|
Jacht in Het Beloofde Land
Voor Servaas en met dank aan Adriaan
Adriaan van Dis, reizend met zijn Zuid-Afrikaanse Eva door
de karroo, vertrouwde zijn emoties, gevoelens en gedachten
toe aan het papier in Het Beloofde Land. Zijn boek
inspireerde mij op mijn vlucht van Kaapstad naar Amsterdam
het navolgende verhaal over de jacht te schrijven. Omdat
Servaas, mijn jongste zoon, Nederlands studeert en ook jager
is, probeer ik het deze keer in het Nederlands met een
beetje Afrikaans, vooral wat betreft de namen van planten en
dieren die in zuidelijk Afrika door Van Riebeek en de zijnen
werden gegeven en waarvoor vaak geen betere Nederlandse
bestaan. Daar komt nog bij dat Walter Sibold, de jagende
boer met wie ik Duits spreek, met zijn arbeiders op de
boerderij Afrikaans spreekt, zoals met de zwarte Paul
Witbeen, een Damara, onze spoorzoeker bij de jacht.
Op de grens van de districten Windhoek en Okahandja ligt
Hummelshaim. De boerderij van Albin Hummel werd gesticht in
1907 na een overeenkomst met de Herrero’s, een zwart volk
en van oorsprong uit Oost-Afrika. Na Eugen Sibold, die met
Albin's dochter Elisabeth trouwde en de 7500 hectare grote
farm bewerkte van 1947 tot 1994, zwaait nu zijn zoon Walter
samen met Katharina de scepter.
Drie generaties boeren hebben de savanne met veel grasland
en doornachtige struiken op het centrale hoogland tussen
Windhoek en Gobabis bewerkt en er veeteelt bedreven zonder
het wild al te veel te benadelen. De van oorsprong Duitse
emigranten in Zuidwest-Afrika, nu Namibië, samenlevend met
Damara’s op de boerderij, zijn geworteld in dit harde
Afrikaanse land van veelal te weinig water en soms
jarenlange periodes van droogte zonder noemenswaardige
regenval. Dan hangt overleven aan een zijde draad, met
alleen nog het fokvee en gemalen hakkiebossie als laatste
veevoer en het grote wild weggetrokken naar elders. Want
ondanks de afrasteringen trekken de grote antilopen er nog,
koedoes, hartebeesten en gemsbokken.
Hummelshaim heeft ook twee wereldoorlogen overleefd en grote
politieke veranderingen, waaronder de revolutie geïnitieerd
door de Swapo dat gedomineerd wordt door de Ovambo’s, die de
meerderheid van de bevolking vertegenwoordigen, met Sam
Nujoma als huidige president (een wat mindere God als Nelson
Mandela). Enkele procenten Namibiers zijn van vooral Duitse
oorsprong, maar hebben nog veel economische macht die
verankerd is in de grote boerderijen en jachtfarms.
In die tijd groeiden er op de geaccidenteerde winderige
hoogvlakte minder struiken en waren de grasvlakten in de
regenjaren nog weids met vooral springbokken en
wildebeesten. Na een eeuw begrazing door rundvee is het een
doornstruweel met Acacia soorten zoals kameeldoring,
haak-en-steek (wachiebietie), vaalkameeldoring,
trassiedoring, soetdoring en swarthaak (hakkiebossie) als
dominante doornige bomen.
En omdat de cheetah en het luipaard hierin de springbokken
gemakkelijker kunnen verrassen zijn deze langzaam verdwenen
en omdat de gnoes een voor het vee gevaarlijke ziekte kunnen
overbrengen en overbejaagd werden, zijn er nu vooral de
gemsbokken en de hartebeesten. De koedoes hebben er altijd
getrokken en tot op de dag van vandaag blijkt uit
merkproeven dat deze soms binnen een maand 800 kilometer
afleggen. In het begin van deze eeuw zijn de koedoes zo
massaal gestorven aan de runderpest dat er voor dit dier een
standbeeld is opgericht midden in Windhoek.
Eugen Sibold had de jagersbijnaam ”hartebeestkoning” van
Namibië. Hij was een der eerste grootwildjagers van het
land, die zijn farm openstelde voor de
jachttoeristen,die voornamelijk uit Duitsland en Oostenrijk
kwamen. Dat was eind zestiger jaren. Nu met Sibold aan het
roer, komen er nog steeds jagers, maar nooit meer dan tien
tot twintig per jaar om zo het aanbod aan trofeeën van de
hoogste klassen te waarborgen.
Momenteel zijn er niet minder dan 450 geregistreerde
jachtfarms in Namibië en vaak zijn ze te commercieel en gaat
het er niet altijd erg weidelijk aan toe. De wetgeving is
echter gebaseerd op die van de Duitsers, die traditioneel
goed is.
Voor de Siboldts met soms tot 700 stuks "bees" en 2000 grote
antilopen representeert de jacht ongeveer een kwart van het
inkomen. Walter is gediplomeerd door de Namibische
jachtorganisatie (NAPHA), jaagt altijd persoonlijk mee en
beslist wat er wordt geschoten.
Hulp bij het villen en uitbenen is er van zijn Damara’s, een
zwart volk dat ontstaan is door vermenging van een naar het
zuiden getrokken Westafrikaans volk en de lokale khoisan,
een verzamelnaam voor bosjesmannen, hottentotten en lokale
groepen van jager/verzamelaar volken van de ‘kliktalen’,
zoals ook de topnaar. Het prepareren van de trofeeën en de
huiden geschiedt door erkende preparateurs,
taxidermisten genoemd.
De zwarte Nossob ontspringt op het land van een naburige
boerderij en de witte Nossob iets verderop. Samen verzinken
ze honderden kilometers verder in de Kalahari en aan het van
hieruit zuidoostelijke einde ligt een der grootste
wereldnatuurparken: het Kalahari Gemsbok Park, op de grenzen
van Zuid-Afrika, Namibie en Botswana, open aan de kant van
dit laatste, maar door hoge wildrasters afgegrensd aan de
kant van de twee eerste, vooral om de leeuwen en de cheeta's
te weren.
De stenige geaccidenteerde hoogvlakte, waar de beide Nossobs
ontspringen, vangt gemiddeld nog zo’n 200-500 mm regen, maar
de zanderige baksteenrode Kalahari duinen veel minder. Het
jaar 1997, te weten de zomer rond de jaarwisseling, was een
jaar met excessieve regenval waarbij de zuidelijker gelegen
Sossusvlei van de Namibische woestijn langs de kust helemaal
vol liep. Zo uitzonderlijk dat het zelfs in Nederland nieuws
was. Goed nieuws, ook voor het wild natuurlijk, met veel
jonge dieren in de herfst van 1997 en nu in het “najaar’ van
1998.
“Het hulle al verby gesny”, vraagt Walter aan Paul Witbeen.
De grote koedoe met kapitale diepgedraaide hoorns is er met
zijn vrouwelijke soortgenoten vandoor. Het is bronsttijd nu,
eind april. Twee keer zijn we vandaag op ca. 200 meter
gekomen. Een keer na een twee kilometer lange, langzame bers
door een dal en weer omhoog tot aan een glooiende bergrand.
Sluipend, soms kruipend van struik tot struik, van rots tot
rots en altijd maar weer onder de wind blijvend. Walter vond
het net iets te ver om te schieten en nog korter bij sluipen
was onmogelijk door gebrek aan dekking.
De 300 gram zware .375 Holland en Holland Winchester Magnum
‘valt’ snel na 150 meter en is eigenlijk bedoeld om tussen
de 100 en 150 meter te schieten. Tot twee keer toe was het
prachtige dier afgesprongen vandaag en het zou zeer
waarschijnlijk met zijn kudde wegtrekken nu.
Het wild kan over en soms ook door de ca.120 centimeter hoge
afrasteringen, die slechts bedoeld zijn om het vee ter
plaatse te houden. Het is vrije wildbaan hier waar geen
grote antilopen worden uitgezet, zoals dat momenteel overal
in Zuid-Afrika gebeurt.
Daar was het wild, bijvoorbeeld in de Karroo, vrijwel
volledig uitgeroeid tegen het eind van de vorige eeuw, toen
de Boeren en de Engelsen er trokken en met elkaar vochten.
Tegen de zin van Walter worden er zo nu en dan hartebeesten
uit deze contreien weggevangen en in Zuid-Afrika op de grote
veilingen verkocht. Omdat ze rondtrekken en eigenlijk geen
eigendom zijn van een bepaalde boer, is dit natuurlijk een
slechte en oneerlijke zaak, die de wildstand geen goed doet.
Na de dag met Paul op het bakkie, gingen Walter en ik er
alleen op uit. Een lange bers op een kudde koedoes
aangevoerd door een mooie oude stier eindigde vreemd genoeg
met een zilveren gemsbok die we niet hadden gezien toen de
bers begon. In de namiddag werd een zeer oud vrouwelijk
vlakvark geschoten aan de drinkplaats waar Walter met zijn
bersstokken eerst een twee meter vijftig lange zwarte mamba
uit de jagersschuilplaats had moeten verjagen. Ook dat hoort
erbij. Na verdere omzwervingen kwamen we bij een poel waar
een groep bobbejanen vanaf de rotsen een hels kabaal maakten
omdat ze ons gezien hadden en Walter had er hier weinig
fiducie in omdat het wild vertrekt bij zoveel apenlawaai.
We bleven toch want het was er lekker koel in de
schuilplaats en enkele families nijlgansen en wat Kaapse
talingen veraangenaamden het verpozen. Vogels zijn er in
overvloed hier, alhoewel de Europese soorten die hier
overwinteren in april natuurlijk alweer vertrokken zijn. De
tarentaal en de rooibekfisant, maar vooral de gompou - de
“747” onder de vogels en soms 15 kilogram zwaar - zijn hier
voor de jager zeer interessante vogels, alhoewel de
reuzentrap natuurlijk beschermd is. De “pauw” die gom eet
van de acacia soorten werd gompou in het Afrikaans.
Het
is de grootste soort van de familie der trappen, met twee
soorten vertegenwoordigd in Europa: de kleine en de grote
trap. De laatste soort werd nog tot ca.1940 bejaagd in
Duitsland bij Brandenburg en is nu nog op de Hongaarse
puszta te zien. Opvallend in de open grasland gebieden is
hier ook de swartkorhaan, een kleinere uitvoering van
de trappen, die niet nauw met onze korhoenders verwant is.
Hier bij het water kan de kwevoel, de grijze lourie, die
vervelend kan zijn om zijn langdurige gekrijs, waardoor het
wild soms verjaagd wordt.
Een mooie rooihartbees bul kwam er drinken. Na enige tijd
verdween hij weer vanwaar hij gekomen was. Het was nu na
vijven en Walter besloot op te stappen. De bobbejanen
brulden nog steeds, maar nu verder weg. Misschien hadden ze
het voorzien op een luipaard, niet op ons. We klommen uit de
rotsige schuilplaats en liepen langzaam terug naar de auto
die enkele honderden meters hoger langs het pad geparkeerd
stond.
Walter aarzelde nog en bleef omkijken omdat hij nog een
glimp van een jonge koedoe had gezien. Ook een gemsbok wilde
nog drinken. We liepen verder, bepakt met stokken,
stoeltjes, verrekijker en geweer. Nog een keer keken we om
en daar stond plotseling een oude statige koedoe met een
prachtig stel horens.
Daarna gebeurde alles snel, als in een droom, die evengoed
een nachtmerrie had kunnen worden. De bronstige koedoe stier
begon een schijngevecht met een hoge kleiwand. Kennelijk bij
gebrek aan een rivaal en een teveel aan in het bloed
circulerende geslachtshormonen die hem naar de de kop
gestegen waren. Hij had sex in zijn kop en keek niet goed
uit wat er om hem heen gebeurde.
Dat bleek ons geluk bij een ongeluk zoals even later
duidelijk werd. Walter gaf me zijn twee, door een zwart
rubberen bandje bij elkaar gehouden, lange stokken, die ik
gekruist voor me op de rotsen zette, een beetje laag. Ik
stond wat hoger op de schuin aflopende rotsen en moest
gedeeltelijk door de knieën om te kunnen schieten.
Walter floot, ik trilde en schoot en Walter schreeuwde
direct ”vorbei geschossen” zoals Duitsers dat zo treffend
kunnen zeggen, nietwaar. De koedoe schrok, maar
was toch nog steeds niet geheel en al bij de les. Langzaam
sjokkend en om zich heen kijkend om de richting van waaruit
het gevaar dreigde, te lokaliseren, trok hij door de bosjes
van ons af, door het dal en weer omhoog aan de andere kant.
Ik had de stokken laten vallen en was achter een
manshoog rotsblok gaan staan waar ik kon opleggen terwijl
Walter het dier goed in de gaten hield. Het kwam
tevoorschijn tussen de struiken en Walter floot keihard op
zijn vingers. Het beest bleef staan – stond gelukkig dwars
op zo’n 180 meter van ons vandaan – en ik schoot, hoog
mikkend, voor de tweede keer. Als door de bliksem getroffen
viel het dier.
Het was praktisch donker en we slaakten een zucht van
verlichting. Weidmansheil en dank klonken na het uitdelen
van de breuk aan dier en jager, zoals ook in Duitsland
gebruikelijk is. Het bakkie met de handlier voorop en een
kleine katrol onder de stang werd opgehaald en met pijn en
moeite bij de koedoe gereden, waar het 500 kilo zware dier
met nog meer moeite achterop werd gedraaid.
Het was pikdonker toen we thuis kwamen, maar de Damara’s
stonden al klaar om het dier aan de hoge driepoot te hijsen
en te villen. Een circa 12 –13 jaar oude stier, met een
omvang van de trophee aan de basis van 28 centimeter en een
behoorlijke lengte van 120 centimeter leverde aan punten op
2+28+2+120=296: volgens de Namibische richtlijn een zilveren
medaille waard.
Dat het beest erg oud was bleek de volgende avond nadat
“steaks” op de braai waren klaargemaakt. Ze waren zo taai
dat ze niet te eten waren en dat Katharina ze moest
verwerken - als hele kleine stukjes - in het boerenontbijt
van de morgen erna.
Die avond begon met een whisky en een groot koud glas bier,
een kopstootje op zijn Nederlands. Er werd nagepraat en
gefilosofeerd. Grote jachtverhalen uit het verleden
borrelden als vanzelf op uit de herinnering. Katharina’s
wildbraad was weer voortreffelijk en een droe steen van die
weskaap maakte de tongen nog wat losser.
De natuur, de jacht en de mens in Nederland vergelijken met
die van het dunbevolkte Namibië, waar nu de laatste
Bosjesmannen nog met giftige pijlen jaagden, hier veer
vandaan. Weliswaar niet meer geïsoleerd van de rest van de
mensheid en met de nodige toeristische invloeden, maar toch
nog af en toe zonder geweer. De kennis om een aangeschoten
giraffe een dag lang kilometers ver te volgen en het spoor
niet te verliezen was er nog. De jagende mens in een kleine
groep, meetrekkend met het wild, zonder vaste woon- en
verblijfplaats, was nu wel verdwenen. Walter, boer en jager,
had natuurlijk wel zo’n vaste woon- en verblijfplaats en had
wortel geschoten. Nooit zou iemand hem hier weer weg
krijgen. Nooit van zijn leven, zei hij. Hij zou het
land tot zijn laatste snik verdedigen. Hij was Namibier,
geen Duitser.
Veeteelt en jacht zijn, zijn bestaan. Hij beschermt de
natuur en het wild en zal in een slecht regenjaar de koeien
elders uitbesteden om zo genoeg gras over te houden voor het
wild dat anders weg trekt. Want met het wild, zoals de
jagers/verzamelaars dat deden kan niet. De Europese mens
begon in een hol om de winter te overleven, met voedsel dat
hij in de herfst gepreserveerd had. Graan van de landbouw en
vlees van de jacht, maar levend op een plek. De
Afrikaan kon niet anders dan met het wild meetrekken:
in tijden van droogte met de regen mee, naar de betere
graasgebieden. En een hol voor de winter was niet nodig,
want de temperatuur bleef hoog genoeg om achter een
scherm de nacht door te brengen, zelfs in de koudste tijden.
Adriaan beschreef de gevolgen van de “bezetting” van de
karroo door de bijbeldragende Hollanders. Hun relatie tot de
Afrikaanse zwarte volksstammen die uit het noorden kwamen en
de lokale Khoisan, hier vooral Hottentotten. De Karroo: het
beloofde land aan de tiende stam. Waar de natuur hard is en
de springbokken in de vorige eeuw nog met honderdduizenden
trokken. Het land van de voortrekkers, die ook diep
geworteld zijn in dit kale rotsige land. Waar ik jaagde in
Beaufort West op springbokken, maar dan wel uitgezet en
binnen hoge wildrasters.
Hier in Namibië leven de Himba’s, de Ovambo’s, de Damara’s,
de Herrero’s, de Topnaar en Bosjesmannen, de Basterds en de
Blanken. Hier in Zuidelijk Afrika waar de mensheid is
ontstaan, honderdduizenden jaren geleden, waar Homo sapiens
het eerste denkwerk verrichte, de wereld veroverde op de
dieren en die wereld naar zijn hand begon te zetten.
Eerst jagend en zoekend naar de vruchten des velds, toen als
landbouwer, de bossen kappend en vervolgens als stedeling
die de natuur nog alleen op afstand ziet en ervan vervreemd
is. Verlangt een jager uit de stad daarom naar dit Beloofde
Land? En wil hij daarom misschien met jou naar de
Bosjesmannen, Servaas ? Ze zijn goed te verstaan, want ze
spreken Zuid-Afrikaans. En ze jagen er nog voor hun
dagelijks brood: het zijn de laatste broodjagers. Daar kun
je nog wat van leren.
|
Ich habe
gedacht das es ein Gatter war
Aber es war freie Wildbahn, wirklich war
Hakkiebossie und Wachiebietie
Aber die Kudus und Hartebeeste haben gewartet nie
Gezogert habe ich eine Sekunde zu viel
Mit Gamsbock schon im Fernrohrziel
Abe so soll ein guter Jagdtag sein
Ob der Kugel fliegt, ja oder nein
|
Jo.Hilgers, juni 1998
|