Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

Vrijdag 20 januari 2006

Veranderingen in de Botshol  en de Vinkeveense Plassen

of

Een zwarte bladzijde in het Boek van Natuurmonumenten

Beste Peter,

We waren vroeg, voor halfacht, Servaas en ik. Bij de afslag Vinkeveen vanaf de provinciale weg Hilversum naar Uithoorn. Onderaan bij de betonkoppenfabriek voor houten stutpalen van woningen in het veengebied. Jaap en Hannes kwamen enkele minuten later. De stalen hekken werden opengemaakt door Hannes terwijl Jaap met de auto richting Zuwe reed om De Goede Vangst boot op te halen. Tien minuten later kwam hij geruisloos (het is een boot om stropers te pakken) aangegleden over het nog donkere water achter de legakkers.

Jaap aarzelde. We hadden van te voren afgesproken om deze keer naar de Botshol te gaan om te jagen, de twee grootste Vinkeveense plassen over en helemaal richting Amsterdam in de noordwesthoek van de grote plas, waar ik vroeger mijn jachthut had en waar Henk Redegeld ook jaagde, aan de kant van Jachthaven Bon onder de rook van Abcoude. "Zullen we toch maar niet hier blijven, er zitten echt geen eenden in die hoek, beste Jo". "Niks Jaap, afspraak is afspraak", antwoordde ik,  "Ik wil de Plas aan die kant wel weer eens terugzien na vijf lange jaren".

We gleden aan de Vinkeveense kant richting Zuwe tussen de huizen en de legakkers door, naar de Grote Plas onder het bruggetje door aan de zuidwestzijde. We zouden de andere route over het Wijd van de Middenplas op de terugweg nemen en zo dus een rondje maken om het waterwild eens goed te kunnen bekijken in het hele gebied, maar niet nadat we enkele uurtjes tegen de Botshol aan zouden jagen.

ganzentrek DieterenIn de vroege schemering bij achten gleden we geruisloos langs de akkers nu. Ze kalven overal af en het is een constante taak om oevers te schoeien en het oorspronkelijke turflandschap te bewaren. Soms vallen ze om. Veel akkers hebben zomerhuisjes met steigertjes voor kleine boten. Maar nu in januari was er geen mens. Deze zaterdag werd er zelfs geen enkele jager gezien door Jaap en Hannes. Zelfs geen visser. Ongelooflijk en wat mij betreft ongehoord want in de negentiger jaren waren er op iedere zaterdag dat de Plas niet dicht lag met ijs wel een tiental jagers. Nu geen enkele. Zelfs Jaap was verbaasd.

Hier en daar gingen enige groepen grauwe ganzen op de wieken. Eenden zagen we nauwelijks. Vreemd want hier op het wijd tussen de legakkers, ten westen van de diepe grote plas aan de andere kant van Het Grote Bomen Eiland, lagen altijd wel kuifeenden en tafeleenden in grote groepen. Of talingen, slobeenden en gewone eenden in kleinere groepjes, of twee aan twee gepaard.

Servaas en ik werden in de verste houten hut op een wankel smal eilandje afgezet door Jaap en Hannes, die zelf  langs de hoge bosschages in de andere hut van Jaap zouden gaan jagen. De aalscholvers begonnen al te vliegen vlak na achten. In grote getale en vanuit de Botshol, van de Grote Plas gescheiden door een bomenrij van enkele tientallen meters. En ze bleven komen en ook weer terugvliegen totdat we opbraken. Sommigen zelfs nu al half januari met takken in de bek om te nestelen. Over opwarming van de aarde gesproken.

Grauwe ganzen ook in grote getale, maar opstijgend vanuit de omringende graslanden, niet vanuit de Botsholse Plas zoals de aalscholvers. We kregen enkele halve kansen op grauwe ganzen, duiven en kauwen. Geen succes. We hoorden Jaap en Hannes enkele keren schieten en zagen even later twee lage nijlganzen vanuit hun hoek naar ons toevliegen, maar net buiten schot.

We zagen geen enkele eend. En we zagen de vroeger hier voorkomende duizenden smienten ook niet. Een keer heel ver weg meende ik hun karakteristieke gefluit te horen. Weg waren de eenden uit deze hoek. De Botshol krioelde er vroeger van. Jaap en Hannes maakten een rondje om eenden op te doen, maar er kwam er geen een op, zelfs niet binnen het blikveld van de verrekijker. Koeten genoeg in alle hoeken en hoekjes hier, dat nog wel. Ook meer duiven, kauwen en kraaien dan vroeger.

Met enige fantasie was de Botshol met de schreeuwende aalscholvers Sauron's hoofdkwartier geworden, met als Nazgul de aalsauriers en verder de andere gitzwarte vogels, krassende kraaivogels en krijsende koeten. Gandalf de Grijze hield het nauwlettend in de gaten middels zijn tovernaarsvermommingen de Grote Grauwen. Sauron had zich hier natuurlijk diep in het veenmoeras verstopt nadat Frodo de Ene in het Vuur gegooid had. De Botshol was Mordor nu. Geen taling of slobber, geen halfje of roodkop, geen smient of liever fluitgansje, voelde zich hier nog thuis en van hieruit begon waarschijnlijk de Grote Opwarming der Aarde. Gegarandeerd dat Sauron daarachter zat. Dat kon niet mis hier met al die Zwarte Vogels en ook de vossen in het land plus de buizerds over de Plassen, waardoor er nog nauwelijks hazen en fazanten waren overgebleven.

Toen Prins Bernard en zijn kornuiten nog jaagden op de Botshol schoten ze drie- tot vierhonderd eenden per dag hier, volgens Jaap, de Burgemeester van de Plas, die de controle hier had overgenomen van zijn schoonvader en die precies weet wat er hier de laatste halve eeuw gaande is geweest. Toen enorme tableaus van hazen met veel fazanten in de omringende weilanden en eenden bij het leven van alle soorten. Nu met een halvering van de stand der gewone eenden en de bijna totale verdwijning van de duikeenden waren er alleen nog de ganzen, de Grote Grauwe en de Nijlen. Van de Grauwen - die niet grauw zijn maar prachtig ongrauw gekleurd - waren 735 nesten geteld in maart en april 2005, meer dan ooit tevoren. Waar zouden de smienten zijn?

nijlgans in vlucht

Jaap en Hannes hadden drie nijlgansen geschoten toen ze bij ons terugkwamen om half tien, Servaas en ik niks, slechts enkele keren misgeschoten. En geen enkele eend gezien, iets dat mij sinds de tachtiger jaren hier niet was overkomen. Op de terugweg via Jachthaven Bon zagen we een twintigtal eenden bij elkaar op een houten aanlegsteiger zitten. Ze worden hier gevoerd en hebben niks te zoeken op de Plas. Terug langs de oostelijke oever met de prachtige villa's en buitenverblijven van Bekende Nederlanders kregen we eindelijk waterwild te zien. Met name groepen en groepjes, ook al gepaarde koppels, grauwe ganzen. Ze zijn nu al aan de leg in februari wist Jaap te vertellen en begin maart had hij al eens kuikens gezien, terwijl dat vroeger hooguit in april het geval was.

In een hoek van de Plas zaten alle krooneenden bijelkaar, wintergasten van zeer grote zeldzaamheid in Nederland, maar al sinds mensenheugenis op de Vinkeveense Plassen. Een groep van misschien wel honderd van deze schitterend gekleurde roodkoppen zal ik ze maar noemen. Feller gekleurd en een mooier rood aan de kop dan de echte roodkoppen, de tafeleenden. Hier ook nog volle eenden links en rechts tussen de lange brede legakkers. En meer en meer grauwen, voor de boot uit het water tegen de wind opvliegend en ronddraaiend met de wind mee om achter de boot weer op dezelfde plek in te vallen. Honkvast.

Op de Middenplas teruggekomen, onder de lage brug van de westelijke Zuwe door, meer op open water, lag een grote groep krakeenden bijelkaar. Een prachtige elegante eend die moeilijk te onderscheiden is van de volle eend, maar wat kleiner en sierlijker is. En grote aantallen grauwe ganzen hier, honderden ganzen die niet zaten te fourageren op de weilanden maar op het water blijven nu. Ze hebben gras genoeg in deze contreien en de omliggende weien, ze hebben nooit honger en zijn moddervet. Prachtige grote vogels, een lust voor het oog.

Eerst hoorde ik ze fluiten, toen pas zag ik ze. Smienten, smienten en nog eens smienten. Midden op het wijd van de Middenplas. Volgens Jaap tussen de twintig- en dertigduizend smienten. Weg uit de Botshol, nu op de Middenplas. Mooie opnames zouden het geweest zijn voor Hitchcock's Birds en de Amsterdamse AT5 waar Servaas werkt. De enige grasetende eend die we hebben en die we daarom eigenlijk fluitgansje hadden moeten noemen, want hij is kleiner dan de kleinste gans en dat is als ik het goed heb de rotgans die veel voorkomt in het waddengebied, maar hier niet. Kol- en rietganzen zijn er nog wel in de winter maar die laten zich op de Plas nauwelijks zien vergeleken met de Grauwen die daar vooral ook nestelen natuurlijk, terwijl het bovenlandse goed terugvliegt naar Arctica in het voorjaar.

De smienten vlogen op als enorme bewegende wolken, draaiden rond en streken opnieuw neer op het wijd. Tussen de legakkers komen ze niet. Ze willen de ruimte op de plas voor de veiligheid. Graseters net als ganzen. En vijfentwintigduizend smienten plus vijfduizend grauwe ganzen en nog eens vijfhonderd nijlganzen eten dezelfde hoeveelheid gras als duizend koeien. En ze schijten alle vakantiehuisjes op de legakkers vol in het voorjaar op hetzelfde moment dat de stadsmensen uit Amsterdam de natuur weer intrekken.. Dus klachten van boeren en zomerse buitenlui in overvloed. Zoveel klachten dat de Faunabeheereenheid hier en de Provincie Utrecht van gekkigheid niet meer weten wat ze moeten doen om die beesten terug te dringen.

Er mag bijvoorbeeld in het voorjaar op de ganzen gejaagd worden (de smienten zijn dan al weer vertrokken naar het noorden) met het geweer in de weilanden. Daar worden ook andere manieren bedacht om de grote grauwen te verstoren, middels vlaggetjes en andere gekkigheden in de polders rond Vinkeveen. Met als gevolg verstoring ook van de weidevogels en teruggang van broedgevallen zoals van kievit en grutto. Zelfs ganzenkuikens mogen geschoten worden. De wereld op zijn kop. Want zelfs de vos mag niet beschoten worden in de voortplantingstijd. Maar de grauwe gans, het grootste en mooiste kleinwild van Nederland (vroeger was het wild, nu officieel niet meer), mag te vuur en te zwaard uitgeroeid worden. Weliswaar nog niet zoals de nijlgans die we exoot noemen - terwijl de overzomerende grauwe gans dat natuurlijk net zo goed is ook al waren er voor 1850 enige broedgevallen - maar toch.

Het is een regelrechte pan op dit moment en een direct uitvloeisel van de Flora en Faunawet die met veel te veel invloed van Gifgroenlinks onder een Vaalpaarse Van Aartsen tot stand kwam en pas na Pim Fortuijn toen het al te laat was ontmaskerd werd als een slechte wet. Gelukkig repareert onze nieuwe Opperboer Kees – in de lijn van het goeie boerenjachtdenken van Braks op het ouwe Ministerie van LNV destijds - aan de lopende band en bij het leven. 

Toen we in 1998 afschotvergunning tot afschot kregen voor de grauwe gans was dat van een februari tot een april. We hielden de eerste week van maart op uit eigen beweging omdat we het niet over ons hart konden krijgen om die dieren te schieten terwijl ze eieren legden. Jaap en de zijnen waaronder ondergetekende, hadden er toen vierhonderd en niemand die het tijdens die maand februari gemerkt heeft, omdat er dan geen sterveling op de Plas komt behalve een enkele snoekvisser. Nu is die regeling afgeschaft op het water, terwijl die binnen de maand februari met de huidige populatiegrootte tot afschot van duizend dieren zou kunnen leiden. Zonder enige overlast. Veel beter dan al dat gezeik in de voorjaarspolder nu, waar het wel jachttijd lijkt te zijn. Wetgevers en jagers verenig U en kom eindelijk tot de jaren van verstand. Veerman doe er wat aan, desnoods in Brussel.

Servaas en ik werden ieder in een hut gezet op het kleine eilandje in de hoek bij Vinkeveen van de Middenplas waar we de vorige keer drie eenden en vier ganzen hadden.

Nu schoten Jaap en Hannes nog twee eenden en ik schoot er een. Ik miste door te vroeg op vier ingevallen eenden te schieten en op twee inkomende ganzen. Maar drie nijlgansen bij de Botshol, plus drie volle eenden hier op de Middenplas, was dan toch weer een mooie buit.

De erwtensoep van Annie was weer prima en de gerookte ganzenborst van Jaap, in dunne plakjes gesneden, was excellent bij een mooie stevige borrel. In het warme jachthuis achter in de tuin van Jaap Catsburg, waar ook de ijsclub soms vergadert en de bekers van de schietvereniging staan, naast vele opgezette vogels en jachtmemorabilia. 

Eigenlijk is de vos hier een exoot in het natte polderland, de overzomerende grauwe gans in feite ook een exoot en de aalscholver helemaal een exoot. Voor Nederland niet misschien, maar voor het Vinkeveense jachtgebied wel degelijk, want ze waren er nooit tevoren.  Ze zijn in deze getale nieuw in dit gebied en hebben andere dieren verdreven en het  traditionele eeuwenlange evenwicht verstoord. De hazenstand rond de Botshol - Hannes en zijn familie hebben daar nog jachtgenot - is lager dan ooit. Fazanten zijn er nauwelijks. Op de eilandjes kunnen ze zich nog een beetje handhaven. Talingen en slobeenden zijn geheel verdwenen. De zeldzame krooneend handhaaft zich in de winter. De vollen zijn op vijftig procent van de stand van vroeger. De smientenstand is hoger dan ooit tevoren. Er zijn nog krakeenden, enkel groepen kuifeenden en ook nog een paar tafeleenden. Maar die kun je beter gaan bekijken op de Oudekerkerplas waar nooit gejaagd mocht worden, ook nu niet. Daar zijn er tienduizenden.

Natuurmonumenten heeft in het Naardermeer de lepelaars verloren omdat de vos niet bejaagd werd. Het eerste reservaat uit de tijd van Thijsse is wat dit betreft verknald. Ze hebben daar niks geleerd en laten de vossen nu toe in de Botshol, waar ze samen met buizerds (vier nesten op de Plassen volgens Jaap), de havik, sperwers en nu ook kiekendieven die er vroeger nauwelijks waren in de contreien, de hazen- en fanzantenstand decimeren. De aalscholvers hebben de Botshol omgetoverd in een zwarte kaletakken huishouding met witte uitwerpselen,

Met vriendelijke groeten,

Jo Hilgers

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz