Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

Hoofdstuk 241 ; 17 oktober 2006

Over het opstijgen, vliegen en dalen van ganzen
of
De regeltjescriminalisatie van de Nederlandse jagers


Beste Peter,

Als bevriende niet-broeder in Hubertus, als klankbord voor mijn Memoires nu tijdens dit tweehonderdeneenenveertigste hoofdstuk van 17 oktober 2006, heb ik er behoefte aan jou uit te leggen hoe de jagers in Nederland middels een woud aan beperkingen en regels gecriminaliseerd worden. Want als ik het aan jou kan uitleggen moet iedereen het kunnen begrijpen die bij zijn volle verstand is en ook niet jaagt. Tijdens het Algemeen Overleg in de Kamer van vijf oktober werd door het hoogblonde politieke groenlinkse gedeputeerde meisje opgemerkt dat bij een uitvoerige controle van jagers in Friesland tachtig procent in overtreding was. Van Rob van Moerkerken, mijn jachtopzichter in de Noordoostpolder hoorde ik het getal achtentachtig procent. Minister Veerman beloofde een en ander te zullen onderzoeken en de verwachting is dat er uitvoerige controles gaan komen door het hele land nu het jachtseizoen gisteren geopend is.

Het gaat hierbij ook om hele kleine vergrijpjes, zoals het achterlaten van de jachtakte in de auto in plaats van het meedragen in de jachtkleding. Maar ook om het schieten van overvliegende ganzen, terwijl alleen invliegende ganzen op een perceel met schade geschoten mogen worden. Overvliegende niet. En wat deze onmogelijke regel betreft die aangedragen is vanuit het Beleidskader Ganzenbeheer aan de Provincies, door ornithologen en bureaucraten, heb ik waarnemingen in het veld gedaan. Ik jaag immers alle dagen nu, nu ik met pensioen ben, hier in de ganzenhemel op aarde die de Anna Paulowna polder heet. Let wel op eenden en duiven want de ontheffing voor het afschot van ganzen is er nog steeds niet.

Er stond hier in augustus, toen ik hier aankwam een bloembollenveld, van wel tweehonderd bij tweehonderd meter, onder water. Er was een dijkje aangelegd, de drainage werd gestopt en het water stond er tot enkele tientallen centimeters diep in, behalve in de uitgegraven sleuf binnen de dijkjes rondom, waar het iets dieper was, maar hooguit een halve meter.

Ganzen, eenden en vele steltlopers vonden er voedsel of kwamen er overnachten. Tijdens het hoogtepunt eind augustus en tot in september stonden er wel vijfhonderd grauwe ganzen, lagen er honderd eenden van verschillende soorten, enkele tientallen nijlgansen en soms duizend grote en kleine steltlopers, met name ook honderden wulpen. In oktober was die bonanza bij het opdrogen over en nu zijn de bloembollen voor het volgend jaar al weer geplant en ligt er stro over de bedden, om het opwaaien van zand en heuse zandstormen te voorkomen en tegen excessieve vorst te beschermen. Enkele duiven proberen er nog wat graankorrels te vinden, nu de tarwe stoppels leeg raken.

De grote grauwen kwamen er bijna elke avond om te slapen op die kunstmatige grote watervlakte. Eenden kwamen er net als de steltlopers om aaltjes en wormpjes te eten. Die zijn schadelijk voor bollen en verdrinken in het water. Ook onkruidzaden leggen onder water naar verloop van tijd het loodje.

Ganzen vliegen meestal, maar niet altijd, naar zo'n water toe tegen de wind in. Gezeten in een hutje bij een van de punten van het water, zeg maar bij de cornervlag, iets voor en tot een uur na zonsondergang, kwamen ze dan over me heen in vele V-vormige squadrons van twee of meer, tot groepen van honderd aan toe. Ik schoot er niet op, want dat mocht niet. Wel schoot ik af en toe een eend voor de pot.

Sommige groepen vliegen laag in, op een hoogte van niet meer dan twintig a dertig meter, langzaam dalend en midden op het water middels enkele wiekelingen stonden ze in de bollenplas. Een kind kon zien dat die wilde invallen. Maar de meeste ganzen vlogen aan op hoogtes van vijftig tot zelfs tachtig meter, niet of nauwelijks dalend. Midden boven de Plas gekomen lieten ze zich vrijwel loodrecht met vele wiekelingen vallen. Als je niet beter zou weten had je gedacht dat ze over zouden vliegen, ook al omdat ze zo snel vliegen en nauwelijks vaart minderen. Maar er vlogen er nauwelijks over het water weg daar. Ik wist dat die ganzen zouden invallen, maar een controleur op afstand met een grote kijker zou dat niet kunnen zien. Onmogelijk. Een strikte dienstklopper zou dan ook een procesverbaal moeten optekenen als op die ganzen in Linéa recta vlucht geschoten zou worden. Hetzelfde heb ik op hun tijdelijke foerageergebieden hier gezien, zoals op een tarwestoppel.

Overigens zou niet geschoten mogen worden op deze ganzen omdat ze niet invlogen op een perceel waar schade kan worden toegebracht, bijvoorbeeld een stuk land met ingezaaide wintertarwe. Want de beperking op het schieten van al te veel ganzen richt zich op het schadegevoelige gebied. Elders in de jacht mag niet gedood worden met het geweer. Niet bij het opstijgen van de rustplaatsen, meestal groot water zoals hier het Amstelmeer, niet op de trek naar de foerageerplaatsen. Slechts op de schadegevoelige foerageerplaats als ze er tenminste niet overheen vliegen.

Ik moet nu even terug in de geschiedenis van de ganzenjacht in Nederland met jou om te begrijpen wat er precies aan de hand is met die vorm van jacht. Die heb ik volop meegemaakt in Friesland, op de Fluessen en omringende meren zoals Gaast- en Zandmeer bij Heeg, en de Morra en de Geeuw ten zuiden van de Galamadammen en d 'Olde Karre, het meest zuidelijke deel van de Fluessen. Waar ik met Henk Weijburg een decennium lang heb gejaagd. En waar veel ganzenjagers ook op het land jagen zoals onder Elahuizen ten oosten van de Fluessen. En zoals vriend en uitmuntend ganzenjager Henk de Boer, in het Heidenskip waar hij werd geboren en opgroeide.

Ganzen slapen daar in de nacht vaak op het IJsselmeer maar onder winterse omstandigheden ook midden op de Fluessen in grote groepen dicht bij elkaar. Bij het ochtendgloren en tot tienen trekken ze dan naar hun foerageergebieden op het land, daar meestal goede graslanden. Ze worden niet beschoten op hun slaapplaatsen en niet in hun foerageergebied. Doe je dat laatste wel dan zijn ze met zijn allen na het eerste salvo schoten weg en komen voorlopig niet meer terug en soms nooit meer. Ze leren om zo te zeggen vliegensvlug en wij mensen, met name Friezen, vinden ganzen intelligente wezens.

Ze worden meestal bejaagd op de trek en zonder lokstal, dus verborgen in het riet langs de wateren, of liggend tegen een slootkant, dan wel vanuit een hut voor de eendenjacht op het water. Je schiet ze dan nauwelijks, behalve bij sterke tegenwind, als ze lager vliegen dan normaal. Een gans schieten is dan min of meer een gelukstreffer. En dat wisten en weten de Friezen en die vonden er wat op. Die jaagden vanuit speciale schuilhutten afgezonken in sloten met zinken bakken voor de droge voeten en met levende lokganzen in het veld waar de wilden trekken. Bij overvliegen werd een Gent de lucht in gegooid en voorwaar ik zweer het, die bracht het hele stelletje wilden terug en viel samen met ze in, tussen de tamme ganzenfamilie op de grond. Om die getrainde gent niet te schieten had hij een strikje om de hals, een vlinderdasje zogezegd.

De wilden werden zeer effectief doodgeschoten en weinigen vlogen gewond weg en werden dan vaak nog binnengehaald met de kogel. Of op het water door de eendenjager in zijn boot. Om tien uur werd de jacht vanwege de wet gestaakt en meestal werden er maximaal enkele tientallen geschoten. Een heel karwei nog om dat spul schoon en panklaar te maken overigens. Ze werden opgegeten, ook al waren ze nog zo oud. En er was altijd bouillon van ganzenkarkassen op de ganzenboerderijen zoals die in het Heidenskip waar ik wel kwam in de goeie oude ganzentijd, bij de familie van Henk, een grote knuistenfries die schiet als een scheermes. Later werd noodgedwongen overgegaan op plastic lokkers, of blokken zoals vroeger die houten dingen heetten. Dat zette al minder zoden aan de dijk.

De trek werd door het ganzenspul niet gemakkelijk verlegd maar er werd ook niet alle dagen op geschoten want dat zou vragen zijn om moeilijkheden. Nu er voor schadebeheer en in het kader van afschotregelingen zoals ontheffingen en vrijstellingen weer beheer met het geweer nodig is, is de ouderwetse ganzenjacht op de trek illegaal. En het jagen op een veld met schade waar ze op invliegen doe je maar een of twee keer en dan verleggen ze hun foerageergebied. En lo and behold er vliegen nu dertig procent van de ganzen met hagelkorrels, ziek geschoten, in het rond boven Nederland. De huidige vorm van jacht – oh pardon schadebestrijding met het geweer is het, want het is werk nu en geen genot meer bij de wet - maakt effectief doodschieten vrijwel onmogelijk.

Er zijn enkele processenverbaal in Friesland gemaakt tegen ganzenjagers die op overvliegende ganzen schoten en naar ik heb horen vertellen zou de rechter ze geseponeerd hebben. Terecht natuurlijk. Zo zie je beste Peter dat jagers gecriminaliseerd worden met de mogelijkste en vooral ook de onmogelijkste regelgeving. Zoals in Zuid Holland waar het knalapparaat aan moet blijven staan tijdens de jacht. Pure pesterij natuurlijk.

En als het woud van regels nu maar niet nog wouter wordt (dit is het meervoud van woud volgens gedeputeerde Rouvoet van de Christen Unie, uitgesproken tijdens een verhit debat in de Kamer), want dan worden vroeg of later alle jagers criminelen.

Indien het nu nog niet duidelijk is laat het me dan weten beste vriend, die nog nooit een dier heeft doodgeschoten,

Weidmansheil,

Jo de ganzenjager

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz