Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

Hoofdstuk 47
27 februari 2003
 

Josephus Linneaus en de Berghofweide en
Victor Westhof coryfee der Nederlandse botanici

 

Beste Peter,

Ooit droomde ik er van om de hele wereld af te reizen op zoek naar mosjes, plantjes, struiken en bomen. Verder dan Lapland - waar ik me effe een gereïncarneerde Linnaeus, wat zeg ik Carolus Linnaeus, Der Carl von Linne, waande - in mijn studententijd, heb ik het echter niet gebracht.

Het hoogtepunt van mijn botanische carrière beleefde ik als student samen met studievriend Cees van Driel, die al eerder genoemd werd in mijn dagboek. Dat hoogtepunt was een studie, een uiterst gedegen, zorgvuldige vegetatiekundige studie op een zogenaamd kalkgrasland in Zuid Limburg, de Berghofweide bij Stokkem nabij Wylre, ook reeds genoemd en in verband gebracht met het hoppigste bier van Nederland.

Naar aanleiding van mijn eerdere stuk wilde studentenjaren hebben Cees en ik wat correspondentie gevoerd en herinneringen opgehaald. Ik was niet alleen maar een wilde student, maar ook een erge serieuze, althans bij tijd en wijle. Iets daarvan, van dat serieuze in mij, wil ik je nu kenbaar maken.

Het verklaart ook wat ik al eerder zei, dat ik hier in Indonesië als een verloren bioloog in de jungle sta en mijn plantjes, struiken, bomen, laat staan mijn mosjes en paddestoelen (daar zal ik nog eens apart over schrijven trouwens, want ik ben een goede - eetbare, ha, ha - paddestoelenkenner, althans wat betreft het grote Florarijk de Arctis genaamd, het noordelijk halfrond omvattend), zelfs mijn tropische groenten en fruit niet ken.

En de vogels, de lopende en kruipende dieren, de insecten ken ik ook niet. Alleen een wild varken herken ik direct en dan schiet ik het dood. Uiterst droevig voor een vent die zich bioloog wil noemen natuurlijk. Edward Russell Wallace zou mij onmiddellijk de rug hebben toegedraaid en gedacht hebben dat die Nederlanders nog nauwelijks het Stenen Tijdperk ontgroeid waren wat de biologie betreft.

De geschiedenis herhaalde zich zou hij gedacht hebben. Het was immers zijn landgenoot Raffles geweest die dat Nederlandse tuintje in Bogor echt had gesticht.

En daar moet verandering in komen, hetgeen ik zal aantonen, nog voor dit dagboek ten einde is gekomen (hoop dat ik weer effe niet te veel beloofd en tijd van leven heb).
 

Waar staan betonie en biggekruid ?
Waar vind je knautia en kruipend stalkruid ?
Waar ruik je welriekende nachtorchis ?
Waar zijn bloementrossen van gevlekte orchis ?
Waar zijn nog sleutelbloemen?
Waar nog de scherpe boterbloemen ?
Waar kun je nog rusten in het bochtige klaverveld ?
Waar kun je nog liggen onder brem in meidoornveld?
Bij tormentil en harlekijn.
Daar moet je wezen, daar moet je zijn.
Op de Berghofweide moet je zijn.
Daar bloeien tormentil en harlekijn

 

Biggekruid
Die studie was een combinatie van bodemonderzoek, met hulp van een specialist uit het Limburgse, die bodemmonsters nam en de grondsoorten determineerde. Van boormonsters tot meters diep, waar de grond dat toeliet tenminste. Van beneden in het dal met de ingespoelde colluvium gronden, tot op de helling met de kalkrots en de kleefaarde, tot boven op het plateau met de Limburgse loss, boven op het grind, bovenop het krijt van Mioceen, Eoceen of ander Ceen, of was het Krijt en niet Jura?

Verschillende grondsoorten grenzend aan elkaar met zeer verschillende eigenschappen, van bijvoorbeeld basisch naar zuur boven de kalk met grind tussen kalk en loss. Diepe voedselrijke grond zoals in het dal en arme kleefaarde, het zure overblijfsel van uitgespoelde kalk en grind. Daar hoor je van op, hé beste Peter? Wat een vaktermen nietwaar?

En dan de vegetatie op al die gevarieerde gronden beste jongen. Een lust voor het oog, het hele jaar door. Een rijkheid aan soorten die zijn weerga niet kent in Nederland, maar nog arm vergeleken met zulke graslanden meer zuidelijk in Europa en natuurlijk niks vergeleken met de soortenrijkdom van de jungle, de oer jungle wel niet te vergeten, het tropische regenwoud.

Van het piepkleine eendagsmos tot de vele soorten orchideeën en de bosmantel met klimop over prachtige weelderige meidoorns - die te kort bloeien - tot in het bos met mooie bomen zoals eik en beuk, hazelaar en zelfs het paarse peperboompje, waar geen pepertjes aan groeien.

Een hele zomer hebben we er rondgekropen, in de boerderij overnacht en door de loupe en het microscoop gekeken en in de hut van de plaatselijke natuurvrienden onze tekeningen en tabellen gemaakt. Van de orchideeën hebben we iedere plant in kaart gebracht en getekend, een heidens karwei. We hebben opnames gemaakt van alle plantjes in kwadraten van een vierkante meter en vonden soms wel 100 soorten op zo'n enkele vierkante meter. Die moesten we allemaal kennen ook zonder dat ze bloeiden.

God och God wat was ik fanatiek en blij,
O zo gelukkig op mijn knieën in de wei.


Samen met Cees en nog een andere snoeshaan van een bioloog wiens naam ik al weer kwijt ben. En dan deden we nog herbariumonderzoek in het Genootschap en zijn Museum in Maastricht. Naar het herbarium van August de Weever, dokter uit Nuth die rond 1870 geboren werd en in de veertiger jaren van de vorige eeuw overleed en het grootste botanische fenomeen dat Limburg ooit gekend heeft moet zijn geweest.

Ik schreef een serie van twaalf artikelen over de achteruitgang van de orchideeën in het Limburgse voor het Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap rond 1970, goed genoeg om later fel te worden bekritiseerd vanuit het Rijksherbarium in Leiden, door een akelig precies ventje die zijn vak het was.

Ik heb er nog een trauma van, van hoe die me afmaakte in de reguliere botanische literatuur, als ik weer eens een orchideetje in het veld of in het herbarium over het hoofd had gezien, of een oud publicatietje erover in de vakliteratuur, gemist had, of nog erger een soort totaal verkeerd gedetermineerd had en doodzonde helemaal als ik de volledige correcte Latijnse naam, niet o zo precies had vermeld in mijn amateuristische geschriftjes, met de juiste referentie erbij. God wat was ik toen nog een wetenschappelijk groentje en wat werd ik ontgroend.

Ik leerde de keiharde wetenschap kennen. De ongenadige afstraffing door je Peers, je vakgenoten, als je niet uiterst secuur en correct je werk, je onderzoek doet. Was mijn eerste goeie les. Die vent had groot gelijk, maar die verdiende dan ook een goeie boterham met dat vak en liep al jaren mee. Durfde hij wel, mij als arme student zo aan te pakken? Ik ben hem nooit in levende lijve tegen gekomen. Maar goed ook.

Nu was destijds al de grootste coryfee in botanisch Nederland een zekere Victor Westhoff, uit Wageningen aanvankelijk maar daar kan ik me in vergissen, wiens mooie dochter een pijpje rookte en waar ik een beetje op verliefd was,als we zo gezellig samen met ons botaniseertrommeltje op de Zeeuwse dijken en dijkjes naar de gekste klavertjes (niet "vier") liepen te zoeken, zoals daar zijn, de kleine klaver en ook nog veel zeldzamer de kleinste klaver en, maar dat weet ik niet zeker meer de allerkleinste klaver.

Deze latere Professor Dr Victor Westhoff - die zich sterk aangetrokken voelde tot het boeddhisme dat zo'n prachtige leer heeft wat betreft de natuur, met ons als Homo sapiens ons daar midden in, als onderdeel van een soort cirkel, althans iets zonder begin en eind nietwaar, als ik het goed heb - zag dat alles met welgevallen gebeuren en heeft later een deel van ons hoofdvakverslag geprezen als een voortreffelijk stukje. De studie van de veranderende bloemenpracht in een vegetatie, een soort bloeiende bloem onderzoek dus. Maar dat wist ik niet toen ik dat hoofdstuk schreef, zomaar in een opwelling, zittend, liggend, een beetje luierend tussen de bloemenpracht van de weide in de vroege zomer, met de lente nog in de kop.

Ik heb dat soort beschrijving van een vegetatie door het jaar heen herontdekt (niemand weet dat behalve ikzelf) en daar kreeg ik dus later een compliment over van 's lands grootste botanicus van deze tijd Prof. Dr. Victor Westhoff, die overigens niet tegen de jacht is en dat liet blijken in een interview met de Nederlandse Jager enkele jaren geleden.

Hij is daar nuchter over, ook al is hij boeddhist en hij ziet een goed wildbeheer als aanbevelenswaardig voor de vegtetatie en de verscheidenheid daarin. En jagers zijn goedkoop: rijkere landen laten het door de belasting betaler doen, die het salaris van de jachtopzichter betalen. Arme landen benutten jagers.

Cees heeft op zolder dat verslag van destijds terug gevonden gisteren en het mij per computer opgestuurd. Ik heb het enigszins aangepast en gekuist en ook van Nederlandse plantennamen voorzien, die ikzelf niet meer allemaal kende en die hij met een Flora heeft opgezocht. Hier komt het.

De Berghofweide van Stokhem

in Zuid-Limburg bij Wylre

De veranderende kleurenpracht van een bijzonder kalkgrasland

Er is een opvallend verschil in de structuurkenmerken,  het aspect en de veranderende kleurenpracht van de reservaatweide enerzijds en de aangrenzende bemeste en de af en toe met koeien  begraasde cultuurweide, met wat hoogstam fruitbomen, anderzijds.

In het vroege voorjaar, eind maart en begin april, zien we hoe grote aantallen van Primula veris (echte sleutelbloem) de hellingweide van het reservaat plaatselijk geel beginnen te kleuren. In het bos bloeit dan de blekere Primula elatior (slanke sleutelbloem), die hier en daar ook in de dalweide te vinden is.  Half april zorgt de blauwe Viola canina (hondsviooltje) en de lila Cardamine pratensis (pinksterbloem) voor enige afwisseling tussen het geel der sleutelbloemen. Reeds in deze periode is er een opvallend verschil tussen de kleuren van de reservaatweide en de ernaast gelegen in cultuur gebrachte weide. 

Dit bemeste cultuurweiland is dan wit van de massaal optredende Bellis perennis (madeliefje). Deze soort is in het schrale, veel soortenrijkere grasland van het reservaat veel armer aan individuen. Het cultuurweiland verandert jaarlijks slechts een keer van kleur wanneer de gele Ranunculus acer (scherpe boterbloem) massaal gaat bloeien. In het late voorjaar.   De weide van het reservaat verandert bijna iedere maand van kleur en aspect, doordat steeds andere soorten in bloei komen. Wanneer de primula's (sleutelbloemen) uitgebloeid raken, zien we op vele plaatsen Orchis morio (harlekijn) de hellingweide paars kleuren. In sommige jaren is ze schaars en bepaalt ze in veel mindere mate het aspect. Behalve het paars van de harlekijn, beginnen de rose en blauwe kleuren van de vleugeltjesbloemen op te treden (Polygala vulgaris en Polygala comosa). In het voorjaar zijn ze opvallender dan in de zomer omdat de vegetatie dan nog laag is.  In mei komt hier nog het geel van Potentilla erecta (tormentil) bij en in juni het wit van Chrysanthemum leucanthemum (margriet)  Onderaan de helling maar vooral in het dal bloeit dan ook de prachtige bleekrose Dactylorchis maculata (gevlekte orchis).

De vegetatie is hoger geworden en gevarieerder in kleur. Struiken zoals Sarothamnus scoparius (brem) en Crataegus monogyna (eenstijlige meidoorn) trekken de aandacht door hun bloemenpracht. Prachtig in deze tijd is ook de witte en lichtrose Rosa canina (hondsroos) die hier veel voorkomt. Een belangrijke aspectbepalende soort in de zomer is de massaal voorkomende Rhinanthus minor (kleine ratelaar), die na het uitbloeien de wei een dor, bruinachtig uiterlijk geeft. Andere algemeen voorkomende gele soorten zijn in de zomer Ranunculus bulbosus (knolboterbloem), Lotus corniculatus (rolklaver), en Galium verum (echt walstro). In de nazomer komen daarbij Leontodon hispidus (ruige leeuwetand) en Hypochaeris radicata (biggekruid). In de zomer zijn de paarse tot rode soorten zoals Scabiosa columbaria (duifkruid), Centaurea pratensis (gewoon knoopkruid) en Knautia arvensis (knautia) mede aspectbepalend. In de late zomer wordt de weide roodpaars van de vele Stachys officinalis (betonie), de plaatselijk algemene Trifolium medium (bochtige klaver) en de vele Cirsium acaule (aarddistel). Voor afwisseling op de helling zorgt o.a. de witte Platanthera bifolia (welriekende nachtorchis) en de rose Ononis repens (kruipend stalkruid).  

Het voedselrijke dal met hoge grassoorten is al sinds de zomer bruin tot steenrood door de grote aantallen Rumex acetosa (veldzuring). In deze vegetatie is veel minder afwisseling in kleur dan in schralere graslanden op de helling. In de vroege herfst verandert de kleur van de hellingweide nog eenmaal naar blauw als Succisa pratensis (blauwe knoop) begint te bloeien en Stachys officinalis (betonie) uitgebloeid raakt. Er zijn weinig kalkgraslanden in Limburg die vanaf het vroege voorjaar tot in de herfst een dergelijke afwisseling te zien geven in kleurenrijkdom. Met name het voorjaarsaspect met de sleutelbloemen en de harlekijnorchissen is uniek. In deze tijd zijn bv. Wrakelberg en  Kunderberg, nog vrijwel verstoken van massaal bloeiende soorten en bieden deze weiden nog een grauwe aanblik. Later maken daar de bijenorchis respectievelijk het hondskruid veel "goed" natuurlijk.

Kun je je voorstellen beste Peter, dat ik een blauwe maandag van mijn leven er aan dacht een grote Latijnse Plantennamen Prevelende Botanicus te worden ? Ja toch en het is toch ook een mooi vak. En ik ben een bioloog in hart en nieren, zoals je al weet en nu weer ziet. Nu nog effe wat  moraal van dit verhaal. Cees gaat weer eens terug naar het Limburgse om opnieuw de plantjes te bekijken. Hij is in een nostalgische stemming gekomen. Een oude vriendschap is nieuw leven in geblazen. Het verleden is herontdekt. En van de weeromstuit heeft een andere studievriend en levenslange collega - Rob Verstraeten - aangeboden nog wat herinneringen op te halen onder het motto: "Weet je nog wel oudje?"

Het schrijven van dit dagboek leidt dus niet alleen tot hechtere vriendschap tussen ons beiden en met andere trouwe en minder trouwe lezers, niet alleen tot meer begrip tussen ons mensen, het leidt tot hernieuwde contacten met vrienden en familie. Had jij dat gedacht toen ik er aan begon ? Ik niet en sta verbaasd. En het is een stimulans natuurlijk om door te gaan, gedurende tenminste drie maanden, want dat was de tijd die Edje D.D. Ouwe Douwes,  nodig had om zijn levenswerk te schrijven nietwaar (en zonder computer God betere het, ik moet er niet aan denken, want dat boek over die Koffieveilingen van de Bataafse Handelmaatschappij en de Hoofden van Lebak is toch een behoorlijke pil nietwaar)

Gegroet, Josephus Linnaeus

 

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz