|
3 september 2005
Twee
jagende en vissende biologen
in het
land van Carolus Linnaeus
Torgny S. is een vriend en collega in Umea - met boven de a
een ootje, kan ook een nulletje zijn, dat weet ik niet – uit
te spreken als Uumeoo, volgens mij met de “uu” van
“Guus ga naar huus, de varkens staan op springen…..”.
Het is de hoofdstad van Zweeds Lapland en heeft een
bloeiende en beroemde universiteit. Net als ondergetekende
is Torgny, bioloog en onderzoeker op het gebied van kanker.
Het congres dat hij zou organiseren dat jaar voor onze
geleerde collega’s en mannenbroeders uit de hele wereld, was
in onderling overleg met mij uitgeschreven voor de laatste
week van augustus. Alle wereldwijde protesten tegen de datum
werden in de kiem gesmoord.
Want op een september wordt het jachtseizoen op de eland
geopend en mag iedere Zweedse jager proberen zijn ene eland
voor de winter te schieten. Genoeg vlees natuurlijk voor een
heel gezin, want ze worden zo groot als een koe. Torgny is
net als ik ook muziekliefhebber, jager en visser. Niet te
geloven deze overeenkomstige hobby's van twee biologen. De
basis voor een jarenlange, hechte vriendschap natuurlijk.
Dit nu was de achterliggende reden dat het jaarlijkse
congres in Uumeoo in de laatste week van augustus zou
plaatsvinden. Want dan was er tijd om de eerste week in
september te gaan jagen en vissen bij de opening van het
seizoen. Op elanden wel te verstaan, want op sneeuwhazen had
ik er al eens gejaagd in februari. Met speciale honden –
stovere (met umlaut) genoemd en de “o” uitgesproken als een
“eu”- en op ski’s in witte camouflagepakken in de witte
bossen, met het hagelgeweer kruiselings over de schouder op
de rug tijdens het skiën door de diepe sneeuw. Andere koek
natuurlijk dan het zitten op post op een Hollandse
hazendrijfjacht.
Bij het vinden van een spoor gewoon blijven wachten totdat
het haas – met de hond op zijn hielen - zijn volgende cirkel
had gedraaid en weer terug bij Af was. Jammer genoeg heb ik
tot de dag van vandaag echter nog geen levende sneeuwhaas
mogen aanschouwen en stond ik kennelijk nooit precies bij
Af. Een Hollandse haas draait ook een grote kring om thuis
te komen, maar dat wist U al denk ik, broeders in Hubertus,
bij leven bisschop en jager van Luik.
De dag na het congres toen ons aller vrienden alweer op de
terugweg waren voor weer een jaar kankeronderzoek, na
afscheid te hebben genomen van Lena, Torgny’s vrouw en Lena,
Torgny’s secretaresse, trokken we met een grote Saab en een
caravan erachter noordwaarts, langs en door het dal van de
Uumeoo rivier, honderden kilometers. Onderweg bij het
winkeltje van een tankstation kochten we brood, uien, spek,
boter en eieren om zelf een maaltijd te kunnen bereiden. De
beide Lena’s hadden trouwens ook al wat drank en voedsel in
het koelkastje van de caravan gedaan
Bij een serie stroomversnellingen in deze grote rivier waar
behoorlijk wat zalm optrekt vanuit de Botnische golf, lokale
forellen leven en soms groot worden (Torgny was in het jaar
ervoor de visser die de op twee na grootste standforel in
Zweedse wateren had gevangen), naast veel vlagzalmen en bij
de monding bij de stad Uumeoo ook wel snoek gevangen wordt,
stopten we op een parkeerplaats voor campers tussen de
bossen langs de rivier daarachter en de weg, met enige
faciliteiten, zoals een opgemetselde plaats om te
barbecueën. Er lag nog zwart geblakerd hout, overgebleven
van een gedoofd vuur van de vorige bezoeker.
Vliegvissen had Torgny nauwelijks gedaan en had ook nooit of
nauwelijks wat opgeleverd. Ik deed er alles aan om hem goed
te leren werpen met de vliegenhengel, de fijne kneepjes van
het vak met de kunstvliegjes te onderwijzen en een visje te
vangen.
Dat viel zo tegen dat na enkele uren zonder beet Torgny zijn
interesse verloor en met wormen en een werphengel begon te
rommelen, precies zoals het niet moet.
Ook zo ving hij niks en ik begon langzaam stroomafwaarts te
lopen om de “ideale” plekjes te zoeken met kleine
stroomversnellingen voor mijn tandem van natte vliegjes.
Springend over de grote rotsblokken tussen bos en rivier
lukte dat uiteindelijk ook en ving ik een tiental
vlagzalmpjes die de dertig centimeter echter nauwelijks
haalde. Van forellen was geen sprake.
Teruglopend door het bos naar de plek waar we geparkeerd
stonden kreeg ik in de gaten dat er een tapijt van
paddestoelen was, honderden, duizenden. De lekkerste
soorten, met name berken boleten – met geschubde stelen van
het geslacht Leccinum van Linnaeus en de milde russula’s bij
het proeven op de tong, die ik kende. Een paar kilo
kaboutertjesbrood was in een mum van tijd bij elkaar gezocht
en ik had alles om een heerlijke maaltijd te bereiden.
De vlagzalmpjes werden ontschubt en gefileerd. Ze ruiken
sterk naar thijm, zoals het hoort voor Thymallus thymallus,
ook al zo’n mooie naam door onze ruikende Carolus gegeven,
want hij is natuurlijk in Zweden begonnen met zijn binaire
systeem.
Uitgebraden spekkies, bruingebakken uienringen, gesmoorde
boleten en russula’s – en daarna met de deksel op de
koekenpan - gegaarde visfilets, was het snel bereide
godenmaal.
Toen Torgny - zonder een vis, zelfs geen klein vlagzampje -
terugkeerde van de rivier, was ik net bezig om het dampende,
geurende gerecht met zout en de peper te bestrooien en had
ik ook de koffie klaar. Die Zweedse collega en vriend, die
nooit zo heel erg onder de indruk was geweest van mijn
onderzoek en muziekkennis, keek me met verbazing in zijn
ogen aan en wist dat hij zijn Meester had gevonden, althans
wat het vangen van vissen betreft met de hengel.
Een godenmaal inderdaad, in zijn eigenste eeuwig ruisende
bossen, was zijn deel. We waren natuurlijk ook uitgehongerd
na die eerste lange dag, waarvan de avond maar niet viel.
Het zou een mooie prelude blijken, voor datgene dat nog
komen zou.
De jacht op de grote eland met de club van jachtvrienden van
Torgny, sommige van ver weg, helemaal uit Midden Zweden
bleek nog een halve dag rijden verder weg te zijn. Prachtige
beboste natuur met bergen op de achtergrond in de richting
van Noorwegen. Vooral naaldbomen zoals de grove den, maar
ook berken, ruwe iepen en vooral langs de rivier struiken
van verschillende wilgesoorten zoals kat- en
schietwilgen. Hier en daar ook zomereiken vooral aangeplant
in Uumeoo zelf. Maar geen beuken, haagbeuken, hazelaars,
elzen en essen meer, want daarvoor was het hier in Noord
Zweden te koud.
Het tafereel toen we aankwamen was voor mij adembenemend:
een gigantische houten boerderij met vele bijgebouwen – in
Zweedse stijl wat die ook wezen mag - rondom een open
grasveld, alles omringd door vrij open naaldbossen. Vele
jagers waren er al, aan de geparkeerde fourwheel drives te
zien.
Bij het uitstappen zag ik een meer van wel een halve
kilometer doorsnee tussen de bomen, met een lange houten
steiger en een roeiboot. Zitten daar forellen vroeg ik
Torgny. Vijftien jaar geleden zijn er regenbogen in
uitgezet, maar voor zover ik weet is er nooit een vis
gevangen was zijn antwoord. Waarschijnlijk doodgevroren.
Maar lopend naar en op de steiger zag ik dat heel af en toe,
hier en daar, een grote kring verscheen en ik wist genoeg.
Dat waren grote naar het oppervlak stijgende vissen die
insecten zochten, of ik moest me wel heel erg vergissen.
Torgny geloofde er niks van, maar ging mee met de roeiboot,
terwijl ik twee vliegenhengels optuigde, nu met grote droge
vliegen. Naar de kant van het meer boven aan de wind en dan
met een dwarse roeispaan af laten drijven vertelde ik hem.
En dan zo ver mogelijk vooruit gooien op een plek waar de
kringen naar toe lijken te gaan. Er waren weinig insecten op
het water en de grote vissen stegen slechts iedere vijf tot
tien meter in een vaak rechte lijn van de ene kant van het
meer naar de andere zwemmend. Je kon anticiperen waar een
vis de volgende keer aan het oppervlak zou verschijnen.
De eerste beet was op het vrijwel gladde water duidelijk
zichtbaar en de gehaakte vis een behoorlijk beest dat zich
prima verzette. Een regenboog forel van minstens twee kilo.
Binnen een uur hadden Torgny en ik twee forellen ieder. Ze
waren allemaal ongeveer even groot, waarschijnlijk de
nakomelingen van de vissen die vijftien jaar geleden waren
uitgezet, niet erg hard gegroeid daar in dat hoge noorden in
al die vele jaren. Maar toch ook geen scharminkels, nu aan
het eind van de zomer en het begin van de herfst. Dikke
buiken en volle magen met eendagsvliegen – Ephemera’s –
bleek later.
Terwijl Torgny de vissen naar het gasthuis bracht – een der
grote houten bijgebouwen van de grote boerderij waar een
tiental jagers bijeen was gekomen – plukte ik nog een grote
mand vol met heerlijke boleten, waaronder hier ook het
eekhoorntjesbrood zelf.
De jagers zaten bijeen in een groot vertrek dat ook als
keuken diende. Rondom een grote tafel met in het midden een
rode piramide, een enorme berg roodgekookte
zoetwaterkreeften. Enkele flessen aquavit op tafel en
kratjes met bier op de grond.
De luide gesprekken vielen stil toen deze inwoner der Lage
Landen met een grote mand paddestoelen binnentrad. Mijn roem
was me al vooruitgesneld natuurlijk toen Torgny met die
grote forellen binnen was gekomen. Ik voelde me de Ster van
het Veld en ik werd zeer hartelijk en met luide juichkreten
begroet. Ik herkende de Zweedse taal – vooral later op de
avond na wat veel aquavit - omdat ik die als jongen nog had
meegekregen van Toon Hermans, de grootste der buuttereedners
en komieken uit mijn geboortestreek. Maar ik zou toch niet
weten hoe je reutelfleut op zijn Zweeds schrijft.
Binnen de kortste keren stond ik weer als keukenmeid het
eten klaar te maken, waarbij ik veel hulp en bijval kreeg en
er al heel wat aquavit toasts waren uitgebracht toen
we eindelijk gezamenlijk aanvielen aan een tweede godenmaal
in evenzoveel dagen. Een eenpansmaaltijd van forellen
met boleten voorafgegaan door zoetwaterkreeften met
boerenbrood, aquavit en bier.
Het was gezellig, het werd laat, maar het werd niet donker
daarboven in Lapland in die nacht van de eenendertigste
augustus.
Dagenlang heb ik op post – op vele posten - gestaan om te
pogen een eland te schieten. Dagenlang heb ik getuurd door
de bomen of ik er een aan zag komen, geluisterd of er een
schot viel. Een andere groep jagers kwam terug met enkele
auerhanen, maar ook zij hadden nog geen eland gezien, laat
staan geschoten. Paddenstoelen genoeg, maar wild ho maar.
Pas in oktober schoot Torgny’s zoon de eland voor de winter.
Torgny belde er speciaal voor op vanuit Uumeoo, uit het land
van onze beroemde collega Carolus Linnaeus.
Ik zou me niks verbazen als die bioloog ook geen jager en
visser is geweest, behalve verzamelaar van paddenstoelen,
planten en bomen, vissen, zoogdieren en vogels en alles wat
groeit en bloeit – om met de Friese bioloog De Haan
uit de radiotijd te spreken (nee niet Foppe want die kan
alleen Engels raaigras van kunstgras onderscheiden) -
ons steeds weer boeit, vooral als het lekker wordt als er
vuur onder gloeit.
Jo Hilgers
|