|
Vrijdag 20 januari 2006
Veranderingen in de Botshol en de Vinkeveense
Plassen
of
Een zwarte bladzijde in het Boek van
Natuurmonumenten
Beste
Peter,
We
waren vroeg, voor halfacht, Servaas en ik. Bij de afslag
Vinkeveen vanaf de provinciale weg Hilversum naar Uithoorn.
Onderaan bij de betonkoppenfabriek voor houten stutpalen van
woningen in het veengebied. Jaap en Hannes kwamen enkele
minuten later. De stalen hekken werden opengemaakt door
Hannes terwijl Jaap met de auto richting Zuwe reed om De
Goede Vangst boot op te halen. Tien minuten later kwam hij
geruisloos (het is een boot om stropers te pakken)
aangegleden over het nog donkere water achter de legakkers.
Jaap
aarzelde. We hadden van te voren afgesproken om deze
keer naar de Botshol te gaan om te jagen, de twee grootste
Vinkeveense plassen over en helemaal richting Amsterdam in
de noordwesthoek van de grote plas, waar ik vroeger mijn
jachthut had en waar Henk Redegeld ook jaagde, aan de kant
van Jachthaven Bon onder de rook van Abcoude. "Zullen we
toch maar niet hier blijven, er zitten echt geen eenden in
die hoek, beste Jo". "Niks Jaap, afspraak is afspraak",
antwoordde ik, "Ik wil de Plas aan die kant wel weer
eens terugzien na vijf lange jaren".
We
gleden aan de Vinkeveense kant richting Zuwe tussen de
huizen en de legakkers door, naar de Grote Plas onder het
bruggetje door aan de zuidwestzijde. We zouden de andere
route over het Wijd van de Middenplas op de terugweg nemen
en zo dus een rondje maken om het waterwild eens goed te
kunnen bekijken in het hele gebied, maar niet nadat we
enkele uurtjes tegen de Botshol aan zouden jagen.
In
de vroege schemering bij achten gleden we geruisloos langs
de akkers nu. Ze kalven overal af en het is een constante
taak om oevers te schoeien en het oorspronkelijke
turflandschap te bewaren. Soms vallen ze om. Veel akkers
hebben zomerhuisjes met steigertjes voor kleine boten. Maar
nu in januari was er geen mens. Deze zaterdag werd er zelfs
geen enkele jager gezien door Jaap en Hannes. Zelfs geen
visser. Ongelooflijk en wat mij betreft ongehoord want in de
negentiger jaren waren er op iedere zaterdag dat de Plas
niet dicht lag met ijs wel een tiental jagers. Nu geen
enkele. Zelfs Jaap was verbaasd.
Hier en
daar gingen enige groepen grauwe ganzen op de wieken. Eenden
zagen we nauwelijks. Vreemd want hier op het wijd tussen de
legakkers, ten westen van de diepe grote plas aan de andere
kant van Het Grote Bomen Eiland, lagen altijd wel kuifeenden
en tafeleenden in grote groepen. Of talingen, slobeenden en
gewone eenden in kleinere groepjes, of twee aan twee
gepaard.
Servaas
en ik werden in de verste houten hut op een wankel smal
eilandje afgezet door Jaap en Hannes, die zelf langs
de hoge bosschages in de andere hut van Jaap zouden gaan
jagen. De aalscholvers begonnen al te vliegen vlak na
achten. In grote getale en vanuit de Botshol, van de Grote
Plas gescheiden door een bomenrij van enkele tientallen
meters. En ze bleven komen en ook weer terugvliegen totdat
we opbraken. Sommigen zelfs nu al half januari met takken in
de bek om te nestelen. Over opwarming van de aarde
gesproken.
Grauwe
ganzen ook in grote getale, maar opstijgend vanuit de
omringende graslanden, niet vanuit de Botsholse Plas zoals
de aalscholvers. We kregen enkele halve kansen op grauwe
ganzen, duiven en kauwen. Geen succes. We hoorden Jaap en
Hannes enkele keren schieten en zagen even later twee lage
nijlganzen vanuit hun hoek naar ons toevliegen, maar net
buiten schot.
We
zagen geen enkele eend. En we zagen de vroeger hier
voorkomende duizenden smienten ook niet. Een keer heel ver
weg meende ik hun karakteristieke gefluit te horen. Weg
waren de eenden uit deze hoek. De Botshol krioelde er
vroeger van. Jaap en Hannes maakten een rondje om eenden op
te doen, maar er kwam er geen een op, zelfs niet binnen het
blikveld van de verrekijker. Koeten genoeg in alle hoeken en
hoekjes hier, dat nog wel. Ook meer duiven, kauwen en
kraaien dan vroeger.
Met
enige fantasie was de Botshol met de schreeuwende
aalscholvers Sauron's hoofdkwartier geworden, met als Nazgul
de aalsauriers en verder de andere gitzwarte
vogels, krassende kraaivogels en krijsende koeten. Gandalf
de Grijze hield het nauwlettend in de gaten middels zijn
tovernaarsvermommingen de Grote Grauwen. Sauron had zich
hier natuurlijk diep in het veenmoeras verstopt nadat Frodo
de Ene in het Vuur gegooid had. De Botshol was Mordor
nu. Geen taling of slobber, geen halfje of roodkop, geen
smient of liever fluitgansje, voelde zich hier nog thuis en
van hieruit begon waarschijnlijk de Grote Opwarming der
Aarde. Gegarandeerd dat Sauron daarachter zat. Dat kon niet
mis hier met al die Zwarte Vogels en ook de vossen in het
land plus de buizerds over de Plassen, waardoor er nog
nauwelijks hazen en fazanten waren overgebleven.
Toen
Prins Bernard en zijn kornuiten nog jaagden op de Botshol
schoten ze drie- tot vierhonderd eenden per dag hier,
volgens Jaap, de Burgemeester van de Plas, die de controle
hier had overgenomen van zijn schoonvader en die precies
weet wat er hier de laatste halve eeuw gaande is geweest.
Toen enorme tableaus van hazen met veel fazanten in de
omringende weilanden en eenden bij het leven van alle
soorten. Nu met een halvering van de stand der gewone eenden
en de bijna totale verdwijning van de duikeenden waren er
alleen nog de ganzen, de Grote Grauwe en de Nijlen. Van
de Grauwen - die niet grauw zijn maar prachtig ongrauw
gekleurd - waren 735 nesten geteld in maart en april 2005,
meer dan ooit tevoren. Waar zouden de smienten zijn?

Jaap en
Hannes hadden drie nijlgansen geschoten toen ze bij ons
terugkwamen om half tien, Servaas en ik niks, slechts enkele
keren misgeschoten. En geen enkele eend gezien, iets dat mij
sinds de tachtiger jaren hier niet was overkomen. Op de
terugweg via Jachthaven Bon zagen we een twintigtal eenden
bij elkaar op een houten aanlegsteiger zitten. Ze worden
hier gevoerd en hebben niks te zoeken op de Plas. Terug
langs de oostelijke oever met de prachtige villa's en
buitenverblijven van Bekende Nederlanders kregen we
eindelijk waterwild te zien. Met name groepen en groepjes,
ook al gepaarde koppels, grauwe ganzen. Ze zijn nu al aan de
leg in februari wist Jaap te vertellen en begin maart had
hij al eens kuikens gezien, terwijl dat vroeger hooguit in
april het geval was.
In een
hoek van de Plas zaten alle krooneenden bijelkaar,
wintergasten van zeer grote zeldzaamheid in Nederland, maar
al sinds mensenheugenis op de Vinkeveense Plassen. Een groep
van misschien wel honderd van deze schitterend
gekleurde roodkoppen zal ik ze maar noemen. Feller gekleurd
en een mooier rood aan de kop dan de echte roodkoppen, de
tafeleenden. Hier ook nog volle eenden links en rechts
tussen de lange brede legakkers. En meer en meer grauwen,
voor de boot uit het water tegen de wind opvliegend en
ronddraaiend met de wind mee om achter de boot weer op
dezelfde plek in te vallen. Honkvast.
Op de
Middenplas teruggekomen, onder de lage brug van de
westelijke Zuwe door, meer op open water, lag een grote
groep krakeenden bijelkaar. Een prachtige elegante eend die
moeilijk te onderscheiden is van de volle eend, maar wat
kleiner en sierlijker is. En grote aantallen grauwe ganzen
hier, honderden ganzen die niet zaten te fourageren op de
weilanden maar op het water blijven nu. Ze hebben gras
genoeg in deze contreien en de omliggende weien, ze hebben
nooit honger en zijn moddervet. Prachtige grote vogels, een
lust voor het oog.
Eerst
hoorde ik ze fluiten, toen pas zag ik ze. Smienten, smienten
en nog eens smienten. Midden op het wijd van de Middenplas.
Volgens Jaap tussen de twintig- en dertigduizend smienten.
Weg uit de Botshol, nu op de Middenplas. Mooie opnames
zouden het geweest zijn voor Hitchcock's Birds en de
Amsterdamse AT5 waar Servaas werkt. De enige grasetende eend
die we hebben en die we daarom eigenlijk fluitgansje hadden
moeten noemen, want hij is kleiner dan de kleinste gans en
dat is als ik het goed heb de rotgans die veel voorkomt in
het waddengebied, maar hier niet. Kol- en rietganzen zijn er
nog wel in de winter maar die laten zich op de Plas
nauwelijks zien vergeleken met de Grauwen die daar vooral
ook nestelen natuurlijk, terwijl het bovenlandse
goed terugvliegt naar Arctica in het voorjaar.
De
smienten vlogen op als enorme bewegende wolken, draaiden
rond en streken opnieuw neer op het wijd. Tussen de
legakkers komen ze niet. Ze willen de ruimte op de plas voor
de veiligheid. Graseters net als ganzen.
En vijfentwintigduizend smienten plus vijfduizend grauwe
ganzen en nog eens vijfhonderd nijlganzen eten dezelfde
hoeveelheid gras als duizend koeien. En ze schijten
alle vakantiehuisjes op de legakkers vol in het voorjaar op
hetzelfde moment dat de stadsmensen uit Amsterdam de natuur
weer intrekken.. Dus klachten van boeren en zomerse
buitenlui in overvloed. Zoveel klachten dat de
Faunabeheereenheid hier en de Provincie Utrecht van
gekkigheid niet meer weten wat ze moeten doen om die beesten
terug te dringen.
Er mag
bijvoorbeeld in het voorjaar op de ganzen gejaagd worden (de
smienten zijn dan al weer vertrokken naar het noorden) met
het geweer in de weilanden. Daar worden ook andere manieren
bedacht om de grote grauwen te verstoren, middels vlaggetjes
en andere gekkigheden in de polders rond Vinkeveen. Met als
gevolg verstoring ook van de weidevogels en teruggang van
broedgevallen zoals van kievit en grutto. Zelfs
ganzenkuikens mogen geschoten worden. De wereld op zijn kop.
Want zelfs de vos mag niet beschoten worden in de
voortplantingstijd. Maar de grauwe gans, het grootste en
mooiste kleinwild van Nederland (vroeger was het wild,
nu officieel niet meer), mag te vuur en te zwaard uitgeroeid
worden. Weliswaar nog niet zoals de nijlgans die we exoot
noemen - terwijl de overzomerende grauwe gans dat natuurlijk
net zo goed is ook al waren er voor 1850 enige broedgevallen
- maar toch.
Het is
een regelrechte pan op dit moment en een direct uitvloeisel
van de Flora en Faunawet die met veel te veel invloed van Gifgroenlinks
onder een Vaalpaarse Van Aartsen tot stand kwam en pas na
Pim Fortuijn toen het al te laat was ontmaskerd werd als
een slechte wet. Gelukkig repareert onze nieuwe Opperboer
Kees – in de lijn van het goeie boerenjachtdenken van Braks
op het ouwe Ministerie van LNV destijds - aan de lopende
band en bij het leven.
Toen we
in 1998 afschotvergunning tot afschot kregen voor de grauwe
gans was dat van een februari tot een april. We hielden de
eerste week van maart op uit eigen beweging omdat we het
niet over ons hart konden krijgen om die dieren te schieten
terwijl ze eieren legden. Jaap en de zijnen waaronder
ondergetekende, hadden er toen vierhonderd en niemand die
het tijdens die maand februari gemerkt heeft, omdat er dan
geen sterveling op de Plas komt behalve een enkele
snoekvisser. Nu is die regeling afgeschaft op het water,
terwijl die binnen de maand februari met de
huidige populatiegrootte tot afschot van duizend dieren zou
kunnen leiden. Zonder enige overlast. Veel beter dan al dat
gezeik in de voorjaarspolder nu, waar het wel jachttijd
lijkt te zijn. Wetgevers en jagers verenig U en kom
eindelijk tot de jaren van verstand. Veerman doe er wat aan,
desnoods in Brussel.
Servaas
en ik werden ieder in een hut gezet op het kleine eilandje
in de hoek bij Vinkeveen van de Middenplas waar we de vorige
keer drie eenden en vier ganzen hadden.
Nu
schoten Jaap en Hannes nog twee eenden en ik schoot er een.
Ik miste door te vroeg op vier ingevallen eenden te schieten
en op twee inkomende ganzen. Maar drie nijlgansen bij de
Botshol, plus drie volle eenden hier op de Middenplas, was
dan toch weer een mooie buit.
De
erwtensoep van Annie was weer prima en de gerookte
ganzenborst van Jaap, in dunne plakjes gesneden, was
excellent bij een mooie stevige borrel. In het
warme jachthuis achter in de tuin van Jaap Catsburg, waar
ook de ijsclub soms vergadert en de bekers van de
schietvereniging staan, naast vele opgezette vogels en
jachtmemorabilia.
Eigenlijk is de vos hier een exoot in het natte polderland,
de overzomerende grauwe gans in feite ook een exoot en de
aalscholver helemaal een exoot. Voor Nederland niet
misschien, maar voor het Vinkeveense jachtgebied wel
degelijk, want ze waren er nooit tevoren. Ze zijn in deze
getale nieuw in dit gebied en hebben andere dieren verdreven
en het traditionele eeuwenlange evenwicht
verstoord. De hazenstand rond de Botshol - Hannes en zijn
familie hebben daar nog jachtgenot - is lager dan ooit.
Fazanten zijn er nauwelijks. Op de eilandjes kunnen ze zich
nog een beetje handhaven. Talingen en slobeenden zijn geheel
verdwenen. De zeldzame krooneend handhaaft zich in de
winter. De vollen zijn op vijftig procent van de stand van
vroeger. De smientenstand is hoger dan ooit tevoren. Er zijn
nog krakeenden, enkel groepen kuifeenden en ook nog een paar
tafeleenden. Maar die kun je beter gaan bekijken op de
Oudekerkerplas waar nooit gejaagd mocht worden, ook nu niet.
Daar zijn er tienduizenden.
Natuurmonumenten heeft in het Naardermeer de lepelaars
verloren omdat de vos niet bejaagd werd. Het eerste
reservaat uit de tijd van Thijsse is wat dit betreft
verknald. Ze hebben daar niks geleerd en laten de vossen nu
toe in de Botshol, waar ze samen met buizerds (vier nesten
op de Plassen volgens Jaap), de havik, sperwers en nu ook
kiekendieven die er vroeger nauwelijks waren in de
contreien, de hazen- en fanzantenstand decimeren. De
aalscholvers hebben de Botshol omgetoverd in een zwarte
kaletakken huishouding met witte uitwerpselen,
Met
vriendelijke groeten,
Jo
Hilgers
|