Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.
Hoofdstuk 77
23 april 2004

Rembrandt Schmitz en Der Geis van Reijmersdaal

Beste Peter,

In 1995 ontmoetten we elkaar en het was "liefde op het eerste gezicht', zoals jij begrijpt van de platonische variëteit. In een Café in Epen waar de Hengelsportvereniging St. Petrus van die plaats haar jaarvergadering heeft. En die club heeft het visrecht in het mooiste forellenriviertje in den lande, de Geul, vanaf de grens met België tot aan de grens met het volgende dorp, enkele kilometers lang en eigenlijk niks bijzonders.

Het had een bijzonder viswater voor de vliegvisser kunnen zijn als niet voortdurend een aantal gifgroene clubs zoals Natuurmonumenten, maar ook de Provincie, het Waterschap en al die andere instanties hadden geknabbeld aan de visrechten en het sportvissen praktisch onmogelijk hebben gemaakt. Ik word al weer gloeiend kwaad als ik denk aan al die mieren-neukerij waar die brave vissers aan de Geul mee te maken hadden, hebben en altijd wel zullen hebben, nu Pim Zaliger het nooit meer voor het zeggen krijgt en er voorlopig wel geen dictator, die graag vist en jaagt, in Nederland aan de macht zal komen.

"Natuurlijk" moest alles zijn, dus het uitzetten van maatse forel voor de sportvisser was uit den boze zeiden de Godvergeten biologen die in dienst staan van Overheid en aanverwante instanties. De bronnetjes moesten geopend en verzorgd om door natuurlijke aanwas een gezonde visstand, een "natuurlijke" visstand te verkrijgen en daar paste geen visser in, in dat plaatje en daar hielp geen Moedertje lief aan. En vlagzalmen hoorden hier niet.

De secretaris van de club, een doodgoeie, correcte en goed leidinggevend figuur in dorp en regio heeft er na tientallen jaren strijd een hartverlamming van gekregen.

En dat terwijl effe verder over de grens de buren op zo'n fantastische wijze hun beekjes, riviertjes, rivieren en de Rijn zelf waren gaan beheren nadat de waterverontreiniging van de industriële era eindelijk aan banden was gelegd. Gisteren kon je het nog lezen beste Peter in mijn verhaal over de Roer in Duren. Maar goed, ik wilde lid worden van het cluppie en ook op eigen Nederlandse bodem op forellen vissen.

Er was daar een persoon op die vergadering die zowel aan de bar als in de vergadering goed van de tongriem gesneden was en dat was dus Rembrandt, in het Limburgse kortweg "Rem" geheten. Niet alleen een vliegvisser zo bleek, maar ook nog een jager. Goeie genade dacht ik, er is er nog een zoals ikzelf: een Limburger die zowel jaagt als vist. Dat kon niet waar zijn, maar het was waar. Overigens heb ik nooit meer daarna een andere Nederlander, laat staan een andere Limburger, gevonden die zowel jaagt als vist met de vlieg. Een uiterst zeldzaam ras dus, in tegenstelling tot Engeland waar veel van onze "soortgenoten" rondlopen.

En waar een McKnab de hoogste "onderscheiding" is die sportman in de natuur zich kan verwerven. Een symbolische onderscheiding die je aan jezelf mag uitreiken als je op een dag een hert en een "grouse" geschoten hebt en een zalm gevangen. En ik heb het geprobeerd: dat hert en die grouse had ik, maar de rivier was zalmloos, dus een McKnab heb ik mij in het Schotse helaas nooit kunnen verwerven,

Maar Rem had nog meer "wapenfeiten" op zijn naam staan: hij was een heuse jachthoornblazer en zelfs een kievitseierenzoeker en nu komt het Peter. Hij was de Nummer Een van Nederland in het jaar dat hij het Nationale Jachtexamen aflegde. Geen watje dus. En hij was leraar in de jachtcursus van Limburg, dus hij indoctrineerde alle komende jagers en jageressen (een handjevol) totdat het jachtexamen met goed gevolg werd afgelegd. Voorwaar een "voorman" uit het Limburgse. Daar werd dus een vriendschap geboren tussen gelijkgezinden.

We hebben het een aantal keren samen geprobeerd daar aan die kleine Geul in het kleiige dal tussen twee heuvelruggetjes van het uiterste Zuid-Limburgse. Ja de natuur is er mooi, vooral in mei als het seizoen er opent. En met heel veel moeite en met heel veel geduld en ontzettend veel vakkennis kun je er een forelletje vangen dat net aan de maat is en zelfs nog wel eens een vlagzalmpje en misschien ook wel eens een mooie kopvoorn (ook wel meun genoemd of moon op zijn Limburgs), maar voor de rest is het watertje met veel takken en vuil op de bodem een kerkhof van kunstvliegjes en spinnertjes. Uiterst droevig en pietluttig gedoe is het daar in het Valkenbrugse kabouterland en achterland van arme Hollandse toeristen en dagjesmensen

Maar Rem wist "raad" want ik moest vooral de Grensmaas niet vergeten. Weliswaar waren daar de meeste vissoorten nu beschermd - nergens voor nodig Peter, maar weer zo'n stunt van de "natuurbeschermers" om een arme sportvisser het leven zuur te maken - maar daar kon je met de vlieg toch heus wel goed vangen als je maar wist hoe het moest en hij wist het wel zei hij, hetgeen gelogen was, dat voelde ik aan mijn klompen. Dat was grootspraak.

Nu was ik, beste Peter, opgegroeid in het land van de Maas en had er veel gevist maar nooit met de vlieg, altijd met de vaste stok, beaasd met een worm, een made, een stukje brood of deeg of desnoods de werphengel en daarmee dan ook nog "zwaar" op de bodem met dauwpieren. Maar ik was er in geen half leven meer geweest. Dus ik beloofde Rem om dan maar eens eerst in de vroege morgen van een meidag op de Maas bij Meers te starten om daarna naar de Geul af te zakken voor dat ene forelletje op een mooie avond als er zowaar zelfs op de Geul nog wel eens een forel naar een vliegje steeg op een vroeg moment in het seizoen, als ze nog net niet allemaal waren weggevangen, die paar uitgezette maatsen, die "mochten" van het gifgroene gespuis.

In 1995 op een dag in mei hebben we zo gezegd zo gedaan en haalde ik alles uit de kast, maar dan ook al mijn vliegviskunde en wijsheid uit een hele grote kast en heb zowaar een sneep - die wij toepasselijk in het Limburgs "koemoel" noemen - en zelfs een grote barbeel - de we "berf" noemen, aan kunstvliegen gevangen. Aan grote meivlieg nimfen uit Engeland meegenomen. Uren en nog eens uren heb ik gevist. Rem en zijn zoon vingen niks natuurlijk, maar dat zijn dan ook geen echte vliegvissers en hadden er ook het geduld niet echt voor en te weinig "fiducie" en kunde.

Rem was er zo van onder de indruk dat hij er een verhaal over schreef voor de Nederlandse Jager in 1996 en dat genoemd werd "De Grensmaas herontdekt". Ik kan en mag jou en de dagboeklezer dit verhaal niet onthouden, want nu hoor je het eens van een ander, nu lees je eens van een ander, over mij, de gek zelf.

Uiteindelijk heeft Rem net als ik, als lid van de Club bij Epen bedankt en kocht hij zelfs geen Nederlandse vergunning meer om op de Maas te kunnen vissen. Hij was geheel en al afgeknapt op het betweterige giflinkse natuurgedoe. Door mij werd hij geïntroduceerd als lid van de Club in Duren op de Roer en daar vist hij sindsdien regelmatig het gehele seizoen door en is langzaam maar zeker een goede vliegvisser geworden. Een Nederlandse vliegvisemigrant die volop geniet in het Duitse.

Rem was ook jager en via hem werd ik geintroduceerd in de Zuidlimburgse jagerskringen en leerde ik o.a. Toine Ramaekers kennen, een der trouwste dagboeklezers zoals je nu wel weet beste Peter. Rem was net als Toine ook een jachthoornblazer bij een gezelschap in Nieuwenhagen dat zelfs Hubertus missen kan verzorgen, voorwaar uniek in Nederland.

Met Rem en Toine en hun vriendenkring heb ik gejaagd in de Schinveldse bossen en ook op het landgoed van Kasteel Reijmersdaal bij Nuth op de Limburgse hoogvlakte en in het dal van de Geleenbeek. Enkele kleine maar gezellige drijfjachten per jaar op haas en fazant en wat peuterwerk op konijnen, een enkele keer op vos en ree en natuurlijk ook wel eens een mooie dag op de duiven. Ach die Limburgers hebben niet veel wild, maar ze maken er wat van. Een jaarlijkse jachtdag op Kasteel Hoensbroek is het hoogtepunt in het folkloristische gebeuren daar. Maar van het "landleven" is nog maar bitter weinig over.

En gelachen dat we hebben. Ik heb nog nooit zo hard gelachen dan na de eerste drijfjacht op Reijmersdaal. In een klein bosje gelegen in een moerassig dalletje zou een "geest" rondwaren, die wel eens bij nacht en ontij gezien was en daar geweldig had geschreeuwd, net als hazen die verschrikkelijk kunnen schreeuwen, als een klein kind, als ze "ziek" geschoten worden, of een hond ze in de nek grijpt nadat ze aangeschoten zijn en op de vlucht

En de vorige jachteigenaar had die Geest aangetroffen daar en was zo geschrokken dat hij zijn jachtrechten had verkocht en nooit meer in die contreien gezien is.

We waren nog niet met zijn allen op linie met geweren in de aanslag verdwenen in het moerassige bos of een door merg-en-been en hartverscheurend geschreeuw, gekoppeld aan een langzaam wegzinkende laars in de zompige ondergrond tussen ondoordringbare varens, bramen en moeraszegge, maakte mijn verlangen naar een snelle pijnloze dood zeer acuut. Ik had het niet meer en toen er ook nog een schot klonk van vlakbij kon alleen een woeste schreeuw van een der jagers me weer bij mijn positieven brengen. Der Geis, der Geis klonk het en nu uit meer monden en dat is dus "de geest" op zijn Limburgs beste Peter. Maar de Geest had al de Geest gegeven bleek later.

Wat hadden die gekke Limburgers gedaan. Bij totaal gebrek aan wild hadden ze maar een Vlaamse Reus, een gigantisch wit konijn, losgelaten in het moeras en dat morsdood geschoten. Dat lag dus pontificaal op het tableau later op de dag, want daar is zelfs in Nederland nog geen wet tegen. De wetgever heeft natuurlijk nooit gedacht dat er zo'n gekke Nederlanders zijn dat die tamme beesten mee van huis nemen en in het jachtveld kapot knallen om een geest uit het jachtveld te drijven. Zou een leuk verhaal zijn voor De Nederlandse Jager maar de censuur is daar onverbiddelijk geworden. Honderd jaar geleden had het nog wel gekund en was er eens goed om gelachen, om die "dekselse" Limburgers.

En omdat ik nog acht volle eenden had meegenomen van de vorige jachtdag op de Vinkeveense Plassen, die ik erbij gelegd heb, met drie hazen, twee fazanten, een duif en een zwarte kraai naast die witte Vlaamse Reus, leek het tenminste nog ergens op die jachtdag daar in het Limburgse. Jachthoorns bliezen het wild "dood" met voor iedere soort een eigen deuntje, ja zo gaat dat beste Peter. De ambiance in Kasteel Reijmersdaal was gezellig. Franz Joseph zou gezegd hebben: het was er gemoedelijk.

En het bier waar Limburg trots op is, het hoppige Brands, vloeide rijkelijk en we hadden de grootste lol want Der Geis was voorgoed en eeuwig uit dit jachtveld verdwenen en zou het hier nooit meer kunnen beheksen. Je moet toch wat beste Peter, nu je hier geen bokkenrijders meer hebt in het Limburgse en alleen nog maar gifgroene milieufanaten.

En als je het niet geloofd zoek je Toine maar eens op want die weet er het fijne van. Met Rem heb ik contact verloren, die werd steeds dogmatischer en liet zich niks meer "aanleunen" en door anderen corrigeren als hij het mis had. In al zijn slimheid werd hij een starre persoonlijkheid, te veel rokend en verbitterd.

Maar hier laat ik zijn verhaal over mij volgen uit de tijd dat het nog "liefde op het eerste gezicht" was. Met vriendelijke groeten van een nostalgisch wordende Limburger die uit oude vaatjes tapt en in wiens brein de herinnering hoogtij viert,

Jo de Limburger

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz