Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

11 maart 2004

Over  vissen en jagen in Alaska
en
een intelligente Grizzly Beer die ontkwam aan de Grote Blanke Jager

DEEL I

Beste Peter,

We waren samen in Sapporo geweest, op het noordelijke eiland van Japan dat Hokkaido heet, op een van de serie  kanker congressen georganiseerd door de International Society of Oncodevelopmental Biology and Medicine (mijn Oude-Jongens-Krentebrood-Kanker-Club), een onmogelijke naam, dat geef ik toe. Het was deze keer georganiseerd door Dr. Kohzoh Imai, niet te verwarren met mijn beste vriend in deze wereld sinds 1976, Dr. Shunsuke Imai van Nara. Het was mijn zoveelste reis naar Japan waar ik sinds 1976 inmiddels wel 25 keer geweest ben.

Het hotelkamertje was zo klein dat we over onze koffers in bed moesten klimmen, Peter Kenemans en ik. Er waren veel vrienden ook uit Nederland en bij het georganiseerde bierfeest - ja ze doen de Duitsers een beetje na - hadden we met zijn allen, als Nederlandse kolonie, Hop Marjanneke stroop in het Kanneke... gezongen. Maar Jan Marrink, onze Groningse onderzoeker en operazanger, had ook een aria uit Madame Butterfly gezongen, dus daar konden die Japanners het met hun Bierfest mee doen. Hun bier daar heet trouwens Sapporo en is natuurlijk het beste bier van niet alleen Japan maar van de hele wereld, zoals Brand's bier dat is in Limburg.

We stapten vol blijheid op het vliegtuig naar Anchorage in Alaska vanuit Tokyo toen we dat wetenschappelijke reisje - voor een deel door de Nederlandse belastingbetaler betaald - omtoverde in een toeristische terugreis met een kleine omweg. In die tijd vloog je wel vaker vanuit Europa langs de Noordpool over Alaska naar Japan en wie weet misschien nu ook nog wel. Van Anchorage vlogen we door naar een kleine plaats aan het Iliamna Meer en van daaruit werden we opgehaald met een pick up door de Indianen waar we bij en mee zouden gaan vliegvissen op zalm.
Clark meer in Alaska
Het was de laatste week voor de winter dat de Lodge nog open was, te weten de tweede week van september en het was eigenlijk veel te laat voor de optrekkende zalm die via het Iliamna Meer middels een brede rivier en verbindingsarm in het zestig kilometer lange Clarke Meer en de zijrivieren daarvan optrekken. Jim, een grote amicale Indiaan en zijn behulpzame vrienden, zouden in die laatste week ook hun caribou en moose schieten, dat dan als voedsel voor de winter zou dienen in Anchorage waar ze de winter doorbrachten. Niet hier in Nondalton aan het Clarke Meer. Ze hadden trouwens hun portie zalm van enkele honderden kilo's al in de diepvries voor hetzelfde doel.

De Lodge, een typische log cabin, was groot en gezellig met een enorme open haard waarboven een stenen schoorsteen boven het houten dak met langwerpige hardhouten platte dakpannen. Behalve wij met zijn tweeën was er verder niemand meer dit laatste weekend. De week ervoor was de Lodge nog vol geweest met een groep van tien vissers. Dus er kon wat geïmproviseerd worden als het aan de gastheren lag en dat zou ook moeten wilden we aan onze trekken komen, want de meeste zalmen waren al verrot, of lagen amechtig te hijgen en te sterven boven de paaibedden in de kleinere rivieren. Hier in de verbindingsrivier tussen de twee grote Meren, zwom nog maar een enkele verlate Coho en King naar de paaigebieden.

Er waren wel wat regenboogforellen, Dolly Varden's en andere forelachtigen die niet naar zee trokken en natuurlijk arctic grayling in overvloed, maar dat leverde relatief weinig op bij het vliegvissen en kon ook beter in de kleinere zijrivieren gebeuren dan op het grote water hier bij de Lodge, waar de zalmen aan voorbij trokken in enorme hoeveelheden, maar dan in juli en augustus en niet nu meer in september.Beautiful dolly varden

Die eerste avond zwaaiden we een beetje met onze vliegvishengels op de lange steiger voor de Lodge, maar dat leverde behalve enkele - overigens hele grote van wel een halve meter, met prachtig gekleurde vlag of rugvin - arctische vlagzalmen, niks op.

An Arctic grayling.

 Dus die avond bij het grote haardvuur en met een stevige whiskey van het merk L'Aphroiac, die Peter en ik steevast bij ons hadden als we gingen vissen, werd een plan de campagne opgemaakt voor de week.

Samen met onze gastheren, drie grote uit de kluiten gewassen Alaska Indianen met dikke koppen, gebruinde, spleetogige, mongloide typen met knuisten van handen en uiterst sterke frames op flinke poten.

Of we misschien interesse hadden in de jacht? Zij hadden wel een geweer. Peter keek bedenkelijk dat hij geen zalm met de vlieg kon vangen waar hij zich zo op verheugd had omdat hij nog nooit zo'n beest gevangen had aan een vlieg en ik sprong een gat in de lucht en begon de Schotse horlepiep te dansen, reeds sterk onder de invloed van die peaty (dit is turf en geen koosnaampje voor jou) Schotse lowland malt. Want ik ben een danser beste Peter, geen zanger. Ja ik zing wel eens in de karakoke bars hier, een Javaanse schone in de borsten knijpend, maar goed vals.

Even terzijde over mijn carrière als zanger. Omdat mijn moeder vond - verder ook nooit meer iemand hoor - dat ik een mooie stem had als jongetje, werd ik met zachte dwang toegevoegd aan het jongenszangkoor van de Heilige Katholieke Kerk van Mariarade. Maar toen mijn stem brak mocht ik er mee ophouden en niemand heeft me daana gemist in dat koortje en ik was er zelf ook niet rouwig om.

Hier in Indonesië ben ik van lieverlee - vooral door de familie van Roosje - de mooie zangeres en haar vader de keyboardist nu en kerkorganist vroeger - weer gaan zingen en ik kan goed de wijs houden bij Madonna's Don't cry for me Argentina en ook John Denver's Take me Home Country Roads en er zelfs wat woordjes bij prevelen. Maar dan houdt het ook echt op, met als uitzondering natuurlijk Het Limburgs Volkslied en Loewende Klokken van Limburg mien Landj

Diezelfde avond - het werd daar niet echt donker zo dicht bij de Noordpool, ook in september nog niet - schoot ik al met een antieke punt-dertig Winchester op een leeg olieblik, honderd meter verder, geplaatst op het zandpad dat iets omhoog liep van de Lodge af. Aim low was het advies, toen ik er boven schoot, met open vizier trouwens - niks geen luxe kijker zoals op mijn Winchesters thuis - en het derde schot was raak en zat er bovenop, op dat blik, dat van de klap een meter de lucht in kwam. OK verder geen patronen verspillen, dit was goed genoeg. De eerste test had ik doorstaan en ik was als schutter in ieder geval door de keuring gekomen. Of ik als jager daar ook door zou komen zou nog moeten blijken.

Of we hier ook op eenden konden jagen met een shotgun - een hagelgeweer - vroeg ik, want er vlogen er heel wat in kleine en grote groepen, vooral naar het zuiden nu want de najaarstrek begon al op gang te komen. En hier en daar lagen ze in de luwte van de stroom langs de kant onder overhangende bomen en struiken, had ik al gezien in de stevige boot met 50 horsepower jetmotor (zonder bewegende delen buiten het chassis) die ons van een landingsplaats,  van waaruit de Pick Up was terug gereden naar het vliegveld, naar de Log Cabin had gebracht, een flinke boottocht van een uur (dachten we toen nog, want we hadden nog niet in de smiezen wat we allemaal nog zouden meemaken in de week die komen zou).

De volgende morgen vroeg, de eerste volle dag, gingen we in vol ornaat en volledig uitgerust met veel proviand zoals caribou en moose jerky en een dik pak boterhammen met bacon en eggs met de stevige aluminiumboot met  50 sterke-pekaatjes-motor de rivier op stroomopwaarts naar Nondalton om dat hagelgeweer op te halen voor de waterwildjacht. Drie kwartier varen.
 
Een zo mogelijk nog antiekere Winchester met een loop was mijn deel. Een zak met kaliber twaalf cartridges gevuld met stevige loodhagel werd er bijgekocht in het plaatselijke van-alles-en-nog-wat-verkopende-drugstoortje en we konden op weg.

En we draaiden nog niet goed en wel een zijrivier op, een ondiep snelstromend water met kiezelbanken waar die boot met jetmotor overheen vloog of het niks was, of we deden de eerste eenden op, die niet veel harder vlogen dan dat onze boot voortraasde door het ondiepe water, meedraaiend met iedere bocht en meer boven dan in het water en klappend dat het een lust was.

Dus om te zeggen dat dit een ideaal waterwildhutje was waar ik rustig effe kon aanleggen en mikken, mooi meezwaaiend en voorgevend, ho maar beste Jongen. Dit was werk voor rauwdauwers en zo was ik er ook een, toen nog. Ik schoot ze uit de lucht boven de boot op gelijke snelheid liggend en van allerlei soorten. Of ook stiekem onder de oevers om de bocht langzaam sluipend en geruisloos voortglijdend. Ook dat en voor we het wisten hadden we een boot met wel tien eenden van allerlei soorten en maten – mergansers met hun roodbruine koppen en spitse snavels  schoot ik niet natuurlijk - die ik stuk voor stuk niet kende.

En ik zag aan mijn maat Peter dat zijn gezicht op vliegvissen stond, dat hij erg droevig was van al die rode zalmen die al dood en aangevreten op de oevers lagen of nog beschimmeld en wel als witte lijken enkele slagen met de staart maakten. Jim de Indiaan zag het ook en legden aan bij een zijriviertje van deze zijrivier van de verbindingsrivier tussen het Iliamna en het Clarke meer, om ons op te maken voor het vissen op grote regenboogforellen en Dolly Varden’s (een soort die niet zo verwant is aan de forel, maar meer aan de beekridder, een slechte naam in het Nederland trouwens voor deze groep, waar ook de Arctic Chars toe horen die in Groenland voorkomen) die niet naar zee trekken zoals hun soortgenoot de steelhead.

De natuur van deze naaldbomengordel is schitterend, ongerept en woest. Hele gebieden zijn ook alleen nog maar met struikgewas begroeid dan wel met heideachtigen waartussen de heerlijkste met bessen, nu rijp in deze tijd van het jaar. De oevers van de rivier zijn bezaaid met rotsen, grote stenen en kiezel, hier en daar met wat zanderige plekken in rustige bochten. De stroom is er sterk en krachtig, het water zuiver, hier zo ver weg van de bewoonde wereld. Koud, blauw en met witte golfjes in de ripples en de pools, met grotere, soms woeste golven in de stroomversnellingen.

Peter had al gauw succes, nadat hij eerst met afschuw enkele grote, beschimmelde witrode zalmlijken had gehaakt, binnengehaald en weer weggegooid, in een diepe snelle pool onder een steile rotsachtige bocht in de rivier, net onder de monding van het zijriviertje. Daar in de diepte was kennelijk genoeg voedsel voor de grote lokale forellen en een prachtige regenboog van meerdere ponden werd gehaakt en gevangen ook. Zo eentje mocht mee naar huis en smaakt natuurlijk voortreffelijk. We vingen er samen nog een paar aan de natte vlieg en ook een mooie grote Dolly Varden daar op die plek en dat bleek later al genoeg vis voor ons allen voor die hele week.

Maar Jim had haast en wilde weg want er was afgesproken dat we die dag zouden proberen een caribou en of een moose of eland te schieten en daarvoor moesten we Lake Clarke op en liefst zo ver mogelijk naar de besneeuwde bergen op de achtergrond. En met gigantische snelheid en stampend over de stroomversnellingen gingen we stroomafwaarts de zijrivier weer af en stroomopwaarts naar Lake Clarke dat - beste Peter - zestig kilometer lang is. Na enkele uren varen suggereerde Jim effe uit te rusten, wat te eten en eventjes op Arctische vlagzalm te vissen in de monding van een heel klein stroompje dat daar afdaalde in het Meer. Waar ook veel bessen groeiden zodat we een toepasselijk dessert hadden.

Dat was een gouden greep want Peter en ik konden niet geloven dat hier op iedere worp in de uitmonding van het riviertje op de droge vlieg een vlagzalm werd gevangen. Op letterlijk iedere worp en grote, sterke vissen van 40 tot 50 centimeter en soms nog een slag groter. Ongelooflijk en zo veel dat we naar een half uur vissen al moe ervan waren en ophielden. Die vissen zijn eetbaar maar worden niet zo veel gegeten omdat ze sterk naar thijm geuren, vandaar Thymallus als geslachtsnaam.

Er werden gauw wat zwarte en rode bessen geplukt, lekker rijp, gedeeltelijk opgegeten en gedeeltelijk meegenomen. De koffie uit de thermoskannen was heet en smaakte goed - voor zover Amerikaans gebrande koffie dan goed kan smaken voor een Europeaan, die gewend is aan koffie, die veel langer wordt gebrand, totdat het bittere eruit is - en het brood was prima. In de boot werd nog wat nageknabbeld op de jerky.

De volgende stop was een soort delta van een meanderende langzame en trage grote rivier, met veel eilanden en vochtig en moeassig en daarvoor vele hogere kruiden, een plek waar elanden zich ophielden zei Jim. Maar ook een plek voor de Northern Pike en nogal zo'n nog groter snoekmonster waar ik effe de naam van kwijt ben beste jongen omdat het toch al weer een tijdje geleden is dat ik dit meemaakte.
 
Terwijl Peter zijn eerste flinke spinner te water liet en al direct dansend en kraaiend van plezier een zeer grote snoek aan het drillen was, waren Jim en ik op een heuveltje geklommen en zagen in de verte een eland met een jong. Geen mannetjesdier en dat was jammer want op vrouwelijke elanden was het seizoen nu gesloten.

Dus terwijl Peter geen haast had en Jim wel, vaarden we nog effe die trage rivier in deze moerassige delta op, in de hoop nog een snoek te vangen of een eland tegen te komen, maar dat gebeurde niet meer en we draaiden om om ons op te maken voor het werkelijk grote werk daar helemaal aan het einde van Clarke Meer net zo ver weg van Nondalton als Den Bosch van Amsterdam en dat per boot.

Waarvan de hoge besneeuwde bergen nu dichtbij waren. Met topsnelheid suisden we naar de echte jachtgebieden, want dat waren het zo had Jim ons beloofd met een geheimzinnige blik in zijn Indianenogen. Waaruit passie sprak voor zijn land en dat is niet het land van De Loewende Klokken beste Peter, maar wel het land van De Loeiende Elanden.

Caribou, caribou kwam Jim's kreet die immers vooruit keek, want wij hadden ons omgedraaid gezien de hoge boeggolf en het af en toe overkomende frisse water. En hij draaide bij, parallel en korter bij de oever waar een caribou in volle galop ons bemerkt had en ook al parallel aan de oever voortdraafde.
 Karibou in Alaska

Aim low, aim low, schreeuwde hij toen ik staande in de nog behoorlijk snelle boot mis en over het galopperende dier heen schoot met de Punt Dertig. Het derde schot zat er in, ergens midden in het lichaam en het dier stopte en ook de boot. Het volgende schot zat in de hals en het dier viel om zonder veel te stuiptrekken. Jim keek de Grote Blanke Jager met enig ontzag aan en sprong als eerste op de oever, na snel aangelegd te hebben.

We hadden grote messen meegekregen en ook een zaag. Ik zeg nog tegen Jim dat Peter gynaecologisch chirurg was en maar van onderen moest beginnen, terwijl ik zelf de zaag pak om het gigantische gewei van de kop van dit grote mannetje er af te zagen, maar Jim was al begonnen met het verwijderen van de ingewanden van onderaf en op zoek naar  maag, milt en nieren voor de honden en hart en lever voor de mens. Het dier was in absolutely no time in vieren gedeeld, de romp met voorpoten, twee achterbouten en de kop met nek. En wij waren intussen letterlijk opgevreten door de muggen die in dichte wolken om de hoofden de jagende slagers of moet ik zeggen slachtende jagers zoemden.

Alles werd in het ondiepe koude water langs de oever gelegd dat rood kleurde, alvorens de grote stukken vlees in plastic zeilen werden omwikkeld en in de voorplecht van de boot werden opgeslagen met het gewei, triomfantelijk als boegbeeld nu, vastgemaakt met touwen op de zitting in de punt van de boot. Maar Jim had haast want de eigenlijke jachtvelden waren nog steeds niet bereikt en die moose waar hij vergunning voor had - die naar later bleek bijna verlopen was al - wilde hij ook nog.

De Grote Blanke Jager was niet de eerste de beste, zo veel was al wel duidelijk aan die Grote Bruine Indiaan. En dat moest benut worden.

En het was nu laat in de middag en we kregen honger, dus toen het eind van het meer aan de voet van de hoge bergen bereikt was en het was daar bosachtig met veel weelderig struikgewas en ook al behoorlijk moerassig met veel kleine poeltjes met water, werden de taken verdeeld. Ondergetekende, nu geslaagd voor het examen van grootwildjager, kreeg zowel het hagelgeweer als het kogelgeweer mee om middels de diepe elandpaden zo'n beest te benaderen en omver te kogelen en als dat niet lukte in ieder geval nog wat eenden voor de pot erbij te schieten, waarvan er door het rumoer inmiddels hele troepen aan het zwerk verschenen waren.

Ik zeg het zwerk, want er was duidelijk zwaar weer op komst, wat ook door Jim was opgemerkt, juist door Jim, die voortdurend verontrust naar de hemel keek. Tenten om te kamperen hadden we niet bij ons, dus we moesten nog terug diezelfde dag, dus zestig kilometer met de boot en tegen de windrichting in. Maar donker werd het niet, de poolnacht zou pas later in het jaar over dit land gaan vallen. Wel wat donkerder door al die gecumuleerde stormwolken met witgekrulde randen, als watervalgolven in een kolkende stroom, maar niet het poolnachtelijk diepe donker.

Overal zwommen eenden rondom me heen in de kleine poeltjes tussen de boschages, eenden van allerlei onbekende soorten die verstoord opvlogen als ik met te veel lawaai aan kwam banjeren door de diep uitgeholde elandpaden, met die twee geweren over mijn nek en schouder en de patronentas. Geen enkele eland viel te speuren en te bespeuren en tenslotte schoot ik van lieverlee nog een stuk of wat eenden met het hagelgeweer. Niet veel want na een paar schoten waren ze allemaal weg.

Teruggekomen was er een lekker kampvuurtje - het regende nog niet - heerlijk gebraden cariboulever met wat ontbijtspek omwikkeld en geprepareerd door Jim op zijn Indiaans, dichtgeschroeide eendeborstjes medium (specialiteit van Peter) in een zwartrode bessensaus, een paar blikjes bier uit een sixpack, en een hart-en-ziel verwarmende whiskey (ja op zijn Schots, niet op zijn Engels geschreven, want het was een Schotse maar dat wist je al), eentje die zo heerlijk naar turf ruikt, gedroogd  laag-  of hoogveen, daar wil ik van af zijn beste Peter.

We moesten terug, het idyllische van de tocht was over en vanaf nu tot het eind van het verhaal beste Peter is er een ongelooflijk avontuur op komst, een avontuur om nooit te vergeten. Zo spannend dat ik je een hele dag en een nacht laat wachten voor ik het vervolg opschrijf. Met andere woorden dit is Deel I van het eerste vervolgverhaal van dit dagboek.
 
Het verhaal is te lang en de emoties gaan te hoog om dat in een ruk te kunnen opschrijven en innerlijk te kunnen verwerken, zelfs in die ene ruk van oneindig snel tikwerk (mijn eerste diploma was een type diploma op veertienjarige leeftijd, plus of min twee jaar, daar wil ik van af zijn) aan mijn kleine leptoppie dat ploetert en kompjoetert als nooit tevoren.

Slaap zacht en droom van woeste Indianen en van die grote, gruwelijke Grizzly die nog komen moet. En schrik wakker als de wekker gaat, denkend dat een beer boven je bed staat om je naar de Eeuwige Jachtvelden te begeleiden.............Slaap zacht beste Peter en droom desnoods van een grote beer die in zijn billen geknepen moet worden voor het te laat is.....

Jo de jager en de visser met het (on?)menselijke killersinstinct.
 

DEEL II

12 maart 2004
 
Beste Peter,

Het stormde en het regende en we hadden wind tegen op de terugweg in de stampende boot over de golven met witte surfkoppen. Ik ben niet gauw bang, maar toen heb ik in de praktijk gebracht, een oud gebruik dat mijn moeder me ooit heeft ingeprent, namelijk dat van schietgebedjes opzeggen en de Heilige Maagd Maria aanroepen om te vragen me nog effe wat langer te laten leven.

Jim aan de motor achterin keek voor een Indiaan ook angstig dacht ik en Peter naast me op de voorplecht, had niks te missen. Die zat ineengedoken ook in zichzelf te prevelen, maar of dat ook schietgebedjes waren weet ik niet, want hij is niet katholiek. Zestig kilometer tegen de wind in per boot over Lake Clarke naar Nondalton. Ik denk achteraf dat we het er levend vanaf gebracht hebben, omdat voorin dat caribou vlees lag van enkele honderden kilo's, dat de voorplecht laag hield en de boot enigszins stabiliseerde. Het was een regelrechte lijdensweg, die ik nooit meer vergeet en in nog menige nachtmerrie moet verwerken tot op de dag van vandaag (ik heb er hier in Indonesië trouwens onverwacht weinig nachtmerries en relatief veel sweat dreams).

We waren in de hele vroege ochtend van die dag vertrokken uit onze Log Cabin op weg naar Nondalton dichtbij het begin van het meer en we kwamen rond middernacht terug aan de steiger, afgepeigerd en ellendig, maar met een caribou, een zwiek eenden en een flinke portie prima vis. Die eenden en vis namen we mee naar de Cabin, maar om die stukken caribou en de hengels ook nog weer op te halen, terug zo'n vijftig meter naar de steiger toe, was ons te veel. En dat nu beste Peter bleek een grote vergissing.


Grizzly beer AlaskaWant de volgende morgen, ver in de morgen, hoor ik Jim vloekend terugkomen van de pier, mopperend en roepend The Goddamn Bear , verschillende keren achterelkaar. We mochten komen kijken wat die huisbeer - die Grizzly die om het huis rond hing naar we later begrepen - had aangericht. Een achterbout lag aangevreten aan het vette deel van het achterwerk op het zandpad, maar de rest van de stukken vlees was uit het zeil gehaald en mooi verdwenen, uit de boot gehaald onderaan de steiger. Weg Meneer, verdwenen al dat vlees, naar mijn schatting minstens honderd kilo.

De vliegenhengels lagen door elkaar en enkele snoeren waren helemaal van de reels getrokken. Dat er geen van die dure dingen kapot was, was een regelrecht wonder.

Nadat we het ene stuk caribou plus het gewei op het houten platform rondom de Cabin hadden gelegd, enigszins ontdaan van zand en vuil, en ook het gewei er hadden neergelegd, werd koffie gezet en een rondetafel conferentie gehouden. Die beer was welbekend en trouwens ook zijn cache, de plek waar hij dat vlees had verstopt en al eerder tweehonderd kilo zalm had verstopt, gestolen uit de voorraad in een onbewaakt moment. De krassende eksters  hadden die plek verraden.

Die stevig uit de kluiten gewassen beer (die 200 kilo zalm was al lang op) was de moeder van drie dochters die Nondalton nu al enkele jaren onveilig maakten en zij had het nu gemunt op deze vissershut, op een apart wat rustiger schiereiland gelegen, aan de grote rivier onder Nondalton richting Iliamna Lake en aan de overkant.

Twee beredochters waren neergeschoten, maar een scharrelde nog rond bij Nondalton, maar deze moederbeer, een gigantisch beest, hield ons flink in de gaten en met goed gevolg dus. Een duidelijk intelligente beer was hier aan het werk. En de eksters - heilige vogels hier, vergeleken met vroeger in Nederland toen het schadelijk wild was, maar nu ook heilig verklaard  - deden zich mee te goed aan het vlees dat in een dicht struikgewas lag nog geen dertig meter verwijderd naar de kant van de tweede pier richting rivier, enigszins opzij van het huis.

Dit was te gek, het beest kon een gevaar gaan vormen voor de betalende gasten, de dudes zoals ze in het Westen langs de continental divide - bijvoorbeeld in Wyoming waar ik viste in hoge bergmeren - heten en waarover ik nog eens zal schrijven als ik het heb over het vliegvissen op de gouden forel, de "staatsvis" van Californie uit het Kern rivier systeem bij het Sequioa National Park, beste Peter.

We keken elkaar eens aan, Peter en ik en zeiden natuurlijk niks bij al deze overwegingen en discussies aan tafel tussen drie grote bruine, vervaarlijk uitziende Indianen, die het plotseling op een Grizzly gemunt hadden, een ware dief van hun voedsel voor de winter in Anchorage.

Ik liep enigszins angstig naar buiten en begon - af en toe nerveus om me heen kijkend - met het betere vil- en schoonmaakwerk van al die eenden, iets waar ik hoog in gespecialiseerd ben, omdat ik er werkelijk al duizenden geplukt en gestroopt heb in mijn jagersleven. Na het villen werden ze in de keuken verdeeld in borstjes en pootjes om te braden en de rest voor de soep, zoals de vleugels, de nek, het borststuk en het achterstuk. Levers en harten werden opgebakken met uien voor op het brood.

De rest van die week stond er altijd een grote ketel met eendedelen en groenten met kruiden op een laag pitje te sudderen en waren de thermosflessen behalve met koffie gevuld met eendebouillon van een smaak beste Peter die jij waarschijnlijk niet kent, zo lekker. Het sudderde zo lang dat bouillonblokjes voor de smaak niet nodig waren.

En vele verschillende soorten veren en veertjes werden soort bij soort verzameld voor het binden van de kunstvliegen later thuis in Nederland. Een mooie bonus omdat ik allerlei bijzondere veren van dit soort Amerikaansse eenden in Nederland niet in mijn uitgebreide verencollectie had. Je wist het nog niet, maar mijn vader en ik waren verwoede binders van kunstvliegen, niet alleen voor onszelf, maar ook voor vrienden en zelfs de commercie. Een hele aparte kunst trouwens die ik heb verwaarloosd toen ik rijk werd, te weten rijk vergeleken met vroeger als opgroeiende rebellerende schooljongen met hengelsport aspiraties toen ik geeen geld had om die mooie dingen te kopen.

Die tweede dag deden we het kalm aan en visten een beetje om de hut, maakten een uitstapje naar Nondalton om wat voedsel te kopen o.a. in verband met die bouillon, maar ook voor de verdere warme maaltijden die we zelf prepareerden - Peter en ik - omdat zulks een erg verantwoordelijke taak is, die we niet aan onze gebruinde, wat zeg ik van nature bruine gastheren, wilde overlaten. En die vonden dat allang goed en hadden die luxe nog niet meegemaakt.

De grote forellen werden in aluminiumfolie op de barbecue in goeie boter met veel kruiden klaargesmoord en met een heerlijke witte wijn genuttigd. Er was van alles daar in dat drugstoortje, ook goeie Chardonnay uit California Meneer. Die Indianen waren niet echt arm daarboven in Alaska, rondom die grote meren en rivieren met zoveel zalm.

Het Plan de Campagne was gemaakt. Die beer zou diezelfde nacht nog doodgeschoten worden en ik mocht - opdringend verzoek - de huid hebben van die beer, die echter nog niet geschoten was. Je kent het spreekwoord en daarmee wil ik niet zeggen dat ik al vooruitloop op de gebeurtenissen die nog komen moesten, maar je kent het spreekwoord. Iedereen in Nederland kent het trouwens. Het is een algemeen gebruikt spreekwoord ook al komen er geen beren meer voor in ons kikkerlandje (trouwens kikkers, vergeleken met hier in Indonesië, ook nauwelijks meer kan ik je verzekeren, kikkers die ik hier vrijwel wekelijks eet trouwens want ik vind ze heerlijk en ze zijn goedkoop omdat Muslims ze net als varkensvlees niet mogen nuttigen).

Met zijn drieën en het kogel- en hagelgeweer plus een grote stok, slopen de Indianen naar het dichte struikgewas waar de eksters omheen fladderden en nu van schrik lawaai begonnen te maken. Stel je voor die beer lag daar lekker te vreten van een stuk caribou, ook al lag dat niet voor de hand, gezien de enorme stukken afgebeten van een bil die nacht. Die beer was er inderdaad niet (misschien wel bang geworden van het door mij slachten van de eenden beste Peter, maar dat is niet zeker en ook niet meer te achterhalen) meer en de stukken kariboe werden de veranda opgesleept en in het schuurtje geschoven. Alleen dat aangevreten stuk bleef liggen vlak voor het venster naast de voordeur in de open lucht.

Die beer zou gegarandeerd terugkomen de volgende nacht en er moest gepost worden. En ik mocht ook posten als ik wilde, twee uur op en twee uur af ,zoals dat in militaire kringen heet. Peter liever niet zei hij. Hij had zijn nachtrust erg hard nodig om zich goed op het vliegvissen te kunnen concentreren zei hij en bovendien kon hij niet met een wapen overweg zei hij ook nog. Die avond kwamen de verhalen los, van de Indianen hier en van mij overal en nergens op deze wereld, maar vooral van Peter over die tocht door Tibet toen we op de elusive snow trout gingen met de vlieg op de Lhasa Rivier pal tegenover het Grote Paleis van de Dalai Lama., het prachtige Potala.

Dat sneeuwforellen niet bestaan wisten we toen nog niet beste Peter, daar kwamen we later pas achter en het verhaal daarover is er ook een van groot avontuur en veel koppijn op grote hoogte. Met een bezoek aan een afgelegen klooster waar de laatste bezoeker voor ons, Djengis Kahn was.

Na enkele flinke whiskeys - voor mij altijd straight en zonder ijsblokjes of water - doken we onze cot in op de eerste verdieping. De zwager van Jim, de grootste Indiaan van ze allemaal, zou als eerste posten van middernacht tot tweeën en ik zou die eerste nacht gespaard worden. Het volgende waar ik me van bewust was, was een serie van drie enorme knallen en dat ik uit bed tuimelde en op kousevoeten de trap afdonderde.

I got her, I got her, schreeuwde die grote zwaaiende Indiaan in de deuropening, na drie schoten uit het kogelgeweer. Maar hij got niks, helemaal niks. Ja drie gaten in de schuurdeur. en die beer got een mooie achterbout, want die was weg en die bout hebben we nooit meer terug gezien. Had ie snel meegenomen en was hij mee weggekuierd langs hetzelfde zandpad, voorbij de schuur, waar ik op dat lege olieblik had geschoten. En die stomme Indiaan had op enkele tientallen meters mis geschoten of zoals de Duitse jager dat zegt  Das Tier vorbei geschossen. Geen geweidmannsheil hier dus.

Ik had het niet meer. We hadden het allemaal niet meer. We keken eerst ontnuchterd, toen niet-gelovend en vervolgens lagen we met zijn allen dubbel van het lachen, terwijl die gigantische Indiaan beteuterd stond te kijken, als een klein kind, van zijn geweer naar het zandpad en de schuur, naar ons. En we hebben er nog een extra l'Aphroiac op genomen, beste Peter. Daarna hebben we goed geslapen, want verder posten had geen zin. Die beer zou die nacht toch niet meer komen want die schoten waren dat beest natuurlijk ook niet in de kouwe kleren gaan zitten, figuurlijk dan wel te verstaan, beste jongen.

De derde dag werd er een van rustig vissen en terug naar die plek waar Peter dus zijn mooie regenboogforellen had gevangen en op die zijrivier met veel eenden. En we vingen ze weer hoor en ik schoot er ook weer een stel eenden bij voor de pot en de soep. Niks nieuws onder de zon die dag en we kwamen vroeg thuis, waar we voelden dat we gezelschap hadden van een grote slimme rakker, die ons zat te beloeren vanuit een van zijn schuilplekjes rondom het huis.

We smulden van al die lekkere vis en eenden dat het een lust was - nu ook met lekkere wijn erbij - maar het gesprek kwam weer op die beer natuurlijk.

De Indianen waren eensgezind. Die Grizzly kwam vannacht weer kijken of er wat te halen viel. Daar kon je de klok op gelijk zetten. En het Plan de Campagne zou hetzelfde zijn als de nacht ervoor, alleen zou Jim, de beste schutter, het eerst posten. Ik mocht als tweede om twee uur het nest uit, want ik had per slot van rekening uit een varende boot een kariboe omgelegd met die antieke punt 30 Winchester, zonder safe er op, net als trouwens dat nog antiekere hagelgeweer, dat ook al geen safe had. Streng verboden wapentuig in Nederland was dat natuurlijk.

Ik lag goed en wel te snurken of schrik opnieuw wakker van een hard schot, een schot maar deze keer. In pyjama tuimelde ik weer als eerste de trap af om deze keer een vloekende Jim in de deuropening te zien staan die riep: I missed her, I missed her. En ja hoor de beer had die tweede achterbout mee en was weer dat zandpad opgerend  met zijn buit. Ik kon het niet geloven, hoe kon zo'n groot beest in Godsnaam gemist worden.

Dit kon zo niet doorgaan. Hier moest verandering in komen. En ik begon snode plannen te smeden die nacht om die uitvoerig en in details aan het ontbijt mede te delen aan die slecht schietende Indianen.

Ik loerde nog even over mijn zoveelste mok koffie, schraapte mijn keel, en zei luid en duidelijk in mijn beste Engels - en dat is foutloos beste jongen - dat nu de tijd was aangebroken voor De Grote Blanke Jager, om de verantwoordelijkheid van het doden van dat beest, van die grote beer, op me te nemen. Ik zou dat beest die nacht nog eigenhandig om zeep helpen met een welgemikt schot hoog op het blad oftewel Hoch Blatt zoals onze Duitse jachtvrienden dat zeggen. Desnoods - zei ik in mijn overmoed - zou ik dat beest tussen de ogen schieten en wel van bovenaf.

Hoe ik dat dan wilde bewerkstelligen? Wat was mijn Plan de Campagne dan wel niet? Had ik soms een andere strategie of tactiek om dat beest te schieten?

Peter keek me wat onnozel en meewarig aan en je zag dat hij eronder leed dat hij weer geen zalm met de vlieg aan de kleren kon komen. Die beer interesseerde hem weinig, die gooide alleen maar roet in het vliegvissen. Maar hij klaagde niet want de eendenbouillon was voortreffelijk en daar is de culinaire Kenemans gevoelig voor, net als voor de juiste whisky op de juiste plaats, van de juiste temperatuur, in het juiste gezelschap met het juiste visserslatijn en op het juiste moment genoten.

Ja dat had ik - een uitgekiend plan had ik - want ik zou met wat houten plankieren die ik in het schuurtje had zien liggen en met wat balken een hoogzit op het dak maken tegen de stevige stenen schoorsteen aan, daar op klimmen met een ladder (die ik al had zien liggen) en vervolgens de romp als aas aanbieden op dezelfde plek op de veranda waar die andere stukken vlees gestolen waren.

Fluitje van een cent en veiliger kon het niet want zei ik ,zo'n beer kruipt volgens mij niet zomaar het dak op om me van achter een mep in mijn nek te geven. Was ik niet geslaagd voor het Nederlands jachtexamen? Had ik geen tien potverdorie voor het onderdeel veiligheid met het wapen gehad? Ik wist wis en waarachtig wel wat veilig jagen was en die beer zou ik omleggen zonder gevaar voor eigen leven. Ik moest nog langer mee vond ik zelf. Ik ben trouwens niet erg nuchter als ik zo'n groots plan aan anderen beschrijf, zelfs in de wetenschap niet. Ik laat me dan gauw gaan, beste Peter.

Die dag moest Peter trouwens vervroegd huiswaarts keren wegens een sterfgeval door een verkeersongeluk in de familie. Ik bleef rond het huis scharrelen en bouwde een stevige hoogzit, waar ik een provisorisch getimmerde stevige kruk op kon zetten, zodat ik in alle triomf van boven af die beer aan het einde van zijn dievenleven kon brengen.

Maar er zat verandering in de lucht en de wind was naar het noorden gedraaid. De poolwinter kondigde zich al aan die dag, dat ik daar aan het timmeren en het zagen was, overigens met amicale en glimlachende hulp van die grote Indianen die het spul op het dak zeulden voor me, tegen die schoorsteen aan. Steviger hoogzit is er nooit gebouwd op het dak van een Log Cabin, in de eeuwenoude annalen van de jacht in Alaska. Neem dat van mij aan beste Peter. Die beer was ten dode opgeschreven. Aan die Hoogzit zou het niet liggen.

Het begon flink te waaien tegen de middag en het werd kil en koud, dus we namen in de achternamiddag na enkele blikjes bier al onze eerste whiskey. En ik bereidde me voor op mijn zware verantwoordelijke taak, het schieten van mijn eerste beer, een grote, gruwelijke, stelende grizzlybeer en nog wel in het hartje van Alaska. Dat was andere koek dan een reebok schieten in de Schinveldse bossen nietwaar. Maar tegen de avond was er hier ook de eerste sneeuwstorm van het seizoen - na die eerdere aan het eind van Lake Clarke - en boven op het dak was het natuurlijk lang niet zo lekker toeven urenlang, dan tussen het open haardvuur en het raam, op dat warme, knusse plekkie, voor de veranda waar die beer moest komen.

Ze namen me het niet eens kwalijk achteraf dat ik bleef zitten op die stoel achter het raam en niet het dak op kroop. En ze begrepen heel goed dat ik van al die whiskeys in slaap gedommeld was. Het eerste en het laatste wat ik ooit van die beer heb gezien was dat hij zich met een groot stuk vlees uit de voeten maakte, dat ik die deur niet direct durfde te openen bang voor een slag in mijn nek, dat ik die deur pas later opende en dat de beer toen al lang gevlogen was, zodat ik zelfs niet kon schieten want ik zag in die donkere nacht met die storm en al die sneeuw dat zandpad nauwelijks.

Mijn verhaal aan het ontbijt werd niet onmiddellijk geloofd. Als een man stonden de drie Indianen op, liepen de deur uit en verwittigden zich middels de sporen van het beest van de waarheid die wel natuurlijk degelijk door mij gesproken was. Waarom zou ik erover liegen nietwaar beste Peter?

Ik had weinig te missen de volgende dag en er werd weinig gesproken. Er werden weer wat eenden geschoten en wat vissen gevangen en de familie in Nondalton werd bezocht, waar de verhalen natuurlijk in geuren en kleuren werden verteld. Ach ze zouden die beer nog wel aan de kleren komen, gebruikmakend van die perfecte hoogzit en het vel opsturen naar Nederland. Mijn plan was goed en ik was een moedige Blanke Jager. Nee zij zouden ook niet in weer en wind boven op die hoogzit gekropen zijn.

Ik heb nooit meer iets vernomen van Jim, zijn zwager en zijn kameraden van Nondalton. Ik heb nooit van mijn leven een beer, tijger of leeuw geschoten. Toen puntje bij paaltje kwam was ik te verwend om boven op het huis te kruipen, te moe om wakker te blijven en te laf om die deur op tijd open te trekken en wellicht een schot af te vuren dat raak zou zijn geweest. Sorry beste vrienden in Hubertus dat ik toen het er op aankwam verstek heb laten gaan.

De huid was al verkocht maar de beer moest nog geschoten worden. En dat die niet geschoten was berouw ik nu al mijn leven lang.

Dat kariboe gewei was zo groot dat het in Schiphol boven op mijn ouwe Mercedes 200 Diesel moest worden vastgebonden, want het kon die auto met geen mogelijkheid in. Het kreeg een ereplaats in mijn studeerkamer en er hingen opgezette vliegende eenden aan in overvloed, maar wel van de Europese, mij bekende soorten, die ik vaak liet opzetten toen het nog niet verboden was ze te schieten.

Met vriendelijke groeten uit Bandung,

Jo de lafhartige berenjager

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz