|
22 maart 2004
Homo
erectus: van Peking naar Solo of
Over Von Koenigswald, mijn
hooggeleerde idool in de paleontologie en
Hoe ik mijn
geluk deelde onder de Grote Klok bij de Marco Polo Brug
Beste Peter,
Aanvankelijk was het natuurlijk een aparte soort en werd
Pithecanthropus erectus genoemd, de rechtopgaande aap, een
van onze voorouderlijke aapmensen. En niet alleen de
Limburger Eugene Dubois had de overblijfselen ontdekt bij
Solo, later in meerdere uitgebreide expedities ook mijn zeer
geliefde hoogleraar in Utrecht in de palaeontologie Von
Koenigswald. Net als Mulhlbock ook een erudiete Duitser die
Nederlandse contreien opzocht voor zijn onderzoek, voor de
Grote Oorlog.
Zoals ook de hoogleraar Tausk van Organon, die me leerde een
manuscript te schrijven op last van Muhlbock, waarvoor ik
wekelijks - toen ik al op het Nederlands Kankerinstituut in
Amsterdam werkte - terug moest naar mijn Alma Mater aan de
Catherijnesingel, waar ik als student mijn eerste kleine
kamertje had gevonden. Ja ja ik heb de Deutsche
Grundlichkeit hoog in het vaandel, mein lieber Freund. Het
is me met de paplepel ingegeven.
Ik was zo in de ban van die man met zijn echte en nagemaakte
schedels dat ik zelfs mee op expeditie ging, een
paleontologische expeditie naar het Eoceen bij Parijs, waar
in kalkrijke rotsen met veel zeefwerk allerlei kaakjes,
tandjes, kiesjes en botjes te voorschijn kwamen van de
eerste kleine zoogdieren, die het begonnen te maken, nadat
de grote reptielen waren uitgestorven, lang voor er mensen
of zelfs aapmensen rondliepen op deze wereldbol.
Dus toen ik goed en wel gesetteld was in Yogyakarta lag een
nieuwe expeditie voor de hand, naar Solo waar mijn illustere
voorganger, de Limburger Dubois uit Eijsden, einde
negentiende eeuw de eerste aapmens in Azië had gevonden, die
behoorlijk verwant bleek met onze soort en waar mijn
geliefde hoogleraar in de dertiger jaren van de twintigste
eeuw was teruggekeerd om die vondsten van Dubois te
bevestigen en de rijke vindplaats, ook van grote zoogdieren
die zijn uitgeroeid inmiddels door onze soort, dan wel
uitgestorven, aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Ik had toen kennis gekregen aan een mooie vrouw uit
Banjarnegara en samen met enkele vrienden besloten we in
mijn ouwe jachtgroene Toyota Landcruiser, de auto met de
meeste stijl in Indonesië die je nog heel veel ziet op de
wegen, de tocht naar Solo te maken en beyond naar de groeven
van de opgravingen. Er was een klein miserabel Museum zonder
veel skeletten en zeker geen van de mens die inmiddels dus
Homo erectus is genoemd, een aparte soort, waarmee we dus
samen geen kindjes hadden kunnen maken - wij als Homo
sapiens - als het inderdaad een aparte soort zou zijn
geweest en geen ondersoort, want dan had het wel gekund. Dan
had hij Homo sapiens erectus genoemd moeten worden, de in
diepe gedachten verkerende rechtoplopende (aap)mens.
Lees trouwens net in de wetenschappelijke literatuur dat er
evidentie zou zijn dat wij als Homo sapiens sapiens niet
gecharmeerd zouden zijn geweest van Homo sapiens
Neanderthalensis toen we hier nog tezamen rondliepen. Jammer
toch he dat de Neanderthaler, de Solo mens en de Pekingmens
zijn uitgestorven, vind je niet?
Zouden we ze opgesloten hebben in een dierentuin, als ze er
nog geweest waren? Of zouden ze apart in een getto hebben
mogen wonen? Of zelfs een eigen stukje jungle er op na mogen
houden? Intrigerende vragen die helaas niet meer beantwoord
kunnen worden want die aapmensen, mensapen en wat al meer,
zijn er niet meer. Ze zijn uitgestorven net als al die grote
Dinosauriërs, die voor het Eoceen al, nog heel wat langer
geleden.
Maar goed ik ging dus naar Solo en had inspiratie voor een
gedicht:
Princess of Banjarnegara one day sometime ago
Traveling together from Yogya to Solo
I saw trustworthiness in your eyes
Looking in your heart I saw no place for lies
You played at the foothills of Dieng in Java as a
child
Now strong and rounded is your body and a bit wild
Singing gives you much pleasure and delight
Let us travel more and be my guide |
Ik was dus in een goede stemming en zo kwamen we in dat
verwaarloosde Museum terecht, zo helemaal verschillend van
dat goed onderhouden Museum van Peking Man ten zuidwesten
van Peking waar ik vele jaren eerder al was met mijn
studenten van Beidahe die ik geleerd had monoclonale
antistoffen te maken. Een goed onderhouden plek met
tenminste kopieën van alle schedels die Teilhard de Chardin,
de Franse jezuïet, daar voor de Tweede Wereldoorlog had
opgediept, maar die als originelen verloren zijn geraakt op
weg of liever op zee van China naar het Westen.
Van die Teilhard de Chardin - die er na die vondsten
behoorlijk op los was gaan filosoferen - las ik trouwens als
student in Utrecht alles wat los en vast zat: een katholieke
palaeontoloog die menselijke overblijfselen in China had
ontdekt, was natuurlijk de Ster van mijn Gedachtenveld in
die fase van mijn leven, toen ik nog niet geheel en al los
was geraakt van Mariarade en het Rijke Roomse Leven.
Want ik was toen nog behoorlijk katholiek in de zin dat ik
er de wijsheid zocht die ik er uiteindelijk niet gevonden
heb. Ik was een goede Limburgse Papenzoon, maar ben
uiteindelijk behoorlijk van mijn geloof afgevallen, iets dat
ik nu pas op durf te schrijven, nu mijn Moeder is overleden.
En ze zal zich nog in haar graf omdraaien of een vermanend
vingertje opsteken, als ze dit daarboven allemaal ziet
gebeuren.
Ja katholieken denken dat ze Hieronder op aarde nauwlettend
in de gaten worden gehouden van Bovenaf, vanuit de Hemel
waar iedereen netjes op een rijtje rondom God de Vader ziet
na te genieten van de goede daden gedaan op deze Aarde. Zo
is ons dat met de paplepel ingegeven en dat gaat er nooit
meer uit. Dat zit er in gebakken, in de Bovenkamer.
Maar goed, ik was daar nabij Solo, vroeger Surakarta, dus
aangekomen en na dat droevige Museum verlaten te hebben,
begon een soort trektocht in een enorme groeve met nog delen
jungle en ook veel rijstvelden en veel aangeplant geboomte,
bananen, mango's en de gebruikelijke nuttige
boomsoorten, daar waar mensen leven in Java.
Dorpjes hier en daar, wat boeren en dan de Gidsen die om die
paar toeristen knokken en die je stiekem onmiskenbare kiezen
van onze Homo erectus laten zien, die in een doekje
gewikkeld zijn en er mee worden opgepoetst net als een
Oudnederlandse rijksdaalder af en toe ter afwisseling van al
dat kiezen en tandenspul. Ik heb er een grote kies van een
grote olifantachtige gekocht die ik in Pangandaran gebruik
tegen het wegwaaien van papier.
En als je je voordoet als een wandelend ATM machien dan
wordt je zelfs uitgenodigd om bij de gids thuis te komen
kijken naar al dat moois wat ze met eigen handen hebben
opgegraven en dat stiekem te koop is. En ja hoor de grote
Von Koenigswald is hier een idool, een heilige, waarvan de
naam slechts fluisterend wordt uitgesproken.
Van een menselijke kies voor 500.000 rupiahs - misschien
echt, misschien nagemaakt, dat weet ik niet - tot een hele
onder- plus bovenkaak van een Stegiosaurus, een soort
voorloper van onze olifant voor vijf juta. Moeilijk mee te
slepen en natuurlijk illegaal zo'n handel. Maar botten en
beenderen dat het een lieve lust was. Hier hadden onze
voorouders nog echt in de wilde natuur geleefd beste jongen
met heel wat beesten, grote beesten om zich heen.
Toen kon je je hart als jager natuurlijk nog ophalen,
waarbij je wel die speer in een keer op de goeie plek er in
moest steken anders was je zelf de sigaar natuurlijk. Dat
was nog lang voor de tijd dat De Koninklijke Nederlandse
Jagers Vereniging werd opgericht beste man.
Hoe anders toen, in de tachtiger jaren in Peking. Een
steriele plek, die lage bergen met groeven waar de
Pekingmens was gevonden op basis waarvan de Chinezen tot op
de dag van vandaag nog naast hun schoenen van verwaandheid
lopen en beweren dat zij aan de bakermat van het menselijke
ras stonden. Niks is minder waar zoals we nu weten en om dat
voor jezelf uit te vinden ga je eerst maar eens kijken bij
de bosjesmannen of er mee jagen zoals ik dat deed in
Namibië.
Dat is andere koek beste Peter en nog behoorlijk dicht bij
de oernatuur. Daar kun je als cultuurjager nog wat leren van
spoorzoeken en meer van dat soort dingen om bijvoorbeeld een
gemsbok aan de kleren te komen of een kudu. Of hoe je zo'n
dier ontweidt op de plek en er alvast een pintje vers bloed
van drinkt vanwege de dorst.
De Indonesiërs hebben zich er lang niet zo op laten
voorstaan, die zijn wat meer bescheiden in dit opzicht, dan
de Chinezen die al jaar en dag een
meerderwaardigheidscomplex met zich meedragen en trouwens
ook niet genoeg hebben aan de wijsheden van Mao en
Confucius, vooral als het leven spannend en ingewikkeld
wordt.
Die eigenlijk - als je het mij vraagt en ik verklaar me zo
dadelijk nader - veel Godsdienst tekort zijn gekomen in deze
eeuw van Communisme, dat - hier effe terzijde - vanaf vorige
week geen Communisme meer is, nu Chinezen eigendom mogen
hebben, land mogen bezitten en huizen, na beslissingen van
het Jaarlijkse Congres van het Volk in de Grote Hal op het
Plein van de Hemelse Vrede, waar ik het onlangs nog over had
nietwaar beste jongen.
En om deze bewering kracht bij te zetten ga ik nu in
gedachte terug met jou naar die gedenkwaardige dag dat ik in
het laatste weekend van twee maanden werken aan de
Universiteit van Peking met mijn studenten een uitje had
georganiseerd naar dat Museum met gekopieerde overblijfselen
van onze ondersoort de Pekingmens, Homo erectus pekinensis
als subtiel ondersoortje van Homo erectus soloensis
nietwaar.Ja ze verzinnen wat die taxonomisten, want zo heten
ze, ook de palaeontologen net als andere biologen.
Op de terugweg van het Museum waar we ons lunchpakketje
hadden verorberd - aandoenlijk he Peter - vroeg ik de
chauffeur van het busje te stoppen op de Marco Polo Brug
over de Yangtse Rivier, een gigantisch breed lossbruin
water, de kleur van het bruin van de tuin van mijn Vader in
het Limburgse lossdistrict.
Die brug is van steen en heeft wel duizend stenen leeuwtjes
op de beide balustraden. Midden op deze brug is volgens de
overlevering de plek waar Marco Polo eindelijk de grote Khan
ontmoette, de machtige Mogul van het Groot Chinese Rijk. En
het was daar dat cadeaus werden uitgewisseld. Wat voor
cadeaus weet ik nu effe niet meer, maar het is ook al meer
dan 700 jaar geleden nietwaar, dus neem me dat maar niet
kwalijk.
Wat ikzelf aan cadeaus bij me had voor mijn vijftien
studenten, zelfs dat weet ik niet meer precies. Wel weet ik
dat ik die in Amstelveen in een toeristische winkel voor
cadeautjes had gekocht, en hele zak vol met typische
Hollandse memorabilia, veel in de koningsblauwe kleur waarin
vrouwen zich niet mogen kleden al ze een feestje hebben bij
de Koningin (Servaas schreef zojuist dat Juliana is
overleden). Zoals kleine klompjes, flessenopeners, zak- en
wanddoekjes en tafelkleedjes, kammetjes en haarborsteltjes,
molentjes en poppen in Volendamse klederdracht en
ansichtkaarten, allemaal met veel blauw en oranje er in.
Na mijn uitvoerige speech die niet in het Chinees vertaald
werd, want ik had die hele twee maanden een Engelse lerares
voor ze geregeld en tijdens mijn cursusuren ook nog een
stoomcursus Engels laten volgen (Pak Jahja wilde dat hier
niet betalen voor mijn crew trouwens ondanks herhaald
aandringen) en ze begonnen al een aardig mondje over de
grens te spreken en minder bang te zijn om fouten te maken,
gaf ik dus ieder een klein niemendalletje, onder het mom van
het Chinese spreekwoord dat als iets van ver komt, het
slechts een veertje hoeft te zijn, om ten zeerste
gewaardeerd te worden.
Ze hadden het niet meer. Ze waren zo wie zo al enorm onder
de indruk gekomen van mijn dringend aanwezige
persoonlijkheid - iets waar jij je wel wat bij kunt
voorstellen beste vriend want je kent me door en door - maar
dit was werkelijk de bloody limit. Ik hoorde ze al denken,
wat een attente vent, zeg, zoals een Hollandse taart dat zo
mooi geaffecteerd kan zeggen nietwaar. Daar moest iets op
verzonnen worden. Hier was een adequate reactie op zijn
plaats.
Het duurde lang, de onderlinge discussie en het lullen met
elkaar, iets waar die Chinezen erg goed in waren, want ze
hadden al heel wat over hun hoofd gehad van die gekke Mao
natuurlijk, waar ze maar niet over uitgeluld raakten. Van
het laboratorium naar de binnenlanden, de boer op zullen we
maar zeggen en weer terug, en maar zwaaien met dat rooie
boekie nietwaar (heb ik trouwens toen ook gekocht en moet
nog in mijn bibliotheekje staan in Amstelveen, mijn
eenzinnige pseudowijsheden over van alles en nog wat, een
soort onreligieus gedoe waar wat religie en Confucianisme op
zijn plaats zou zijn geweest).
Kennis van de rest van de wereld was er niet of nauwelijks.
Zelfs Cruijf kenden ze niet, de beroemdste Nederlander,
tegen de tijd dat je Europa verlaat en in Azië voet aan land
zet, waar dan ook. Cruijf en niet te vergeten Philips
natuurlijk.
Het besluit was genomen en de moedigste van de vrouwen -
allen in de veertig omdat ze als wetenschappers de handen
uit de mouwen hadden moeten steken uit hun blauwe, grijze
Mao kostuums, vooral bij de boer, waarbij het verstand effe
op nul was gezet en de blik op oneindig - stapte aarzelend
naar me toe en vroeg beleefd of ik nu - in de resterende
tijd die er nog was die zondagnamiddag - met hun wilde
meegaan. Met hun wilde meegaan naar de grootste gegoten
bronzen klok aller tijden, weliswaar met een klein barstje
er in en doofstom nu, maar wel de grootste die er was en die
hing in een mooi Museum op de terugweg naar Beidahe, de
Campus.
En wie ben ik dat ik daar bezwaren zou hebben opgeworpen
nietwaar. Ik had er wel iets over gehoord over die Klok,
maar was er nog niet naar toe gefietst op mijn Flying Pigeon,
het fietsenmerk in China toentertijd, zoals een Gazelle bij
ons toentertijd nog en wie weet misschien nu ook nog wel,
daar en in Nederland.
Op weg naar dat Klokkenmuseum reden we, wat zeg ik kropen
we, door de nauwe bochtige straten van het westen van de
stad, op zich een belevenis. En ja hoor, daar was een
ommuurd complex met een typisch Chinees gebouw uit de oude
stijl in de vorm van een klok, je weet wel zo'n klok uit een
katholieke kerktoren, waarvan er zoveel over mijn Limburgse
land loeien (sorry luiden). En met wel honderd kleinere
belklokken op manshoge stenen voetstukken, eigenlijk
pilaren, op een open plein tussen de huizen en voor het
ommuurde complex. Groen uitgeslagen al die klokken en veel
met groene draken en draakjes er op. Een gek gifgroen - want
kopergroen is geen natuurlijk groen vind ik - gezicht
Het was koud en fris maar zonnig en al gauw liepen we in
groepjes gezellig koutend tussen al dat klokkegedoe rond,
met als hoofddoel dat grote gebouw met overhangende
omhooggekrulde dakranden en de mooi geglazuurde glanzende
blauwe dakpannen en wat daar wel niet voor een gigant van
een klok in moest hangen.
Nou het ding is inderdaad hartstikke groot beste Peter, neem
dat maar rustig van mij aan. Het hangt tussen enorme houten
stellages van oude eikenhouten balken, met een trappenhuis
eromheen, zodat je boven rondom de klok kunt marcheren als
soldaatjes achter elkaar en in het grote gat kunt kijken wat
altijd boven in zo'n klok hoort te zitten om dat ding beter
te laten galmen. Maar zoals gezegd gegalm was er niet meer
bij helaas.
Als jij die klepel had zien hangen en die klok had horen
luiden - iets dat dus niet meer mogelijk was vanwege die
barst, zoals er ook al een zit in de Liberty Bell van de
Amerikanen die in Philadelphia hangt - was je een stokoude
Chinees geweest met pijn in je oren. Dat moet haast wel.
Beneden in dat gebouw om die klok stonden vele bronzen vaten
met ook al vele draakjes, maar niet groen uitgeslagen. Die
werden kennelijk dagelijks opgepoetst, trouwens net als die
Klok ook en zagen er dus mooi glanzend bronsbruin uit, niet
bronsgroen.
En in de platte vaten stond water en het kunstje was om dat
water in beweging te krijgen door ritmisch over de rand te
bewegen me je handen of vingers - nogal regelmatig en snel -
en met behoorlijk ferme hand. Dan kwam dat water tot leven
en ontstonden er kleine golfbeweginkjes en begon dat bronzen
vat geluid te maken, een soort laag Chinees gebrom en
metaalachtig gezoem. Ik was er niet bij weg te slaan en
vergat even de tijd.
Totdat ik ruw uit mijn trans ontwaakt werd, half hangend
over zo'n brommende bronzen schaal met water, en ik dringend
werd verzocht aan een spelletje mee te doen, een spelletje
voor geld. De Indonesiërs hadden het de Chinezen niet kunnen
verbeteren, maar wat nu komt leerde me ook - althans een
verschil - te begrijpen tussen het Chinese en het
Indonesische volk.
Voor wat kleingeld - een fractie van zelfs maar een renminbi
- kon ik vijf speciale munten kopen bij een loketje met een
vrouwtje van onbestemde schoonheid omdat ze allemaal in dat
blauwe zakpak van Mao rondliepen en rondzaten en volgens mij
nog sliepen ook (ik kan me desgevraagd geeneen mooie vrouw
uit China herinneren vanwege dat bisex kostuum, zonder
Bandungse bell bottom natuurlijk, waarvan er een miljard op
zijn minst moeten zijn gemaakt, een voor iedere Chinees,
vrouwtje of mannetje, klein of groot).
Dat is in India wel anders met al die vrouwen in gekleurde
en bonte sari's en blote buik met alle soorten van navels
die je je maar bedenken kunt, tegenwoordig in de mode bij
zangeressen zoals Britney Spears en Roosje Pallencaoe.
En vervolgens moest ik pogen om vanaf een bepaalde plek
boven in dat Trappenhuisje om die Grote Klok, zo'n muntje
midden in dat gat boven in dat gevaarte te mikken. Zou dat
lukken dan kreeg je je geld natuurlijk niet terug, maar dan
was je beloning een behoorlijke portie geluk, maar alleen
tot het einde van dat jaar en dat was pech natuurlijk want
het was al november en zoveel geluk had je dan niet meer
nodig nietwaar. Een soort inflatie van geluk. Had beter in
januari kunnen komen, dus denk daaraan als je op vakantie
gaat naar China Peter.
Iedereen had vijf keer gegooid en allemaal zonder succes,
want je moest potverdorie behoorlijk goed kunnen mikken
tussen al die balken door en van nogal een behoorlijke
afstand. Hier en daar lag zo'n muntje nog op de balken. En
ik was nummer laatst. De grote guru moest er aan geloven of
hij was zo goed nog niet. Nou ze hebben het geweten, want ik
mikte de eerste drie er in voordat ik zenuwachtig werd en
twee keer miste. Hun Chinese monden vielen er van open en zo
vaak valt een Chinese mond niet open, dat heb ik wel
gemerkt, zelfs niet bij een celfusie om een hybridoom te
maken die een mooi antilijf produceert.
Per slot van rekening had ik goed leren knikkeren in mijn
jeugd en er een hele zak stuiters aan over gehouden, waarvan
ik trouwens nu niet meer weet wat ervan geworden is en waar
ze precies gebleven zijn, maar het is dan ook al meer dan
een halve eeuw geleden.
Maar nu komt de clou van dit verhaal, waar ik tot op de dag
van vandaag niet van weet wat ik ervan denken moet. Ik had
zoals je snel berekend zult hebben drie porties van geluk
voor een heel jaar, maar dat geluk was slechts geldig
gedurende iets meer dan een maand namelijk tot
Nieuwjaarsdag. Dan was dat geluk gewoon op, dan was dat
geluk er plotsklaps niet meer. En eigenlijk had ik twee
porties teveel, hetgeen aan de kennelijk erg bijgelovige
Chinese wetenschapsdames op leeftijd niet ontgaan was.
Wat zeg ik, die ontgingen helemaal niks, die waren te kien
om over naar huis te schrijven en daar hoefde je de Chinese
taal niet voor te kennen.
Een beetje stiekem, komt dus een van die vrouwtjes in
zakcostuum naast me lopen en vraagt beleefd om een portie
geluk, hetgeen ik dus mijn gulle hand aan haar uitdeelde met
een wijds gebaar en mysterieuze glimlach op mijn gelaat.
Wist ik veel hoe ik moest kijken op dat moment, dus ik denk,
ik speel het spel maar mee.
En ja hoor effe later komt nummer twee en de geschiedenis
herhaalde zich. En toen was het ook afgelopen, want zo
brutaal waren ze echt niet, om mij mijn laatste portie geluk
uit de zak te kloppen, beste jongen. Niet zoals hier waar ze
je laatste rupiah zonder blikken of blozen uit je zak
kloppen, nee zo zijn de Chinezen niet, daar zijn ze te trots
voor. Ze zullen er weinig in stoppen in je zak - zoals Pak
Jahja - maar eruit kloppen nee dat doen ze niet.
Nou vraag ik jou, waarom hadden ze zo graag dat extra
gelukkie van mij? Zijn ze bijgelovig soms, omdat ze
geen God aanbidden, waardoor ze een bijgeloof maar geen echt
geloof er op na kunnen houden? Zouden ze wat goed geloof op
zijn tijd niet missen? Zou dat Rijke Roomse Leven toch niet
van enig belang zijn geweest?
Ik weet het echt niet, maar het was zo vreemd dat ik die
episode in mijn leven als de Grote Hybridoma Guru van China
en mijn uitje naar de Marco Polo Brug en de Grote Klok nooit
meer vergeet en dus hier voor het eerst op schrift stel en
aan de Grote Klok hang. En ik heb nog nooit van mijn leven
beste Peter, iets aan een Grotere Klok gehangen. Hierbij
hangt het aan de Grootste - weliswaar doofstomme - Klok van
China.
Met vriendelijke groeten uit Bandung,
van Jo, een rare Chinees met ooit een behoorlijke portie
geluk in zijn leven
|