Over het opstijgen, vliegen en
dalen van ganzen
of
De regeltjescriminalisatie van de Nederlandse jagers
Beste Peter,
Als bevriende niet-broeder in
Hubertus, als klankbord voor mijn Memoires nu tijdens
dit tweehonderdeneenenveertigste hoofdstuk van 17
oktober 2006, heb ik er behoefte aan jou uit te leggen
hoe de jagers in Nederland middels een woud aan
beperkingen en regels gecriminaliseerd worden. Want als
ik het aan jou kan uitleggen moet iedereen het kunnen
begrijpen die bij zijn volle verstand is en ook niet
jaagt. Tijdens het Algemeen Overleg in de Kamer van vijf
oktober werd door het hoogblonde politieke groenlinkse
gedeputeerde meisje opgemerkt dat bij een uitvoerige
controle van jagers in Friesland tachtig procent in
overtreding was. Van Rob van Moerkerken, mijn
jachtopzichter in de Noordoostpolder hoorde ik het getal
achtentachtig procent. Minister Veerman beloofde een en
ander te zullen onderzoeken en de verwachting is dat er
uitvoerige controles gaan komen door het hele land nu
het jachtseizoen gisteren geopend is.
Het gaat hierbij ook om hele kleine
vergrijpjes, zoals het achterlaten van de jachtakte in
de auto in plaats van het meedragen in de jachtkleding.
Maar ook om het schieten van overvliegende ganzen,
terwijl alleen invliegende ganzen op een perceel met
schade geschoten mogen worden. Overvliegende niet. En
wat deze onmogelijke regel betreft die aangedragen is
vanuit het Beleidskader Ganzenbeheer aan de Provincies,
door ornithologen en bureaucraten, heb ik waarnemingen
in het veld gedaan. Ik jaag immers alle dagen nu, nu ik
met pensioen ben, hier in de ganzenhemel op aarde die de
Anna Paulowna polder heet. Let wel op eenden en duiven
want de ontheffing voor het afschot van ganzen is er nog
steeds niet.
Er stond hier in augustus, toen ik
hier aankwam een bloembollenveld, van wel tweehonderd
bij tweehonderd meter, onder water. Er was een dijkje
aangelegd, de drainage werd gestopt en het water stond
er tot enkele tientallen centimeters diep in, behalve in
de uitgegraven sleuf binnen de dijkjes rondom, waar het
iets dieper was, maar hooguit een halve meter.
Ganzen, eenden en vele steltlopers
vonden er voedsel of kwamen er overnachten. Tijdens het
hoogtepunt eind augustus en tot in september stonden er
wel vijfhonderd grauwe ganzen, lagen er honderd eenden
van verschillende soorten, enkele tientallen nijlgansen
en soms duizend grote en kleine steltlopers, met name
ook honderden wulpen. In oktober was die bonanza bij het
opdrogen over en nu zijn de bloembollen voor het volgend
jaar al weer geplant en ligt er stro over de bedden, om
het opwaaien van zand en heuse zandstormen te voorkomen
en tegen excessieve vorst te beschermen. Enkele duiven
proberen er nog wat graankorrels te vinden, nu de tarwe
stoppels leeg raken.
De grote grauwen kwamen er bijna elke
avond om te slapen op die kunstmatige grote watervlakte.
Eenden kwamen er net als de steltlopers om aaltjes en
wormpjes te eten. Die zijn schadelijk voor bollen en
verdrinken in het water. Ook onkruidzaden leggen onder
water naar verloop van tijd het loodje.
Ganzen vliegen meestal, maar niet
altijd, naar zo'n water toe tegen de wind in. Gezeten in
een hutje bij een van de punten van het water, zeg maar
bij de cornervlag,
iets voor en tot een uur na zonsondergang, kwamen ze dan
over me heen in vele V-vormige squadrons van twee of
meer, tot groepen van honderd aan toe. Ik schoot er niet
op, want dat mocht niet. Wel schoot ik af en toe een eend
voor de pot.
Sommige groepen vliegen laag in, op
een hoogte van niet meer dan twintig a dertig meter,
langzaam dalend en midden op het water middels enkele
wiekelingen stonden ze in de bollenplas. Een kind kon
zien dat die wilde invallen. Maar de meeste ganzen
vlogen aan op hoogtes van vijftig tot zelfs tachtig
meter, niet of nauwelijks dalend. Midden boven de Plas
gekomen lieten ze zich vrijwel loodrecht met vele
wiekelingen vallen. Als je niet beter zou weten had je
gedacht dat ze over zouden vliegen, ook al omdat ze zo
snel vliegen en nauwelijks vaart minderen. Maar er
vlogen er nauwelijks over het water weg daar. Ik wist
dat die ganzen zouden invallen, maar een controleur op
afstand met een grote kijker zou dat niet kunnen zien.
Onmogelijk. Een strikte dienstklopper zou dan ook een
procesverbaal moeten optekenen als op die ganzen in
Linéa recta vlucht geschoten zou worden. Hetzelfde heb
ik op hun tijdelijke foerageergebieden hier gezien,
zoals op een tarwestoppel.
Overigens zou niet geschoten mogen
worden op deze ganzen omdat ze niet invlogen op een
perceel waar schade kan worden toegebracht, bijvoorbeeld
een stuk land met ingezaaide wintertarwe. Want de
beperking op het schieten van al te veel ganzen richt
zich op het schadegevoelige gebied. Elders in de jacht
mag niet gedood worden met het geweer. Niet bij het
opstijgen van de rustplaatsen, meestal groot water zoals
hier het Amstelmeer, niet op de trek naar de
foerageerplaatsen. Slechts op de schadegevoelige
foerageerplaats als ze er tenminste niet overheen
vliegen.
Ik moet nu even terug in de
geschiedenis van de ganzenjacht in Nederland met jou om
te begrijpen wat er precies aan de hand is met die vorm
van jacht. Die heb ik volop meegemaakt in Friesland, op
de Fluessen en omringende meren zoals Gaast- en Zandmeer
bij Heeg, en de Morra en de Geeuw ten zuiden van de
Galamadammen en d 'Olde Karre, het meest zuidelijke deel
van de Fluessen. Waar ik met Henk Weijburg een decennium
lang heb gejaagd. En waar veel ganzenjagers ook op het
land jagen zoals onder Elahuizen ten oosten van de
Fluessen. En zoals vriend en uitmuntend ganzenjager Henk
de Boer, in het Heidenskip waar hij werd geboren en
opgroeide.
Ganzen slapen daar in de nacht vaak
op het IJsselmeer maar onder winterse omstandigheden ook
midden op de Fluessen in grote groepen dicht bij elkaar.
Bij het ochtendgloren en tot tienen trekken ze dan naar
hun foerageergebieden op het land, daar meestal goede
graslanden. Ze worden niet beschoten op hun
slaapplaatsen en niet in hun foerageergebied. Doe je dat
laatste wel dan zijn ze met zijn allen na het eerste
salvo schoten weg en komen voorlopig niet meer terug en
soms nooit meer. Ze leren om zo te zeggen vliegensvlug
en wij mensen, met name Friezen, vinden ganzen
intelligente wezens.
Ze worden meestal bejaagd op de trek
en zonder lokstal, dus verborgen in het riet langs de
wateren, of liggend tegen een slootkant, dan wel vanuit
een hut voor de eendenjacht op het water. Je schiet ze
dan nauwelijks, behalve bij sterke tegenwind, als ze
lager vliegen dan normaal. Een gans schieten is dan min
of meer een gelukstreffer. En dat wisten en weten de
Friezen en die vonden er wat op. Die jaagden vanuit
speciale schuilhutten afgezonken in sloten met zinken
bakken voor de droge voeten en met levende lokganzen in
het veld waar de wilden trekken. Bij overvliegen werd
een Gent de lucht in gegooid en voorwaar ik zweer het,
die bracht het hele stelletje wilden terug en viel samen
met ze in, tussen de tamme ganzenfamilie op de grond. Om
die getrainde gent niet te schieten had hij een strikje
om de hals, een vlinderdasje zogezegd.
De wilden werden zeer effectief
doodgeschoten en weinigen vlogen gewond weg en werden
dan vaak nog binnengehaald met de kogel. Of op het water
door de eendenjager in zijn boot. Om tien uur werd de
jacht vanwege de wet gestaakt en meestal werden er
maximaal enkele tientallen geschoten. Een heel karwei
nog om dat spul schoon en panklaar te maken overigens.
Ze werden opgegeten, ook al waren ze nog zo oud. En er
was altijd bouillon van ganzenkarkassen op de
ganzenboerderijen zoals die in het Heidenskip waar ik
wel kwam in de goeie oude ganzentijd, bij de familie van
Henk, een grote knuistenfries die schiet als een
scheermes. Later werd noodgedwongen overgegaan op
plastic lokkers, of blokken zoals vroeger die houten
dingen heetten. Dat zette al minder zoden aan de dijk.
De trek werd door het ganzenspul niet
gemakkelijk verlegd maar er werd ook niet alle dagen op
geschoten want dat zou vragen zijn om moeilijkheden. Nu
er voor schadebeheer en in het kader van
afschotregelingen zoals ontheffingen en vrijstellingen
weer beheer met het geweer nodig is, is de ouderwetse
ganzenjacht op de trek illegaal. En het jagen op een
veld met schade waar ze op invliegen doe je maar een of
twee keer en dan verleggen ze hun foerageergebied. En lo
and behold er vliegen nu dertig procent van de ganzen
met hagelkorrels, ziek geschoten, in het rond boven
Nederland. De huidige vorm van jacht – oh pardon
schadebestrijding met het geweer is het, want het is werk nu
en geen genot meer bij de wet - maakt effectief
doodschieten vrijwel onmogelijk.
Er zijn enkele processenverbaal in
Friesland gemaakt tegen ganzenjagers die op
overvliegende ganzen schoten en naar ik heb horen
vertellen zou de rechter ze geseponeerd hebben. Terecht
natuurlijk. Zo zie je beste Peter dat jagers
gecriminaliseerd worden met de mogelijkste en vooral ook
de onmogelijkste regelgeving. Zoals in Zuid Holland waar
het knalapparaat aan moet blijven staan tijdens de
jacht. Pure pesterij natuurlijk.
En als het woud van regels nu maar
niet nog wouter wordt (dit is het meervoud van woud
volgens gedeputeerde Rouvoet van de Christen Unie,
uitgesproken tijdens een verhit debat in de Kamer), want
dan worden vroeg of later alle jagers criminelen.
Indien het nu nog niet duidelijk is
laat het me dan weten beste vriend, die nog nooit een
dier heeft doodgeschoten,
Weidmansheil,
Jo de ganzenjager