|
11 maart 2004
Over vissen en jagen in
Alaska
en
een intelligente Grizzly Beer die ontkwam aan de Grote
Blanke Jager
DEEL I
Beste Peter,
We waren samen in Sapporo geweest, op het noordelijke eiland
van Japan dat Hokkaido heet, op een van de serie
kanker congressen georganiseerd door de International
Society of Oncodevelopmental Biology and Medicine (mijn
Oude-Jongens-Krentebrood-Kanker-Club), een onmogelijke naam,
dat geef ik toe. Het was deze keer georganiseerd door Dr.
Kohzoh Imai, niet te verwarren met mijn beste vriend in deze
wereld sinds 1976, Dr. Shunsuke Imai van Nara. Het was mijn
zoveelste reis naar Japan waar ik sinds 1976 inmiddels wel
25 keer geweest ben.
Het hotelkamertje was zo klein dat we over onze koffers in
bed moesten klimmen, Peter Kenemans en ik. Er waren veel
vrienden ook uit Nederland en bij het georganiseerde
bierfeest - ja ze doen de Duitsers een beetje na - hadden we
met zijn allen, als Nederlandse kolonie, Hop Marjanneke
stroop in het Kanneke... gezongen. Maar Jan Marrink, onze
Groningse onderzoeker en operazanger, had ook een aria uit
Madame Butterfly gezongen, dus daar konden die Japanners het
met hun Bierfest mee doen. Hun bier daar heet trouwens
Sapporo en is natuurlijk het beste bier van niet alleen
Japan maar van de hele wereld, zoals Brand's bier dat is in
Limburg.
We stapten vol blijheid op het vliegtuig naar Anchorage in
Alaska vanuit Tokyo toen we dat wetenschappelijke reisje -
voor een deel door de Nederlandse belastingbetaler betaald -
omtoverde in een toeristische terugreis met een kleine
omweg. In die tijd vloog je wel vaker vanuit Europa langs de
Noordpool over Alaska naar Japan en wie weet misschien nu
ook nog wel. Van Anchorage vlogen we door naar een kleine
plaats aan het Iliamna Meer en van daaruit werden we
opgehaald met een pick up door de Indianen waar we bij en
mee zouden gaan vliegvissen op zalm.
 
Het was de laatste week voor de winter dat de Lodge nog open
was, te weten de tweede week van september en het was
eigenlijk veel te laat voor de optrekkende zalm die via het
Iliamna Meer middels een brede rivier en verbindingsarm in
het zestig kilometer lange Clarke Meer en de zijrivieren
daarvan optrekken. Jim, een grote amicale Indiaan en zijn
behulpzame vrienden, zouden in die laatste week ook hun
caribou en moose schieten, dat dan als voedsel voor de
winter zou dienen in Anchorage waar ze de winter
doorbrachten. Niet hier in Nondalton aan het Clarke Meer. Ze
hadden trouwens hun portie zalm van enkele honderden kilo's
al in de diepvries voor hetzelfde doel.
De Lodge, een typische log cabin, was groot en gezellig met
een enorme open haard waarboven een stenen schoorsteen boven
het houten dak met langwerpige hardhouten platte dakpannen.
Behalve wij met zijn tweeën was er verder niemand meer dit
laatste weekend. De week ervoor was de Lodge nog vol geweest
met een groep van tien vissers. Dus er kon wat
geïmproviseerd worden als het aan de gastheren lag en dat
zou ook moeten wilden we aan onze trekken komen, want de
meeste zalmen waren al verrot, of lagen amechtig te hijgen
en te sterven boven de paaibedden in de kleinere rivieren.
Hier in de verbindingsrivier tussen de twee grote Meren,
zwom nog maar een enkele verlate Coho en King naar de
paaigebieden.
Er waren wel wat regenboogforellen, Dolly Varden's en andere
forelachtigen die niet naar zee trokken en natuurlijk arctic
grayling in overvloed, maar dat leverde relatief weinig op
bij het vliegvissen en kon ook beter in de kleinere
zijrivieren gebeuren dan op het grote water hier bij de
Lodge, waar de zalmen aan voorbij trokken in enorme
hoeveelheden, maar dan in juli en augustus en niet nu meer
in september.
Die eerste avond zwaaiden we een beetje met onze
vliegvishengels op de lange steiger voor de Lodge, maar dat
leverde behalve enkele - overigens hele grote van wel een
halve meter, met prachtig gekleurde vlag of rugvin -
arctische vlagzalmen, niks op.

Dus die
avond bij het grote haardvuur en met een stevige whiskey van
het merk L'Aphroiac, die Peter en ik steevast bij ons hadden
als we gingen vissen, werd een plan de campagne opgemaakt
voor de week.
Samen met onze gastheren, drie grote uit de kluiten gewassen
Alaska Indianen met dikke koppen, gebruinde, spleetogige,
mongloide typen met knuisten van handen en uiterst sterke
frames op flinke poten.
Of we misschien interesse hadden in de jacht? Zij hadden wel
een geweer. Peter keek bedenkelijk dat hij geen zalm met de
vlieg kon vangen waar hij zich zo op verheugd had omdat hij
nog nooit zo'n beest gevangen had aan een vlieg en ik sprong
een gat in de lucht en begon de Schotse horlepiep te dansen,
reeds sterk onder de invloed van die peaty (dit is turf en
geen koosnaampje voor jou) Schotse lowland malt. Want ik ben
een danser beste Peter, geen zanger. Ja ik zing wel eens in
de karakoke bars hier, een Javaanse schone in de borsten
knijpend, maar goed vals.
Even terzijde over mijn carrière als zanger. Omdat mijn
moeder vond - verder ook nooit meer iemand hoor - dat ik een
mooie stem had als jongetje, werd ik met zachte dwang
toegevoegd aan het jongenszangkoor van de Heilige Katholieke
Kerk van Mariarade. Maar toen mijn stem brak mocht ik er mee
ophouden en niemand heeft me daana gemist in dat koortje en
ik was er zelf ook niet rouwig om.
Hier in Indonesië ben ik van lieverlee - vooral door de
familie van Roosje - de mooie zangeres en haar vader de
keyboardist nu en kerkorganist vroeger - weer gaan zingen en
ik kan goed de wijs houden bij Madonna's Don't cry for me
Argentina en ook John Denver's Take me Home Country Roads en
er zelfs wat woordjes bij prevelen. Maar dan houdt het ook
echt op, met als uitzondering natuurlijk Het Limburgs
Volkslied en Loewende Klokken van Limburg mien Landj
Diezelfde avond - het werd daar niet echt donker zo dicht
bij de Noordpool, ook in september nog niet - schoot ik al
met een antieke punt-dertig Winchester op een leeg olieblik,
honderd meter verder, geplaatst op het zandpad dat iets
omhoog liep van de Lodge af. Aim low was het advies, toen ik
er boven schoot, met open vizier trouwens - niks geen luxe
kijker zoals op mijn Winchesters thuis - en het derde schot
was raak en zat er bovenop, op dat blik, dat van de klap een
meter de lucht in kwam. OK verder geen patronen verspillen,
dit was goed genoeg. De eerste test had ik doorstaan en ik
was als schutter in ieder geval door de keuring gekomen. Of
ik als jager daar ook door zou komen zou nog moeten blijken.
Of we hier ook op eenden konden jagen met een shotgun - een
hagelgeweer - vroeg ik, want er vlogen er heel wat in kleine
en grote groepen, vooral naar het zuiden nu want de
najaarstrek begon al op gang te komen. En hier en daar lagen
ze in de luwte van de stroom langs de kant onder
overhangende bomen en struiken, had ik al gezien in de
stevige boot met 50 horsepower jetmotor (zonder bewegende
delen buiten het chassis) die ons van een landingsplaats,
van waaruit de Pick Up was terug gereden naar het vliegveld,
naar de Log Cabin had gebracht, een flinke boottocht van een
uur (dachten we toen nog, want we hadden nog niet in de
smiezen wat we allemaal nog zouden meemaken in de week die
komen zou).
De volgende morgen vroeg, de eerste volle dag, gingen we in
vol ornaat en volledig uitgerust met veel proviand zoals
caribou en moose jerky en een dik pak boterhammen met bacon
en eggs met de stevige aluminiumboot met 50
sterke-pekaatjes-motor de rivier op stroomopwaarts naar
Nondalton om dat hagelgeweer op te halen voor de
waterwildjacht. Drie kwartier varen.
Een zo mogelijk nog antiekere Winchester met een loop was
mijn deel. Een zak met kaliber twaalf cartridges gevuld met
stevige loodhagel werd er bijgekocht in het plaatselijke
van-alles-en-nog-wat-verkopende-drugstoortje en we konden op
weg.
En we draaiden nog niet goed en wel een zijrivier op, een
ondiep snelstromend water met kiezelbanken waar die boot met
jetmotor overheen vloog of het niks was, of we deden de
eerste eenden op, die niet veel harder vlogen dan dat onze
boot voortraasde door het ondiepe water, meedraaiend met
iedere bocht en meer boven dan in het water en klappend dat
het een lust was.
Dus om te zeggen dat dit een ideaal waterwildhutje was waar
ik rustig effe kon aanleggen en mikken, mooi meezwaaiend en
voorgevend, ho maar beste Jongen. Dit was werk voor
rauwdauwers en zo was ik er ook een, toen nog. Ik schoot ze
uit de lucht boven de boot op gelijke snelheid liggend en
van allerlei soorten. Of ook stiekem onder de oevers om de
bocht langzaam sluipend en geruisloos voortglijdend. Ook dat
en voor we het wisten hadden we een boot met wel tien eenden
van allerlei soorten en maten – mergansers met hun
roodbruine koppen en spitse snavels schoot ik niet
natuurlijk - die ik stuk voor stuk niet kende.
En ik zag aan mijn maat Peter dat zijn gezicht op
vliegvissen stond, dat hij erg droevig was van al die rode
zalmen die al dood en aangevreten op de oevers lagen of nog
beschimmeld en wel als witte lijken enkele slagen met de
staart maakten. Jim de Indiaan zag het ook en legden aan bij
een zijriviertje van deze zijrivier van de verbindingsrivier
tussen het Iliamna en het Clarke meer, om ons op te maken
voor het vissen op grote regenboogforellen en Dolly Varden’s
(een soort die niet zo verwant is aan de forel, maar meer
aan de beekridder, een slechte naam in het Nederland
trouwens voor deze groep, waar ook de Arctic Chars toe horen
die in Groenland voorkomen) die niet naar zee trekken zoals
hun soortgenoot de steelhead.
De natuur van deze naaldbomengordel is schitterend, ongerept
en woest. Hele gebieden zijn ook alleen nog maar met
struikgewas begroeid dan wel met heideachtigen waartussen de
heerlijkste met bessen, nu rijp in deze tijd van het jaar.
De oevers van de rivier zijn bezaaid met rotsen, grote
stenen en kiezel, hier en daar met wat zanderige plekken in
rustige bochten. De stroom is er sterk en krachtig, het
water zuiver, hier zo ver weg van de bewoonde wereld. Koud,
blauw en met witte golfjes in de ripples en de pools, met
grotere, soms woeste golven in de stroomversnellingen.
Peter had al gauw succes, nadat hij eerst met afschuw enkele
grote, beschimmelde witrode zalmlijken had gehaakt,
binnengehaald en weer weggegooid, in een diepe snelle pool
onder een steile rotsachtige bocht in de rivier, net onder
de monding van het zijriviertje. Daar in de diepte was
kennelijk genoeg voedsel voor de grote lokale forellen en
een prachtige regenboog van meerdere ponden werd gehaakt en
gevangen ook. Zo eentje mocht mee naar huis en smaakt
natuurlijk voortreffelijk. We vingen er samen nog een paar
aan de natte vlieg en ook een mooie grote Dolly Varden daar
op die plek en dat bleek later al genoeg vis voor ons allen
voor die hele week.
Maar Jim had haast en wilde weg want er was afgesproken dat
we die dag zouden proberen een caribou en of een moose of
eland te schieten en daarvoor moesten we Lake Clarke op en
liefst zo ver mogelijk naar de besneeuwde bergen op de
achtergrond. En met gigantische snelheid en stampend over de
stroomversnellingen gingen we stroomafwaarts de zijrivier
weer af en stroomopwaarts naar Lake Clarke dat - beste Peter
- zestig kilometer lang is. Na enkele uren varen suggereerde
Jim effe uit te rusten, wat te eten en eventjes op Arctische
vlagzalm te vissen in de monding van een heel klein
stroompje dat daar afdaalde in het Meer. Waar ook veel
bessen groeiden zodat we een toepasselijk dessert hadden.
Dat was een gouden greep want Peter en ik konden niet
geloven dat hier op iedere worp in de uitmonding van het
riviertje op de droge vlieg een vlagzalm werd gevangen. Op
letterlijk iedere worp en grote, sterke vissen van 40 tot 50
centimeter en soms nog een slag groter. Ongelooflijk en zo
veel dat we naar een half uur vissen al moe ervan waren en
ophielden. Die vissen zijn eetbaar maar worden niet zo veel
gegeten omdat ze sterk naar thijm geuren, vandaar Thymallus
als geslachtsnaam.
Er werden gauw wat zwarte en rode bessen geplukt, lekker
rijp, gedeeltelijk opgegeten en gedeeltelijk meegenomen. De
koffie uit de thermoskannen was heet en smaakte goed - voor
zover Amerikaans gebrande koffie dan goed kan smaken voor
een Europeaan, die gewend is aan koffie, die veel langer
wordt gebrand, totdat het bittere eruit is - en het brood
was prima. In de boot werd nog wat nageknabbeld op de jerky.
De volgende stop was een soort delta van een meanderende
langzame en trage grote rivier, met veel eilanden en vochtig
en moeassig en daarvoor vele hogere kruiden, een plek waar
elanden zich ophielden zei Jim. Maar ook een plek voor de
Northern Pike en nogal zo'n nog groter snoekmonster waar ik
effe de naam van kwijt ben beste jongen omdat het toch al
weer een tijdje geleden is dat ik dit meemaakte.
Terwijl Peter zijn eerste flinke spinner te water liet en al
direct dansend en kraaiend van plezier een zeer grote snoek
aan het drillen was, waren Jim en ik op een heuveltje
geklommen en zagen in de verte een eland met een jong. Geen
mannetjesdier en dat was jammer want op vrouwelijke elanden
was het seizoen nu gesloten.
Dus terwijl Peter geen haast had en Jim wel, vaarden we nog
effe die trage rivier in deze moerassige delta op, in de
hoop nog een snoek te vangen of een eland tegen te komen,
maar dat gebeurde niet meer en we draaiden om om ons op te
maken voor het werkelijk grote werk daar helemaal aan het
einde van Clarke Meer net zo ver weg van Nondalton als Den
Bosch van Amsterdam en dat per boot.
Waarvan de hoge besneeuwde bergen nu dichtbij waren. Met
topsnelheid suisden we naar de echte jachtgebieden, want dat
waren het zo had Jim ons beloofd met een geheimzinnige blik
in zijn Indianenogen. Waaruit passie sprak voor zijn land en
dat is niet het land van De Loewende Klokken beste Peter,
maar wel het land van De Loeiende Elanden.
Caribou, caribou kwam Jim's kreet die immers vooruit keek,
want wij hadden ons omgedraaid gezien de hoge boeggolf en
het af en toe overkomende frisse water. En hij draaide bij,
parallel en korter bij de oever waar een caribou in volle
galop ons bemerkt had en ook al parallel aan de oever
voortdraafde.

Aim low, aim low,
schreeuwde hij toen ik staande in de nog behoorlijk snelle
boot mis en over het galopperende dier heen schoot met de
Punt Dertig. Het derde schot zat er in, ergens midden in het
lichaam en het dier stopte en ook de boot. Het volgende
schot zat in de hals en het dier viel om zonder veel te
stuiptrekken. Jim keek de Grote Blanke Jager met enig ontzag
aan en sprong als eerste op de oever, na snel aangelegd te
hebben.
We hadden grote messen meegekregen en ook een zaag. Ik zeg
nog tegen Jim dat Peter gynaecologisch chirurg was en maar
van onderen moest beginnen, terwijl ik zelf de zaag pak om
het gigantische gewei van de kop van dit grote mannetje er
af te zagen, maar Jim was al begonnen met het verwijderen
van de ingewanden van onderaf en op zoek naar maag,
milt en nieren voor de honden en hart en lever voor de mens.
Het dier was in absolutely no time in vieren gedeeld, de
romp met voorpoten, twee achterbouten en de kop met nek. En
wij waren intussen letterlijk opgevreten door de muggen die
in dichte wolken om de hoofden de jagende slagers of moet ik
zeggen slachtende jagers zoemden.
Alles werd in het ondiepe koude water langs de oever gelegd
dat rood kleurde, alvorens de grote stukken vlees in plastic
zeilen werden omwikkeld en in de voorplecht van de boot
werden opgeslagen met het gewei, triomfantelijk als
boegbeeld nu, vastgemaakt met touwen op de zitting in de
punt van de boot. Maar Jim had haast want de eigenlijke
jachtvelden waren nog steeds niet bereikt en die moose waar
hij vergunning voor had - die naar later bleek bijna
verlopen was al - wilde hij ook nog.
De Grote Blanke Jager was niet de eerste de beste, zo veel
was al wel duidelijk aan die Grote Bruine Indiaan. En dat
moest benut worden.
En het was nu laat in de middag en we kregen honger, dus
toen het eind van het meer aan de voet van de hoge bergen
bereikt was en het was daar bosachtig met veel weelderig
struikgewas en ook al behoorlijk moerassig met veel kleine
poeltjes met water, werden de taken verdeeld.
Ondergetekende, nu geslaagd voor het examen van
grootwildjager, kreeg zowel het hagelgeweer als het
kogelgeweer mee om middels de diepe elandpaden zo'n beest te
benaderen en omver te kogelen en als dat niet lukte in ieder
geval nog wat eenden voor de pot erbij te schieten, waarvan
er door het rumoer inmiddels hele troepen aan het zwerk
verschenen waren.
Ik zeg het zwerk, want er was duidelijk zwaar weer op komst,
wat ook door Jim was opgemerkt, juist door Jim, die
voortdurend verontrust naar de hemel keek. Tenten om te
kamperen hadden we niet bij ons, dus we moesten nog terug
diezelfde dag, dus zestig kilometer met de boot en tegen de
windrichting in. Maar donker werd het niet, de poolnacht zou
pas later in het jaar over dit land gaan vallen. Wel wat
donkerder door al die gecumuleerde stormwolken met
witgekrulde randen, als watervalgolven in een kolkende
stroom, maar niet het poolnachtelijk diepe donker.
Overal zwommen eenden rondom me heen in de kleine poeltjes
tussen de boschages, eenden van allerlei onbekende soorten
die verstoord opvlogen als ik met te veel lawaai aan kwam
banjeren door de diep uitgeholde elandpaden, met die twee
geweren over mijn nek en schouder en de patronentas. Geen
enkele eland viel te speuren en te bespeuren en tenslotte
schoot ik van lieverlee nog een stuk of wat eenden met het
hagelgeweer. Niet veel want na een paar schoten waren ze
allemaal weg.
Teruggekomen was er een lekker kampvuurtje - het regende nog
niet - heerlijk gebraden cariboulever met wat ontbijtspek
omwikkeld en geprepareerd door Jim op zijn Indiaans,
dichtgeschroeide eendeborstjes medium (specialiteit van
Peter) in een zwartrode bessensaus, een paar blikjes bier
uit een sixpack, en een hart-en-ziel verwarmende whiskey (ja
op zijn Schots, niet op zijn Engels geschreven, want het was
een Schotse maar dat wist je al), eentje die zo heerlijk
naar turf ruikt, gedroogd laag- of hoogveen,
daar wil ik van af zijn beste Peter.
We moesten terug, het idyllische van de tocht was over en
vanaf nu tot het eind van het verhaal beste Peter is er een
ongelooflijk avontuur op komst, een avontuur om nooit te
vergeten. Zo spannend dat ik je een hele dag en een nacht
laat wachten voor ik het vervolg opschrijf. Met andere
woorden dit is Deel I van het eerste vervolgverhaal van dit
dagboek.
Het verhaal is te lang en de emoties gaan te hoog om dat in
een ruk te kunnen opschrijven en innerlijk te kunnen
verwerken, zelfs in die ene ruk van oneindig snel tikwerk
(mijn eerste diploma was een type diploma op veertienjarige
leeftijd, plus of min twee jaar, daar wil ik van af zijn)
aan mijn kleine leptoppie dat ploetert en kompjoetert als
nooit tevoren.
Slaap zacht en droom van woeste Indianen en van die grote,
gruwelijke Grizzly die nog komen moet. En schrik wakker als
de wekker gaat, denkend dat een beer boven je bed staat om
je naar de Eeuwige Jachtvelden te
begeleiden.............Slaap zacht beste Peter en droom
desnoods van een grote beer die in zijn billen geknepen moet
worden voor het te laat is.....
Jo de jager en de visser met het (on?)menselijke
killersinstinct.
DEEL II
12 maart 2004
Beste Peter,
Het stormde en het regende en we hadden wind tegen op de
terugweg in de stampende boot over de golven met witte
surfkoppen. Ik ben niet gauw bang, maar toen heb ik in de
praktijk gebracht, een oud gebruik dat mijn moeder me ooit
heeft ingeprent, namelijk dat van schietgebedjes opzeggen en
de Heilige Maagd Maria aanroepen om te vragen me nog effe
wat langer te laten leven.
Jim aan de motor achterin keek voor een Indiaan ook angstig
dacht ik en Peter naast me op de voorplecht, had niks te
missen. Die zat ineengedoken ook in zichzelf te prevelen,
maar of dat ook schietgebedjes waren weet ik niet, want hij
is niet katholiek. Zestig kilometer tegen de wind in per
boot over Lake Clarke naar Nondalton. Ik denk achteraf dat
we het er levend vanaf gebracht hebben, omdat voorin dat
caribou vlees lag van enkele honderden kilo's, dat de
voorplecht laag hield en de boot enigszins stabiliseerde.
Het was een regelrechte lijdensweg, die ik nooit meer
vergeet en in nog menige nachtmerrie moet verwerken tot op
de dag van vandaag (ik heb er hier in Indonesië trouwens
onverwacht weinig nachtmerries en relatief veel sweat dreams).
We waren in de hele vroege ochtend van die dag vertrokken
uit onze Log Cabin op weg naar Nondalton dichtbij het begin
van het meer en we kwamen rond middernacht terug aan de
steiger, afgepeigerd en ellendig, maar met een caribou, een
zwiek eenden en een flinke portie prima vis. Die eenden en
vis namen we mee naar de Cabin, maar om die stukken caribou
en de hengels ook nog weer op te halen, terug zo'n vijftig
meter naar de steiger toe, was ons te veel. En dat nu beste
Peter bleek een grote vergissing.
Want
de volgende morgen, ver in de morgen, hoor ik Jim vloekend
terugkomen van de pier, mopperend en roepend The Goddamn
Bear , verschillende keren achterelkaar. We mochten komen
kijken wat die huisbeer - die Grizzly die om het huis rond
hing naar we later begrepen - had aangericht. Een achterbout
lag aangevreten aan het vette deel van het achterwerk op het
zandpad, maar de rest van de stukken vlees was uit het zeil
gehaald en mooi verdwenen, uit de boot gehaald onderaan de
steiger. Weg Meneer, verdwenen al dat vlees, naar mijn
schatting minstens honderd kilo.
De vliegenhengels lagen door elkaar en enkele snoeren waren
helemaal van de reels getrokken. Dat er geen van die dure
dingen kapot was, was een regelrecht wonder.
Nadat we het ene stuk caribou plus het gewei op het houten
platform rondom de Cabin hadden gelegd, enigszins ontdaan
van zand en vuil, en ook het gewei er hadden neergelegd,
werd koffie gezet en een rondetafel conferentie gehouden.
Die beer was welbekend en trouwens ook zijn cache, de plek
waar hij dat vlees had verstopt en al eerder tweehonderd
kilo zalm had verstopt, gestolen uit de voorraad in een
onbewaakt moment. De krassende eksters hadden die plek
verraden.
Die stevig uit de kluiten gewassen beer (die 200 kilo zalm
was al lang op) was de moeder van drie dochters die
Nondalton nu al enkele jaren onveilig maakten en zij had het
nu gemunt op deze vissershut, op een apart wat rustiger
schiereiland gelegen, aan de grote rivier onder Nondalton
richting Iliamna Lake en aan de overkant.
Twee beredochters waren neergeschoten, maar een scharrelde
nog rond bij Nondalton, maar deze moederbeer, een gigantisch
beest, hield ons flink in de gaten en met goed gevolg dus.
Een duidelijk intelligente beer was hier aan het werk. En de
eksters - heilige vogels hier, vergeleken met vroeger in
Nederland toen het schadelijk wild was, maar nu ook heilig
verklaard - deden zich mee te goed aan het vlees dat
in een dicht struikgewas lag nog geen dertig meter
verwijderd naar de kant van de tweede pier richting rivier,
enigszins opzij van het huis.
Dit was te gek, het beest kon een gevaar gaan vormen voor de
betalende gasten, de dudes zoals ze in het Westen langs de
continental divide - bijvoorbeeld in Wyoming waar ik viste
in hoge bergmeren - heten en waarover ik nog eens zal
schrijven als ik het heb over het vliegvissen op de gouden
forel, de "staatsvis" van Californie uit het Kern rivier
systeem bij het Sequioa National Park, beste Peter.
We keken elkaar eens aan, Peter en ik en zeiden natuurlijk
niks bij al deze overwegingen en discussies aan tafel tussen
drie grote bruine, vervaarlijk uitziende Indianen, die het
plotseling op een Grizzly gemunt hadden, een ware dief van
hun voedsel voor de winter in Anchorage.
Ik liep enigszins angstig naar buiten en begon - af en toe
nerveus om me heen kijkend - met het betere vil- en
schoonmaakwerk van al die eenden, iets waar ik hoog in
gespecialiseerd ben, omdat ik er werkelijk al duizenden
geplukt en gestroopt heb in mijn jagersleven. Na het villen
werden ze in de keuken verdeeld in borstjes en pootjes om te
braden en de rest voor de soep, zoals de vleugels, de nek,
het borststuk en het achterstuk. Levers en harten werden
opgebakken met uien voor op het brood.
De rest van die week stond er altijd een grote ketel met
eendedelen en groenten met kruiden op een laag pitje te
sudderen en waren de thermosflessen behalve met koffie
gevuld met eendebouillon van een smaak beste Peter die jij
waarschijnlijk niet kent, zo lekker. Het sudderde zo lang
dat bouillonblokjes voor de smaak niet nodig waren.
En vele verschillende soorten veren en veertjes werden soort
bij soort verzameld voor het binden van de kunstvliegen
later thuis in Nederland. Een mooie bonus omdat ik allerlei
bijzondere veren van dit soort Amerikaansse eenden in
Nederland niet in mijn uitgebreide verencollectie had. Je
wist het nog niet, maar mijn vader en ik waren verwoede
binders van kunstvliegen, niet alleen voor onszelf, maar ook
voor vrienden en zelfs de commercie. Een hele aparte kunst
trouwens die ik heb verwaarloosd toen ik rijk werd, te weten
rijk vergeleken met vroeger als opgroeiende rebellerende
schooljongen met hengelsport aspiraties toen ik geeen geld
had om die mooie dingen te kopen.
Die tweede dag deden we het kalm aan en visten een beetje om
de hut, maakten een uitstapje naar Nondalton om wat voedsel
te kopen o.a. in verband met die bouillon, maar ook voor de
verdere warme maaltijden die we zelf prepareerden - Peter en
ik - omdat zulks een erg verantwoordelijke taak is, die we
niet aan onze gebruinde, wat zeg ik van nature bruine
gastheren, wilde overlaten. En die vonden dat allang goed en
hadden die luxe nog niet meegemaakt.
De grote forellen werden in aluminiumfolie op de barbecue in
goeie boter met veel kruiden klaargesmoord en met een
heerlijke witte wijn genuttigd. Er was van alles daar in dat
drugstoortje, ook goeie Chardonnay uit California Meneer.
Die Indianen waren niet echt arm daarboven in Alaska, rondom
die grote meren en rivieren met zoveel zalm.
Het Plan de Campagne was gemaakt. Die beer zou diezelfde
nacht nog doodgeschoten worden en ik mocht - opdringend
verzoek - de huid hebben van die beer, die echter nog niet
geschoten was. Je kent het spreekwoord en daarmee wil ik
niet zeggen dat ik al vooruitloop op de gebeurtenissen die
nog komen moesten, maar je kent het spreekwoord. Iedereen in
Nederland kent het trouwens. Het is een algemeen gebruikt
spreekwoord ook al komen er geen beren meer voor in ons
kikkerlandje (trouwens kikkers, vergeleken met hier in
Indonesië, ook nauwelijks meer kan ik je verzekeren, kikkers
die ik hier vrijwel wekelijks eet trouwens want ik vind ze
heerlijk en ze zijn goedkoop omdat Muslims ze net als
varkensvlees niet mogen nuttigen).
Met zijn drieën en het kogel- en hagelgeweer plus een grote
stok, slopen de Indianen naar het dichte struikgewas waar de
eksters omheen fladderden en nu van schrik lawaai begonnen
te maken. Stel je voor die beer lag daar lekker te vreten
van een stuk caribou, ook al lag dat niet voor de hand,
gezien de enorme stukken afgebeten van een bil die nacht.
Die beer was er inderdaad niet (misschien wel bang geworden
van het door mij slachten van de eenden beste Peter, maar
dat is niet zeker en ook niet meer te achterhalen) meer en
de stukken kariboe werden de veranda opgesleept en in het
schuurtje geschoven. Alleen dat aangevreten stuk bleef
liggen vlak voor het venster naast de voordeur in de open
lucht.
Die beer zou gegarandeerd terugkomen de volgende nacht en er
moest gepost worden. En ik mocht ook posten als ik wilde,
twee uur op en twee uur af ,zoals dat in militaire kringen
heet. Peter liever niet zei hij. Hij had zijn nachtrust erg
hard nodig om zich goed op het vliegvissen te kunnen
concentreren zei hij en bovendien kon hij niet met een wapen
overweg zei hij ook nog. Die avond kwamen de verhalen los,
van de Indianen hier en van mij overal en nergens op deze
wereld, maar vooral van Peter over die tocht door Tibet toen
we op de elusive snow trout gingen met de vlieg op de Lhasa
Rivier pal tegenover het Grote Paleis van de Dalai Lama.,
het prachtige Potala.
Dat sneeuwforellen niet bestaan wisten we toen nog niet
beste Peter, daar kwamen we later pas achter en het verhaal
daarover is er ook een van groot avontuur en veel koppijn op
grote hoogte. Met een bezoek aan een afgelegen klooster waar
de laatste bezoeker voor ons, Djengis Kahn was.
Na enkele flinke whiskeys - voor mij altijd straight en
zonder ijsblokjes of water - doken we onze cot in op de
eerste verdieping. De zwager van Jim, de grootste Indiaan
van ze allemaal, zou als eerste posten van middernacht tot
tweeën en ik zou die eerste nacht gespaard worden. Het
volgende waar ik me van bewust was, was een serie van drie
enorme knallen en dat ik uit bed tuimelde en op kousevoeten
de trap afdonderde.
I got her, I got her, schreeuwde die grote zwaaiende Indiaan
in de deuropening, na drie schoten uit het kogelgeweer. Maar
hij got niks, helemaal niks. Ja drie gaten in de schuurdeur.
en die beer got een mooie achterbout, want die was weg en
die bout hebben we nooit meer terug gezien. Had ie snel
meegenomen en was hij mee weggekuierd langs hetzelfde
zandpad, voorbij de schuur, waar ik op dat lege olieblik had
geschoten. En die stomme Indiaan had op enkele tientallen
meters mis geschoten of zoals de Duitse jager dat zegt
Das Tier vorbei geschossen. Geen geweidmannsheil hier dus.
Ik had het niet meer. We hadden het allemaal niet meer. We
keken eerst ontnuchterd, toen niet-gelovend en vervolgens
lagen we met zijn allen dubbel van het lachen, terwijl die
gigantische Indiaan beteuterd stond te kijken, als een klein
kind, van zijn geweer naar het zandpad en de schuur, naar
ons. En we hebben er nog een extra l'Aphroiac op genomen,
beste Peter. Daarna hebben we goed geslapen, want verder
posten had geen zin. Die beer zou die nacht toch niet meer
komen want die schoten waren dat beest natuurlijk ook niet
in de kouwe kleren gaan zitten, figuurlijk dan wel te
verstaan, beste jongen.
De derde dag werd er een van rustig vissen en terug naar die
plek waar Peter dus zijn mooie regenboogforellen had
gevangen en op die zijrivier met veel eenden. En we vingen
ze weer hoor en ik schoot er ook weer een stel eenden bij
voor de pot en de soep. Niks nieuws onder de zon die dag en
we kwamen vroeg thuis, waar we voelden dat we gezelschap
hadden van een grote slimme rakker, die ons zat te beloeren
vanuit een van zijn schuilplekjes rondom het huis.
We smulden van al die lekkere vis en eenden dat het een lust
was - nu ook met lekkere wijn erbij - maar het gesprek kwam
weer op die beer natuurlijk.
De Indianen waren eensgezind. Die Grizzly kwam vannacht weer
kijken of er wat te halen viel. Daar kon je de klok op
gelijk zetten. En het Plan de Campagne zou hetzelfde zijn
als de nacht ervoor, alleen zou Jim, de beste schutter, het
eerst posten. Ik mocht als tweede om twee uur het nest uit,
want ik had per slot van rekening uit een varende boot een
kariboe omgelegd met die antieke punt 30 Winchester, zonder
safe er op, net als trouwens dat nog antiekere hagelgeweer,
dat ook al geen safe had. Streng verboden wapentuig in
Nederland was dat natuurlijk.
Ik lag goed en wel te snurken of schrik opnieuw wakker van
een hard schot, een schot maar deze keer. In pyjama tuimelde
ik weer als eerste de trap af om deze keer een vloekende Jim
in de deuropening te zien staan die riep: I missed her, I
missed her. En ja hoor de beer had die tweede achterbout mee
en was weer dat zandpad opgerend met zijn buit. Ik kon
het niet geloven, hoe kon zo'n groot beest in Godsnaam
gemist worden.
Dit kon zo niet doorgaan. Hier moest verandering in komen.
En ik begon snode plannen te smeden die nacht om die
uitvoerig en in details aan het ontbijt mede te delen aan
die slecht schietende Indianen.
Ik loerde nog even over mijn zoveelste mok koffie, schraapte
mijn keel, en zei luid en duidelijk in mijn beste Engels -
en dat is foutloos beste jongen - dat nu de tijd was
aangebroken voor De Grote Blanke Jager, om de
verantwoordelijkheid van het doden van dat beest, van die
grote beer, op me te nemen. Ik zou dat beest die nacht nog
eigenhandig om zeep helpen met een welgemikt schot hoog op
het blad oftewel Hoch Blatt zoals onze Duitse jachtvrienden
dat zeggen. Desnoods - zei ik in mijn overmoed - zou ik dat
beest tussen de ogen schieten en wel van bovenaf.
Hoe ik dat dan wilde bewerkstelligen? Wat was mijn Plan de
Campagne dan wel niet? Had ik soms een andere strategie of
tactiek om dat beest te schieten?
Peter keek me wat onnozel en meewarig aan en je zag dat hij
eronder leed dat hij weer geen zalm met de vlieg aan de
kleren kon komen. Die beer interesseerde hem weinig, die
gooide alleen maar roet in het vliegvissen. Maar hij klaagde
niet want de eendenbouillon was voortreffelijk en daar is de
culinaire Kenemans gevoelig voor, net als voor de juiste
whisky op de juiste plaats, van de juiste temperatuur, in
het juiste gezelschap met het juiste visserslatijn en op het
juiste moment genoten.
Ja dat had ik - een uitgekiend plan had ik - want ik zou met
wat houten plankieren die ik in het schuurtje had zien
liggen en met wat balken een hoogzit op het dak maken tegen
de stevige stenen schoorsteen aan, daar op klimmen met een
ladder (die ik al had zien liggen) en vervolgens de romp als
aas aanbieden op dezelfde plek op de veranda waar die andere
stukken vlees gestolen waren.
Fluitje van een cent en veiliger kon het niet want zei ik
,zo'n beer kruipt volgens mij niet zomaar het dak op om me
van achter een mep in mijn nek te geven. Was ik niet
geslaagd voor het Nederlands jachtexamen? Had ik geen tien
potverdorie voor het onderdeel veiligheid met het wapen
gehad? Ik wist wis en waarachtig wel wat veilig jagen was en
die beer zou ik omleggen zonder gevaar voor eigen leven. Ik
moest nog langer mee vond ik zelf. Ik ben trouwens niet erg
nuchter als ik zo'n groots plan aan anderen beschrijf, zelfs
in de wetenschap niet. Ik laat me dan gauw gaan, beste
Peter.
Die dag moest Peter trouwens vervroegd huiswaarts keren
wegens een sterfgeval door een verkeersongeluk in de
familie. Ik bleef rond het huis scharrelen en bouwde een
stevige hoogzit, waar ik een provisorisch getimmerde stevige
kruk op kon zetten, zodat ik in alle triomf van boven af die
beer aan het einde van zijn dievenleven kon brengen.
Maar er zat verandering in de lucht en de wind was naar het
noorden gedraaid. De poolwinter kondigde zich al aan die
dag, dat ik daar aan het timmeren en het zagen was,
overigens met amicale en glimlachende hulp van die grote
Indianen die het spul op het dak zeulden voor me, tegen die
schoorsteen aan. Steviger hoogzit is er nooit gebouwd op het
dak van een Log Cabin, in de eeuwenoude annalen van de jacht
in Alaska. Neem dat van mij aan beste Peter. Die beer was
ten dode opgeschreven. Aan die Hoogzit zou het niet liggen.
Het begon flink te waaien tegen de middag en het werd kil en
koud, dus we namen in de achternamiddag na enkele blikjes
bier al onze eerste whiskey. En ik bereidde me voor op mijn
zware verantwoordelijke taak, het schieten van mijn eerste
beer, een grote, gruwelijke, stelende grizzlybeer en nog wel
in het hartje van Alaska. Dat was andere koek dan een reebok
schieten in de Schinveldse bossen nietwaar. Maar tegen de
avond was er hier ook de eerste sneeuwstorm van het seizoen
- na die eerdere aan het eind van Lake Clarke - en boven op
het dak was het natuurlijk lang niet zo lekker toeven
urenlang, dan tussen het open haardvuur en het raam, op dat
warme, knusse plekkie, voor de veranda waar die beer moest
komen.
Ze namen me het niet eens kwalijk achteraf dat ik bleef
zitten op die stoel achter het raam en niet het dak op
kroop. En ze begrepen heel goed dat ik van al die whiskeys
in slaap gedommeld was. Het eerste en het laatste wat ik
ooit van die beer heb gezien was dat hij zich met een groot
stuk vlees uit de voeten maakte, dat ik die deur niet direct
durfde te openen bang voor een slag in mijn nek, dat ik die
deur pas later opende en dat de beer toen al lang gevlogen
was, zodat ik zelfs niet kon schieten want ik zag in die
donkere nacht met die storm en al die sneeuw dat zandpad
nauwelijks.
Mijn verhaal aan het ontbijt werd niet onmiddellijk geloofd.
Als een man stonden de drie Indianen op, liepen de deur uit
en verwittigden zich middels de sporen van het beest van de
waarheid die wel natuurlijk degelijk door mij gesproken was.
Waarom zou ik erover liegen nietwaar beste Peter?
Ik had weinig te missen de volgende dag en er werd weinig
gesproken. Er werden weer wat eenden geschoten en wat vissen
gevangen en de familie in Nondalton werd bezocht, waar de
verhalen natuurlijk in geuren en kleuren werden verteld. Ach
ze zouden die beer nog wel aan de kleren komen,
gebruikmakend van die perfecte hoogzit en het vel opsturen
naar Nederland. Mijn plan was goed en ik was een moedige
Blanke Jager. Nee zij zouden ook niet in weer en wind boven
op die hoogzit gekropen zijn.
Ik heb nooit meer iets vernomen van Jim, zijn zwager en zijn
kameraden van Nondalton. Ik heb nooit van mijn leven een
beer, tijger of leeuw geschoten. Toen puntje bij paaltje
kwam was ik te verwend om boven op het huis te kruipen, te
moe om wakker te blijven en te laf om die deur op tijd open
te trekken en wellicht een schot af te vuren dat raak zou
zijn geweest. Sorry beste vrienden in Hubertus dat ik toen
het er op aankwam verstek heb laten gaan.
De huid was al verkocht maar de beer moest nog geschoten
worden. En dat die niet geschoten was berouw ik nu al mijn
leven lang.
Dat kariboe gewei was zo groot dat het in Schiphol boven op
mijn ouwe Mercedes 200 Diesel moest worden vastgebonden,
want het kon die auto met geen mogelijkheid in. Het kreeg
een ereplaats in mijn studeerkamer en er hingen opgezette
vliegende eenden aan in overvloed, maar wel van de Europese,
mij bekende soorten, die ik vaak liet opzetten toen het nog
niet verboden was ze te schieten.
Met vriendelijke groeten uit Bandung,
Jo de lafhartige berenjager
|