Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.
Hoofdstuk 200
27 october 2005

Mijn zoektocht met Peter Kenemans naar de imaginaire sneeuwforel in Tibet
of
Een boeddhistische broodvisser van de laagste kaste

Beste Peter,

Terwijl ik in de zeventiger jaren een naam maakte voor mezelf in het fundamentele onderzoek naar het ontstaan van kanker door RNA tumorvirussen en daarvoor vele belangrijke laboratoria in de USA en Europa bezocht om er te werken en te leren, werden de tachtiger jaren die van reizen naar het Oosten - Azië - om anderen te onderwijzen in datgene wat ik toen gevonden had in de context van de toenmalige wetenschappelijke vooruitgang. Een belangrijke switch die ik maakte in 1977, te weten de overgang naar werk aan kanker bij de mens - tot dan toe had ik uitsluitend met muizen gewerkt, hetgeen nog tot in de negentiger jaren zou doorgaan - middels het opzetten van de hybridoma technologie en het genereren als een der eersten in Nederland en de wereld van monoclonale antistoffen tegen celoppervlakte antigenen van menselijke carcinomas, bleek van groot belang voor het vervolg van mijn carrière in de tachtiger jaren.

Deze technologie om in een fles antistoffen te genereren bleek van zo'n enorm belang ook voor de grote, maar arme researchlanden van Azië, zoals India en China, dat ik van alle kanten verzocht werd om die nieuwe technologie daar te gaan onderwijzen. Vanaf 1980 heb ik dat gedaan in India, te beginnen in Bombay (nu meestal Mumbay genoemd) in het Tata Memorial Cancer Institute en in Madras in het Kankerinstituut aldaar, alsook in China vanaf 1984, toen ik met hulp van de Wereldbank een laboratorium daarvoor oprichtte aan de Universiteit van Peking (Beidahe). Voor die tijd had ik al een patholoog uit Tientsin, een zekere Dr. Zhang Bao Lin, in Amsterdam de immuunhistologie bijgebracht, het zoeken met de nieuwgemaakte antistoffen naar specifieke eiwitten op gesneden stukjes menselijk weefsel.

In die tijd werd ook door ons voor het eerst gekeken in sera van mensen met kanker naar de nieuwe eiwitten die we met monoclonale antistoffen hadden ontdekt op weefsels en met biochemische technieken in menselijke melk en tumor extracten. Wij ontdekten het eerste mucine - MUC1 genoemd - en dat bleek voor te komen in sera van mensen met allerlei adenocarcinomen, met name van de melkklier. Borstkanker dus. Door een Amerikaans bedrijf, opgericht door mijn latere vriend Dr. Hubert Schoemaker (van Nederlandse origine), dat Centocor genoemd werd, werd een commerciële test ontwikkeld voor dit mucine ( een versuikerd eiwit) en die werd de CA15.3 test genoemd. Tot de dag van vandaag is die over de hele wereld nog in gebruik en nooit van de markt verdrongen door een concurrerende test, ondanks legio pogingen van de grootste diagnostische bedrijven in de wereld zoals Abbott and Boehringer.

Door de switch naar het onderzoek van muis naar mens hadden we dus vanuit het fundamentele onderzoek plotseling mogelijkheden om belangrijke voortgang te maken in de klinische praktijk van iedere dag en wel bij de diagnostiek door de patholoog van kankerweefsel door een chirurg eruit gepeuterd en de prognostiek en follow-up in serum, door de klinisch chemicus, van patiënten met kanker. En dat was wereldnieuws natuurlijk. Dat werd mijn Gospel, al reizend en werkend naar en in Azië, met name India en China in de tachtiger jaren en in Indonesië vanaf het einde van de negentiger jaren tot vorig jaar, toen ik ziek werd.

Maar ik ging er niet alleen naar toe om te werken, maar natuurlijk ook om die landen en hun mensen beter te leren kennen. Hun manier en standaard van leven, hun cultuur en beschaving. Ter vergelijking met die uit het Westen. De wereld ging voor me open en mijn reislust werd ten volle bevredigd, speciaal in de tachtiger jaren vanuit het Nederlands Kankerinstituut. De tijd dat Piet Borst werd binnengeloodst als directeur wetenschap, die me attent maakte op een vijfjarenplan van de Wereldbank om China weer "op gang te brengen" in de medische wetenschap bijvoorbeeld. Dat leverde geld op voor een project van twee maanden in Peking om daar de hybridoma technologie te brengen en er een volledig geoutilleerd laboratorium te bouwen. Dat gebeurde in oktober en november van het jaar 1984, in het jaar dat voor die techniek, uitgedokterd in 1974 - tien jaar eerder - de Nobelprijs werd gegeven aan Milstein en Kohler. We vierden toen feest met mijn studenten in Peking. Ik schreef er al eerder over in deze Memoires.

Het plan was om in 1986 terug te gaan naar China om te kijken hoe het stond met de vooruitgang in Tientsin met het werk van Zhang Bao Lin en in Peking in Beidahe met het daar opgezette laboratorium om zelf in China monoclonale antistoffen te genereren. Intussen had ik Peter Kenemans, gynaecoloog aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, ontmoet. Die kwam toen meer en meer naar internationale congressen over serum tumormarkers, met name eentje die CA125 genoemd werd en speciaal van belang was voor het vervolgen van patiënten met het ovariumcarcinoom.

Hij vertelde me dat hij op de nominatie stond om hoogleraar te worden aan de Vrije Universiteit in de gynaecologie en obstetrie en dat hij research wilde opzetten op het gebied van monoclonale antistoffen voor in vitro diagnostiek. Daarnaast ook voor therapie van kanker, middels gebruik van in te spuiten antistoffen, in vivo, zoals wij dat zeggen. Of ik geen zin had om zoiets samen met hem te doen. Waarop we afspraken elkaar eerst beter te leren kennen en ik hem daartoe uitnodigde een reis met mij naar China te ondernemen en in Tibet op de sneeuwforel te gaan vliegvissen. Want die sport stond sterk in zijn belangstelling maar hij had het nooit goed geleerd. Hij vond het een prima idee en in 1986 trokken we samen naar China om via Lhasa in Tibet (zonder vliegticket) over land naar Kathmandu te reizen en van daaruit per vliegtuig via New Delhi weer naar Schiphol terug te vliegen.

Een jaar lang heb ik naar boeken en andere literatuur gezocht wat betreft mijn imaginaire sneeuwforel die wellicht ergens in Tibet of de Himalaya regio zou moeten bestaan. Maar tot op de dag van vandaag heb ik er nooit iets over gevonden, maar eerlijk gezegd ook niet naar gegoogeld. Dat durfde ik Peter Kenemans niet te zeggen en die dacht dat die beesten echt bestonden. Hij begon pas te twijfelen toen we daadwerkelijk stonden te vissen in de Lhasa rivier in de schaduw van het Potala paleis van de Dalai Lama.

We bezochten eerst Tientsin aan de kust van de Chinese zee en vroegen aan Zhang Bao Lin of hij naar Chengdu in Sichuan, het hart van China, wilde komen om van daaruit samen met ons naar Lhasa te vliegen en ons helemaal naar de Nepalese grens te begeleiden. De Han Chinees stemde toe. Hij kwam per trein vanuit Tientsin aan de kust, tot Chengdu de hoofdstad van Sichuan, meer dan een dag en een nacht reizen.

Wij reisden zelf eerst door naar Peking en vlogen van daaruit naar Chengdu om daar de bouw van een nieuw kankerinstituut te aanschouwen bij een vriend van de oude Hyen T. Kim uit Tientsin, die al mijn Chinese avonturen mogelijk had gemaakt vanaf 1980. De grondlegger (als chirurg) van de radiotherapie in China voor kanker, nadat hij een eerste kobalt unit kreeg van Mao Tse Tung in 1953, vier jaar nadat de communisten aan de macht waren gekomen. Kim was geboren in Taiwan maar koos niet de kant van Tsjang Kai Shek. Hij was de grondlegger van de moderne kankertherapieën in China en als zodanig in heel China bekend en geliefd.

Er was in Chengdu helaas geen tijd toen om de bossen met de grote panda's te bezoeken, ook al omdat er nog geen echte goede faciliteiten waren voor toeristen toen. Zhang Bao Lin vloog met ons mee naar Lhasa. Ik herinner me nog de penetrante stank van yak boter in dat vliegtuig. Kennelijk smeerden Tibetanen zich daarmee in, ook bij een vliegreis. Tibet was toen nog niet zo lang geleden opengesteld voor toerisme en wij waren bij de eerste lichting westerlingen die het dak van de wereld toen bezochten. Een vliegticket terug hadden we dus niet.

Op het moment van uitstappen op het vliegveld van Lhasa heb je koppijn als gevolg van hoogteziekte, want het is daar 3600 meter boven zeeniveau en die koppijn achtervolgde ons vrijwel de hele reis, soms minder (na het slikken van Tibetaanse medicijnen hiervoor), soms ook meer, met name bij het reizen over de hoogste passen van boven de 5000 meter, richting Himalaya's en Nepal. Het is nog ongeveer twee uur reizen met een bus vanaf het vliegveld tot Lhasa stad, een der meest imposante en imponerende hoofdsteden van de wereld. Niet vanwege de grootte, maar vanwege het Potala en de unieke architectuur van de Tibetaanse huizen. Het hotel was niks bijzonders en een relatief nieuw gebouw in de lelijkste der Chinese bouwstijlen. Geen nostalgie oproepend Tibetaans onderkomen helaas.

Die eerste middag lagen we eerst een uur op bed met koppijn, maar we wilden vissen. We wilden vissen op de sneeuwforel met de vlieg in de Lhasa rivier, die op loopafstand op een weg naar beneden vanaf het hotel stroomde en die we al hadden gezien bij aankomst met de bus. Een donkere, sterk stromende rivier daar. Met de oversteekplaats zo bekend van films en foto's over en van Tibet, met de "boten" gemaakt van yakhuiden. Zes- tot achtkantige boten, niet echt rond, van gespannen huiden over houten frames. Dramatisch en uniek. Uit een andere nauwelijks bekende wereld.

Een wereld vol tragedie en weinig geluk ook, waar de Han Chinezen de Tibetanen en hun cultuur en religie systematisch hadden uitgeroeid en de mensen bleven koeioneren. Waar de communisten dood en verderf hadden gezaaid en nog deden. Een in en in trieste wereld met een façade voor toeristen, maar vooral zonder geestelijk leider de Dalai Lama die in Klein Tibet in India woont, met als centrum Dharamsala, bij Simla, het oude Hill station van de Engelsen, ten noorden van de Punjab.

Die façade was er wat ons betreft gauw verdwenen toen bleek dat Zhang Bao Lin geen vergunning kreeg om ons te begeleiden van Lhasa naar de grens. In die contreien van Tibet werd geen Han chinees getolereerd, als die daar niks te zoeken had. Iedere dag in Lhasa ging Zhang naar de autoriteiten om te smeken om een vergunning om te reizen in eigen land, maar zonder succes en met tranen in zijn ogen nam hij na enkele dagen afscheid en vloog terug naar Chengdu.

We hadden onze Hardy vliegenhengels opgetuigd die eerste dag en in vol ornaat wandelden Peter en ik zij aan zij de steile straat omlaag van hotel naar rivier. Nog groter en sterker die strekstromende rivier, dan we hadden gezien toen we met de bus over de enige brug Lhasa binnen gereden waren. Diep water en donker. Zuiverder als drinkwater. IJskoud ook, al waren we er in de midzomer. Enige tientallen meters uit elkaar begonnen we te vissen, te zwaaien met onze chique hengels waaraan lijnen met droge, met natte vliegen om te vissen aan het oppervlak of diep tot tegen de bodem.

Urenlang zonder een stootje. Het werd al later in de middag en we keken elkaar vertwijfeld aan. Waar bleven de sneeuwforellen? Waar hielden die zich op? Zouden hier wel forellen kunnen leven zo hoog? Zouden sneeuwforellen wel bestaan? En waarom geen andere Arctische vissen zoals vlagzalmen? Of misschien vissoorten waarvan we nog nooit gehoord hadden? Moedeloos gingen we op de keien zitten, geen grote maar kleine ronde keien en kiezels. Hier en daar met wat groen ertussen en verderop weiden met gras dat minder groen was dan we in Nederland gewend zijn. Ook akkers trouwens met boekweit of gierst of haver? Dat wist ik zo gauw niet meer. Waar ze hun tsampa van maken. Gemengd met yakboter en en soort thee en van een vreselijke smaak voor ons westerlingen, zoals we later ontdekten."Tsokyil potrang in Norbulingka, Lhasa"

Toen zond Boeddha - of was het een heilige Lama uit vroeger tijden, dan wel Sint Petrus gezeten naast God de Vader - een boeddhist naar ons toe. Een der laagste kaste, een visser met een hengel, geen sportvisser beste Peter, maar een broodvisser. Een killer van levende wezens hetgeen een doodzonde is voor boeddhisten. Een arme, magere, waarschijnlijk hongerige man, slecht gekleed, schichtig naar ons kijkend alvorens bij het water plaats te nemen. Op de hurken. Een man met een stok van twee meter met daaraan een lijn, een haak en een steen als gewicht. Met het kleinste leefnetje voor vissen dat ik ooit in deze wereld zag. En een zakje met daarin een soort maden, misschien wel kokerjufferlarven, maar daar wil ik vanaf zijn. Niet ver van ons vandaan begon hij te vissen. Door de sterke stroom moest hij vaak benedenstrooms inhalen en bovenstrooms uitgooien.

We keken elkaar aan en we keken naar de visser. Hij ving aanvankelijk niks en waarom weet ik niet, maar wij stonden als een man op en gingen links en rechts van hem opnieuw staan zwaaien met onze decadente vlieghengels. De Tibetaan keek schichtig van links naar rechts en wij keken schichtig terug. Het duurde niet lang of onze broeder in Boeddha, of moet ik Petrus zeggen, ving een miniscuul visje en we liepen bliksemsnel naar hem toe om dat wereldwonder te
aanschouwen. Hij lachte verlegen en toonde ons de vis op zijn handpalm. Een kleine handpalm, maar te groot voor de vis om er met staart en kop overheen te hangen. Een barbeeltje leek het wel, met twee naar onder staande voelsprieten naast de onderstaande mond.

Het ijs was gebroken en lachend stopte onze lokale visser het beestje in het ultrakleine leefnetje dat hij in het water legde met een flinke steen er op. Peter en ik hadden begrepen dat zijn manier van vissen absoluut superieur was aan de onze, als we hier snel een visje wilde vangen. De realiteit had de droom verstoord. We bedelden om een larve, deden een loodje en een klein haakje aan onze vliegenlijnen - de dun uitlopende tips daaraan natuurlijk - en posteerden ons links en rechts van onze nieuwe visvriend ,op enkele meters afstand en ook op de hurken.

Om de beurt vingen we een klein visje, het ene nog kleiner dan het andere. En die visjes gaven we met gulle hand aan onze nieuwe vriend. Die werd met de minuut blijer en vrolijker en ook al was zijn gebit lang niet wat het ooit geweest was en miste hij vele tanden, zijn lach met open mond werd dieper en breder. Toen we er samen een dozijn van hadden, pakweg drie a vier ons vis en kennelijk voldoende voor een maaltje, keek onze broeder ons nog een laatste keer blij aan, haalde zijn hengel op, pakte zijn netje, rechtte zijn rug en rende zo hard hij kon, een keer nog omkijkend, naar huis, weg van het water waar wij zaten, maar wel de maden voor ons achterlatend.

Met een der vreemdste viservaringen in ons leven liepen we zwijgzaam en met koppijn terug naar het hotel. Waar zouden we op die verdomde sneeuwforel moeten gaan vissen? We zouden wel zien tijdens onze tocht met een fourwheel over land richting Mount Everest, dachten we toen. We sliepen als een roos die nacht, zonder dromen en nachtmerries. Die zouden later nog komen.

Onze roem was ons vooruitgesneld. De autoriteiten in Peking hadden aan de autoriteiten in Lhasa doorgegeven dat belangrijke gasten op medisch gebied Tibet zouden bezoeken, een gynaecoloog en een kankeronderzoeker. Onze plicht riep zelfs in Tibet en een delegatie van Tibetaanse en Han Chinese dokters begeleidde ons pontificaal in processie, lopend van ons hotel naar het belangrijkste ziekenhuis van heel Tibet in de hoofdstad Lhasa. Omdat er weinig Engels werd gesproken fungeerde Zhang Bao Lin - mijn beste Chinese vriend ooit - min of meer als tolk, alhoewel ook zijn Engels maar mondjesmaat was. Nu pas kregen we door waarom Zhang wel mee naar Lhasa mocht maar niet verder.

Een chirurg had zojuist een gigantisch ovariumcarcinoom met grote cysten verwijderd bij een Tibetaanse vrouw en vol trots liet hij ons het minstens vijf kilo zware operatie preparaat zien. Tja, wat moesten we daar van zeggen, nietwaar beste Peter. We konden slechts geleerd uit onze ogen kijken. De wards zagen er uiterst armoedig uit. De patiënten blikten ons vol nieuw vertrouwen in beterschap aan. Medische Goden van een andere planeet zouden hun vast en zeker gezondheid brengen. Gestuurd door de Dalai Lama zelf natuurlijk. We keken mekaar aan, we probeerden een discussie op gang te brengen. Zhang keek schichtig en angstig om zich heen. De Tibetaanse dokters lachten, de Han Chinese dokters keken ernstig. We konden niks komma niks doen, zelfs geen interessante lezing geven. Dit was een andere wereld. Hier stonden we met al onze kennis machteloos.

Na onze plichten vervuld te hebben en nog samen met Zhang het Potala bezocht te hebben, het meest indrukwekkende gebouw waar ik ooit in rond liep, kwam de zorg over hoe nu verder te reizen. Tickets hadden we niet, maar cash dollars des te meer. Want zoveel hadden we wel vernomen, met cash dollars zou een Tibetaan ons wel naar de grens met Nepal willen brengen en die dollars zouden ongetwijfeld in handen van de Dalai Lama komen. Maar niet vragen naar de staat van de fourwheels waarmee dit zou moeten gebeuren. Een Onze Vader of een Mantra en een grote dosis geluk waren onze enige kans om te overleven en ooit levend aan te komen, zo was ons toe gefluisterd.

Er was daar toen een soort ommuurde enclave in Lhasa met langs de muren Tibetaanse kleine toeristen slaapkamertjes, slechts een hoog hier. Kleurrijk en gezellig want het was er vol met jonge avonturiers, vooral Australiërs en Amerikanen. Daar kwamen ook de lokale chauffeurs om te onderhandelen over trips tot diep in Tibet, maar speciaal via Shigadze, Shigantse, over een pas van 5240 meter hoogte en weer omlaag naar West Tinggri op 4000 meter en dan door de Himalaya's naar beneden, richting KathmandCho Oyu and Mount Everest from Tinggriu op 1500 meter hoogte en eigenlijk al in de Tropen met heuse palmen.

Het ging bij de onderhandelingen niet alleen om geld, maar vooral ook om goodwill en sympathie. Lange gesprekken moesten worden gevoerd, dag in dag uit, waarbij gedroogde abrikozen en ander voedsel uitgedeeld moesten worden aan de chauffeurs, die nu eenmaal niet iedereen wilde meenemen en met zekerheid ook smokkelaars waren voor de aanhangers van de Dalai Lama die vooral in India rond Dharamsala woonde. Nogal wat westerlingen daar zagen er erg onbetrouwbaar uit. Veel oudere hippies met lange haren en een woest avontuurlijk uiterlijk, ongeschoren en slecht gewassen in miserabele outfits.

Wij als enigszins oudere gedistingeerde wetenschappers staken er figuurlijk uiteindelijk met kop en schouder boven uit en wonnen binnen drie a vier dagen het vertrouwen van een chauffeur met een nogal antiek uitziende Toyota. Vijfhonderd Amerikaanse dollars deden de rest en de volgende morgen zouden we vertrekken naar de grens met Nepal.

Op het laatste moment vroeg een desperaat Australisch meisje ons om mee te mogen rijden naar Shigadze om daar de beroemde tempel te bezoeken. We stemden toe zonder dat ze hoefde te betalen, maar we merkten al gauw dat onze chauffeur daar niet zo blij mee was en dat brak ons later nog bijna op toen we al diep in Tibet waren. Ze liet een deel van haar bagage achter bij een vriendin.

Dat er daar geen snelwegen zijn hoef ik de geïnteresseerde lezer niet uit te leggen. Asfalt vriest er kapot, dus ook dat is er niet. Slechts grind- , kiezel- en zandwegen zijn er door de dalen van de rivieren, over de hoogvlaktes en de bergpassen. Een rally daar tussen Lhasa en Kathmandu, zou de rally Parijs Dakar in totale vergetelheid doen raken. Het was levensgevaarlijk en in diepe ravijnen gestorte vrachtwagens en auto's maken deze hoofdweg in Tibet tot een regelrecht autokerkhof. Maar van schietgebedjes bidden werd ik al gauw te moe. Er werd twaalf uur per dag gereden en de hele reis duurde precies vier dagen. Zitten kan dan nog wel, maar staan en lopen wordt erg zwaar voor de knieën, die niet meer uit gebogen stand terugkeren, dan slechts met de grootste moeite. Ik kom hier nog op terug.

Gedroogde stukken yak vlees en van andere dieren en ook gedroogde abrikozen en geroosterde amandelen kan ik me nog herinneren, behalve dan de tsampa uit de prachtige houten Tibetaanse mokken en de gloeiend hete zwarte thee die niet naar thee smaakt, naar geen enkele andere wereldthee smaakt en een regelrechte wansmaak heeft. En geloof het of niet, Heineken bier in blikjes was er volop. De Koningin, Prins Bernard en Joseph Luns, zelfs Johan Cruijf waren onbekenden in Tibet, maar Freddy Heineken had het daar gemaakt. Almachtige God, Verlichte Boeddha en Vredelievende Dalai Lama, wat was bier daar lekker. En koud water koud.

Rivieren zagen we genoeg, de een nog mooier dan de andere. Maar tijd om te vissen kregen we niet van onze chauffeur. In Lhasa leek hij vriendelijk en had me samen met zijn vrienden een Tibetaanse naam gegeven, Tsonam Tsering, "Lukcy Man who lives long Life". Ja, ja om me gerust te stellen natuurlijk, zodat ik zou vergeten dat ik maar vijftig procent kans had om deze trip te overleven. Hij werd steeds zuurder en had haast alsof een duivelse Lama hem op de hielen zat. In de toeristische ommuurde Tibetaanse huisvestingen, soms twee verdiepingen hoog met houten trappen, liet hij ons al snel in de steek, ongetwijfeld om snode plannen te smeden tegen Han Chinezen en voor de Dalai Lama en zijn discipelen, met zijn landgenoten uit Shigadze en de dorpen en plaatsjes daarna, waar we stopten om te eten en te slapen.

Zoals we ook stopten op iedere bergpas om daar een vlag te hangen aan de van stenen opgebouwde vlaggenmastcentrales. Waarbij onze chauffeur dan enkele minuten in een diep gebed verzonk. Wij keken dan als onnozele westerlingen toe bij zoveel dagelijkse godsvrucht, zonder zelf het Onze Vader te bidden.

Rondom de kloosters en andere schitterende Tibetaanse bouwwerken wemelde het van de valse bruine honden. Hier en daar opereerde heel voorzichtig een monnikgids die een mondvol Engels sprak. Niet opdringerig zoals in India rondom Hindu tempels en andere heiligheden. Een bar ongroen landschap met slechts in enkele dalen, zoals dat bij Lhasa langs de Lhasa rivier, wat groene akkers. Hier en daar grote kuddes yaks en als ik het goed heb geiten dan wel schapen, dat kan ik me niet meer herinneren. Blozende, bolle, rode, vriendelijke Tibetaanse gezichten boven dikke kledij van laag over laag, kleurrijk en vol primitieve pracht. Smaakvol maar vuil. Wil je je daar een keertje wassen is koudwatervrees uit den boze.

Gyantze was nog veel mooier dan Shigadze. Hier en daar hebben de communisten, de Han Chinezen, een tempel niet verwoest en laten staan. Daar leeft dan nu nog een halve monnik en een hondenkop. Ontvolkt zijn die prachtige kloosters. Waar heeft dat fantastische volk van het dak van de wereld, met zoveel overgeleverde cultuur en boekenwijsheid dat in Godsnaam aan verdiend. Wat doen die allochtone Chinezen daar tot op de dag van vandaag? Hoe wreed is deze wereld ten opzichte van de meest vredelievende? Wat was die Mao Tse Tung toch een rotzak ook. Een banale machtswellusteling die hele volkstammen en zelfs miljoenen van zijn eigen Han Chinezen de dood heeft ingedreven om ideeën van grote waanzin te verwerkelijken.

Voor West Tinggri ligt een dorp waar de laatste bezoeker Kubilai Khan was, althans zo werd ons medegedeeld. En dat was dan pakweg 700 jaar geleden. Het is er zo verschrikkelijk guur en koud, hoog en ver weg, dat kippen er slechts eieren leggen zo groot als van een vette Nederlandse houtduif. En de schalen ervan zijn zo dik dat je met zo'n ei iemand een gat in zijn kop kunt slaan en er met Pasen het eiertikken altijd mee zou kunnen winnen. We probeerden de eieren te koken in mokken water met een brandende kaars er onder, met als resultaat zwarte mokken van de roet die verschrikkelijk afgaven en al onze bagage vies maakte en zonder dat de eieren echt gaar werden. Water kookt op die hoogte al op zeventig graden Celsius beste Peter en dat tikt voor zelfs de kleinste dooier niet echt aan. Maar ook een ongaar opgeslurpt eitje was daar een Godenmaal naast die vieze tsampa.

Een bed daar was het absoluut enige stuk meubilair in de slaapkamers van het enige lokale hotel - waar die vreselijk rabiate honden in en uit liepen - en bestond uit een ijzeren frame met een ijzeren "matras" zonder enige beddengoed what so ever. Het beddengoed was je slaapzak en het kussen je overjas. God wat was het koud daar. We hebben er 's morgens een sneeuwbalgevecht geleverd met die zure chauffeur, die er alleen nog maar onvriendelijker van werd.

We hadden toen een New Yorker opgepikt die in een grot leefde en geen voedsel meer kreeg van de plaatselijke voedselmama. Hij had er ruzie gemaakt en was duidelijk tot paria en ongewenste allochtoon verklaard. Ik denk dat we zijn leven gered hebben door hem mee te nemen, tot chagrijn van de Tibetaan aan het stuur. We zaten daarna met zijn vijven in de auto en heel wat meer bagage en dat was niet geheel ongevaarlijk, vooral niet toen we in de Himalaya praktisch loodrecht en zeer steil bergafwaarts reden.

Mount Everest

Van heel ver zagen we de Mount Everest langs de bergkammen van de Himalaya zuid- en oostwaarts kijkend vanaf West Tinggri, alvorens de afdaling begon. Welke superlatieven moet ik nu in Godsnaam nog verzinnen om die bijna-ramp te beschrijven. Naar voren kijk je continue in de ene na de andere onpeilbare afgrond. Naar achteren zie je de hoogste en witste bergen tot in de hemel steken. Daar zijn de hoogste Alpen heuveltjes bij. En hartstikke gevaarlijk, vaak op tientallen centimeters langs de afgronden in honderdduizend bochten van 4000 meter hoogte naar 1500 meter hoogte aan de Chinese grens met Nepal.

De douane van China huist in gebouwen die nog eens enkele honderden meters boven die van de Nepalese douane staan en dat stuk niemandsland diende lopend afgelegd te worden (waarbij de knieën het bij iedere stap dreigden te begeven) met sherpa's voor de bagage. En die liepen daar als kieviten, terwijl wij slechts sjokten met knikkende knieën. Angstig waren we, dat ze met onze spullen zouden verdwijnen en nooit meer terugkomen.

Niet geheel ongegrond bleek later, toen de Nepalese douane mijn enorme turkooizen siersteen had gejat, een schitterende enorme turkoois, die ik van een Tibetaanse vrouw ergens in nowhere had gekocht, samen met echte fossiele amber uit de magen van grote walvissen toen Tibet nog onder de zeespiegel lag. Echte amber en niet die barnsteen uit de Baltische staten, fossiele dennenhars, vaak met geheel geconserveerde insecten erin.

Onze Australische reisgenote had met tranen in de ogen afscheid moeten nemen aan de Tibetaanse grens want ze had kleren achtergelaten in Lhasa en moest wel terug of ze wilde of niet. Ze had er spijt van en wilde eigenlijk mee naar Kathmandu, de hoofdstad van het Wilde Wereld Westen (W.W.W.). Waar de avonturiers van deze wereld hun poste restante hebben en elkaar na grote omzwervingen - in de winter naar Rajahstan, in de herfst naar Annapurna of Mount Everest en in de zomer naar Tibet - steeds weer ontmoetten om nieuwe reisgroepjes te vormen. Voor het volgende avontuur. Enkele jaren lang, alvorens terug te keren naar hun thuislanden om daar het serieuze leven op te pakken, te gaan werken voor de kost en gezinnen te stichten.

Kathmandu was ongelooflijk. Een wereldstad vol avonturiers en met wereldstad bedoel ik niet zoiets als New York maar een kleurrijke, vriendelijke stad waar het avontuurlijkste deel van 's werelds mensen elkaar tegenkomt en idealen bespreekt. Waar het leven een andere zin, een ander ritme, een andere cadans heeft. Waar gezongen, gebeden, gedanst, feestgevierd, gedronken en vooral gepraat en gefilosofeerd wordt. Continue door de reizende avonturiers, gevoed en gedragen door een fantastisch volk der Nepalezen, net zo fantastisch als hun bovenburen de Tibetanen en hun onderburen de Indiërs. Nu nog een lichtende plaats in mijn herinnering van bijna twintig jaren geleden.

Met de mooiste souvenirs - echte, geen namaak - van de Himalayaanse bergvolken tot Bhutan en Sikkim naar het Oosten en Ladakh naar het Westen. Ladakh waar ik later nog naar toe zou reizen, na een bezoek aan Chandigarh, de hoofdstad van de Punjab en ook Dharamsala en Simla, waar de Engelsen uit New Delhi overzomerden om niet van de hitte te sterven in de vlakten van Noord India. Maar daarover een andere keer.

De hengels waren behalve die paar uurtjes aan de Lhasa rivier puur ballast en mijn vraag aan jou Peter is om eens te kijken of de snow trout werkelijk bestaat.

Met vriendelijke groeten,

Tsonam Tsering (Lucky Man who lives long Life)

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz