Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.
 

22 maart 2004
 
Homo erectus: van Peking naar Solo of

Over Von Koenigswald, mijn hooggeleerde idool in de paleontologie en

Hoe ik mijn geluk deelde onder de Grote Klok bij de Marco Polo Brug



Beste Peter,

Aanvankelijk was het natuurlijk een aparte soort en werd Pithecanthropus erectus genoemd, de rechtopgaande aap, een van onze voorouderlijke aapmensen. En niet alleen de Limburger Eugene Dubois had de overblijfselen ontdekt bij Solo, later in meerdere uitgebreide expedities ook mijn zeer geliefde hoogleraar in Utrecht in de palaeontologie Von Koenigswald. Net als Mulhlbock ook een erudiete Duitser die Nederlandse contreien opzocht voor zijn onderzoek, voor de Grote Oorlog.

Zoals ook de hoogleraar Tausk van Organon, die me leerde een manuscript te schrijven op last van Muhlbock, waarvoor ik wekelijks - toen ik al op het Nederlands Kankerinstituut in Amsterdam werkte - terug moest naar mijn Alma Mater aan de Catherijnesingel, waar ik als student mijn eerste kleine kamertje had gevonden. Ja ja ik heb de Deutsche Grundlichkeit hoog in het vaandel, mein lieber Freund. Het is me met de paplepel ingegeven.

Ik was zo in de ban van die man met zijn echte en nagemaakte schedels dat ik zelfs mee op expeditie ging, een paleontologische expeditie naar het Eoceen bij Parijs, waar in kalkrijke rotsen met veel zeefwerk allerlei kaakjes, tandjes, kiesjes en botjes te voorschijn kwamen van de eerste kleine zoogdieren, die het begonnen te maken, nadat de grote reptielen waren uitgestorven, lang voor er mensen of zelfs aapmensen rondliepen op deze wereldbol.

Dus toen ik goed en wel gesetteld was in Yogyakarta lag een nieuwe expeditie voor de hand, naar Solo waar mijn illustere voorganger, de Limburger Dubois uit Eijsden, einde negentiende eeuw de eerste aapmens in Azië had gevonden, die behoorlijk verwant bleek met onze soort en waar mijn geliefde hoogleraar in de dertiger jaren van de twintigste eeuw was teruggekeerd om die vondsten van Dubois te bevestigen en de rijke vindplaats, ook van grote zoogdieren die zijn uitgeroeid inmiddels door onze soort, dan wel uitgestorven, aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Ik had toen kennis gekregen aan een mooie vrouw uit Banjarnegara en samen met enkele vrienden besloten we in mijn ouwe jachtgroene Toyota Landcruiser, de auto met de meeste stijl in Indonesië die je nog heel veel ziet op de wegen, de tocht naar Solo te maken en beyond naar de groeven van de opgravingen. Er was een klein miserabel Museum zonder veel skeletten en zeker geen van de mens die inmiddels dus Homo erectus is genoemd, een aparte soort, waarmee we dus samen geen kindjes hadden kunnen maken - wij als Homo sapiens - als het inderdaad een aparte soort zou zijn geweest en geen ondersoort, want dan had het wel gekund. Dan had hij Homo sapiens erectus genoemd moeten worden, de in diepe gedachten verkerende rechtoplopende (aap)mens.

Lees trouwens net in de wetenschappelijke literatuur dat er evidentie zou zijn dat wij als Homo sapiens sapiens niet gecharmeerd zouden zijn geweest van Homo sapiens Neanderthalensis toen we hier nog tezamen rondliepen. Jammer toch he dat de Neanderthaler, de Solo mens en de Pekingmens zijn uitgestorven, vind je niet?
Zouden we ze opgesloten hebben in een dierentuin, als ze er nog geweest waren? Of zouden ze apart in een getto hebben mogen wonen? Of zelfs een eigen stukje jungle er op na mogen houden? Intrigerende vragen die helaas niet meer beantwoord kunnen worden want die aapmensen, mensapen en wat al meer, zijn er niet meer. Ze zijn uitgestorven net als al die grote Dinosauriërs, die voor het Eoceen al, nog heel wat langer geleden.

Maar goed ik ging dus naar Solo en had inspiratie voor een gedicht:

Princess of Banjarnegara one day sometime ago
Traveling together from Yogya to Solo
I saw trustworthiness in your eyes
 Looking in your heart I saw no place for lies

You played at the foothills of Dieng in Java as a child
Now strong and rounded is your body and a bit wild
Singing gives you much pleasure and delight
Let us travel more and be my guide


Ik was dus in een goede stemming en zo kwamen we in dat verwaarloosde Museum terecht, zo helemaal verschillend van dat goed onderhouden Museum van Peking Man ten zuidwesten van Peking waar ik vele jaren eerder al was met mijn studenten van Beidahe die ik geleerd had monoclonale antistoffen te maken. Een goed onderhouden plek met tenminste kopieën van alle schedels die Teilhard de Chardin, de Franse jezuïet, daar voor de Tweede Wereldoorlog had opgediept, maar die als originelen verloren zijn geraakt op weg of liever op zee van China naar het Westen.

Van die Teilhard de Chardin - die er na die vondsten behoorlijk op los was gaan filosoferen - las ik trouwens als student in Utrecht alles wat los en vast zat: een katholieke palaeontoloog die menselijke overblijfselen in China had ontdekt, was natuurlijk de Ster van mijn Gedachtenveld in die fase van mijn leven, toen ik nog niet geheel en al los was geraakt van Mariarade en het Rijke Roomse Leven.

Want ik was toen nog behoorlijk katholiek in de zin dat ik er de wijsheid zocht die ik er uiteindelijk niet gevonden heb. Ik was een goede Limburgse Papenzoon, maar ben uiteindelijk behoorlijk van mijn geloof afgevallen, iets dat ik nu pas op durf te schrijven, nu mijn Moeder is overleden. En ze zal zich nog in haar graf omdraaien of een vermanend vingertje opsteken, als ze dit daarboven allemaal ziet gebeuren.

Ja katholieken denken dat ze Hieronder op aarde nauwlettend in de gaten worden gehouden van Bovenaf, vanuit de Hemel waar iedereen netjes op een rijtje rondom God de Vader ziet na te genieten van de goede daden gedaan op deze Aarde. Zo is ons dat met de paplepel ingegeven en dat gaat er nooit meer uit. Dat zit er in gebakken, in de Bovenkamer.

Maar goed, ik was daar nabij Solo, vroeger Surakarta, dus aangekomen en na dat droevige Museum verlaten te hebben, begon een soort trektocht in een enorme groeve met nog delen jungle en ook veel rijstvelden en veel aangeplant geboomte, bananen, mango's en de gebruikelijke  nuttige boomsoorten, daar waar mensen leven in Java.
 
Dorpjes hier en daar, wat boeren en dan de Gidsen die om die paar toeristen knokken en die je stiekem onmiskenbare kiezen van onze Homo erectus laten zien, die in een doekje gewikkeld zijn en er mee worden opgepoetst net als een Oudnederlandse rijksdaalder af en toe ter afwisseling van al dat kiezen en tandenspul. Ik heb er een grote kies van een grote olifantachtige gekocht die ik in Pangandaran gebruik tegen het wegwaaien van papier.

En als je je voordoet als een wandelend ATM machien dan wordt je zelfs uitgenodigd om bij de gids thuis te komen kijken naar al dat moois wat ze met eigen handen hebben opgegraven en dat stiekem te koop is. En ja hoor de grote Von Koenigswald is hier een idool, een heilige, waarvan de naam slechts fluisterend wordt uitgesproken.

Van een menselijke kies voor 500.000 rupiahs - misschien echt, misschien nagemaakt, dat weet ik niet - tot een hele onder- plus bovenkaak van een Stegiosaurus, een soort voorloper van onze olifant voor vijf juta. Moeilijk mee te slepen en natuurlijk illegaal zo'n handel. Maar botten en beenderen dat het een lieve lust was. Hier hadden onze voorouders nog echt in de wilde natuur geleefd beste jongen met heel wat beesten, grote beesten om zich heen.

Toen kon je je hart als jager natuurlijk nog ophalen, waarbij je wel die speer in een keer op de goeie plek er in moest steken anders was je zelf de sigaar natuurlijk. Dat was nog lang voor de tijd dat De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging werd opgericht beste man.

Hoe anders toen, in de tachtiger jaren in Peking. Een steriele plek, die lage bergen met groeven waar de Pekingmens was gevonden op basis waarvan de Chinezen tot op de dag van vandaag nog naast hun schoenen van verwaandheid lopen en beweren dat zij aan de bakermat van het menselijke ras stonden. Niks is minder waar zoals we nu weten en om dat voor jezelf uit te vinden ga je eerst maar eens kijken bij de bosjesmannen of er mee jagen zoals ik dat deed in Namibië.

Dat is andere koek beste Peter en nog behoorlijk dicht bij de oernatuur. Daar kun je als cultuurjager nog wat leren van spoorzoeken en meer van dat soort dingen om bijvoorbeeld een gemsbok aan de kleren te komen of een kudu. Of hoe je zo'n dier ontweidt op de plek en er alvast een pintje vers bloed van drinkt vanwege de dorst.

De Indonesiërs hebben zich er lang niet zo op laten voorstaan, die zijn wat meer bescheiden in dit opzicht, dan de Chinezen die al jaar en dag een meerderwaardigheidscomplex met zich meedragen en trouwens ook niet genoeg hebben aan de wijsheden van Mao en Confucius, vooral als het leven spannend en ingewikkeld wordt.

Die eigenlijk - als je het mij vraagt en ik verklaar me zo dadelijk nader - veel Godsdienst tekort zijn gekomen in deze eeuw van Communisme, dat - hier effe terzijde - vanaf vorige week geen Communisme meer is, nu Chinezen eigendom mogen hebben, land mogen bezitten en huizen, na beslissingen van het Jaarlijkse Congres van het Volk in de Grote Hal op het Plein van de Hemelse Vrede, waar ik het onlangs nog over had nietwaar beste jongen.

En om deze bewering kracht bij te zetten ga ik nu in gedachte terug met jou naar die gedenkwaardige dag dat ik in het laatste weekend van twee maanden werken aan de Universiteit van Peking met mijn studenten een uitje had georganiseerd naar dat Museum met gekopieerde overblijfselen van onze ondersoort de Pekingmens, Homo erectus pekinensis als subtiel ondersoortje van Homo erectus soloensis nietwaar.Ja ze verzinnen wat die taxonomisten, want zo heten ze, ook de palaeontologen net als andere biologen.

Op de terugweg van het Museum waar we ons lunchpakketje hadden verorberd - aandoenlijk he Peter - vroeg ik de chauffeur van het busje te stoppen op de Marco Polo Brug over de Yangtse Rivier, een gigantisch breed lossbruin water, de kleur van het bruin van de tuin van mijn Vader in het Limburgse lossdistrict.

Die brug is van steen en heeft wel duizend stenen leeuwtjes op de beide balustraden. Midden op deze brug is volgens de overlevering de plek waar Marco Polo eindelijk de grote Khan ontmoette, de machtige Mogul van het Groot Chinese Rijk. En het was daar dat cadeaus werden uitgewisseld. Wat voor cadeaus weet ik nu effe niet meer, maar het is ook al meer dan 700 jaar geleden nietwaar, dus neem me dat maar niet kwalijk.

Wat ikzelf aan cadeaus bij me had voor mijn vijftien studenten, zelfs dat weet ik niet meer precies. Wel weet ik dat ik die in Amstelveen in een toeristische winkel voor cadeautjes had gekocht, en hele zak vol met typische Hollandse memorabilia, veel in de koningsblauwe kleur waarin vrouwen zich niet mogen kleden al ze een feestje hebben bij de Koningin (Servaas schreef zojuist dat Juliana is overleden). Zoals kleine klompjes, flessenopeners, zak- en wanddoekjes en tafelkleedjes, kammetjes en haarborsteltjes, molentjes en poppen in Volendamse klederdracht en ansichtkaarten, allemaal met veel blauw en oranje er in.

Na mijn uitvoerige speech die niet in het Chinees vertaald werd, want ik had die hele twee maanden een Engelse lerares voor ze geregeld en tijdens mijn cursusuren ook nog een stoomcursus Engels laten volgen (Pak Jahja wilde dat hier niet betalen voor mijn crew trouwens ondanks herhaald aandringen) en ze begonnen al een aardig mondje over de grens te spreken en minder bang te zijn om fouten te maken, gaf ik dus ieder een klein niemendalletje, onder het mom van het Chinese spreekwoord dat als iets van ver komt, het slechts een veertje hoeft te zijn, om ten zeerste gewaardeerd te worden.

Ze hadden het niet meer. Ze waren zo wie zo al enorm onder de indruk gekomen van mijn dringend aanwezige persoonlijkheid - iets waar jij je wel wat bij kunt voorstellen beste vriend want je kent me door en door - maar dit was werkelijk de bloody limit. Ik hoorde ze al denken, wat een attente vent, zeg, zoals een Hollandse taart dat zo mooi geaffecteerd kan zeggen nietwaar. Daar moest iets op verzonnen worden. Hier was een adequate reactie op zijn plaats.

Het duurde lang, de onderlinge discussie en het lullen met elkaar, iets waar die Chinezen erg goed in waren, want ze hadden al heel wat over hun hoofd gehad van die gekke Mao natuurlijk, waar ze maar niet over uitgeluld raakten. Van het laboratorium naar de binnenlanden, de boer op zullen we maar zeggen en weer terug, en maar zwaaien met dat rooie boekie nietwaar (heb ik trouwens toen ook gekocht en moet nog in mijn bibliotheekje staan in Amstelveen, mijn eenzinnige pseudowijsheden over van alles en nog wat, een soort onreligieus gedoe waar wat religie en Confucianisme op zijn plaats zou zijn geweest).

Kennis van de rest van de wereld was er niet of nauwelijks. Zelfs Cruijf kenden ze niet, de beroemdste Nederlander, tegen de tijd dat je Europa verlaat en in Azië voet aan land zet, waar dan ook. Cruijf en niet te vergeten Philips natuurlijk.

Het besluit was genomen en de moedigste van de vrouwen - allen in de veertig omdat ze als wetenschappers de handen uit de mouwen hadden moeten steken uit hun blauwe, grijze Mao kostuums, vooral bij de boer, waarbij het verstand effe op nul was gezet en de blik op oneindig - stapte aarzelend naar me toe en vroeg beleefd of ik nu - in de resterende tijd die er nog was die zondagnamiddag - met hun wilde meegaan. Met hun wilde meegaan naar de grootste gegoten bronzen klok aller tijden, weliswaar met een klein barstje er in en doofstom nu, maar wel de grootste die er was en die hing in een mooi Museum op de terugweg naar Beidahe, de Campus.

En wie ben ik dat ik daar bezwaren zou hebben opgeworpen nietwaar. Ik had er wel iets over gehoord over die Klok, maar was er nog niet naar toe gefietst op mijn Flying Pigeon, het fietsenmerk in China toentertijd, zoals een Gazelle bij ons toentertijd nog en wie weet misschien nu ook nog wel, daar en in Nederland.

Op weg naar dat Klokkenmuseum reden we, wat zeg ik kropen we, door de nauwe bochtige straten van het westen van de stad, op zich een belevenis. En ja hoor, daar was een ommuurd complex met een typisch Chinees gebouw uit de oude stijl in de vorm van een klok, je weet wel zo'n klok uit een katholieke kerktoren, waarvan er zoveel over mijn Limburgse land loeien (sorry luiden). En met wel honderd kleinere belklokken op manshoge stenen voetstukken, eigenlijk pilaren, op een open plein tussen de huizen en voor het ommuurde complex. Groen uitgeslagen al die klokken en veel met groene draken en draakjes er op. Een gek gifgroen - want kopergroen is geen natuurlijk groen vind ik - gezicht

Het was koud en fris maar zonnig en al gauw liepen we in groepjes gezellig koutend tussen al dat klokkegedoe rond, met als hoofddoel dat grote gebouw met overhangende omhooggekrulde dakranden en de mooi geglazuurde glanzende blauwe dakpannen en wat daar wel niet voor een gigant van een klok in moest hangen.

Nou het ding is inderdaad hartstikke groot beste Peter, neem dat maar rustig van mij aan. Het hangt tussen enorme houten stellages van oude eikenhouten balken, met een trappenhuis eromheen, zodat je boven rondom de klok kunt marcheren als soldaatjes achter elkaar en in het grote gat kunt kijken wat altijd boven in zo'n klok hoort te zitten om dat ding beter te laten galmen. Maar zoals gezegd gegalm was er niet meer bij helaas.

Als jij die klepel had zien hangen en die klok had horen luiden - iets dat dus niet meer mogelijk was vanwege die barst, zoals er ook al een zit in de Liberty Bell van de Amerikanen die in Philadelphia hangt - was je een stokoude Chinees geweest met pijn in je oren. Dat moet haast wel.

Beneden in dat gebouw om die klok stonden vele bronzen vaten met ook al vele draakjes, maar niet groen uitgeslagen. Die werden kennelijk dagelijks opgepoetst, trouwens net als die Klok ook en zagen er dus mooi glanzend bronsbruin uit, niet bronsgroen.

En in de platte vaten stond water en het kunstje was om dat water in beweging te krijgen door ritmisch over de rand te bewegen me je handen of vingers - nogal regelmatig en snel - en met behoorlijk ferme hand. Dan kwam dat water tot leven en ontstonden er kleine golfbeweginkjes en begon dat bronzen vat geluid te maken, een soort laag Chinees gebrom en metaalachtig gezoem. Ik was er niet bij weg te slaan en vergat even de tijd.

Totdat ik ruw uit mijn trans ontwaakt werd, half hangend over zo'n brommende bronzen schaal met water, en ik dringend werd verzocht aan een spelletje mee te doen, een spelletje voor geld. De Indonesiërs hadden het de Chinezen niet kunnen verbeteren, maar wat nu komt leerde me ook - althans een verschil - te begrijpen tussen het Chinese en het Indonesische volk.

Voor wat kleingeld - een fractie van zelfs maar een renminbi - kon ik vijf speciale munten kopen bij een loketje met een vrouwtje van onbestemde schoonheid omdat ze allemaal in dat blauwe zakpak van Mao rondliepen en rondzaten en volgens mij nog sliepen ook (ik kan me desgevraagd geeneen mooie vrouw uit China herinneren vanwege dat bisex kostuum, zonder Bandungse bell bottom natuurlijk, waarvan er een miljard op zijn minst moeten zijn gemaakt, een voor iedere Chinees, vrouwtje of mannetje, klein of groot).

Dat is in India wel anders met al die vrouwen in gekleurde en bonte sari's en blote buik met alle soorten van navels die je je maar bedenken kunt, tegenwoordig in de mode bij zangeressen zoals Britney Spears en Roosje Pallencaoe.

En vervolgens moest ik pogen om vanaf een bepaalde plek boven in dat Trappenhuisje om die Grote Klok, zo'n muntje midden in dat gat boven in dat gevaarte te mikken. Zou dat lukken dan kreeg je je geld natuurlijk niet terug, maar dan was je beloning een behoorlijke portie geluk, maar alleen tot het einde van dat jaar en dat was pech natuurlijk want het was al november en zoveel geluk had je dan niet meer nodig nietwaar. Een soort inflatie van geluk. Had beter in januari kunnen komen, dus denk daaraan als je op vakantie gaat naar China Peter.

Iedereen had vijf keer gegooid en allemaal zonder succes, want je moest potverdorie behoorlijk goed kunnen mikken tussen al die balken door en van nogal een behoorlijke afstand. Hier en daar lag zo'n muntje nog op de balken. En ik was nummer laatst. De grote guru moest er aan geloven of hij was zo goed nog niet. Nou ze hebben het geweten, want ik mikte de eerste drie er in voordat ik zenuwachtig werd en twee keer miste. Hun Chinese monden vielen er van open en zo vaak valt een Chinese mond niet open, dat heb ik wel gemerkt, zelfs niet bij een celfusie om een hybridoom te maken die een mooi antilijf produceert.

Per slot van rekening had ik goed leren knikkeren in mijn jeugd en er een hele zak stuiters aan over gehouden, waarvan ik trouwens nu niet meer weet wat ervan geworden is en waar ze precies gebleven zijn, maar het is dan ook al meer dan een halve eeuw geleden.

Maar nu komt de clou van dit verhaal, waar ik tot op de dag van vandaag niet van weet wat ik ervan denken moet. Ik had zoals je snel berekend zult hebben drie porties van geluk voor een heel jaar, maar dat geluk was slechts geldig gedurende iets meer dan een maand namelijk tot Nieuwjaarsdag. Dan was dat geluk gewoon op, dan was dat geluk er plotsklaps niet meer. En eigenlijk had ik twee porties teveel, hetgeen aan de kennelijk erg bijgelovige Chinese wetenschapsdames op leeftijd niet ontgaan was.

Wat zeg ik, die ontgingen helemaal niks, die waren te kien om over naar huis te schrijven en daar hoefde je de Chinese taal niet voor te kennen.

Een beetje stiekem, komt dus een van die vrouwtjes in zakcostuum naast me lopen en vraagt beleefd om een portie geluk, hetgeen ik dus mijn gulle hand aan haar uitdeelde met een wijds gebaar en mysterieuze glimlach op mijn gelaat. Wist ik veel hoe ik moest kijken op dat moment, dus ik denk, ik speel het spel maar mee.

En ja hoor effe later komt nummer twee en de geschiedenis herhaalde zich. En toen was het ook afgelopen, want zo brutaal waren ze echt niet, om mij mijn laatste portie geluk uit de zak te kloppen, beste jongen. Niet zoals hier waar ze je laatste rupiah zonder blikken of blozen uit je zak kloppen, nee zo zijn de Chinezen niet, daar zijn ze te trots voor. Ze zullen er weinig in stoppen in je zak - zoals Pak Jahja - maar eruit kloppen nee dat doen ze niet.

Nou vraag ik jou, waarom hadden ze zo graag dat extra gelukkie van mij? Zijn ze  bijgelovig soms, omdat ze geen God aanbidden, waardoor ze een bijgeloof maar geen echt geloof er op na kunnen houden? Zouden ze wat goed geloof op zijn tijd niet missen? Zou dat Rijke Roomse Leven toch niet van enig belang zijn geweest?

Ik weet het echt niet, maar het was zo vreemd dat ik die episode in mijn leven als de Grote Hybridoma Guru van China en mijn uitje naar de Marco Polo Brug en de Grote Klok nooit meer vergeet en dus hier voor het eerst op schrift stel en aan de Grote Klok hang. En ik heb nog nooit van mijn leven beste Peter, iets aan een Grotere Klok gehangen. Hierbij hangt het aan de Grootste - weliswaar doofstomme - Klok van China.

Met vriendelijke groeten uit Bandung,

van Jo, een rare Chinees met ooit een behoorlijke portie geluk in zijn leven

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz