Hoofdstuk 77
23 april 2004
Rembrandt Schmitz en Der Geis
van Reijmersdaal
Beste Peter,
In 1995 ontmoetten we elkaar en het was "liefde op het
eerste gezicht', zoals jij begrijpt van de platonische
variëteit. In een Café in Epen waar de Hengelsportvereniging
St. Petrus van die plaats haar jaarvergadering heeft. En die
club heeft het visrecht in het mooiste forellenriviertje in
den lande, de Geul, vanaf de grens met België tot aan de
grens met het volgende dorp, enkele kilometers lang en
eigenlijk niks bijzonders.
Het had een bijzonder viswater voor de vliegvisser kunnen
zijn als niet voortdurend een aantal gifgroene clubs zoals
Natuurmonumenten, maar ook de Provincie, het Waterschap en
al die andere instanties hadden geknabbeld aan de visrechten
en het sportvissen praktisch onmogelijk hebben gemaakt. Ik
word al weer gloeiend kwaad als ik denk aan al die
mieren-neukerij waar die brave vissers aan de Geul mee te
maken hadden, hebben en altijd wel zullen hebben, nu Pim
Zaliger het nooit meer voor het zeggen krijgt en er
voorlopig wel geen dictator, die graag vist en jaagt, in
Nederland aan de macht zal komen.
"Natuurlijk" moest alles zijn, dus het uitzetten van
maatse forel voor de sportvisser was uit den boze zeiden de
Godvergeten biologen die in dienst staan van Overheid en
aanverwante instanties. De bronnetjes moesten geopend en
verzorgd om door natuurlijke aanwas een gezonde visstand,
een "natuurlijke" visstand te verkrijgen en daar paste geen
visser in, in dat plaatje en daar hielp geen Moedertje lief
aan. En vlagzalmen hoorden hier niet.
De secretaris van de club, een doodgoeie, correcte en
goed leidinggevend figuur in dorp en regio heeft er na
tientallen jaren strijd een hartverlamming van gekregen.
En dat terwijl effe verder over de grens de buren op zo'n
fantastische wijze hun beekjes, riviertjes, rivieren en de
Rijn zelf waren gaan beheren nadat de waterverontreiniging
van de industriële era eindelijk aan banden was gelegd.
Gisteren kon je het nog lezen beste Peter in mijn verhaal
over de Roer in Duren. Maar goed, ik wilde lid worden van
het cluppie en ook op eigen Nederlandse bodem op forellen
vissen.
Er was daar een persoon op die vergadering die zowel aan
de bar als in de vergadering goed van de tongriem gesneden
was en dat was dus Rembrandt, in het Limburgse kortweg "Rem"
geheten. Niet alleen een vliegvisser zo bleek, maar ook nog
een jager. Goeie genade dacht ik, er is er nog een zoals
ikzelf: een Limburger die zowel jaagt als vist. Dat kon niet
waar zijn, maar het was waar. Overigens heb ik nooit meer
daarna een andere Nederlander, laat staan een andere
Limburger, gevonden die zowel jaagt als vist met de vlieg.
Een uiterst zeldzaam ras dus, in tegenstelling tot Engeland
waar veel van onze "soortgenoten" rondlopen.
En waar een McKnab de hoogste "onderscheiding" is die
sportman in de natuur zich kan verwerven. Een symbolische
onderscheiding die je aan jezelf mag uitreiken als je op een
dag een hert en een "grouse" geschoten hebt en een zalm
gevangen. En ik heb het geprobeerd: dat hert en die grouse
had ik, maar de rivier was zalmloos, dus een McKnab heb ik
mij in het Schotse helaas nooit kunnen verwerven,
Maar Rem had nog meer "wapenfeiten" op zijn naam staan:
hij was een heuse jachthoornblazer en zelfs een
kievitseierenzoeker en nu komt het Peter. Hij was de Nummer
Een van Nederland in het jaar dat hij het Nationale
Jachtexamen aflegde. Geen watje dus. En hij was leraar in de
jachtcursus van Limburg, dus hij indoctrineerde alle komende
jagers en jageressen (een handjevol) totdat het jachtexamen
met goed gevolg werd afgelegd. Voorwaar een "voorman" uit
het Limburgse. Daar werd dus een vriendschap geboren tussen
gelijkgezinden.
We hebben het een aantal keren samen geprobeerd daar aan
die kleine Geul in het kleiige dal tussen twee
heuvelruggetjes van het uiterste Zuid-Limburgse. Ja de
natuur is er mooi, vooral in mei als het seizoen er opent.
En met heel veel moeite en met heel veel geduld en
ontzettend veel vakkennis kun je er een forelletje vangen
dat net aan de maat is en zelfs nog wel eens een vlagzalmpje
en misschien ook wel eens een mooie kopvoorn (ook wel meun
genoemd of moon op zijn Limburgs), maar voor de rest is het
watertje met veel takken en vuil op de bodem een kerkhof van
kunstvliegjes en spinnertjes. Uiterst droevig en pietluttig
gedoe is het daar in het Valkenbrugse kabouterland en
achterland van arme Hollandse toeristen en dagjesmensen
Maar Rem wist "raad" want ik moest vooral de Grensmaas
niet vergeten. Weliswaar waren daar de meeste vissoorten nu
beschermd - nergens voor nodig Peter, maar weer zo'n stunt
van de "natuurbeschermers" om een arme sportvisser het leven
zuur te maken - maar daar kon je met de vlieg toch heus wel
goed vangen als je maar wist hoe het moest en hij wist het
wel zei hij, hetgeen gelogen was, dat voelde ik aan mijn
klompen. Dat was grootspraak.
Nu was ik, beste Peter, opgegroeid in het land van de
Maas en had er veel gevist maar nooit met de vlieg, altijd
met de vaste stok, beaasd met een worm, een made, een stukje
brood of deeg of desnoods de werphengel en daarmee dan ook
nog "zwaar" op de bodem met dauwpieren. Maar ik was er in
geen half leven meer geweest. Dus ik beloofde Rem om dan
maar eens eerst in de vroege morgen van een meidag op de
Maas bij Meers te starten om daarna naar de Geul af te
zakken voor dat ene forelletje op een mooie avond als er
zowaar zelfs op de Geul nog wel eens een forel naar een
vliegje steeg op een vroeg moment in het seizoen, als ze nog
net niet allemaal waren weggevangen, die paar uitgezette
maatsen, die "mochten" van het gifgroene gespuis.
In 1995 op een dag in mei hebben we zo gezegd zo gedaan
en haalde ik alles uit de kast, maar dan ook al mijn
vliegviskunde en wijsheid uit een hele grote kast en heb
zowaar een sneep - die wij toepasselijk in het Limburgs "koemoel"
noemen - en zelfs een grote barbeel - de we "berf" noemen,
aan kunstvliegen gevangen. Aan grote meivlieg nimfen uit
Engeland meegenomen. Uren en nog eens uren heb ik gevist.
Rem en zijn zoon vingen niks natuurlijk, maar dat zijn dan
ook geen echte vliegvissers en hadden er ook het geduld niet
echt voor en te weinig "fiducie" en kunde.
Rem was er zo van onder de indruk dat hij er een verhaal
over schreef voor de Nederlandse Jager in 1996 en dat
genoemd werd "De Grensmaas herontdekt". Ik kan en mag jou en
de dagboeklezer dit verhaal niet onthouden, want nu hoor je
het eens van een ander, nu lees je eens van een ander, over
mij, de gek zelf.
Uiteindelijk heeft Rem net als ik, als lid van de Club
bij Epen bedankt en kocht hij zelfs geen Nederlandse
vergunning meer om op de Maas te kunnen vissen. Hij was
geheel en al afgeknapt op het betweterige giflinkse
natuurgedoe. Door mij werd hij geïntroduceerd als lid van de
Club in Duren op de Roer en daar vist hij sindsdien
regelmatig het gehele seizoen door en is langzaam maar zeker
een goede vliegvisser geworden. Een Nederlandse
vliegvisemigrant die volop geniet in het Duitse.
Rem was ook jager en via hem werd ik geintroduceerd in de
Zuidlimburgse jagerskringen en leerde ik o.a. Toine
Ramaekers kennen, een der trouwste dagboeklezers zoals je nu
wel weet beste Peter. Rem was net als Toine ook een
jachthoornblazer bij een gezelschap in Nieuwenhagen dat
zelfs Hubertus missen kan verzorgen, voorwaar uniek in
Nederland.
Met Rem en Toine en hun vriendenkring heb ik gejaagd in
de Schinveldse bossen en ook op het landgoed van Kasteel
Reijmersdaal bij Nuth op de Limburgse hoogvlakte en in het
dal van de Geleenbeek. Enkele kleine maar gezellige
drijfjachten per jaar op haas en fazant en wat peuterwerk op
konijnen, een enkele keer op vos en ree en natuurlijk ook
wel eens een mooie dag op de duiven. Ach die Limburgers
hebben niet veel wild, maar ze maken er wat van. Een
jaarlijkse jachtdag op Kasteel Hoensbroek is het hoogtepunt
in het folkloristische gebeuren daar. Maar van het
"landleven" is nog maar bitter weinig over.
En gelachen dat we hebben. Ik heb nog nooit zo hard
gelachen dan na de eerste drijfjacht op Reijmersdaal. In een
klein bosje gelegen in een moerassig dalletje zou een
"geest" rondwaren, die wel eens bij nacht en ontij gezien
was en daar geweldig had geschreeuwd, net als hazen die
verschrikkelijk kunnen schreeuwen, als een klein kind, als
ze "ziek" geschoten worden, of een hond ze in de nek grijpt
nadat ze aangeschoten zijn en op de vlucht
En de vorige jachteigenaar had die Geest aangetroffen
daar en was zo geschrokken dat hij zijn jachtrechten had
verkocht en nooit meer in die contreien gezien is.
We waren nog niet met zijn allen op linie met geweren in
de aanslag verdwenen in het moerassige bos of een door
merg-en-been en hartverscheurend geschreeuw, gekoppeld aan
een langzaam wegzinkende laars in de zompige ondergrond
tussen ondoordringbare varens, bramen en moeraszegge, maakte
mijn verlangen naar een snelle pijnloze dood zeer acuut. Ik
had het niet meer en toen er ook nog een schot klonk van
vlakbij kon alleen een woeste schreeuw van een der jagers me
weer bij mijn positieven brengen. Der Geis, der Geis klonk
het en nu uit meer monden en dat is dus "de geest" op zijn
Limburgs beste Peter. Maar de Geest had al de Geest gegeven
bleek later.
Wat hadden die gekke Limburgers gedaan. Bij totaal gebrek
aan wild hadden ze maar een Vlaamse Reus, een gigantisch wit
konijn, losgelaten in het moeras en dat morsdood geschoten.
Dat lag dus pontificaal op het tableau later op de dag, want
daar is zelfs in Nederland nog geen wet tegen. De wetgever
heeft natuurlijk nooit gedacht dat er zo'n gekke
Nederlanders zijn dat die tamme beesten mee van huis nemen
en in het jachtveld kapot knallen om een geest uit het
jachtveld te drijven. Zou een leuk verhaal zijn voor De
Nederlandse Jager maar de censuur is daar onverbiddelijk
geworden. Honderd jaar geleden had het nog wel gekund en was
er eens goed om gelachen, om die "dekselse" Limburgers.
En omdat ik nog acht volle eenden had meegenomen van de
vorige jachtdag op de Vinkeveense Plassen, die ik erbij
gelegd heb, met drie hazen, twee fazanten, een duif en een
zwarte kraai naast die witte Vlaamse Reus, leek het
tenminste nog ergens op die jachtdag daar in het Limburgse.
Jachthoorns bliezen het wild "dood" met voor iedere soort
een eigen deuntje, ja zo gaat dat beste Peter. De ambiance
in Kasteel Reijmersdaal was gezellig. Franz Joseph zou
gezegd hebben: het was er gemoedelijk.
En het bier waar Limburg trots op is, het hoppige Brands,
vloeide rijkelijk en we hadden de grootste lol want Der Geis
was voorgoed en eeuwig uit dit jachtveld verdwenen en zou
het hier nooit meer kunnen beheksen. Je moet toch wat beste
Peter, nu je hier geen bokkenrijders meer hebt in het
Limburgse en alleen nog maar gifgroene milieufanaten.
En als je het niet geloofd zoek je Toine maar eens op
want die weet er het fijne van. Met Rem heb ik contact
verloren, die werd steeds dogmatischer en liet zich niks
meer "aanleunen" en door anderen corrigeren als hij het mis
had. In al zijn slimheid werd hij een starre
persoonlijkheid, te veel rokend en verbitterd.
Maar hier laat ik zijn verhaal over mij volgen uit de
tijd dat het nog "liefde op het eerste gezicht" was. Met
vriendelijke groeten van een nostalgisch wordende Limburger
die uit oude vaatjes tapt en in wiens brein de herinnering
hoogtij viert,
Jo de Limburger
|