Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.
Hoofdstuk 223
Zaterdag 27 mei 2006

Een vos en een hazenpoot in het Ransdalerveld

Vier uur in de morgen na Hemelvaartsdag stond Stijn, telg uit het beroemdste Limburgse geslacht van bierbrouwers, voor ons hotel aan de Markt in Maastricht. Het was vrijdagmorgen en de laatste studenten liepen nog lawaaierig van cafe tot cafe, terwijl de marktlui al volop bezig waren de kramen van de wekelijkse vrijdagsmarkt op te zetten. Terwijl heel Nederland sliep die nacht, was er in Maastricht volop leven. Tijdens Carnaval en rond Hemelvaarstdag is er weinig verschil in Maastricht tussen de dag en de nacht. Bourgondische nachten zijn het dan.

Het was een korte nacht geweest. Servaas en ik hadden asperges a Limbourgoise gegeten, die ze hier a la Flamande noemen en in Vlaanderen a Limbourgoise, de grootste en dikste asperges, met kleine gekookte krieltjes, gesmolten boter iets verdund met aspergevocht, het wit en het geel van gekookte eieren, met goeie gekookte ham, peterselie erover, maar zonder nootmuskaat waar ik speciaal om moest vragen.

Stijn kwam na de maaltijd, want die wilde met zijn vriendinnetje eten die avond en het donkere Palm bier van de tap was verrukkelijk. Er waren vele herinneringen om op te halen en jachtverhalen om te vertellen, ook al zaten we niet rond een kampvuur, maar midden in Maastricht in een restaurant.

We zouden gaan jagen in het Ransdalerveld en moesten daar zijn voordat het licht werd. Het licht kwam er in - in de morgenlucht - zei Servaas, om kwart voor vijf. Hij weet dat precies omdat hij in Amsterdam wonend, ook nogal eens de nacht doorfeest. Per slot van rekening is het nog niet zo lang geleden dat hij daar student was. En nu wist hij het precies, want middels een jarige vriend van een collega, had hij de vorige nacht in een Amsterdams Cafe feestgevierd en "vrij" gedronken en zo het eerste morgenlicht van Hemelvaartsdag aanschouwt.

Gelukkig was er rond vieren in de nacht even geen verlammend verkeer en reden we om half vijf het jachtveld in achter Valkenburg, ter noorderzijde van het Geuldal bij Ransdaal waar enkele ooms van Stijn al van oudsher een jachtveld hebben van bijna vijfhonderd hectare, boven het Natuurreservaat de Vrakelberg, waar ik als biologie student een deel van mijn botanische studies naar orchideeën uitvoerde. Een graftenland met wat nu genoemd wordt kleine landschapselementen. Vroeger struikgewas en kleine bosschages.

Stijn bracht eerst Servaas naar zijn plekkie bij een hoogstamboomgaard, een hoogzit-ladder aan een boom, met een majestueus uitzicht over het zuidelijke Geuldal tussen Schin op Geul en Wylre, waar de Brand clan zijn oorsprong kent en gedurende vele eeuwen slechts competitie ondervond van de bierbrouwersclan van het naburige Gulpen, van het Gulpener bier. Nu is ons beste bier in handen gevallen van de Hollanders en is Wylre bedroefd omdat tradities verdwijnen.

Immers de winsten moeten hoogopgevoerd worden en de folklore er om heen is te duur geworden. Brandts bier wordt slechter maar Gulpener bier blijft beter en hoppiger worden. Dat beloof ik U waarde lezer. Waarbij volledigheidshalve nog vermeld wordt dat een der ooms van Stijn nog in het brouwersvak zit en het excellente Christoffelbier produceert, onafhankelijk van de Hollanders.

Stijn bracht mij naar een plek met een bosje op een heuvel, rijen bomen en struiken langs de graftranden rond weiden met grote witte koeien, op vette kalkhoudende lössige grond. Met bouwland waar de aardappelen net boven stonden, met hier en daar een laagstamfruitboomgaard, een langgerekt groot weiland in het dal, met eerste snit van hooi er al af en een hooiland met lang gras op de glooiende zuidelijk geëxposeerde heuvel naar onderen.

Ik had mijn hoge zitstoeltje bij me en ging langs een graft zitten onder een kleine kriekenboom waarvan de kersen nog groen waren, achter hoge brandnetels met kleefkruid ertussen, langs het prikkeldraad, dat al verborgen was onder het hoge groen op de vruchtbare grond.

Het uitzicht in het heiige morgenlicht was fantastisch. Ik was weer thuis en keek zelfs tot aan Stokhem boven Wylre en de Wylrebossen met de Berghofweide, een rijke wilde
orchideeënwei, waar ik als student biologie het praktische werk voor mijn hoofdvak vegetatiekunde deed, voor wijlen hoogleraar Lanjouw aan mijn Utrechtse Alma Mater. Waar de bierbrouwers overigens nog een bosjacht hebben van bijna honderd hectare, met reewild, maar ook daar veel vossen, meer nog.

Hier en daar een lichtje over het dal tot in de verte toen het nog donker was en pas om zes uur het eerste onnatuurlijke geluid van de eerste trein op het miljoenenlijntje onder in het dal aan deze kant van de Geul en de rijksweg tussen Wylre en Schin op Geul.

De vogels zongen dat het een lieve lust was maar ik ken mijn Passeriformes nauwelijks aan hun geluid, alhoewel ik me niet zou verbazen als daar ook een nachtegaal floot. Merels floten in ieder geval volop en verdere kleine flierefluiters maakten er een waar ochtendnatuurconcert van. De duiven in het bosje boven mij begonnen te koeren, zittend op hun nesten met eieren en jongen, dan wel nergens op, zomaar in een tak hoog in de boom.

Enkele grote kraaien krasten en vlogen rond. Ik miste er een die eigenlijk wat hoog vloog, met twee schoten uit mijn hagelgeweer. Als enige had ik geen kogelgeweer om de vos te bejagen vandaag. Servaas en Stijn wel. Ik zag hier en daar hazen en ook konijnen rondhuppelen en tegen zevenen vlogen de eerste houtduiven rond.

Stijn schoot met de kogel rond zessen en miste een vos. Iets later miste hij een tweede vos, vertelde hij later, volgde de vos achter een bosje, rende zich een ongeluk om het beest bij te blijven en schoot het dier alsnog dood. Een kat die schrok en wegliep miste hij onmiddellijk daarna. Servaas zag een vos maar die kwam niet binnen schot. Later schoot hij een grote kraai. Ik heb geen vos gezien.

We reden terug door het veld rond achten, onder een klein viaduct door van het miljoenenlijntje, waarna we in Wylre rijste- en kersenvlaai kochten die nog warm was en nog maar net uit de oven kwam. De beste vlaaienbakker van de streek volgens Stijn, omdat de rijke bierbrouwers ze daar kochten en die hebben tot de dag van vandaag ook een goeie smaak wat Limburgse vlaaien betreft. Alhoewel vlaaien nooit met bier erbij worden gegeten.

Door het Geuldal reden we omhoog naar Stokhem langs de Wylrebossen, met de nieuwe wijngaard in de helling waar de kleefaarde op de kalkrots aan het oppervlak komt, langs het orchideeënrijkste Nederlandse natuurreservaat de Berghofweide met de Wylre akkers tezamen, gelegen aan de andere kant van het droogdal naar de Geul toe, en de Berghoeven waar ik als student woonde, terug via Ingber, over de zuidelijkste rijksweg richting Maastricht. Nu met verkeersopstoppingen.

Vroeger werden er in het Ransdaler veld gemiddeld vijftien vossen per jaar geschoten en dat betekende dus op zijn minst drie vossen per honderd hectare, te weten drie per een vierkante kilometer. Bij een gemiddelde van twee tot negen vossen in Zuid Limburg was dit normaal. Stijn die voor zijn ooms nu de voorlopige jachtopzichter is en schade bestrijdt schat het aantal nu - het vierde jaar na de flora- en faunawet - op zes per honderd hectare, dus bijna dertig vossen in zijn jachtveld. Ernaast jagen de jachthouders niet op vossen. Er vlogen daar ook onwaarschijnlijk veel grote kraaien. Een veld zat vol met roeken. Kauwen zag ik niet.

Toch zagen we onverwacht veel hazen en konijnen en zelfs hier en daar wat fazanten, maar de afgelopen jaren waren drijfjachten hier niet meer mogelijk. Te weinig wild. Het is te hopen dat het nu beter wordt, anders zijn die hazen er dit najaar niet meer. Bij de vossenburcht die we bezochten, lag een nog niet opgepeuzelde hazenpoot.

Stijn krijgt het nog druk als hij zich ten doel stelt tenminste een drijfjacht voor zijn ooms te realiseren in het najaar. "Het is daar hard sappelen voor de kost", zou Franz Joseph hebben gezegd, mijn vader zaliger, de beste stroper van Zuid Limburg, die te arm was om te kunnen jagen maar graag een stukje wildbraad at met zijn gezin tijdens het kerstdiner.

Jo Hilgers

Limburg mijn jagersland niet dat van de dwazen


Waar op de vette kalkhoudende golvende lössige grond
Waar van fruit nog een eenzame hoogstamboomgaard stond
Daar gloorde nu het rode schaapjesgewolkte morgenlicht
Vanuit het hoge Ransdalerveld met zuidelijk zicht

Vanaf mijn hoogzit aan de boom voelde ik mij van adelstand
Speurend als jager naar de vos tot aan het dal in heuvelland
Bij vijfen floten de flierefluiters hun ochtendnatuurconcert
Waarvan het nog nooit een mens te moede werd

Tegen zessen rommelde zacht de miljoenentrein door het dal
Een traktor kwam pruttelend te voorschijn uit een boerenstal
Langzaam werd mij het zicht op de lampelichtjes ontnomen
Het zonnelicht was in de heiige morgenlucht gekomen

Een geelgroene dalwei gaf reeds een eerste snit van hooi
Ernaast een hooiland donkergroen van bloemen mooi
Op de kale goudbruine aarde van de velden
Kwamen zich nu in mei de aardappelplanten melden

Grote witgeflankte koeien in nevel liepen loom en traag
Eerst nog ver maar naderend gestaag
Geinteresseerd starend naar de tweebenige mens
Als ware tweebenigheid hun liefste wens

Elegant en rood golfde het vossenlijf vloeiend door de natuur
Het slanke roofdier voelde zich veilig in dit vroege morgenuur
De jager keek naar hem en door de kijker bleef maar turen
Maar een halve kilometer ver was te ver om er op te vuren

De houtduiven begonnen te vliegen toen de kraaien al krasten
Zwevend van de hoge fruitbomen naar de hoogspanningsmasten
De kaalgesnavelde roeken zaten als zwarte schaakstukken bij elkaar
In een veld met genoeg regenwormen en een maaltijd daar

De laatste sterren verdwenen uit het morgenlicht
Tot ver bij de Berghoeven boven Stokhem reikte nu het zicht
Hier ben ik geboren hier voel ik me soms weemoedig thuis
Hier in het land van de vos de kraai en de eikelmuis

Of de nachtegaal er nog zingt weet ik niet
Een compliment maak ik voor wie de leeuwerik ziet
En waar zijn toch het haas en de fazant gebleven
Die hoeven toch niet allemaal door de vos te sneven

Zevenhonderd jaren werd hier het beste bier gebrouwen
Van de jacht in de natuur en het bier zal ik altijd houen
Tot mijn dood wil ik hier op de jachthoorn blazen
Dit is mijn jagersland en niet dat van de dwazen

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz