|
19 oktober 2005
Een
Schotse John Macnab
Beste Peter,
Dit verhaal komt honderd jaar te laat. Ik heb er lang over
nagedacht, jarenlang. Dat ik het nu eindelijk schrijf komt
mede door een TV stuk dat Villa Felderhof heet waarin Midas
Dekker - de excentrieke bioloog aan het
Nederlandse amusementsfirmament - sprak met Rik Felderhof in
zijn mooie villa aan de Middellandse zeekust. Dat programma
is interessant als er interessante mensen zijn en Midas
Dekker is wel gek maar zeer interessant.
Dekker met zijn ongebruikelijke voornaam is in cafés
opgegroeid en hij vindt dat dat zijn opvoeding gunstig heeft
beïnvloed. Zo gunstig dat hij aanstaande paren aanraadt
eerst een café te kopen alvorens met kinderen te beginnen.
De verkoop van zijn ouderlijk café door zijn familie
betreurt hij ten zeerste en zijn laatste droom is om een
nieuw café te kopen. Niet omdat hij dat nodig zou hebben
voor zijn levensonderhoud, maar om er te genieten. Samen met
oudere mensen die alleen praten over het thema hoe mooi het
vroeger was. Een doelcafe voor ouderen, bijvoorbeeld zoals
ondergetekende. En dat nu was uit mijn hart gegrepen. Dat
was de drempel die ik nodig had om dit gekke verhaal te
schrijven.
Een tweede argument voor dit verhaal is dat nog niet zo lang
geleden aan een schitterende jachttraditie in Nederland een
eind kwam toen Minister Gabor - nog voor de faunawet tot
stand kwam onder de Paarse van Aartsen in
negentienzevenennegentig - de houtsnip uit de jachtwet
haalde. Een eerste knievalletje aan het gifgroenlinkse
gespuis dat toen in opkomst was in het begin van de
negentiger jaren. Een zinloze knieval hetgeen mag blijken
uit het feit dat in al onze omringende landen de jacht op de
houtsnip nog steeds is toegestaan. Die vogel trekt in de
winter door van pakweg Rusland naar Engeland en tijdens die
trek verblijft het dier in onze bossen. Er zijn er zat van
en ze zijn niet uit te roeien al zou je het willen. De
moeilijkste vogel om te schieten.
En daaraan was verbonden een Oorkonde, een speldje als ik
het goed heb en een fles Bols van dezelfde firma - de Erven
Bols - bij het schieten van een doublet houtsnippen. Een
jager die dat had gepresteerd was voor ons Een Ster in het
Veld waar vele extra borrels op gedronken werden na de
drijfjachten in het najaar en de winter. Overigens werd van
een geschoten houtsnip zo wie zo een bepaald veertje van de
vleugel in de jagershoed gestoken als trotse bewijs dat de
drager een goede schutter is met het hagelgeweer. Zelf heb
ik af en toe een houtsnip geschoten, nooit erg veel, maar
wel een keer een doublet van een houtsnip met een haas. Een
hoogtepunt,onvergetelijk en scherp in het brein gegrift.
Slechts een verdediging is nog mogelijk, de aanval, te weten
het starten van een nieuwe traditie van en voor de jacht in
Nederland. En dat natuurlijk naar het voorbeeld uit
Schotland - dat een John Macnab - wordt genoemd. Het te
bereiken ideaal van de echte field sportsman. Een ideaal dat
ikzelf probeerde te verwezenlijken maar dat slechts
gedeeltelijk slaagde.
Jou had ik al gevraagd om wat essentiële gegevens over de
zogenaamde John Macnab bijelkaar te googelen en dat heb je
enige tijd geleden met groot succes gedaan. Ik heb die
boodschappen weer opgezocht en zal ze gebruiken om mijn
verhaal in te luiden.
Best wel een schitterende belevenis destijds eind negentiger
jaren in Schotland met Peter Kenemans en Engelse vrienden
van hem. Die vrienden hadden me verteld over het fenomeen
Macnab en het liet me niet meer los.
We reisden naar Schotland toe in mijn groene fourwheel
Mercedes 240, die tot de nok toe vol geladen was, tot en met
het dak met grote oude koffers van Peter er op. Peter reist
nooit licht en sleept vele traditionele hengelspullen en
kleren mee, zeker naar Groot Brittannië, de bakermat van het
vliegvissen. Meestal naar het zuiden van midden Engeland
rond de beroemde forellenrivieren, de Itchen en de Test,
maar nu met de veerboot van Rotterdam naar Newcastle upon
Tyne, een heel end op streek naar Schotland waar we een week
zouden doorbrengen bij de River Broom in het midwesten langs
de bergachtige kust van Schotland met veel grote meren.
Behoorlijk noordwaarts dus.
Ik citeer nu eerst uit Scottish Field van september 2004:
The challenge of many a
huntsman
The expression ‘John Macnab’ is well known in the world of
Scottish field sports especially at this time of the year.
It is used when someone manages in one day to kill a red
deer stag, catch a salmon and shoot a brace of grouse –
although wild goats and trout and other ‘achievements’ of a
less notable nature are often substituted.
However exciting these may be for today’s participants they
are a pale imitation of the original plot first enacted in
Inverness-shire more than a century ago which became the
source of the best known of all Highland deer stalking and
salmon fishing novels.
It all began at a dinner held in Inverness in the summer of
1897 by the officers of the Militia Battalion of The Queen’s
Own Cameron Highlanders when one of the company, Lt James
Brander-Dunbar of Pitgaveny, near Elgin, announced, somewhat
provocatively, that as he had not been invited to stalk
anywhere that year he would be reduced to poaching and laid
a £20 bet that he could kill a stag undetected on any forest
in Scotland. A fellow officer, Captain James, 4th Lord
Abinger, owner of the 80,000 acre Inverlochy Castle Estate
near Fort William, immediately took up the challenge.
James Brander-Dunbar was no ordinary mortal. Born in 1875 he
became a legend in his own long lifetime (he died in 1969
aged 94) as a traveller, soldier, forester, sportsman and
laird and, of particular relevance to the tale of ‘John
Macnab’, an inveterate deer poacher. For his foray into
Lochaber he enlisted the help of Col William MacDonald,
another brother officer whose family owned the famous ‘Dew
of Ben Nevis’ whisky distillery but, more important, lived
at Keppoch House near Spean Bridge on the very boundary of
Lord Abinger’s estate.
Brander-Dunbar’s escapade almost failed before it began when
Lady Middleton, wife
SEE OCTOBER EDITION OF SCOTTISH FIELD TO READ FULL STORY
en een verhaal van ene Dirck Steijnberg uit Zuid Afrika:
Setting out to achieve a
Macnab
Since 1925 the Macnab has evolved into what it is today. How
this transformation took place, and at what point birds
became included, is unclear to me, and despite some research
I am none the wiser.
My son Fred and I had often wondered whether it was possible
to achieve a Macnab in the area around the Rhodes. We
finally decided to try to do it ourselves. To succeed, a
hunter needs to be fit, able to shoot a rifle fast and far,
be an experienced wing shooter, and be familiar with the art
of fly-fishing. The problem in our area is the distance
between fish, fur and feather. Although there are plenty of
rivers, the wild trout angling season was closed for
spawning and we would have to travel quite far to a dam to
catch our trout – dams are open throughout the year. As a
race against time – to achieve our goal at all costs – would
not be in the true spirit of hunting, we promised ourselves
that we would enjoy the day and not be driven to achieve a
Macnab by shortcuts. Such a challenge must never tempt one
to use unethical methods, or it would defeat the whole
purpose of the exercise.
We would start with the most difficult part – the Vaal
Rhebuck. Their population has increased considerably over
the last five to ten years, mainly due to a reduction in the
number of marauding dogs in the area, but these are
extremely shy and wild buck – Lady Luck must be on your side.
Shooting a brace of birds – Greywing partridge, in our case
– would not be a problem, as they are abundant and we have a
good hunting dog. If these two stages went according to
plan, we would rush off to a beautiful dam about 30km away
to catch a trout before dark.
It was early July and the temperature was -10°C. We dressed
warmly and set out at 6.30am – it was still dark. There were
four of us: Fred’s six year old son, Dirkie, and Bles, our
handyman, were both just as enthusiastic as we were. It was
Dirkie’s first real hunting expedition. Shortly after first
light we saw some partridges and stopped to count them –
only four. In the beginning of the season coveys number
between eight and twenty birds, and hunters try to leave no
fewer than six birds to a covey. A few minutes later we saw
a covey of six; still too few to shoot. Birds found next to
the road are normally under pressure from poachers, we
wished them luck and left them. About 40 minutes from home
we started getting too close to our Rhebuck habitat to risk
shooting at partridges, so our eyes scanned the countryside
for the day’s furred quarry. We were prepared for a very
long walk…
Een Zuid-Afrikaanse jager met Engelse traditie maar met een
duidelijk Nederlandse naam, Dirck Steijnberg. Die een
jachttraditie uit Schotland wilde starten in Zuid Afrika. In
hoeverre dat gelukt is, in hoeverre die traditie wortel
heeft geschoten in het Zuid-Afrikaanse, moeten we natuurlijk
nog verder uitzoeken met de Google Zoekmachine, dus er is
nog werk aan de winkel voor je, beste Peter.
Maar nu eerst mijn eigen belevenis, mijn eigen poging om een
John Macnab te verwerven. Iets waarvan ik denk dat
het nooit door een Nederlandse jager is geprobeerd, laat
staan dat het gelukt is. En als dat wel zo is dan zeg ik
tegen die man Driemaal Waidmansheil, ook al is dat Duits.
Mij is het net niet gelukt en dus zal ik helaas niet als
Levende Jagers Legende door de toekomst gaan, de toekomst
van de Jacht in Nederland en met name de Koninklijke, waar
Zweitse Lulof me zo op mijn kop zit als ik weer eens een
jachtontboezeming heb gepleegd in veel te veel woorden met
veel te veel uitweiding (uitwijden met lange ij bestaat ook
volgens De Dikke van Dale, die gisteren binnenkwam, maar dan
gaat het bijvoorbeeld om het uitwijden van een trui, terwijl
uitweiden slaat op een thema dat buiten het hoofdthema van
een verhaal gaat).
Het was in de laatste week van augustus. De heidevelden van
de moors stonden dieppaars in de bloei. Het land van de red
grouse daar langs de oostkust van midden Engeland omhoog
naar de Scottish borders. Een ruigpoothoender uniek voor de
Britse eilanden en afwezig op het Europese vasteland. Het
symbool van de Engelse jagers, de earls, de baronets, de
Dukes, de Princes en de Kings. Met de twaalfde augustus als
The Glorious Twelfth als al die adel terugkomt vanuit het
Grote Britse Wereldrijk voor de belangrijkste shoot van het
seizoen in de moors van midden Engeland tot ver in
Schotland. Gespecialiseerde drijfjachten met kuilen in de
heuvelhang omringd met platte leistenen, ter dekking voor de
blitssnelle opgedreven vogels. Zo snel dat een loader naast
de jager snel een tweede geweer moet herladen en overgeven.
Hagelgeweren van Purdue van tienduizenden ponden per stuk,
gegraveerd in goud met beelden van de vliegensvlugge grouse,
vrij vertaald de rode ruigpoothoender. Engeland op zijn
traditioneelst, vergelijkbaar met de vossenjacht met behulp
van jachthonden.
Het is en gaat voorbij mijn goede vriend, zelfs voor Prince
Charles en zijn zonen William en Harry, die het moeten
stellen met minder sophisticated jachtgenot rond Balmoral.
Pak hem beet, drijfjachten op fazanten en hazen, zoals in
Nederland.
De River Broom had weinig water en weinig zalmen. Die
trekken de rivieren op na regenval en die was er nauwelijks
geweest. Nu viel er een druilerige Schotse regen die
nauwelijks onderdoet voor een druilerige Nederlandse regen,
behalve dat hij nog net iets natter en kouder is. De dag na
aankomst reden we vroeg in de ochtend het erf op van de
ghillie, de jachtopziener van het gebied waar we een hert
gereserveerd hadden. Een schotse tweed pet naar voren en
achter met een punt, Sherlock Holmesachtig, een tweed pak
van goede snit met knickerbockers en lange wollen sokken,
stevige leren schoenen en ja hoor, een korte kromme pijp.
Een jonge vent nog, die wat helpers had opgetrommeld om mij
naar de bergen te brengen over een groot meer met een
stevige boot. We zouden proberen voor enen terug te zijn met
een stag. In de middag zouden we dan pogen een doublet
grouse te schieten, waarna er nog voldoende tijd moest zijn
om in de late middag en de avond met de vlieg op zalm te
vissen in de Broom. Het tableau moest in een dag compleet
zijn voor mijn John Macnab.
En die Schotse jachtopzichter uit de High Lands vond het een
eer om daarbij te helpen en deze Lowlander op gang te
brengen. Gelukkig noemde hij me niet Dutchie, dus mijn
uiterlijk viel niet helemaal uit de toon. En mijn Winchester
30.06 met Zeiss variomatkijker van 3-12 al helemaal niet. De
boottocht was pakweg drie kwartier naar de hoge bergen toe.
Met zijn vieren en speurend langs de bergkammen met
evenzoveel verrekijkers. De ghillie had zelfs zo'n oude
eenogige scheepsverrekijker om de dieren nog beter te kunnen
bekijken, met name de geweidragers. Een groep van enkele
tientallen herten op pakweg een kilometer afstand hoog in
de het meer omringende bergen werd uitgekozen en de boot
gestopt en aan de oever vastgelegd.

De grote klim kon beginnen. Een crime gezien de
onregelmatige veenbodem met hoge pollen en daartussen diepe
geulen. Een regelrechte ramp voor een plattelander, maar ik
was fysiek sterk en de passie was nog sterker. Met omwegen
bereikten we de groep ongezien tot op ca. tweehonderd meter.
Daarna werd het tijgersluipgang, waarbij mijn geweer door
een van de helpers werd gedragen. Vlak achter me. Na een
ideale positie te hebben bereikt om aan te leggen gaf de
ghillie zijn sein en schoot ik op 180 meter een hert met een
matig gewei morsdood op het blad. Ze keken me aan die
Schotten, ze feliciteerden me en ik zag respect in hun ogen.
Feilloos geschoten en getroffen.
Maar nu werd het fysiek pas echt spannend want het dier woog
als ik het goed heb dertien stone, naar ik meen zo'n tachtig
kilo. Maar hier vergis ik me waarschijnlijk. Hoe dan ook het
moest naar de boot gesleept worden, weliswaar naar beneden
maar toch over zeer geaccidenteerd terrein en hier en daar
door kleine meertjes. En ik was zo goed niet of ik moest
meeslepen. Om de beurt beste Peter. Alleen mocht ik door de
meertjes waarin het dier minder woog door het water. Met een
stok en een touw kunstig om nek en gewei geknoopt. In de
boot werd het dier met de kop omhoog in de boeg gelegd en op
de terugweg voelde ik me een Viking.
Terug op de afgesproken tijd voegden Peter en enkele
Engelse vrienden, waarvan een met hondjes die grouse
opjagen, zich bij mij en de Schotse helpers en begon het
drijven op linie door een moor op de hoogte van het meer.
Net zo moeilijk begaanbaar als dat hoge moor in de bergen,
alleen vlakker en minder geaccidenteerd. Urenlang geen
enkele vogel te zien, totdat een van de hondjes voorstond en
ik een sein van links kreeg me klaar te maken voor een schot
met het hagelgeweer, mijn geliefde Winchester over-and-under,
gauge twaalf, met heuse Engelse kolf en met Winchester high
speed patronen nummer zes.



Twee vlogen er laag op vanaf links voor langs de linie
maar met een lichte verhoging voor ons. Daarin weer een
lagere kom waar de vogels achter vandaan moesten komen. Ik
schoot op het moment dat de voorste vogel verscheen en kon
geen tweede schot plaatsen omdat het te snel ging. De tweede
vogel was getroffen en werd door een van de honden
voorgebracht en gepresenteerd aan zijn baas. Een doublet was
het niet geworden, maar wel een van de meest memorabele
schoten met het hagelgeweer van mijn gehele jachtcarrière.
Een meester-schot zo mooi dat die Schotten me opnieuw met
veel respect aankeken. Hetgeen natuurlijk mijnerzijds
beloond werd met exorbitante fooien in Engelse ponden. Want
ook dat is traditie. Het was mijn enige red grouse ooit.

Peter had de morgen al met de vlieg op zalm gevist op de
lage rivier. Geen stootje, geen ene rise naar de vlieg, nat
en droog. Hopeloos zei hij. Maar mijn plicht riep en ik heb
gezwaaid met mijn Bruce en Walker (nog beter dan de Hardy's)
alsof mijn leven ervan af hang. Zonder resultaat, maar wel
gelukkig nog de vangst van een redelijke zalm door Peter
Kenemans. De Macnab was officieel niet gehaald, maar moreel
verdiend. Ik kon me een echte field sportsman noemen vanaf
toen.
In de Dikke van Dale staat onder veldsport: op een terrein
in de openlucht beoefende sport zoals voetbal. Is er geen
naam te verzinnen voor de sport van iemand als
ondergetekende die in het vrije veld, in bos en op water, in
de natuur zijn jacht en vissport beoefent en paddenstoelen
zoekt? Help eens met het zoeken van een nieuw woord voor een
gekke bioloog die geniet en oogst in de natuur. De Britten
hebben wel zo'n woord.
|
Scotland in the
highlands majestic but miserable and wet
For a John Macnab the stage was set
A ghilley, a boat, a rifle with scope, a rope and a
stag
A promising first part of the days' bag
A covey of grouse, but a single not a brace
Of salmon in the river no trace
Left me without the field sportsman's ultimate
trophy
But an exquisite day forever and todays’ story
|
Jo Hilgers
|