten en die hebben tot de dag van vandaag ook een
goeie smaak wat Limburgse vlaaien betreft. Alhoewel
vlaaien nooit met bier erbij worden gegeten.
Door het Geuldal reden we
omhoog naar Stokhem langs de Wylrebossen, met de nieuwe
wijngaard in de helling waar de kleefaarde op de
kalkrots aan het oppervlak komt, langs het
orchideeënrijkste Nederlandse natuurreservaat de
Berghofweide met de Wylre akkers tezamen, gelegen aan de
andere kant van het droogdal naar de Geul toe, en de
Berghoeven waar ik als student woonde, terug via Ingber,
over de zuidelijkste rijksweg richting Maastricht. Nu
met verkeersopstoppingen.
Vroeger werden er in het
Ransdaler veld gemiddeld vijftien vossen per jaar
geschoten en dat betekende dus op zijn minst drie vossen
per honderd hectare, te weten drie per een vierkante
kilometer. Bij een gemiddelde van twee tot negen vossen
in Zuid Limburg was dit normaal. Stijn die voor zijn
ooms nu de voorlopige jachtopzichter is en schade
bestrijdt schat het aantal nu - het vierde jaar na de
flora- en faunawet - op zes per honderd hectare, dus
bijna dertig vossen in zijn jachtveld. Ernaast jagen de
jachthouders niet op vossen. Er vlogen daar ook
onwaarschijnlijk veel grote kraaien. Een veld zat vol
met roeken. Kauwen zag ik niet.
Toch zagen we onverwacht
veel hazen en konijnen en zelfs hier en daar wat
fazanten, maar de afgelopen jaren waren drijfjachten
hier niet meer mogelijk. Te weinig wild. Het is te hopen
dat het nu beter wordt, anders zijn die hazen er dit
najaar niet meer. Bij de vossenburcht die we bezochten,
lag een nog niet opgepeuzelde hazenpoot.
Stijn krijgt het nog druk
als hij zich ten doel stelt tenminste een drijfjacht
voor zijn ooms te realiseren in het najaar. "Het is daar
hard sappelen voor de kost", zou Franz Joseph hebben
gezegd, mijn vader zaliger, de beste stroper van Zuid
Limburg, die te arm was om te kunnen jagen maar graag
een stukje wildbraad at met zijn gezin tijdens het
kerstdiner.