Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

3 september 2005

Twee jagende en vissende biologen

in het land van Carolus Linnaeus

 
Torgny S. is een vriend en collega in Umea - met boven de a een ootje, kan ook een nulletje zijn, dat weet ik niet – uit te spreken als Uumeoo, volgens mij met de “uu”  van “Guus ga naar huus, de varkens staan op springen…..”.
 
Het is de hoofdstad van Zweeds Lapland en heeft een bloeiende en beroemde universiteit. Net als ondergetekende is Torgny, bioloog en onderzoeker op het gebied van kanker. Het congres dat hij zou organiseren dat jaar voor onze geleerde collega’s en mannenbroeders uit de hele wereld, was in onderling overleg met mij uitgeschreven voor de laatste week van augustus. Alle wereldwijde protesten tegen de datum werden in de kiem gesmoord.
 
Want op een september wordt het jachtseizoen op de eland geopend en mag iedere Zweedse jager proberen zijn ene eland voor de winter te schieten. Genoeg vlees natuurlijk voor een heel gezin, want ze worden zo groot als een koe. Torgny is net als ik ook muziekliefhebber, jager en visser. Niet te geloven deze overeenkomstige hobby's van twee biologen. De basis voor een jarenlange, hechte vriendschap natuurlijk.
 
Dit nu was de achterliggende reden dat het jaarlijkse congres in Uumeoo in de laatste week van augustus zou plaatsvinden. Want dan was er tijd om de eerste week in september te gaan jagen en vissen bij de opening van het seizoen. Op elanden wel te verstaan, want op sneeuwhazen had ik er al eens gejaagd in februari. Met speciale honden – stovere (met umlaut) genoemd en de “o” uitgesproken als een “eu”- en op ski’s in witte camouflagepakken in de witte bossen, met het hagelgeweer kruiselings over de schouder op de rug tijdens het skiën door de diepe sneeuw. Andere koek natuurlijk dan het zitten op post op een Hollandse hazendrijfjacht.
 
Bij het vinden van een spoor gewoon blijven wachten totdat het haas – met de hond op zijn hielen - zijn volgende cirkel had gedraaid en weer terug bij Af was. Jammer genoeg heb ik tot de dag van vandaag echter nog geen levende sneeuwhaas mogen aanschouwen en stond ik kennelijk nooit precies bij Af. Een Hollandse haas draait ook een grote kring om thuis te komen, maar dat wist U al denk ik, broeders in Hubertus,  bij leven bisschop en jager van Luik.
 
De dag na het congres toen ons aller vrienden alweer op de terugweg waren voor weer een jaar kankeronderzoek, na afscheid te hebben genomen van Lena, Torgny’s vrouw en Lena, Torgny’s secretaresse, trokken we met een grote Saab en een caravan erachter noordwaarts, langs en door het dal van de Uumeoo rivier, honderden kilometers. Onderweg bij het winkeltje van een tankstation kochten we brood, uien, spek, boter en eieren om zelf een maaltijd te kunnen bereiden. De beide Lena’s hadden trouwens ook al wat drank en voedsel in het koelkastje van de caravan gedaan
 
Bij een serie stroomversnellingen in deze grote rivier waar behoorlijk wat zalm optrekt vanuit de Botnische golf, lokale forellen leven en soms groot worden (Torgny was in het jaar ervoor de visser die de op twee na grootste standforel in Zweedse wateren had gevangen), naast veel vlagzalmen en bij de monding bij de stad Uumeoo ook wel snoek gevangen wordt, stopten we op een parkeerplaats voor campers tussen de bossen langs de rivier daarachter en de weg, met enige faciliteiten, zoals een opgemetselde plaats om te barbecueën. Er lag nog zwart geblakerd hout, overgebleven van een gedoofd vuur van de vorige bezoeker.
 
Vliegvissen had Torgny nauwelijks gedaan en had ook nooit of nauwelijks wat opgeleverd. Ik deed er alles aan om hem goed te leren werpen met de vliegenhengel, de fijne kneepjes van het vak met de kunstvliegjes te onderwijzen en een visje te vangen.
Dat viel zo tegen dat na enkele uren zonder beet Torgny zijn interesse verloor en met wormen en een werphengel begon te rommelen, precies zoals het niet moet.
 
Ook zo ving hij niks en ik begon langzaam stroomafwaarts te lopen om de “ideale” plekjes te zoeken met kleine stroomversnellingen voor mijn tandem van natte vliegjes. Springend over de grote rotsblokken tussen bos en rivier lukte dat uiteindelijk ook en ving ik een tiental vlagzalmpjes die de dertig centimeter echter nauwelijks haalde. Van forellen was geen sprake.
 
Teruglopend door het bos naar de plek waar we geparkeerd stonden kreeg ik in de gaten dat er een tapijt van paddestoelen was, honderden, duizenden. De lekkerste soorten, met name berken boleten – met geschubde stelen van het geslacht Leccinum van Linnaeus en de milde russula’s bij het proeven op de tong, die ik kende. Een paar kilo kaboutertjesbrood was in een mum van tijd bij elkaar gezocht en ik had alles om een heerlijke maaltijd te bereiden.
 
De vlagzalmpjes werden ontschubt en gefileerd. Ze ruiken sterk naar thijm, zoals het hoort voor Thymallus thymallus, ook al zo’n mooie naam door onze ruikende Carolus gegeven, want hij is natuurlijk in Zweden begonnen met zijn binaire systeem.
 
Uitgebraden spekkies, bruingebakken uienringen, gesmoorde boleten en russula’s – en daarna met de deksel op de koekenpan - gegaarde visfilets, was het snel bereide godenmaal.
 
Toen Torgny - zonder een vis, zelfs geen klein vlagzampje - terugkeerde van de rivier, was ik net bezig om het dampende, geurende gerecht met zout en de peper te bestrooien en had ik ook de koffie klaar. Die Zweedse collega en vriend, die nooit zo heel erg onder de indruk was geweest van mijn onderzoek en muziekkennis, keek me met verbazing in zijn ogen aan en wist dat hij zijn Meester had gevonden, althans wat het vangen van vissen betreft met de hengel.
 
Een godenmaal inderdaad, in zijn eigenste eeuwig ruisende bossen, was zijn deel. We waren natuurlijk ook uitgehongerd na die eerste lange dag, waarvan de avond maar niet viel. Het zou een mooie prelude blijken, voor datgene dat nog komen zou.
 
De jacht op de grote eland met de club van jachtvrienden van Torgny, sommige van ver weg, helemaal uit Midden Zweden bleek nog een halve dag rijden verder weg te zijn. Prachtige beboste natuur met bergen op de achtergrond in de richting van Noorwegen. Vooral naaldbomen zoals de grove den, maar ook berken, ruwe iepen en vooral langs de rivier struiken van verschillende wilgesoorten  zoals kat- en schietwilgen. Hier en daar ook zomereiken vooral aangeplant in Uumeoo zelf. Maar geen beuken, haagbeuken, hazelaars, elzen en essen meer, want daarvoor was het hier in Noord Zweden te koud.
 
Het tafereel toen we aankwamen was voor mij adembenemend: een gigantische houten boerderij met vele bijgebouwen – in Zweedse stijl wat die ook wezen mag - rondom een open grasveld, alles omringd door vrij open naaldbossen. Vele jagers waren er al, aan de geparkeerde fourwheel drives te zien.
 
Bij het uitstappen zag ik een meer van wel een halve kilometer doorsnee tussen de bomen, met een lange houten steiger en een roeiboot. Zitten daar forellen vroeg ik Torgny. Vijftien jaar geleden zijn er regenbogen in uitgezet, maar voor zover ik weet is er nooit een vis gevangen was zijn antwoord. Waarschijnlijk doodgevroren. Maar lopend naar en op de steiger zag ik dat heel af en toe, hier en daar, een grote kring verscheen en ik wist genoeg. Dat waren grote naar het oppervlak stijgende vissen die insecten zochten, of ik moest me wel heel erg vergissen.
 
Torgny geloofde er niks van, maar ging mee met de roeiboot, terwijl ik twee vliegenhengels optuigde, nu met grote droge vliegen. Naar de kant van het meer boven aan de wind en dan met een dwarse roeispaan af laten drijven vertelde ik hem. En dan zo ver mogelijk vooruit gooien op een plek waar de kringen naar toe lijken te gaan. Er waren weinig insecten op het water en de grote vissen stegen slechts iedere vijf tot tien meter in een vaak rechte lijn van de ene kant van het meer naar de andere zwemmend. Je kon anticiperen waar een vis de volgende keer aan het oppervlak zou verschijnen.
 
De eerste beet was op het vrijwel gladde water duidelijk zichtbaar en de gehaakte vis een behoorlijk beest dat zich prima verzette. Een regenboog forel van minstens twee kilo. Binnen een uur hadden Torgny en ik twee forellen ieder. Ze waren allemaal ongeveer even groot, waarschijnlijk de nakomelingen van de vissen die vijftien jaar geleden waren uitgezet, niet erg hard gegroeid daar in dat hoge noorden in al die vele jaren. Maar toch ook geen scharminkels, nu aan het eind van de zomer en het begin van de herfst. Dikke buiken en volle magen met eendagsvliegen – Ephemera’s – bleek later.
 
Terwijl Torgny de vissen naar het gasthuis bracht – een der grote houten bijgebouwen van de grote boerderij waar een tiental jagers bijeen was gekomen – plukte ik nog een grote mand vol met heerlijke boleten, waaronder hier ook het eekhoorntjesbrood zelf.
 
De jagers zaten bijeen in een groot vertrek dat ook als keuken diende. Rondom een grote tafel met in het midden een rode piramide, een enorme berg roodgekookte zoetwaterkreeften.  Enkele flessen aquavit op tafel en kratjes met bier op de grond.
 
De luide gesprekken vielen stil toen deze inwoner der Lage Landen met een grote mand paddestoelen binnentrad. Mijn roem was me al vooruitgesneld natuurlijk toen Torgny met die grote forellen binnen was gekomen. Ik voelde me de Ster van het Veld en ik werd zeer hartelijk en met luide juichkreten begroet. Ik herkende de Zweedse taal – vooral later op de avond na wat veel aquavit - omdat ik die als jongen nog had meegekregen van Toon Hermans, de grootste der buuttereedners en komieken uit mijn geboortestreek. Maar ik zou toch niet weten hoe je reutelfleut op zijn Zweeds schrijft.
 
Binnen de kortste keren stond ik weer als keukenmeid het eten klaar te maken, waarbij ik veel hulp en bijval kreeg en er al heel wat  aquavit toasts waren uitgebracht toen we eindelijk gezamenlijk aanvielen aan een tweede godenmaal in evenzoveel dagen.  Een eenpansmaaltijd van forellen met boleten voorafgegaan door zoetwaterkreeften met boerenbrood, aquavit en bier.
 
Het was gezellig, het werd laat, maar het werd niet donker daarboven in Lapland in die nacht van de eenendertigste augustus.
 
Dagenlang heb ik op post – op vele posten - gestaan om te pogen een eland te schieten. Dagenlang heb ik getuurd door de bomen of ik er een aan zag komen, geluisterd of er een schot viel. Een andere groep jagers kwam terug met enkele auerhanen, maar ook zij hadden nog geen eland gezien, laat staan geschoten. Paddenstoelen genoeg, maar wild ho maar.
 
Pas in oktober schoot Torgny’s zoon de eland voor de winter. Torgny belde er speciaal voor op vanuit Uumeoo, uit het land van onze beroemde collega Carolus Linnaeus.
 
Ik zou me niks verbazen als die bioloog ook geen jager en visser is geweest, behalve verzamelaar van paddenstoelen, planten en bomen, vissen, zoogdieren en vogels en alles wat groeit en bloeit –  om met de Friese bioloog De Haan uit de radiotijd te spreken (nee niet Foppe want die kan alleen Engels raaigras van kunstgras onderscheiden) -  ons steeds weer boeit, vooral als het lekker wordt als er vuur onder gloeit.
 
Jo Hilgers

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz