Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

 

Jacht in Het Beloofde Land
 
Voor Servaas en met dank aan Adriaan
  
Adriaan van Dis, reizend met zijn Zuid-Afrikaanse Eva door de karroo, vertrouwde zijn emoties, gevoelens en gedachten toe aan het papier in Het Beloofde Land. Zijn boek inspireerde mij op mijn vlucht van Kaapstad naar Amsterdam het navolgende verhaal over de jacht te schrijven. Omdat Servaas, mijn jongste zoon, Nederlands studeert en ook jager is, probeer ik het deze keer in het Nederlands met een beetje Afrikaans, vooral wat betreft de namen van planten en dieren die in zuidelijk Afrika door Van Riebeek en de zijnen werden gegeven en waarvoor vaak geen betere Nederlandse bestaan. Daar komt nog bij dat Walter Sibold, de jagende boer met wie ik Duits spreek, met zijn arbeiders op de boerderij Afrikaans spreekt, zoals met de zwarte Paul Witbeen, een Damara, onze spoorzoeker bij de jacht.
 
Op de grens van de districten Windhoek en Okahandja ligt Hummelshaim. De boerderij van Albin Hummel werd gesticht in 1907 na een overeenkomst met de Herrero’s, een zwart volk en van oorsprong uit Oost-Afrika. Na Eugen Sibold, die met Albin's dochter Elisabeth trouwde en de 7500 hectare grote farm bewerkte van 1947 tot 1994, zwaait nu zijn zoon Walter samen met Katharina de scepter.
 
Drie generaties boeren hebben de savanne met veel grasland en doornachtige struiken op het centrale hoogland tussen Windhoek en Gobabis bewerkt en er veeteelt bedreven zonder het wild al te veel te benadelen. De van oorsprong Duitse emigranten in Zuidwest-Afrika, nu Namibië, samenlevend met Damara’s op de boerderij, zijn geworteld in dit harde Afrikaanse land van veelal te weinig water en soms jarenlange periodes van droogte zonder noemenswaardige regenval. Dan hangt overleven aan een zijde draad, met alleen nog het fokvee en gemalen hakkiebossie als laatste veevoer en het grote wild weggetrokken naar elders. Want ondanks de afrasteringen trekken de grote antilopen er nog,  koedoes, hartebeesten en gemsbokken.
 
Hummelshaim heeft ook twee wereldoorlogen overleefd en grote politieke veranderingen, waaronder de revolutie geïnitieerd door de Swapo dat gedomineerd wordt door de Ovambo’s, die de meerderheid van de bevolking vertegenwoordigen, met Sam Nujoma als huidige president (een wat mindere God als Nelson Mandela). Enkele procenten Namibiers zijn van vooral Duitse oorsprong, maar hebben nog veel economische macht die verankerd is in de grote boerderijen en jachtfarms.
 
In die tijd groeiden er op de geaccidenteerde winderige hoogvlakte minder struiken en waren de grasvlakten in de regenjaren nog weids met vooral springbokken en wildebeesten. Na een eeuw begrazing door rundvee is het een doornstruweel met Acacia soorten zoals kameeldoring, haak-en-steek (wachiebietie), vaalkameeldoring, trassiedoring, soetdoring en swarthaak (hakkiebossie) als dominante doornige bomen.
 
En omdat de cheetah en het luipaard hierin de springbokken gemakkelijker kunnen verrassen zijn deze langzaam verdwenen en omdat de gnoes een voor het vee gevaarlijke ziekte kunnen overbrengen en overbejaagd werden, zijn er nu vooral de gemsbokken en de hartebeesten. De koedoes hebben er altijd getrokken en tot op de dag van vandaag blijkt uit merkproeven dat deze soms binnen een maand 800 kilometer afleggen. In het begin van deze eeuw zijn de koedoes zo massaal gestorven aan de runderpest dat er voor dit dier een standbeeld is opgericht midden in Windhoek.
 
Eugen Sibold had de jagersbijnaam ”hartebeestkoning” van Namibië. Hij was een der eerste grootwildjagers van het land, die zijn farm openstelde voor  de jachttoeristen,die voornamelijk uit Duitsland en Oostenrijk kwamen. Dat was eind zestiger jaren. Nu met Sibold aan het roer, komen er nog steeds jagers, maar nooit meer dan tien tot twintig per jaar om zo het aanbod aan trofeeën van de hoogste klassen te waarborgen.
 
Momenteel zijn er niet minder dan 450 geregistreerde jachtfarms in Namibië en vaak zijn ze te commercieel en gaat het er niet altijd erg weidelijk aan toe. De wetgeving is echter gebaseerd op die van de Duitsers, die traditioneel goed is.
 
Voor de Siboldts met soms tot 700 stuks "bees" en 2000 grote antilopen representeert de jacht ongeveer een kwart van het inkomen. Walter is gediplomeerd door de Namibische jachtorganisatie (NAPHA), jaagt altijd persoonlijk mee en beslist wat er wordt geschoten.
 
Hulp bij het villen en uitbenen is er van zijn Damara’s, een zwart volk dat ontstaan is door vermenging van een naar het zuiden getrokken Westafrikaans volk en de lokale khoisan, een verzamelnaam voor bosjesmannen, hottentotten en lokale groepen van jager/verzamelaar volken van de ‘kliktalen’, zoals ook de topnaar. Het prepareren van de trofeeën en de huiden geschiedt door erkende preparateurs,  taxidermisten genoemd.
 
De zwarte Nossob ontspringt op het land van een naburige boerderij en de witte Nossob iets verderop. Samen verzinken ze honderden kilometers verder in de Kalahari en aan het van hieruit zuidoostelijke einde ligt een der grootste wereldnatuurparken: het Kalahari Gemsbok Park, op de grenzen van Zuid-Afrika, Namibie en Botswana, open aan de kant van dit laatste, maar door hoge wildrasters afgegrensd aan de kant van de twee eerste, vooral om de leeuwen en de cheeta's te weren.
 
De stenige geaccidenteerde hoogvlakte, waar de beide Nossobs ontspringen, vangt gemiddeld nog zo’n 200-500 mm regen, maar de zanderige baksteenrode Kalahari duinen veel minder. Het jaar 1997, te weten de zomer rond de jaarwisseling, was een jaar met excessieve regenval waarbij de zuidelijker gelegen Sossusvlei van de Namibische woestijn langs de kust helemaal vol liep. Zo uitzonderlijk dat het zelfs in Nederland nieuws was. Goed nieuws, ook voor het wild natuurlijk, met veel jonge dieren in de herfst van 1997 en nu in het “najaar’ van 1998.
 
 “Het hulle al verby gesny”, vraagt Walter aan Paul Witbeen. De grote koedoe met kapitale diepgedraaide hoorns is er met zijn vrouwelijke soortgenoten vandoor. Het is bronsttijd nu, eind april. Twee keer zijn we vandaag op ca. 200 meter gekomen. Een keer na een twee kilometer lange, langzame bers door een dal en weer omhoog tot aan een glooiende bergrand. Sluipend, soms kruipend van struik tot struik, van rots tot rots en altijd maar weer onder de wind blijvend. Walter vond het net iets te ver om te schieten en nog korter bij sluipen was onmogelijk door gebrek aan dekking.
 
De 300 gram zware .375 Holland en Holland Winchester Magnum ‘valt’ snel na 150 meter en is eigenlijk bedoeld om tussen de 100 en 150 meter te schieten. Tot twee keer toe was het prachtige dier afgesprongen vandaag en het zou zeer waarschijnlijk met zijn kudde wegtrekken nu.
 
Het wild kan over en soms ook door de ca.120 centimeter hoge afrasteringen, die slechts bedoeld zijn om het vee ter plaatse te houden. Het is vrije wildbaan hier waar geen grote antilopen worden uitgezet, zoals dat momenteel overal in Zuid-Afrika gebeurt.
 
Daar was het wild, bijvoorbeeld in de Karroo, vrijwel volledig uitgeroeid tegen het eind van de vorige eeuw, toen de Boeren en de Engelsen er trokken en met elkaar vochten. Tegen de zin van Walter worden er zo nu en dan hartebeesten uit deze contreien weggevangen en in Zuid-Afrika op de grote veilingen verkocht. Omdat ze rondtrekken en eigenlijk geen eigendom zijn van een bepaalde boer, is dit natuurlijk een slechte en oneerlijke zaak, die de wildstand geen goed doet.
 
Na de dag met Paul op het bakkie, gingen Walter en ik er alleen op uit. Een lange bers op een kudde koedoes aangevoerd door een mooie oude stier eindigde vreemd genoeg met een zilveren gemsbok die we niet hadden gezien toen de bers begon. In de namiddag werd een zeer oud vrouwelijk vlakvark geschoten aan de drinkplaats waar Walter met zijn bersstokken eerst een twee meter vijftig lange zwarte mamba uit de jagersschuilplaats had moeten verjagen. Ook dat hoort erbij. Na verdere omzwervingen kwamen we bij een poel waar een groep bobbejanen vanaf de rotsen een hels kabaal maakten omdat ze ons gezien hadden en Walter had er hier weinig fiducie in omdat het wild vertrekt bij zoveel apenlawaai.
 
We bleven toch want het was er lekker koel in de schuilplaats en enkele families nijlgansen en wat Kaapse talingen veraangenaamden het verpozen. Vogels zijn er in overvloed hier, alhoewel de Europese soorten die hier overwinteren in april natuurlijk alweer vertrokken zijn. De tarentaal en de rooibekfisant, maar vooral de gompou - de “747” onder de vogels en soms 15 kilogram zwaar - zijn hier voor de jager zeer interessante vogels, alhoewel de reuzentrap natuurlijk beschermd is. De “pauw” die gom eet van de acacia soorten werd gompou in het Afrikaans.
 
Trap in HongarijeHet is de grootste soort van de familie der trappen, met twee soorten vertegenwoordigd in Europa: de kleine en de grote trap. De laatste soort werd nog tot ca.1940 bejaagd in Duitsland bij Brandenburg en is nu nog op de Hongaarse puszta te zien. Opvallend in de open grasland gebieden is hier  ook de swartkorhaan, een kleinere uitvoering van de trappen, die niet nauw met onze korhoenders verwant is. Hier bij het water kan de kwevoel, de grijze lourie, die vervelend kan zijn om zijn langdurige gekrijs, waardoor het wild soms verjaagd wordt.
 
Een mooie rooihartbees bul kwam er drinken. Na enige tijd verdween hij weer vanwaar hij gekomen was. Het was nu na vijven en Walter besloot op te stappen. De bobbejanen brulden nog steeds, maar nu verder weg. Misschien hadden ze het voorzien op een luipaard, niet op ons. We klommen uit de rotsige schuilplaats en liepen langzaam terug naar de auto die enkele honderden meters hoger langs het pad geparkeerd stond.
 
Walter aarzelde nog en bleef omkijken omdat hij nog een glimp van een jonge koedoe had gezien. Ook een gemsbok wilde nog drinken. We liepen verder, bepakt met stokken, stoeltjes, verrekijker en geweer. Nog een keer keken we om en daar stond plotseling een oude statige koedoe met een prachtig stel horens.
 
Daarna gebeurde alles snel, als in een droom, die evengoed een nachtmerrie had kunnen worden. De bronstige koedoe stier begon een schijngevecht met een hoge kleiwand. Kennelijk bij gebrek aan een rivaal en een teveel aan in het bloed circulerende geslachtshormonen die hem  naar de de kop gestegen waren. Hij had sex in zijn kop en keek niet goed uit wat er om hem heen gebeurde.
 
Dat bleek ons geluk bij een ongeluk zoals even later duidelijk werd. Walter gaf me zijn twee, door een zwart rubberen bandje bij elkaar gehouden, lange stokken, die ik gekruist voor me op de rotsen zette, een beetje laag. Ik stond wat hoger op de schuin aflopende rotsen en moest gedeeltelijk door de knieën om te kunnen schieten.
 
Walter floot, ik trilde en schoot en Walter schreeuwde direct ”vorbei geschossen” zoals Duitsers dat zo treffend kunnen zeggen, nietwaar.  De koedoe schrok, maar was toch nog steeds niet geheel en al bij de les. Langzaam sjokkend en om zich heen kijkend om de richting van waaruit het gevaar dreigde, te lokaliseren, trok hij door de bosjes van ons af, door het dal en weer omhoog aan de andere kant.
 
Ik had de stokken laten  vallen en was achter een manshoog rotsblok gaan staan waar ik kon opleggen terwijl Walter het dier goed in de gaten hield. Het kwam tevoorschijn tussen de struiken en Walter floot keihard op zijn vingers. Het beest bleef staan – stond gelukkig dwars op zo’n 180 meter van ons vandaan – en ik schoot, hoog mikkend, voor de tweede keer. Als door de bliksem getroffen viel het dier.
 
Het was praktisch donker en we slaakten een zucht van verlichting. Weidmansheil en dank klonken na het uitdelen van de breuk aan dier en jager, zoals ook in Duitsland gebruikelijk is. Het bakkie met de handlier voorop en een kleine katrol onder de stang werd opgehaald en met pijn en moeite bij de koedoe gereden, waar het 500 kilo zware dier met nog meer moeite achterop werd gedraaid.
 
Het was pikdonker toen we thuis kwamen, maar de Damara’s stonden al klaar om het dier aan de hoge driepoot te hijsen en te villen. Een circa 12 –13 jaar oude stier, met een omvang van de trophee aan de basis van 28 centimeter en een behoorlijke lengte van 120 centimeter leverde aan punten op 2+28+2+120=296: volgens de Namibische richtlijn een zilveren medaille waard.
 
Dat het beest erg oud was bleek de volgende avond nadat “steaks” op de braai waren klaargemaakt. Ze waren zo taai dat ze niet te eten waren  en dat Katharina ze moest verwerken - als hele kleine stukjes - in het boerenontbijt van de morgen erna.
 
Die avond begon met een whisky en een groot koud glas bier, een kopstootje op zijn Nederlands. Er werd nagepraat en gefilosofeerd. Grote jachtverhalen uit het verleden borrelden als vanzelf op uit de herinnering. Katharina’s wildbraad was weer voortreffelijk en een droe steen van die weskaap maakte de tongen nog wat losser.
 
De natuur, de jacht en de mens in Nederland vergelijken met die van het dunbevolkte Namibië, waar nu de laatste Bosjesmannen nog met giftige pijlen jaagden, hier veer vandaan. Weliswaar niet meer geïsoleerd van de rest van de mensheid en met de nodige toeristische invloeden, maar toch nog af en toe zonder geweer. De kennis om een aangeschoten giraffe een dag lang kilometers ver te volgen en het spoor niet te verliezen was er nog. De jagende mens in een kleine groep, meetrekkend met het wild, zonder vaste woon- en verblijfplaats, was nu wel verdwenen. Walter, boer en jager, had natuurlijk wel zo’n vaste woon- en verblijfplaats en had wortel geschoten. Nooit zou iemand hem hier weer weg krijgen. Nooit van zijn  leven, zei hij. Hij zou het land tot zijn laatste snik verdedigen. Hij was Namibier, geen Duitser.
 
Veeteelt en jacht zijn, zijn bestaan. Hij beschermt de natuur en het wild en zal in een slecht regenjaar de koeien elders uitbesteden om zo genoeg gras over te houden voor het  wild dat anders weg trekt. Want met het wild, zoals de jagers/verzamelaars dat deden kan niet. De Europese mens begon in een hol om de winter te overleven, met voedsel dat hij in de herfst gepreserveerd had. Graan van de landbouw en vlees van de jacht, maar levend op een  plek. De Afrikaan kon niet anders dan met het  wild meetrekken: in tijden van droogte met de regen mee, naar de betere graasgebieden. En een hol voor de winter was niet nodig, want de temperatuur bleef hoog  genoeg om achter een scherm de nacht door te brengen, zelfs in de koudste tijden.
 
Adriaan beschreef de gevolgen van de “bezetting” van de karroo door de bijbeldragende Hollanders. Hun relatie tot de Afrikaanse zwarte volksstammen die uit het noorden kwamen en de lokale Khoisan, hier vooral Hottentotten. De Karroo: het beloofde land aan de tiende stam. Waar de natuur hard is en de springbokken in de vorige eeuw nog met honderdduizenden trokken. Het land van de voortrekkers, die ook diep geworteld zijn in dit kale rotsige land. Waar ik jaagde in Beaufort West op springbokken, maar dan wel uitgezet en binnen hoge wildrasters.
 
Hier in Namibië leven de Himba’s, de Ovambo’s, de Damara’s, de Herrero’s, de Topnaar en Bosjesmannen, de Basterds en de Blanken. Hier in Zuidelijk Afrika waar de mensheid is ontstaan, honderdduizenden jaren geleden, waar Homo sapiens het eerste denkwerk verrichte, de wereld veroverde op de dieren en die wereld naar zijn hand begon te zetten.
 
Eerst jagend en zoekend naar de vruchten des velds, toen als landbouwer, de bossen kappend en vervolgens als stedeling die de natuur nog alleen op afstand ziet en ervan vervreemd is. Verlangt een jager uit de stad daarom naar dit Beloofde Land? En wil hij daarom misschien met jou naar de Bosjesmannen, Servaas ? Ze zijn goed te verstaan, want ze spreken Zuid-Afrikaans. En ze jagen er nog voor hun dagelijks brood: het zijn de laatste broodjagers. Daar kun je nog wat van leren.
 

Ich habe gedacht das es ein Gatter war
Aber es war freie Wildbahn, wirklich war
Hakkiebossie und Wachiebietie
Aber die Kudus und Hartebeeste haben gewartet nie
Gezogert habe ich eine Sekunde zu viel
Mit Gamsbock schon im Fernrohrziel
Abe so soll ein guter Jagdtag sein
Ob der Kugel fliegt, ja oder nein


Jo.Hilgers, juni 1998

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz