|
10 februari 2003
Franz Joseph Hilgers Zaliger
Beste Peter,
Hardlopers zijn doodlopers zei mijn Vader Zaliger altijd,
maar ik hoop dat dit nu niet het geval is. Ik hoop dat het
een plezier voor me blijft naar jou te schrijven over de
dingen van alledag en daar af en toe het verleden bij op te
rakelen, een verleden van waaruit dit alles is
voortgekomen..  Franz Joseph Hilgers Zaliger rechtsbuiten was van De
Voetbalclub Herkenbosch en nam altijd de penalty (penantie)
mocht nemen voor zijn club en ook omdat mijn zoons Servaas
Joseph en Vincent Frans jarenlang hebben gevoetbald bij de
Amsterdamse Football Club (AFC) in Amsterdam Zuid, de oudste
in het land dacht ik! Zelf heb ik natuurlijk ook wel gevoetbald, maar nooit in
competitie verband. Ik ben een tennisser en broer Frans een
hockeyer. Intussen hoor ik van Toine Ramakers dat hij mijn oude
verhalen over Orchideeën (die ik niet meer had en die een
onderdeel waren van mijn hoofdvakscriptie Vegetatiekunde,
ja, ja Peter ik ben ook een beetje een botanicus) ooit
gepubliceerd tegen het einde der zestiger jaren in "Het
Natuurhistorisch Maandblad" van Maastricht kan laten
kopiëren, voor niet al te veel geld en ook een aantal
verhalen die van mijn hand verschenen in "De Sportvisser",
ook uit die tijd, toen ik nog biologie student was na mijn
kandidaats in Utrecht en trouwens ook al werkzaam was - in
het kankeronderzoek - op het Antoni van Leeuwenhoekhuis in
Amsterdam
Niet zo gemakkelijk te achterhalen zijn de columns in Het
Limburgs Dagblad uit diezelfde tijd, die mijn vader schreef
voor iedere zaterdagse krant (een halve pagina, samen met de
Limburgse Duivenmelkers die de andere helft hadden) een
aantal jaren vlak voor zijn dood toen hij al longkanker had,
veroorzaakt door dat oneindige gerook van hem, een column
die ik dus overnam na zijn dood en vanuit het Utrechtse
schreef. Ik kreeg er honderd gulden voor per maand, een
vorstelijk salaris voor een student met een studiebeurs van
fl 1200,- per half jaar. Die kranten zouden alleen nog op fiches aanwezig zijn bij de
Gemeente Heerlen en volgens Toine is het een hels karwei om
die weer te kopiëren. We zoeken dus naar een instantie die
die oude kranten nog bewaard heeft van waaruit de artikelen
gekopieerd kunnen worden.
En ach Peter, nu hier weer een nieuwe generatie voor de deur
staat, wat zeg ik al op de stoep ligt, en mijn dochter
Christine Gertrudis - in het voor mij nu zo verre Amstelveen
- ook elke dag kan bevallen van een kleine is het misschien
leuk voor jou - en ook de kinderen en alle Hilgersen - om
iets te vertellen over Franz Joseph. Hij werd geboren in
Herkenbosch in het Jaar des Heren 1910 en hij stierf 60
jaren oud in 1970 in Hoensbroek in zijn eigen huis aan
longkanker, toen het binnenin kapot ging en hij stikte in
zijn eigen bloed dat in een grote stroom uit zijn mond kwam,
terwijl ik zijn hand nog vasthield. Kanker is iets
vreselijks, vooral van en in de longen. De helft van alle
doden aan kanker in de wereld is het gevolg van roken en het
merendeel daarvan is longkanker. Hij had die hele slechte
stickies uit de oorlog nog gerookt.
Als jongen werkte hij in de pannenbakkerijen langs de Maas
bij Tegelen, maar na Gertrudis Maria Smeets uit Posterholt
te hebben getrouwd, trok hij naar Zuid Limburg om te gaan
werken als portier bij de Staatsmijn Maurits. Later werd hij
Chef Portier op de Staatsmijn Emma en vertrokken wij vanuit
Kerensheide naar Hoensbroek naar de Voltalaan. Hij kocht een
stuk grond en bouwde in eigen beheer een huis aan de
Hommerterweg 159, ook in Hoensbroek. Nu nog woont kind
nummer vier, broer Louis, in dat ouderlijk huis, samen met
zijn Marijke en hun dochter Nianthe. Er waren vijf kinderen,
van mij als oudste, Joseph, tot en met Harrie, Frans, Louis
en Marie Jose, waarover later meer, alhoewel ik het al over
Harrie heb gehad.
Vader was een stroper toen hij jong was en gooide hazen dood
met een jeu de boule bal in het leger of sloeg ze dood met
een stuk hout, vooral als de spoorsneeuw lag en met mij nog
als jongetje van zes jaar oud. Ik herinner het me nog als de
dag van vandaag, die eerste keer dat ik achter hem aan
vanuit de bosrand de witte akker in liep waar een haas die
nacht het bos verlaten had, goed te zien aan de verse
prenten in de sneeuw, die nacht gevallen. Op het punt
gekomen waar hij het haas zag liggen - en die keek in onze
richting - gebaarde hij dat ik moest blijven staan, terwijl
hij in een cirkel om het haas begon te lopen, die echter,
stom genoeg natuurlijk, alleen mij in de gaten bleef houden.
Achter het haas gekomen maakte Vader drie, vier snelle grote
stappen en sloeg het beest halfdood in het leger en
vervolgens met een slag achter de oren helemaal dood.
Dat was dus het Kerstmaal van het grote gezin uit het Rijke
Roomse Leven, met een mager inkomen, waarvan Moeder
(Gertrudis, eerst Troutje, toen Trui en later Truus, steeds
"sjieker") zo spaarzaam was.
Maar bovenal was Vader een sportvisser. Ik was de oudste en
zijn lieveling en fietste met hem mee, helemaal vanuit
Hoensbroek naar het Julianakanaal en de Maas waar we visten
op de alver (aubel), grondeling (geuf), voorn (rutsj), meun
(moon), baars, karper, barbeel (berf), sneep (koemoel),
snoek (schnook), paling en andere vissen.

En Vader was een belangrijk man in het plaatselijke
verenigingsleven, vooral de sportvisserij clubjes in de
regio en later de hele provincie. Hij werd uiteindelijk de
belangrijkste man in heel Limburg en zijn grootste wapenfeit
was, dat door zijn toedoen de Droomvijver werd gegraven, een
grote plas water voor hengelaars in het moeras bij Kasteel
Hoensbroek, in de oostelijke mijnstreek waar vrijwel geen
viswater was. Dat was in het begin van de zestiger jaren en
tot voor kort was zijn foto nog te zien in het clubhuis
waarbij hij de eerste spade in de grond stak voor de
graverij. Voor mij is het een bedevaartsoord geworden, die
mooie plas bij dat mooiste moeraskasteel van Nederland.
 

Hij was een bekend man in het Limburgse en bij zijn dood
verscheen er een Memoriam in "De Nederlandse Sportvisser"
van de hand van de hoofdredacteur, dat ik je niet wil
onthouden en hier laat volgen omdat het zijn karakter zo
goed weergeeft.am
Franz Hilgers (De Sportvisser, 1971)
Veel te vroeg (als zestiger) werd de Limburgse pionier Franz
Hilgers van ons weggenomen. Nog onlangs organiseerde hij met
zijn laatste krachten het wereldkampioenschap aan het
Julianakanaal. Hij was een hengelbestuurder met roeping. Al
voor de oorlog schiep hij eenheid aan het door de 40 clubjes
verdeelde Julianakanaal. Hij stond huizenhoog boven de platvoerse en enge dorpspolitiek. Hij dacht al aan
beheerseenheden en federaties, toen de werphengel zijn
zegetocht nog niet begonnen was. Hij wist met veel liefde en
tact voor de sport onverzoenlijke bijeen te brengen. Hij
was de grootste man, die de AHB (Algemene Hengelaarsbond)
ooit in Limburg had. De eenvoud zelf, maar met een geloof in
de goede zaak, die bergen zand verzette om viswater te maken
voor zijn dankbare Broeders in Petrus.
|