Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

19 oktober 2005
 
Een Schotse John Macnab
 
Beste Peter,
 
Dit verhaal komt honderd jaar te laat. Ik heb er lang over nagedacht, jarenlang. Dat ik het nu eindelijk schrijf komt mede door een TV stuk dat Villa Felderhof heet waarin Midas Dekker - de excentrieke bioloog aan het Nederlandse amusementsfirmament - sprak met Rik Felderhof in zijn mooie villa aan de Middellandse zeekust. Dat programma is interessant als er interessante mensen zijn en Midas Dekker is wel gek maar zeer interessant.
 
Dekker met zijn ongebruikelijke voornaam is in cafés opgegroeid en hij vindt dat dat zijn opvoeding gunstig heeft beïnvloed. Zo gunstig dat hij aanstaande paren aanraadt eerst een café te kopen alvorens met kinderen te beginnen. De verkoop van zijn ouderlijk café door zijn familie betreurt hij ten zeerste en zijn laatste droom is om een nieuw café te kopen. Niet omdat hij dat nodig zou hebben voor zijn levensonderhoud, maar om er te genieten. Samen met oudere mensen die alleen praten over het thema hoe mooi het vroeger was. Een doelcafe voor ouderen, bijvoorbeeld zoals ondergetekende. En dat nu was uit mijn hart gegrepen. Dat was de drempel die ik nodig had om dit gekke verhaal te schrijven.
 
Een tweede argument voor dit verhaal is dat nog niet zo lang geleden aan een schitterende jachttraditie in Nederland een eind kwam toen Minister Gabor - nog voor de faunawet tot stand kwam onder de Paarse van Aartsen in negentienzevenennegentig - de houtsnip uit de jachtwet haalde. Een eerste knievalletje aan het gifgroenlinkse gespuis dat toen in opkomst was in het begin van de negentiger jaren. Een zinloze knieval hetgeen mag blijken uit het feit dat in al onze omringende landen de jacht op de houtsnip nog steeds is toegestaan. Die vogel trekt in de winter door van pakweg Rusland naar Engeland en tijdens die trek verblijft het dier in onze bossen. Er zijn er zat van en ze zijn niet uit te roeien al zou je het willen. De moeilijkste vogel om te schieten.
 
En daaraan was verbonden een Oorkonde, een speldje als ik het goed heb en een fles Bols van dezelfde firma - de Erven Bols - bij het schieten van een doublet houtsnippen. Een jager die dat had gepresteerd was voor ons Een Ster in het Veld waar vele extra borrels op gedronken werden na de drijfjachten in het najaar en de winter. Overigens werd van een geschoten houtsnip zo wie zo een bepaald veertje van de vleugel in de jagershoed gestoken als trotse bewijs dat de drager een goede schutter is met het hagelgeweer. Zelf heb ik af en toe een houtsnip geschoten, nooit erg veel, maar wel een keer een doublet van een houtsnip met een haas. Een hoogtepunt,onvergetelijk en scherp in het brein gegrift.
 
Slechts een verdediging is nog mogelijk, de aanval, te weten het starten van een nieuwe traditie van en voor de jacht in Nederland. En dat natuurlijk naar het voorbeeld uit Schotland - dat een John Macnab - wordt genoemd. Het te bereiken ideaal van de echte field sportsman. Een ideaal dat ikzelf probeerde te verwezenlijken maar dat slechts gedeeltelijk slaagde.
 
Jou had ik al gevraagd om wat essentiële gegevens over de zogenaamde John Macnab bijelkaar te googelen en dat heb je enige tijd geleden met groot succes gedaan. Ik heb die boodschappen weer opgezocht en zal ze gebruiken om mijn verhaal in te luiden.
 
Best wel een schitterende belevenis destijds eind negentiger jaren in Schotland met Peter Kenemans en Engelse vrienden van hem. Die vrienden hadden me verteld over het fenomeen Macnab en het liet me niet meer los.
 
We reisden naar Schotland toe in mijn groene fourwheel Mercedes 240, die tot de nok toe vol geladen was, tot en met het dak met grote oude koffers van Peter er op. Peter reist nooit licht en sleept vele traditionele hengelspullen en kleren mee, zeker naar Groot Brittannië, de bakermat van het vliegvissen. Meestal naar het zuiden van midden Engeland rond de beroemde forellenrivieren, de Itchen en de Test, maar nu met de veerboot van Rotterdam naar Newcastle upon Tyne, een heel end op streek naar Schotland waar we een week zouden doorbrengen bij de River Broom in het midwesten langs de bergachtige kust van Schotland met veel grote meren. Behoorlijk noordwaarts dus.
 
Ik citeer nu eerst uit Scottish Field van september 2004:
 


The challenge of many a huntsman
The expression ‘John Macnab’ is well known in the world of Scottish field sports especially at this time of the year.
It is used when someone manages in one day to kill a red deer stag, catch a salmon and shoot a brace of grouse – although wild goats and trout and other ‘achievements’ of a less notable nature are often substituted.
However exciting these may be for today’s participants they are a pale imitation of the original plot first enacted in Inverness-shire more than a century ago which became the source of the best known of all Highland deer stalking and salmon fishing novels.
It all began at a dinner held in Inverness in the summer of 1897 by the officers of the Militia Battalion of The Queen’s Own Cameron Highlanders when one of the company, Lt James Brander-Dunbar of Pitgaveny, near Elgin, announced, somewhat provocatively, that as he had not been invited to stalk anywhere that year he would be reduced to poaching and laid a £20 bet that he could kill a stag undetected on any forest in Scotland. A fellow officer, Captain James, 4th Lord Abinger, owner of the 80,000 acre Inverlochy Castle Estate near Fort William, immediately took up the challenge.
James Brander-Dunbar was no ordinary mortal. Born in 1875 he became a legend in his own long lifetime (he died in 1969 aged 94) as a traveller, soldier, forester, sportsman and laird and, of particular relevance to the tale of ‘John Macnab’, an inveterate deer poacher. For his foray into Lochaber he enlisted the help of Col William MacDonald, another brother officer whose family owned the famous ‘Dew of Ben Nevis’ whisky distillery but, more important, lived at Keppoch House near Spean Bridge on the very boundary of Lord Abinger’s estate.
Brander-Dunbar’s escapade almost failed before it began when Lady Middleton, wife
SEE OCTOBER EDITION OF SCOTTISH FIELD TO READ FULL STORY



en een verhaal van ene Dirck Steijnberg uit Zuid Afrika:

Setting out to achieve a Macnab
Since 1925 the Macnab has evolved into what it is today. How this transformation took place, and at what point birds became included, is unclear to me, and despite some research I am none the wiser.
My son Fred and I had often wondered whether it was possible to achieve a Macnab in the area around the Rhodes. We finally decided to try to do it ourselves. To succeed, a hunter needs to be fit, able to shoot a rifle fast and far, be an experienced wing shooter, and be familiar with the art of fly-fishing. The problem in our area is the distance between fish, fur and feather. Although there are plenty of rivers, the wild trout angling season was closed for spawning and we would have to travel quite far to a dam to catch our trout – dams are open throughout the year. As a race against time – to achieve our goal at all costs – would not be in the true spirit of hunting, we promised ourselves that we would enjoy the day and not be driven to achieve a Macnab by shortcuts. Such a challenge must never tempt one to use unethical methods, or it would defeat the whole purpose of the exercise.
We would start with the most difficult part – the Vaal Rhebuck. Their population has increased considerably over the last five to ten years, mainly due to a reduction in the number of marauding dogs in the area, but these are extremely shy and wild buck – Lady Luck must be on your side. Shooting a brace of birds – Greywing partridge, in our case – would not be a problem, as they are abundant and we have a good hunting dog. If these two stages went according to plan, we would rush off to a beautiful dam about 30km away to catch a trout before dark.
It was early July and the temperature was -10°C. We dressed warmly and set out at 6.30am – it was still dark. There were four of us: Fred’s six year old son, Dirkie, and Bles, our handyman, were both just as enthusiastic as we were. It was Dirkie’s first real hunting expedition. Shortly after first light we saw some partridges and stopped to count them – only four. In the beginning of the season coveys number between eight and twenty birds, and hunters try to leave no fewer than six birds to a covey. A few minutes later we saw a covey of six; still too few to shoot. Birds found next to the road are normally under pressure from poachers, we wished them luck and left them. About 40 minutes from home we started getting too close to our Rhebuck habitat to risk shooting at partridges, so our eyes scanned the countryside for the day’s furred quarry. We were prepared for a very long walk…



Een Zuid-Afrikaanse jager met Engelse traditie maar met een duidelijk Nederlandse naam, Dirck Steijnberg. Die een jachttraditie uit Schotland wilde starten in Zuid Afrika. In hoeverre dat gelukt is, in hoeverre die traditie wortel heeft geschoten in het Zuid-Afrikaanse, moeten we natuurlijk nog verder uitzoeken met de Google Zoekmachine, dus er is nog werk aan de winkel voor je, beste Peter.


Maar nu eerst mijn eigen belevenis, mijn eigen poging om een John Macnab te verwerven. Iets waarvan ik denk dat het nooit door een Nederlandse jager is geprobeerd, laat staan dat het gelukt is. En als dat wel zo is dan zeg ik tegen die man Driemaal Waidmansheil, ook al is dat Duits. Mij is het net niet gelukt en dus zal ik helaas niet als Levende Jagers Legende door de toekomst gaan, de toekomst van de Jacht in Nederland en met name de Koninklijke, waar Zweitse Lulof me zo op mijn kop zit als ik weer eens een jachtontboezeming heb gepleegd in veel te veel woorden met veel te veel uitweiding (uitwijden met lange ij bestaat ook volgens De Dikke van Dale, die gisteren binnenkwam, maar dan gaat het bijvoorbeeld om het uitwijden van een trui, terwijl uitweiden slaat op een thema dat buiten het hoofdthema van een verhaal gaat).


Het was in de laatste week van augustus. De heidevelden van de moors stonden dieppaars in de bloei. Het land van de red grouse daar langs de oostkust van midden Engeland omhoog naar de Scottish borders. Een ruigpoothoender uniek voor de Britse eilanden en afwezig op het Europese vasteland. Het symbool van de Engelse jagers, de earls, de baronets, de Dukes, de Princes en de Kings. Met de twaalfde augustus als The Glorious Twelfth als al die adel terugkomt vanuit het Grote Britse Wereldrijk voor de belangrijkste shoot van het seizoen in de moors van midden Engeland tot ver in Schotland. Gespecialiseerde drijfjachten met kuilen in de heuvelhang omringd met platte leistenen, ter dekking voor de blitssnelle opgedreven vogels. Zo snel dat een loader naast de jager snel een tweede geweer moet herladen en overgeven. Hagelgeweren van Purdue van tienduizenden ponden per stuk, gegraveerd in goud met beelden van de vliegensvlugge grouse, vrij vertaald de rode ruigpoothoender. Engeland op zijn traditioneelst, vergelijkbaar met de vossenjacht met behulp van jachthonden.
Het is en gaat voorbij mijn goede vriend, zelfs voor Prince Charles en zijn zonen William en Harry, die het moeten stellen met minder sophisticated jachtgenot rond Balmoral. Pak hem beet, drijfjachten op fazanten en hazen, zoals in Nederland.

De River Broom had weinig water en weinig zalmen. Die trekken de rivieren op na regenval en die was er nauwelijks geweest. Nu viel er een druilerige Schotse regen die nauwelijks onderdoet voor een druilerige Nederlandse regen, behalve dat hij nog net iets natter en kouder is. De dag na aankomst reden we vroeg in de ochtend het erf op van de ghillie, de jachtopziener van het gebied waar we een hert gereserveerd hadden. Een schotse tweed pet naar voren en achter met een punt, Sherlock Holmesachtig, een tweed pak van goede snit met knickerbockers en lange wollen sokken, stevige leren schoenen en ja hoor, een korte kromme pijp. Een jonge vent nog, die wat helpers had opgetrommeld om mij naar de bergen te brengen over een groot meer met een stevige boot. We zouden proberen voor enen terug te zijn met een stag. In de middag zouden we dan pogen een doublet grouse te schieten, waarna er nog voldoende tijd moest zijn om in de late middag en de avond met de vlieg op zalm te vissen in de Broom. Het tableau moest in een dag compleet zijn voor mijn John Macnab.
En die Schotse jachtopzichter uit de High Lands vond het een eer om daarbij te helpen en deze Lowlander op gang te brengen. Gelukkig noemde hij me niet Dutchie, dus mijn uiterlijk viel niet helemaal uit de toon. En mijn Winchester 30.06 met Zeiss variomatkijker van 3-12 al helemaal niet. De boottocht was pakweg drie kwartier naar de hoge bergen toe. Met zijn vieren en speurend langs de bergkammen met evenzoveel verrekijkers. De ghillie had zelfs zo'n oude eenogige scheepsverrekijker om de dieren nog beter te kunnen bekijken, met name de geweidragers. Een groep van enkele tientallen herten op pakweg een kilometer afstand hoog in de het meer omringende bergen werd uitgekozen en de boot gestopt en aan de oever vastgelegd.

herten Schotland
De grote klim kon beginnen. Een crime gezien de onregelmatige veenbodem met hoge pollen en daartussen diepe geulen. Een regelrechte ramp voor een plattelander, maar ik was fysiek sterk en de passie was nog sterker. Met omwegen bereikten we de groep ongezien tot op ca. tweehonderd meter. Daarna werd het tijgersluipgang, waarbij mijn geweer door een van de helpers werd gedragen. Vlak achter me. Na een ideale positie te hebben bereikt om aan te leggen gaf de ghillie zijn sein en schoot ik op 180 meter een hert met een matig gewei morsdood op het blad. Ze keken me aan die Schotten, ze feliciteerden me en ik zag respect in hun ogen. Feilloos geschoten en getroffen.
Maar nu werd het fysiek pas echt spannend want het dier woog als ik het goed heb dertien stone, naar ik meen zo'n tachtig kilo. Maar hier vergis ik me waarschijnlijk. Hoe dan ook het moest naar de boot gesleept worden, weliswaar naar beneden maar toch over zeer geaccidenteerd terrein en hier en daar door kleine meertjes. En ik was zo goed niet of ik moest meeslepen. Om de beurt beste Peter. Alleen mocht ik door de meertjes waarin het dier minder woog door het water. Met een stok en een touw kunstig om nek en gewei geknoopt. In de boot werd het dier met de kop omhoog in de boeg gelegd en op de terugweg voelde ik me een Viking.

Terug op de afgesproken tijd voegden Peter en enkele Engelse vrienden, waarvan een met hondjes die grouse opjagen, zich bij mij en de Schotse helpers en begon het drijven op linie door een moor op de hoogte van het meer. Net zo moeilijk begaanbaar als dat hoge moor in de bergen, alleen vlakker en minder geaccidenteerd. Urenlang geen enkele vogel te zien, totdat een van de hondjes voorstond en ik een sein van links kreeg me klaar te maken voor een schot met het hagelgeweer, mijn geliefde Winchester over-and-under, gauge twaalf, met heuse Engelse kolf en met Winchester high speed patronen nummer zes.

 

 

Twee vlogen er laag op vanaf links voor langs de linie maar met een lichte verhoging voor ons. Daarin weer een lagere kom waar de vogels achter vandaan moesten komen. Ik schoot op het moment dat de voorste vogel verscheen en kon geen tweede schot plaatsen omdat het te snel ging. De tweede vogel was getroffen en werd door een van de honden voorgebracht en gepresenteerd aan zijn baas. Een doublet was het niet geworden, maar wel een van de meest memorabele schoten met het hagelgeweer van mijn gehele jachtcarrière. Een meester-schot zo mooi dat die Schotten me opnieuw met veel respect aankeken. Hetgeen natuurlijk mijnerzijds beloond werd met exorbitante fooien in Engelse ponden. Want ook dat is traditie. Het was mijn enige red grouse ooit.

flyfisherman Jo

Peter had de morgen al met de vlieg op zalm gevist op de lage rivier. Geen stootje, geen ene rise naar de vlieg, nat en droog. Hopeloos zei hij. Maar mijn plicht riep en ik heb gezwaaid met mijn Bruce en Walker (nog beter dan de Hardy's) alsof mijn leven ervan af hang. Zonder resultaat, maar wel gelukkig nog de vangst van een redelijke zalm door Peter Kenemans. De Macnab was officieel niet gehaald, maar moreel verdiend. Ik kon me een echte field sportsman noemen vanaf toen.


In de Dikke van Dale staat onder veldsport: op een terrein in de openlucht beoefende sport zoals voetbal. Is er geen naam te verzinnen voor de sport van iemand als ondergetekende die in het vrije veld, in bos en op water, in de natuur zijn jacht en vissport beoefent en paddenstoelen zoekt? Help eens met het zoeken van een nieuw woord voor een gekke bioloog die geniet en oogst in de natuur. De Britten hebben wel zo'n woord.
 

Scotland in the highlands majestic but miserable and wet
For a John Macnab the stage was set
A ghilley, a boat, a rifle with scope, a rope and a stag
A promising first part of the days' bag
 
A covey of grouse, but a single not a brace
Of salmon in the river no trace
Left me without the field sportsman's ultimate trophy
But an exquisite day forever and todays’ story

 
Jo Hilgers

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz