Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

26-27-28 november 2005

 

Een peuterjachtdag in Schaesberg

of

Aardbeienboer Wilbert die ophield bloemkool te kweken

en

De zwaarste sneeuwstorm van mijn hele leven

 

Beste Peter,

Eigenlijk had ik vanmorgen willen beginnen met het plukken van de houtduif en het villen van de twee konijntjes die Servaas Joseph - mijn jagende telg - en Toine, mijn jagende vriend in Parkstad en de gek zelf, gisteren geschoten hebben in Schaesberg, een van de kleine deelgemeenten van de oostelijke mijnstreek in Zuid-Limburg, die nu samen met plaatsjes zoals Nieuwenhagen, Eygelshoven, Ubach over Worms, Rolduc, Bleijerheide, Merkelbeek, Amstenrade, Mariarade en grotere gemeenten zoals Hoensbroek,  Brunssum, Kerkrade, Heerlen en Onderbanken, als Parkstad aangeduid worden. Een jachtveld in het uiterste zuidoosten van ons land en als zodanig tegenhanger van Jan Tijssen's jachtveld in de Anna Paulowna polder - waar mijn eerdere jachtverhalen speelden - in het uiterste noordwest puntje van ons Vaderland. Als dag en nacht van elkaar verschillend. Het volgebouwde beboste Limburgse akkerland grenzend aan Duitsland, versus het vrijwel onbebouwde Westfriese polderland, grenzend aan de Waddenzee. Duiven en konijnen in bos en tussen braam, versus eenden en hazen in polder en tussen riet

En dat Schaesbergse jachtveld is het parkstadse jachtpark van ongeveer tachtig bunder, met nog een oude kasteelruïne er in, een gracht met water, met bramen onder konijnenstruikgewas in de dalen en veel houtduivengeboomte op de omringende heuvelruggen tussen de oude mijnwerkershuisjes, met hier en daar nieuwe grote villa's. Het bestaat voor het grootste deel uit akkers van Wilbert en Brigitte van Laar, die nu vooral aardbeien kweken - deels onder drie vijftig meter lange koepels van plastic, deels onder plastic folie en deels ook in de winter onbeschermd - om de kost te verdienen. Ze begonnen daar elf jaar geleden - toen ze trouwden - met het kweken van niet minder dan vijftien koolsoorten (witte, groene, rode, boeren-, Savoye, spits-, enzovoort enzovoort) met bloemkool als belangrijkste product, maar moesten de kweek ervan stopzetten wegens wildschade, waarover later meer en de kern vormend van dit verhaal, omdat ik denk dat dan hoofdredacteur Zweitse L. van De Nederlandse Jager interesse zal hebben - althans een deel - van dit verhaal op te nemen.

Ze liggen op het balkon die drie beestjes - een met twee vleugels en twee met vier pootjes - naast het ingevroren wildzwijnenvlees van een varken dat Toine een week geleden ergens ver in Duitsland schoot, terwijl het potverdorie dooit nu. Servaas heeft vier porties mee van ongeveer een kilo, vier konden in het diepvriesvak van mijn koelkast en vier liggen dus op het balkon. Gelukkig belde Vincent zojuist en zei hij - op mijn dringend verzoek - dat hij het varkensvlees kwam ophalen in de middag en zou opslaan in zijn vriezer (die echter onveranderlijk altijd bomvol ligt, dus het zal wel naar de schoonfamilie gaan met de grootste vriezer in huis). Daar kan zijn hele familie trouwens lekker van eten tijdens de komende feestdagen, zeker met die twee volle hazen en een grote grauwe gans, die hij al eerder van me kreeg, er nog bij. En voor mij betekent dat een gewisse uitnodiging voor het feest, nietwaar beste Peter.

Maar ik weet maar al te goed dat, als ik niet direct in de morgen na het opstaan achter mijn leptoppie kruip, ik niet meer toekom aan schrijfwerk. Zoals je weet ben ik wat dit betreft een morgenmens. Een andere conditie om te beginnen, die ook altijd in mijn vele laboratoria nageleefd werd, is dat alles pico bello opgeruimd en in orde moest zijn, alvorens ik met enige rust aan het werk ging. Ik begon nooit in een vies laboratorium met het doen van kankerproeven, of in een rotzooierige bijkeuken met wild schoonmaken. Destijds, in mijn jachtschuurtje aan de Dr. Schaepmanlaan Nummer 1 te Amstelveen, in de negentiger jaren als zodanig ingericht.

Straks doe ik het in mijn appartementkeukentje, de duif plukkend boven de grote afvalemmer met zwarte plastic zak er in en de twee konijnen op het aanrecht naast de afwasbak.  Mijn huishoudelijke hulp Bep B. was er al om half acht om op te ruimen en boodschappen te doen. De kommetjes staan al klaar, een voor de oude houtduif die ik schoot en een voor lever, maag zonder binnenwand en hart van de duif, alsook de levers en nieren, maar natuurlijk niet de slappe magen van de twee konijnen, een groot konijn door Servaas geschoten en een halfgroot konijntje door Toine neergeknald.

Ach konijntje en konijn

Wat was jullie leven in Schaesberg gelukkig en fijn

Ach konijntje en konijn

Jullie witte vlees zal heerlijk smaken bij witte wijn

 

Ach konijntje en konijn

Jullie leefden in Moeder's natuur dartelend en vrij

Ach konijntje en konijn

Jullie dood maakten de jagers gelukkig en blij

 

Maar alvorens het witte vlees te bereiden met een mosterdsaus voor het avondeten, stoof ik eerst een paar spekkies, olijfolie, uien en wat tomaat plus kruiden, de organen van de dieren en de duif en eet die straks voor de lunch op - na de erwtensoep van de Hamersveldse keurslager - met een bruine boterham, die eerst nog eens besmeerd wordt met goeie boter (mijn moeder sprak nooit van echte boter, maar van goeie boter). Dat hoort bij het ritueel van wild schoonmaken en dat ritueel had ik dus al sinds 1999 niet meer uitgevoerd, omdat ik toen naar Indonesië verhuisde en dit soort werk daar door de pembantu werd gedaan, dan wel door mijn lijfjager, Iwan de Verschrikkelijke uit Pangandaran. De man met de gekruiste pitbull terriërs voor de varkensjacht die ik beschreef in mijn hoofdstuk Adu babi dengan anjin over een jagersfeest in Parigi.

Wat is er in deze verknipte wereld van kistkalveren, legbatterijen en mussenjagers (het zou geen mus maar een sijs of groenling geweest zijn, volgens Marian Thieme, de Koningin van de Partij voor de Sprakeloze Dieren; in ieder geval een "sijsje" en geen "drijfsijsje" om met Amsterdammers te spreken) nu nog mooier als het oogsten van een duif en twee konijnen, middels een gezellige jachtdag met vrienden in de wit spoorbesneeuwde akkers met kalend bronsgroen eikenhout, tijdens de guurste dag van het jaar tot nu toe, het schoonmaken van het verse wild, gevolgd door het professioneel bereiden van het vlees en het zelf eten van de "vruchten des velds" om met de katholieke pastoors in de kerk en jachtschrijvers van weleer te spreken.

En wat is er daarna nog mooier dan de filosofie die erbij hoort, in deze  onnatuurlijke antidwarwinistische tijden, in een mooi verhaal vers van de pers op te schrijven, al was het alleen maar om die jongste telg de traditie mee te geven, van grootvader die nog stroper was, te arm om een geweer te kopen, tot vader als eerste generatie jager van de Hilgersen, op zoon, de tweede generatie, levend als journalistieke stadsmens in de grote midasdekkerstad Amsterdam.

 

Ach konijntje ach konijn

 Servaas Joseph schoot jou om de traditie

Ach konijntje ach konijn

Omdat je sprakeloos bent zonder ambtelijke petitie

 

Ach konijntje ach konijn

Geveld door jonge jager in bronsgroen eikenhout

Ach konijntje ach konijn

Gisteren dartelde je stout nu ben je lekkere bout

 

Het is toch nog laat geworden alvorens ik ben begonnen met het plukken van de duif. Vincent kwam het varkensvlees ophalen en heeft intussen de DVD speler die Servaas me gegeven heeft voor me geïnstalleerd op het TV meubel onder de TV. Ik heb drie films erbij gekregen, te weten de trilogie van The Lord of the Rings, mijn favoriete filmcyclus die ik al in Indonesië zag onder andere bij Theresia Roslanya thuis met Boy en Evert Baay, toen ik mijn dagboekhoofdstuk schreef The Return of the King. Maar ik zie de film(s) graag nog een keer.

 Vervolgens ben ik even een middagdutje gaan doen, maar pas om zeven uur wakker geworden. Gek genoeg was ik tijdens de tweedaagse trip niet moe ondanks gebrek aan slaap en in tegenstelling tot Servaas, die zwaar verkouden aan de jachtexpeditie naar Limburg begon, tijdens de hele verschrikkelijke autoreis naar huis, waarover later nog veel meer, zat te gapen. Vannacht had ik weliswaar al als een blok geslapen, maar die middagdut werd toch nog dubbel zo lang als een normale.

 

Na achten begon ik met de duif. Bij het plukken zag ik dat er enkele nieuwe veertjes - veerpennen die we stoppels noemen - in aanleg aanwezig waren. Bij jonge duiven eerder in het jaar kan dit een crime zijn omdat ze zo vast zitten, dat ze er alleen met grote moeite uit te trekken zijn. De maag bevatte een eikel en vele kleine witte kwartskiezeltjes van vrijwel gelijke grootte uit de lossgronden hier. Kennelijk als hulp bij de spijsvertering. Ook in de krop zat een grote bruine eikel, maar geen enkel kiezeltje, zodat ik me nu als goeie bioloog afvraag waarom voedsel wel de krop in kan, maar steentjes niet. Ik twijfel nu ook of het een (jonge) duif is van dit jaar of een (ouwe) van vorig jaar. De witte nekstreep van een oude duif is er wel, maar veerpennen zijn er dus ook.

Ach konijntje ach konijn

 Servaas Joseph schoot jou om de traditie

Ach konijntje ach konijn

Omdat je sprakeloos bent zonder ambtelijke petitie

 

Ach konijntje ach konijn

Geveld door jonge jager in bronsgroen eikenhout

Ach konijntje ach konijn

Gisteren dartelde je stout nu ben je lekkere bout

 

Het kleine jonge konijn door Toine geschoten is nu gevild, of om met mijn Vader Zaliger Franz Joseph, te spreken oet ziene jas gedaon. Een konijn heeft een winterjas aan net als een haas. Mijn moeder zei een winterpels, maar het woord pels afgeleid van het bont van de Perzische kat, heeft nu een slechte klank gekregen en wordt niet meer zo vaak gebruikt voor een bontjas. Het kleine konijntje is wat we noemen vol geraakt en had veel hagel, vooral onder de huid van schouder tot heup, met name in de rechtervoorpoot. Vier hageltjes heb ik al gevonden en zijn niet groter dan nummertje vier als je het mij vraagt, maar eigenlijk moet je het aan de schutter vragen. Ik schat dat er tien tot vijftien hagelkorrels, waarvan ik er al vier uit de huid en het vlees daar net onder verzameld heb (en in het lege zeepbakje gelegd), in totaal getroffen hebben en het konijntje moet dus op slag morsdood zijn geweest.

Omdat er in het Limburgse, vooral daar in die gure Limburgse mijnwerkershoek, zeker nog stropers zijn, niet omdat ze zo arm zijn als vroeger, maar om de stroperslol en voor de kick, kan ons konijntje zich achteraf gelukkig prijzen dat het geen gruwelijke dood is gestorven in des stropers' strop. Dit terzijde en alleen om nog even te memoreren aan het (eventueel) nieuwe Nederlandse woord in de Grondwet van de toekomst, als de gifgroenen aan de macht zijn gekomen. Aan de macht op wettelijke wijze langzaam en nog tientallen jaren durend, aan de macht middels revolutie, onmiddellijk na het slagen daarvan. Maar dan heeft iedere  recht-gezinde en rechtsgezinde jager inmiddels het loodje gelegd en dat kan dus nog even duren.

Ach konijntje ach kleine konijn

Toine schoot jou morsdood dwars door je mooie winterjas

Ach konijntje ach kleine konijn

Ben maar blij dat je niet gegrepen werd door vos of das

 

Ach konijntje ach kleine konijn

Morgen eet Joseph je lever, vette niertjes en hartje op

Ach konijntje ach kleine konijn

Ben maar blij dat je niet gevangen werd in een strop

Krijg nou wat Peter. Wil ik de zojuist hierboven gebruikte woorden recht-gezind versus rechtsgezind opzoeken in de DvD, zie ik dat bladzijde 2878 eindigt met recentelijk, recepis.... en dat de volgende bladzijde nummer 2915 is, die begint met .....reisatlas, reisauto, reisavontuur......, zodat ik niet minder dan 37 pagina's mis met onder andere alle woorden daarin afgeleid van recht...... Daar ga ik werk van maken en ik ga mijn geld terugeisen, dan wel een exemplaar eisen met deze bladzijden er ook in (en smartegeld als ik zo beroemd en berucht als Wee-eF-Haa zou zijn geweest). Hoe is dit mogelijk met het Boek der Boeken van de Nederlandse Taal van de Veertiende, herziene uitgave door Drs. Tom den Boon en Prof. Dr. Dirk Geeraerts,  met etymologie door Dr. Nicoline van der Sijs, uitgegeven door Van Dale Lexicografie Utrecht/Antwerpen. Hoe slordig is deze tijd ook in de uitgeverswereld.

Hoe lang zou Wee-eF-Haa er trouwens over gedaan hebben om deze fout in ons aller woordenboek te ontdekken (ondergetekende minder dan twee maanden) en er een heuse rel over hebben geschopt in Nederland, naar de uitgeverswereld toe natuurlijk, want met uitgevers verkeerde hij vroeg of later vaak op voet van oorlog. Het zou voorpaginanieuws geworden zijn, neem dat van mij aan beste vrienden. Hoe dan ook, in leven, zou Wee-eF-Haa mij er een pluimpje voor hebben gegeven en jaloers zijn geweest, als hij het zelf niet voor mij, gevonden zou hebben. Het verschil tussen hem en mij zou gelegen zijn in verdere controle der paginering, hetgeen hij met het grootste plezier gedaan zou hebben en waarin ik geen zin heb.

Al lezend zie ik de volgende zinnen op de tweede pagina van het boek der Nederlandse boeken: De redactie hoopt ook in de toekomst te mogen rekenen op de medewerking van de vele gebruikers van het woordenboek. Elk ons toegezonden signalement van nieuw taalgebruik is voor ons van grote waarde. Einde citaat. Wat let jou Zweitse om De Nederlandse Jager (Het Jagertje) toe te sturen, dan wel tot hulp van de redactie van de D van D, een geselecteerde lijst van potentieel nieuwe woorden per nummer. Waarbij later een medewerker aangetrokken wordt (met financiële hulp van een kapitaalkrachtige jager natuurlijk, of je zou de contributie flink moeten verhogen) die het jachtwoordenboek van Hermans en alle Jagertjes van de vorige eeuw naast de D van D legt om omissies en fouten in dit prestigieuze boekwerk op te zoeken, te onderwerpen aan een vooranalyse en vervolgens door te geven ter eventuele opname in de volgende editie. Dit tot meerder begrip en acceptatie van de jacht door het volk, nu de voorspelling van Ortega y Gasset is uitgekomen en de horden zijn opgestaan tegen de jachtkoningen.

Bij geldgebrek - ik hoor het Zweitse al zeggen - eventueel een voorstel doen bij een der overgebleven universitaire faculteiten der Nederlandse Taal en Letterkunde om te komen tot een proefschrift hieromtrent, waarvan de uitgave, het proefschrift van de jonge doctor, gefinancierd wordt door de Nederlandse Jager(s).

Krijg nou weer wat, beste Peter. Toine telefoneerde zojuist vanaf een hoogzit bij hem in de buurt in het parkstadse Limburg, van waaruit hij een vos probeert te schieten, in het donker en nu het veld wit besneeuwd is. Hij was vandaag al op drijfjacht ver weg zuidelijk Duitsland in, net onder de grens reizend van de sneeuwstormen die gisteren het midden van Nederland en vandaag het noorden van Rijnland Westfalen teisterden. Zelf had hij niks geschoten maar er lagen vier wilde zwijnen en twee reeën op het tableau. Terug in Limburg is hij direct de aanzit opgegaan. Wat een passie. Der Jungs hat eine grosse Leidenschaft zum Jagen.

Wilbert, de aardbeienboer, had hem vandaag gebeld om te vragen of Servaas en ik gisteren wel goed thuisgekomen waren na de jacht, tijdens die verschrikkelijke sneeuwstorm. Maar daarover, zoals gezegd, later meer.

Het is bij elven en omdat ik honger heb ga ik nu Chili-con-Carne eten van de reeds genoemde Leusdense keurslager en laat ik het grote konijn nog een nachtje buiten in de vrieskou op het balkon liggen, alhoewel ze in de jagersvolksmond en culinaire kringen zeggen dat een konijn, in tegenstelling tot een haas, niet hoeft te besterven om malser en beter eetbaar te worden. Het witte konijnenvlees is nooit echt taai, maar het donkere en rode vlees van een Methusalem haas - met snorharen van vijftien centimeter -  wel natuurlijk. Zo taai dat marineren nauwelijks helpt, zoals ik je al eerder schreef vanuit de Eifel. Toen had ik Robert Winckens de eerste achterbout uit de pot laten kiezen uit vier, twee van een methusalemhaas en twee van een jong mals haasje. Hij koos prompt een grote donkere poot en dus precies een verkeerde en de schrokop heeft daarna de hele avond lopen mopperen. Als ik het dagen achtereen had laten marineren in plaats van een nachtje, was het zoer vleisch geworden, zei Jo Agten toen.

Wordt morgen vervolgd anders ga ik NOOIT MEER SLAPEN.

Was precies om acht uur wakker, zet TV aan om naar Vroege Vogels te luisteren en merk tot mijn verbazing dat het programma niet wordt uitgezonden op deze vroege zondagmorgen. Dat is me sinds ik naar Vroege Vogels luister vanaf mijn prilste jeugd nog niet overkomen. Wat zou er aan de hand zijn daar in dat landgoed van het Capitool bij Hilversum? Zou het te maken hebben met het weer of is het programma determineert? Zou jammer zijn want ik luister graag naar mijn vijanden met hun pseudodierenliefde om de tactiek van mijn aanval beter te kunnen prepareren. Heb nog even liggen denken over de komende dag, met nog steeds een konijn om schoon te maken op het balkon. Ben toch maar opgestaan.

Beste Peter, Servaas en Toine,

Ik kan jullie nu om en nabij het zondagmiddaguur geruststellen, want niet alleen is het grote konijn dat Servaas schoot, door mij met veel moeite schoongemaakt, maar inmiddels zijn ook de eetbare organen van de drie geschoten beesten - bereid zoals hierboven reeds beschreven - opgepeuzeld met een halve fles  witte Chardonnais 2003 van het Huis in Zuid-Afrika dat L'Ormarins heet. Een Huis van Franse Huguenoten uit de Franschhoek Vallei. Overgenomen in 1969 door de Rupert familie - staat op het etiket - en met aroma's van citrus, butterscoth and buttered toast. Vooral goed bij fresh tuna carpaccia, paella and herb roasted chicken. Maar prima ook bij gestoofde levertjes, hartjes, niertjes en maagjes van konijn en duif als je het mij vraagt. En nu neem ik nog een slokje alvorens verder te schrijven.

En dan nog even verderop in het verhaal en je zult ervaren dat mijn mening over de geur en smaak van wijnen absoluut irrelevant is voor de Mensheid, omdat mijn poliepen vijf jaar geleden zijn verwijderd en daarmee het grootste deel van geur en smaak, die ik (misschien) ooit had, toen mijn neus nog volgegroeid was met de grootste poliepen die mijn KNO arts - een collega van broer Frans - ooit vond in de neus van een Nederlander, nou ja een Limburger. En die toen al de reukorganen in de neus natuurlijk een leven lang geblokkeerd hadden, althans dat is nu mijn hypothese, na de catastrofe van het wijnproeven op donderdagavond van de eerste dag van de jachttrip in de WinselerHof. Waarover meer.

Nu terug naar het grote konijn van Servaas dat met moeite uit zijn pels getrokken kon worden, omdat mijn mes bot is en ik geen wildschaar heb. Heb ook geen slijpgereedschap voor messen hier. Er zaten in de linkerflank acht hagels nummer twee - veel groter dan de nummertjes vier waar Toine mee schoot - die ik eruit kon peuteren uit de huid of het oppervlakkige vlees. De linkervoorpoot was gebroken en de hagels zaten ook hier van voor tot achteren in het beest dat dus ook al - net als Nijntje klein Konijntje van Toine - vol getroffen was. Servaas is natuurlijk de enige sterveling die weet dat ik gelijk heb, want hij schoot het beest in het zitje op tien meter afstand. Als hij effe hallo konijn had geroepen was het gaan huppelen en had ik niet zo veel hagels geoogst en zou ik niet zo bang zijn om op een hagel te bijten bij het verorberen van het grote konijn in de naaste toekomst.

Hoe dan ook, ook dit konijn moet op slag dood geweest zijn, de mooiste dood die een konijn kan sterven. Het heeft goed geleefd, want ook nu zaten de nieren prima in het vet, terwijl de pels dik en wollig was, dus het beestje heeft geen kou gekend. Het heeft een normaal en blij konijnenleven geleefd en het heeft nooit honger of kou gehad. Dat noem ik nog eens een zachte dood na veel dierenwelzijn. En dat alles nog voordat de Nederlandse Grondwet is aangepast op verzoek van gifgroenlinkse elementen in de Nederlandse Politiek. Alsof er geen andere zaken aan de orde zijn in dit land die een hogere prioriteit verdienen, nietwaar beste vrienden.

Hetgeen mij nu de chronologische volgorde, waarin dit verhaal tot nu toe geschreven is, doet verlaten.

Ik keer terug naar donderdag toen Servaas er al om half twee was in Leusden, om me op te halen, anderhalf uur eerder dan oorspronkelijk afgesproken. Zijn stokoude Opel Corsa werd volgestouwd met een groot koffer waarin met name extra warme kleding voor de jacht in deze gure tijden en ook mijn inmiddels onafscheidelijke camouflagenet van het Nederlandse Leger van drie bij zes meter, opgevouwen in de lengte zodat het anderhalve meter hoog is en met daarin vijf bezemstelen met groene stof bekleed ter verdere camouflage en aangepunt om goed in de grond te kunnen steken. En mijn krukje dat hoger is dan mijn meer comfortabele karperstoel en daarom geschikter om raak te schieten na opstaan, indien nodig.

Het was heerlijk weer op de heenweg vanaf Leusden, via kruispunt Hoevelaken en A1 richting Apeldoorn, de A30 naar Ede, de A12 naar Arnhem, de A50 richting Nijmegen en dan langs Venlo aan de westkant van de Maas over de Napoleonsbaan (met onder de oude eiken hier en daar paddenstoelen zoals champignons en vliegenzwammen, maar nooit genoeg om voor te stoppen) naar de A2 bij Roermond, via Koningsbosch en de Duitse Selfkant, naar Parkstad, naar de WinselerHof in het gehucht Terwinselen in de nepstad, die Parkstad genoemd wordt, een naam waar ik niet aan kan wennen. 

Een tot hotel-restaurant omgebouwde boerderij met binnenplaats door en van Camille Oostwegel, bouwer en eigenaar van wat hij noemt ChateauHotels&-Restaurants, althans zo staat het op de rekening van het diner. Het is - volgens broer Louis - een wereldberoemdheid in Limburg met onder andere Chateau Neercanne en het Maastrichtse Kruisherenhotel op zijn naam.

Van half zeven tot negen werd diner geserveerd door jonge maar niet al te mooie Limburgse serveersters, althans dat was de mening van Servaas, waarin ik tot op zekere hoogte kon meegaan. Omdat er behalve wij met zijn tweeën slechts twee Japanners zaten - kunnen ook Chinezen of Koreanen geweest zijn - liet ik de kok opdraven, want die had immers tijd zat. Zijn CV hadden we al kunnen lezen in een verhaal in een tijdschrift uitgegeven door Camille Oostwegel zelf en dat was indrukwekkend. Van de Echoput via sterren restaurants in het Westen, helemaal naar Chateau Neercanne, had onze kok uit Garderen - van een streng gereformeerde afkomst - het helemaal gemaakt als chefkok van Pirandello, waar hij al eens gediend had als onderchefkok, waarna hij het pand (huilend over zoveel bazigheid) had verlaten, althans volgens het verhaal in het gratis ter beschikking gestelde tijdschrift van de hotelketenbaas.

Ik was er weer eens zeer van onder de indruk in tegenstelling tot Servaas, die niet zo gauw onder de indruk is van dit soort en andere zaken, hetgeen er van moederskant via de genen in moet zijn gekruist. Hoe dan ook ik liet de kok komen om een gezellig praatje te maken naar aanleiding van het menu. Het eind van dit liedje met de arrogante chefkok was - nadat hij gedecideerd het kopen van wild van Toine had afgewimpeld, omdat bij infectie van zijn klanten hij de enorme klos zou zijn, gezien de Keuringsinspectiedienst van Waren - dat ik hem vroeg het menu voor ons op te stellen met de juiste wijnen erbij. Dat hebben we geweten. Dat wil zeggen, omdat ik niet van deze wereld was op dat moment en in de Zevende Hemel zat, heeft eigenlijk alleen Servaas het culinair geweten en ik financieel.

Toine kwam erbij toen we al aan de laatste fles wijn zaten, te weten een rooie, dus die weet al wat er nu ongeveer komen gaat. Maar omdat jij beste Peter zo van eten houdt kan ik nu niet anders dan deze luxe maaltijd uitgebreid te beschrijven. Bedenk wel dat ik zojuist een TV uitzending zag over de grootste kok aller tijden, te weten de Romein Apicurius, die als een van zijn favoriete creaties gevulde nachtegaaltjes serveerde met jonge rozenbloemblaadjes. En zover is de chefkok van de WinselerHof nog lang niet. Sterker nog hij heeft ook bij de laatste ronde vorige week nog steeds geen Michelinster gekregen, alhoewel Nederland dit jaar overspoeld is met nieuwe sterren en er nu niet minder dan drie driesterren restaurants zijn in ons kikkerlandje. Ik herinner me nog de tijd dat de derde ster in België werd gegeven, maar dat is een mensenleeftijd geleden. Overigens Apicurius genoot voor het laatst volop en met volle teugen, van zijn laatste uit culinair oogpunt perfect gemaakte gifbeker.

Het Italiaanse diner begon met een amuse zoals dat tegenwoordig heet, van onbestemde smaak en reeds vergeten. Die werd helaas niet vermeld op het uitgetypte menu van 24/11/2005, op speciaal verzoek van ondergetekende, netjes uitgetypt door het voltallige team van hotel WinselerHof, Luigi's Trattoria en restaurant Pirandello. Het team sprak de hoop uit - onder de opsomming van gerechten - op een aangenaam culinaire en gastvriendelijke (dit woord las ik voor het eerst na vijfenzestig jaar) avond.

Het voorgerecht was een serie kleine hapjes van een paté van zeeduivel met een rucola salade, chutney van mango, een lassagna van gerookte paling, huisgemaakte spaghetti met Parmezaanse kaas, truffel crème en verse truffel. De wijn erbij was een Pinot Grigio, Uve: 100% pinot grigio uit Trentino. Servaas is middels Paula nogal Italiaans culinair georiënteerd en memoreerde een recente bruiloft in Siena bij vrienden. Opvallend was dat de serveerster met zwarte Perigord truffels op een bordje kwam aanzetten en daarvan genereus vele schijfjes over een der gerechtjes schaafde met een - zonder twijfel - speciaal truffelschaafje, alhoewel ik hiervoor mijn hand niet in het vuur durf te steken. Ik begon met die truffelschijfjes en die waren zo sterk van smaak en lekker ook, dat ik verder niet veel geproefd heb. Met dien verstande dat ik de chutney van mango met veel tegenzin als laatste liflafje verorberde en onmiddellijk wist dat deze smaak als een tang op een varken sloeg tussen de andere liflafjes.

De Pinot was behoorlijk sterk van geur en smaak en ik zeg nog tegen de serveerster dat dit voor mij erg welkom was omdat ik vrijwel alle geur en smaak kwijt was, nu op gevorderde leeftijd. En dat was het begin van een hilarische blunder tijdens die memorabele maaltijd.

Het tussengerecht was een op de huid gebakken filet van zeebaars met een risotto van paddenstoeltjes (bij navraag cantharelletjes). Als wijn een Langhe, Uve: 100% Chardonnay uit de streek Langhe van de Piemonte. Servaas merkte op dat het erg moeilijk is om een goeie risotto te maken, maar hij heeft er niet verder over geklaagd.

Terwijl ik even voor me uit zat te staren over zoveel geluk, schonk de Limburgse serveerster, die in Weert geboren was en alleen Hollands sprak, deze tweede witte wijn in en vroeg mij om te proeven. Enigszins afwezig nam ik het glas en begon stante pede een ode aan deze tweede wijn, op de mij zo karakteristieke en spontane wijze. Deze was zo mogelijk nog mooier, voller en met meer smaken van allerlei noten en vruchten, dan de vorige zei ik en keek haar triomfantelijk aan. Ze keek niet terug maar naar Servaas en die zei droog dat ik nu maar beter eerst uit het grotere glas (er stonden er drie van klein naar groot) moest proeven, omdat daarin de nieuwe wijn geschonken was. Ik had de eerste wijn, die nog niet op was, uit het kleinste glas gedronken en daar mijn mening over gegeven. Zo snel dat ze er niet tussenbeide konden komen. 

Zo zie je Peter dat je met een Grote Bek af en toe behoorlijk onderuit kan gaan in Het Leven.

Servaas was alleen onder de indruk van de gebakken zeebaars, toen we al lang op bed lagen en nog praatten over het diner en andere gewichtiger zaken in Het Leven van een Opa en zijn Benjamin.

Het Hoofdgerecht was hertenrug filet met ravioli van blauwe vijgen en dadels, rode kool met Aceto balsamico en een saus van rode wijn. De rode wijn was een Chianti classico Berendenga, 100% Sangiovese (druivensoort) uit de Toscane. En het hertenvlees bleek mijn favoriete hap deze avond, behalve die schijfjes truffel dan.

Omdat tijdens dit gerecht Toine binnenkwam hebben we toen geen zoet nagerecht, maar een kaasbordje genomen met Taleggio, een zachte, milde roodschimmelkaas; een Rabiolog Rosmarina, een ietwat vollere, romige geitenkaas; een Toma di Capra, een zachte koeienkaas; Parmezaanse kaas, ouder en gerijpter (van de koe) en en Blu di Capra, een pittige blauwschimmelkaas van de geit. Ik was niet onder de indruk en heb mijn portie aan fikkie gegeven.

Toine ging naar huis toen we het restaurant verlieten en met onze stomme koppen zijn we afgedaald in de voormalige kelders van de bokkenrijders boerderij, nu met een catacombenbar. En daarin twee groepen, een van veel vrouwelijke verpleegkundigen op uitnodiging van een medisch bedrijf dat onder andere anale endoscopen produceert (praat met er niet van), en nog een van elektronische boeren uit het Brabantse. Aan de tafel van die Mannenbroeders hebben we Brandts Pilsener volgens het recept van UR Pilsener van de tap zitten zuipen, onder het mom bier na wijn geeft venijn.

We konden dus prompt niet in slaap komen tot de kleine morgenuurtjes en toen de receptioniste belde dat er een zekere Mijnheer Raymaekers bij de Receptie op ons wachtte om tezamen het ontbijt te nuttigen werd Servaas onvriendelijk humoristisch en dat duurde nog enige tijd tijdens het ontbijt met Toine. We waren kapot, alleen aan mij zag je het niet omdat ik zoals reeds gezegd nog steeds in de Zevende Hemel verbleef, over zoveel voorpret bij een jachttrip naar Limburg, mijn eigenste geboorteland. Na zoveel lange moeilijke jaren (zeg nou niet ocharm, beste vrienden).

Terug op onze kamer werd ik met man en macht in mijn warme jachtkleding, met extra ondergoed en een fleece er nog overheen en natuurlijk de met vilt gevoerde, waterdichte overschoenen met dikke warme sokken, gehesen en gestouwd. Want het zou de guurste dag van het jaar tot dan toe worden, zoveel was wel duidelijk van het weerbericht. Voor jagers ook tegelijkertijd de mooiste dag omdat de spoorsneeuw lag: het had die nacht voor het eerst gesneeuwd. Dan mag je weliswaar geen hazen schieten, maar wel jagen, zei Toine. En hazen waren er trouwens niet of nauwelijks in het Schaesbergse jachtveld. Hetgeen me aangebracht heeft tot het verhaal over de jacht zelf, een zo nauwkeurige beschrijving van het jachtgenot.

WORDT VERVOLGD na het middagdutje en wordt dan nog veel spannender.

Hier ben ik weer beste vrienden na het dutje en nu reeds met commentaren van Peter en ook Toine naar aanleiding van mijn verhaal tot nu toe. Hier volgt alvast het commentaar van Toine Ramaekers als intermezzo en alvorens de eigenlijke jacht te beschrijven:

Beste Jo,

ik ben begonnen met het lezen van je verhaal. Nog niet helemaal gelezen, maar ik vind het nu al prachtig. De gedichten die je gisteren al voorgedragen hebt zijn van een stijl zoals ik hem van jou niet ken, maar absoluut geweldig.

Ik stuur je deze mail na te zijn "aangekomen" bij de steentjes in de maag van de duif. Volgens mij is het zo dat de duif deze steentjes eet waarna ze vrijwel direct naar de maag worden getransporteerd. De spiermaag wel te verstaan. Daar helpen de steentjes bij het kleinmalen van het voedsel. Een duif heeft immers geen tanden (gelukkig maar, anders zou onze hobby nog gevaarlijk kunnen worden). In de krop wordt het voedsel enkel voorgeweekt, en in de broedtijd weer aan de jongen gevoerd (braken). Deze krop is niet sterk genoeg om, zoals de spiermaag, het voedsel klein te malen. Als je een duif schoonmaakt tref je toch een keihard orgaan aan. Dit is de spiermaag. Maak hem maar eens open en je treft daar allemaal steentjes aan.

Tja, ik ben dan geen bioloog maar zoon van een (voormalig) duivenmelker.

Toine

Ook het commentaar van Peter:

Hilgers je bent fantastisch en je krijgt natuurlijk je geld terug en drie nieuwe DvD-‘s. Na het drinken op de Adventsparty in Bonstetten nog even nagesmuld van jouw hoofdstuk 208 in wording. Grote klasse en bel je morgen, Peter

Wilbert's boederij ligt in een dal en is omgeven door heuvels met een klein bos boven de akkers en veel geboomte tussen huizen rondom. De geelbruinachtige grond lijkt op vettige, kleiige kalkrijke löss wat mij betreft en zal wel erg vruchtbaar zijn. Het dal loopt door tot een kleine kasteelruine met een gracht, struikgewas en wat bosschages. Op de akker naar boven staan drie ronde plastic tunnels ter bescherming en warmte van en voor aardbeien en ook frambozen, zei Servaas. Grote aardbeienvelden zijn er ook onder strak over de grond gespannen plastic, tegen overdadige groei van onkruid en om warmte in de grond te houden. De aardbeienplantjes steken er bovenuit. Naar de bosrand toe boven langs het hellingbos, waar ik ooit eens met succes op duiven jaagden met Toine samen, staat een groot veld met kniehoge mosterd.

Wilbert en zijn vrouw begroetten ons toen we er rond half tien aankwamen. De hondenman was er met een Cocker Spaniel, een dartele, actieve, prachtig bruinwit gekleurde hond. Er werd besloten om mij midden in het veld te zetten op mijn kruk en met mijn camouflagenet eromheen ter dekking. Uit de wind achter een van de twee hoge stromijten wel te verstaan, want er stond een felle koude noordwesterstorm - met afwisselende buien - over het gedeeltelijk witbesneewde veld. Het was zonder handschoenen niet uit te houden geweest vanwege de kou bleek al gauw. Maar de rechter handschoen moest wel uit om te kunnen schieten en dat leidde tot vertraging en missers, want de vogels zijn bij zo'n wind bij je voor je het weet, zeker als je ze te laat ziet en ze van achteren komen.

Toine, Servaas en de jager met zijn hond begonnen onder in het dal door de struiken met bomen vanaf de boerderij richting kasteelruine te lopen en al gauw zag ik enkele duiven opvliegen uit het geboomte daar. Een kwam in mijn richting half voor de wind en op slechts twintig meter hoogte. Met mijn eerste schot met een dry lok high speed Winchester patroon met nummer zes hagel, een patroon die Servaas nog had gevonden bij mijn ouwe jachtspullen, schoot ik de duif morsdood. Bij het schoonmaken zag ik slechts een hagelkorrel in de nek bij de schouder van het beestje.

Nu en dan klonken enkele schoten uit de richting van de jagers en het was duidelijk dat ze kansen kregen, maar niet erg vaak en veel. Regelmatig vlogen er duiven boven de bomen rondom de akker, met name in het dal richting boerderij, maar slechts af en toe vlogen ze boven het open veld, laat staan dat er veel binnen schot langs kwamen. Omdat ze ook nog eens van alle kanten kwamen, zat ik voortdurend op mijn stoeltje rond te draaien en kreeg ik last van mijn zitvlak. Schoot af en toe, miste een opgelegde kans op een duif die recht op me af kwam op nog geen tien meter hoogte, kreeg nog wat halve kansen en schoot dus helemaal niks meer na die eerste vogel.

Toen de jagers bij mij kwamen kijken bleek dat Toine en Servaas ieder een konijn hadden geschoten en nog enkele keren gemist hadden. Ze zouden nu nog door het mosterdveld lopen om te kijken of er een vos in zat. Ze hadden beneden, zegge en schrijve een fazant gezien en ook het koppel nijlganzen, waar Wilbert al gewag van had gemaakt toen we aankwamen. Deze exotische ganzensoort is hier nog zeldzaam maar het biotoop is dan ook niet zo geschikt en elders in Limburg net als in het waterrijke Nederland zijn ze sterk in opkomst en hier en daar zelfs een plaag, zoals in de Anna Paulowna polder. De driften door het mosterdgroen leverden niks meer op en we besloten het voor gezien te houden, iets na het middaguur, na iets meer dan drie uurtjes jacht.

Bij Wilbert kregen we koffie. Hij kwam erbij zitten, ondanks alle drukte zei hij, nam een stuk papier en begon te praten en te schrijven tegelijkertijd. Over de pogingen wildschade te bestrijden sinds 1993, toen hij begon te boeren hier. Toen jaagde daar een zekere Portz, een oudere man die het wild maar moeilijk kon raken. Maar die man was hard nodig want een gesprek toen met een vertegenwoordiger van de wildschade commissie van de LLTB ( Limburgse Land- en Tuinbouw Bond) ter vergoeding van schade had niets opgeleverd. De jager was verantwoordelijk en bovendien moesten er over de kool die toen gekweekt werd netten gespannen worden om voor vergoedingen ten gevolge van wildschade uit het Jachtfonds in aanmerking te komen. Netten om vijf hectare met kool te bedekken. Dat was zo kostbaar en ook tijdrovend dat Wilbert dat niet deed.

Hij probeerde met roodwit lint en met fibertouw (zijn terminologie) de duiven, fazanten, kauwen, meeuwen en andere vogels te verjagen van zijn velden, maar het lukte steeds maar even, totdat de vogels eraan gewend waren. Vogelverschrikkers werkten nog het beste, maar ook dat was van korte duur. Zelfs het bepoederen van pas uitgezette plantjes om uittrekken te voorkomen was onsuccesvol. Kauwen waren verzot op wormpjes of larven aan de voet van deze plantjes en trokken soms een heel veld ervan uit. Een schietapparaat, door Wilbert kersenkanon genoemd omdat het in kersenboomgaarden wordt gebruikt, hielp ook wel wat, maar ook dit was opnieuw van korte duur.

Graankorrels (Wilbert verbouwt ook granen) werden gedompeld in een vloeistof om ze onaantrekkelijk te maken voor de vogels. Om konijnenschade te voorkomen werd vier kilometer gaas gespannen, aanvankelijk van een halve meter hoog, later van meer dan een meter hoog en bovendien ingegraven in een voor. Het mocht allemaal niet baten en de teelt van bloemkool en andere koolsoorten moest worden stopgezet. Maar ook nadat er op aardbeienteelt was overgegaan bleef de schade nog aanzienlijk en een luchtalarm bracht enige tijd uitkomst. Een alarmpistool was al helemaal geen remedie.

Gelukkig had jachtvriend Toine de plicht van de jager om schade te voorkomen inmiddels overgenomen van de oude heer Portz. En dat had wel zoden aan de dijk gezet, want Toine kwam bij oproep en schoot als een scheermes zei Wilbert en beaamd door mij. Het wild werd nu redelijk in toom gehouden. Niettemin was er onder in het dal richting kasteel sprake van veel konijnen ondanks alle ziektes, gezien de plaatselijk grote hoeveelheden keutels. Dat er nu slechts twee werden geschoten en nauwelijks meer werden gezien, lag aan het feit dat ze met zo'n hondenweer graag beneden bleven en ook omdat er nog veel groen aan de bramen zat, zodat hond en mens moeite hadden ze te speuren.

De ene jager is de andere niet als het er op aankomt wildschade te bestrijden, vooropgesteld dat ze tijd genoeg ter beschikking hebben om op afroep van de boer naar het veld te komen. De ene boer is de andere niet als het er op aankomt de beste bestrijding in te zetten tegen de schadelijke wild- en andere soorten. Ik denk dat de combinatie van Wilbert en Toine genomineerd dient te worden voor een prijs, uit te loven door de KNJV voor het meest succesvolle jager-boer koppel tegen wildschade. Dat vermindert de kosten van de belastingbetaler die anders via de financiële Flora en Faunawet voorzieningen tegen wildschade uitgekeerd dienen te worden. Misschien moet zo'n prijs door KNJV samen met de provinciale Fauna Beheereenheid (FBE's) worden uitgeloofd

Nog sterker, er zou bij de jachtcursus veel meer aandacht besteed moeten worden aan wildschade bestrijding, waarbij boeren met veel ervaring, zoals Wilbert aan het woord zouden moeten komen. De vele mogelijkheden ter bestrijding zouden mijns inziens in een van de lessen uitvoerig aan bod moeten komen, ook al is dat in principe het werk van de boer. De zo opgeleide jagers zouden dan behulpzamer als voorheen kunnen en moeten zijn en de boer met raad en daad bijstaan, zeker als hij als jager weinig tijd heeft om zelf de schade met het geweer te bestrijden.

Schade door vossen heb ik nog niet genoemd, maar op dit moment is het zo dat de vossen, over het plastic lopend dat de aardbeien bedekt, met hun scherpe nagels gaatjes in de folie maken,waaruit dan onkruid groeit. Vossen eten in het voorjaar als ze jongen hebben ook de eerste rijpe aardbeien, maar die schade valt wel mee volgens Wilbert. Toine heeft hier veel vossen geschoten, vooral tijdens het maaien van het graan en dan soms wel eens vijf of zes in een keer. Wilbert heeft wel eens tegen Toine's zin met een strik een vos voor een nieuwgebouwde burcht proberen te vangen, met als resultaat een vossenstaart zonder vos eraan. Pas later schoot de jonge Portz met enige verbazing, de staartloze vos, bij het maaien van het graan. Een duidelijk geval van dierenmishandeling uit nood geboren.

Bij May van der Toeere op het marktplein van Eygelshoven gingen we wat eten. Ik logeerde meer dan eens in zijn cafe pension als ik vanuit Indonesië op vakantie kwam naar Nederland en Toine en zijn vrienden in Limburg bezocht. Het weerzien was emotioneel en gezellig. Bij Toine haalden we de diepgevroren porties van een half wild zwijn op en vanaf zijn huis reden we richting noorden naar Heinsberg, de dichtsbijzijnde Kreisverwaltung, om onze Duitse jachtaktes op te halen. Daar namen we afscheid van Toine en begon de terugrit met de Opel Corsa, een oud beestje zoals even later bleek, op autoweg nummer 61 richting de Nederlandse grens bij Venlo.

Bij Mönchengladbach begon de auto te horten en te stoten, niet alleen meer van de verschrikkelijk harde wind. We reden van de autoweg af om nog net een tankstation bij een winkelcentrum te halen. De ANWB wilde niet helpen omdat Servaas geen buitenlandverzekering had. Ze verbonden ons met de Duitse Wegenwacht. Die wilde wel komen maar dat zou nu bij dit hondenweer - want het waaide en regende verschrikkelijk - tijdens het vrijdagavondspitsuur, wel een uur duren. Omdat de auto het toch weer ging doen, om onverklaarbare redenen, reden we weg van die plek, om enkele kilometers verderop langs de snelweg weer tot stilstand te komen, gelukkig vlakbij een praatpaal.

Daar op een gevaarlijke plek langs de volle autobaan met ontzettend veel vrachtverkeer, terwijl het donker begon te worden, werden we binnen het half uur geholpen en kreeg ik een oplaadapparaat op mijn schoot, verbonden met de accu, zodat we stroom hadden en door konden rijden tot een afslag waar we onder een brug minder gevaarlijk zouden kunnen parkeren. De generator, de dynamo, was niet in orde  en de accu leeg. De wegenwachter zou ons eerst nog even verlaten voor een andere klant en daarna terugkomen om ons te begeleiden naar de Nederlandse grens. Omdat de spanning vrij hoog bleef na het korte stukje van twintig kilometer naar de grens zou het wellicht mogelijk zijn om Leusden en Amsterdam te bereiken, maar een garantie gaf de Duitse mecanicien ons niet. Ik gaf hem dertig euro voor de moeite. Een behulpzame vriendelijke Duitser was het.

Toen begon het te sneeuwen. De regen ging over in natte sneeuw. De wind bleef stormachtig. Ten noorden van Venlo op weg naar Nijmegen begon het harder te sneeuwen. Het werd een regelrechte blizzard zoals ik mijn leven lang nog niet had meegemaakt. Er was niet veel verkeer op de wegen naar het noorden, hetgeen ons verbaasde omdat we via Vincent en vrienden van Servaas al hadden gehoord dat er 1000, later 800, nog later 600 kilometer file stond in Nederland. We twijfelden eraan door te rijden en stonden verschillende keren op het punt, bijvoorbeeld bij Cuyk, om een hotelletje op te zoeken. Servaas reed hoog in de derde versnelling omdat we het idee hadden dat dit het beste was om de spanning in de motor te houden. Niemand reed meer harder dan 70 tot 80 kilometer per uur. Hier en daar reden al strooiwagens met hun gele knipperlichten. Het leek futiel bij zoveel sneeuw.

Maar we reden door ondanks de aankondiging dat de A50 tussen Nijmegen en Arnhem afgesloten was, althans geblokkeerd door een file van niet minder dan 18 kilometer, hetgeen ook op een verkeersbord werd aangegeven bij de oversteek van de Waal, na kruispunt Ewijk. Maar de weg bleef leeg tot onze opperste verbazing, totdat we na de afslag Wageningen (die we achteraf hadden moeten nemen om eerder thuis te zijn) toch in een file terechtkwamen, niet ver van de A12 ten westen van Arnhem. Hier lag ijs onder de sneeuw in de autosporen en het was er glad. Het oponthoud duurde gelukkig maar twintig minuten want van zuid komend stond er geen file in de richting van Utrecht. In tegengestelde richting wel, op de A12 tot bijna bij Maarsbergen, waar we eraf gingen naar Leusden. Het laatste stuk was zonder sneeuw op de rijweg, het regende, maar nog steeds met veel wind.

De hele rit heb ik schietgebedjes opgezegd dat die verdomde dynamo het maar zou uithouden. Servaas liet bij aankomst in Leusden de motor draaien om niet te hoeven starten. Om de achterklep open te maken had hij gelukkig en reserve sleutel in zijn zak. Ook hij is thuisgekomen in Amsterdam zonder verder oponthoud, omdat de A1 in westelijke richting geen file problemen kende. Alleen in oostelijke richting was het een ramp. De volle omvang van de ramp begrepen we pas de volgende morgen bij het Nieuws op TV.

Vooral rondom Apeldoorn konden vrachtwagens op zomerbanden geen heuveltje meer op en bleven simpelweg steken. Dit kwam door het ijs onder het sneeuwdek, het was te glad geworden. Door de enorme sneeuwval waren bovenleidingen van het Spoor gebroken en waren er grote problemen ook met het treinverkeer vooral bij knooppunt Utrecht, niet alleen in het autoverkeer dus. Hier en daar waren ook hoogspanningskabels door de sneeuwlast gebroken en viel de elektriciteit uit, zoals in Haaksbergen bij Arnhem, waar het drie dagen duurde en met noodaggregaten gewerkt moest worden.

Dat was op vrijdag, terwijl op zaterdag diezelfde depressie vooral in het Duitse Munsterland huishield en daar voor zo mogelijk nog meer overlast zorgde. Iets ten noorden van het Duitse grensgebied grenzend aan Limburg, waar wij vandaan kwamen de dag tevoren. Als ik ooit meerdere keren geluk bij een ongeluk heb gehad, dan was het nu wel. Een memorabele jachttrip, goed voor drie dagen schrijfwerk, want het is inmiddels maandag tegen het middaguur.

Met vriendelijke groeten van Jo, de jachtexpeditielei(ij)der

Goedemorgen Jo,

Jullie hebben wel een avontuur beleefd vrijdag! Wat een verhaal. Gelukkig zijn jullie niet bevroren langs de snelweg.

Ik wil je even bedanken voor het heerlijke wild zwijn vlees. We hebben gisteren een stuk rug filet klaargemaakt. Lekker met een mosterdsaus, gekarameliseerde uien, aardappelpuree en rode kool. Helemaal traditioneel en erg lekker.

groetjes,
Paula Bohlan

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz