Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.

Hoofdstuk 127
13 maart 2004
 

Vier steelhead seizoenen in Smithers aan de Bulkley
of
A steelhead river runs through it



Marcus Bemelmans, jager en student in Maastricht, schreef gisteren: Als ik vanavond niks te doen had ging ik rechtstreeks naar Canada. Wat een verhaal.

En dat was het verhaal over die mislukte berenjacht in Alaska in de USA, geen verhaal uit Canada. Voor Marcus zal ik daarom hier een verhaal schrijven over het vliegvissen op steelhead in British Columbia, in Smithers aan de Bulkley. Een verhaal dat nog niet zo lang geleden verscheen in De Nederlandse Vliegvisser trouwens, maar hier met ook nog een context waarin het allemaal plaatsvond, die beschreven avonturen, en ook voor Marcus als jager nog wat extra's over de jacht daar aan de Westkust van Canada in het magnifieke Skeena rivier gebied ten zuiden van Port Rupert.

Het risico van dit verhaal is dat Marcus dus echt gaat emigreren en Nederland vaarwel zegt en dat daarmee een toekomstige voorman - uit het goede hout gesneden - voor de Nederlandse jacht verloren gaat.

Rond de eerste oktober van de jaren 1994-1995-1996-1997 ging ik vliegvissen met Peter Kenemans in Smithers aan de Bulkley. De laatste twee jaren ging ook Cootje, Peter's vrouw mee, een uiterst gezellige roodharige vrouw die nog nooit een vlieg kwaad heeft gedaan en die houdt van vliegvissen. Een kunstenares die vooral met zijde werkt en waarvan zo'n magnifieke zijden hoed zelfs al eens op het koninklijk hoofd van onze Beatrix heeft geprijkt, dacht ik.

Het eerste jaar verbleven we nog in een Motel in de buurt van Smithers, maar nadat we Gill Cobb en zijn vrouw hebben ontmoet, boven Telkwa langs de spoorlijn door het Westen van Canada, die daar parallel loopt langs de grote en daar zeer sterk stromende Bulkley, verbleven we de volgende jaren in The River House, het gastenhuis van Gill en Deborah naast hun eigen huis vlak langs de Bulkley onder de brug bij Smithers.

Het laatste jaar toen dus ook Cootje erbij was heb ik niet alleen gevist maar ook gejaagd en een dubbel leven geleid, dubbel zo hard geleefd en veel minder geslapen dan Peter met zijn Cootje. Ik had een hagelgeweer geregeld bij de burgemeester en grootste boer van Smithers en een jachtvergunning om op ganzen en eenden te jagen.

Die trekken dan door, hier langs de Canadese westkust en verblijven soms in de kleine meertjes, in de rustige zijrivieren van de Bulkley zelf en fourageren nog op de gerstvelden waar dan nog schoven op staan, waar je je als jager goed achter (er voor gaan zitten wat een jager betreft en niet bewegen) kunt verbergen als ze invallen, de Canada ganzen, de vollen die hier standwild zijn zoals bij ons ook in de winter en de verschillende soorten van kleinere duikeenden die doortrekken naar het zuiden tot in Washington, Oregon en Californie.

Ik schoot dan in de morgen voor achten al wat eenden en soms ganzen voor de pot, maakten het ontbijt klaar en zette de bouillon op. Voor dag en dauw was ik al op dan maar we gingen pas vissen tegen tienen, veel te laat eigenlijk omdat in deze drukke tijd aan de Bulkley de beste pools al bezet zijn door vliegvissers, afkomstig uit letterlijk de hele affluente wereld, onder andere veel uit Japan, naast nogal wat Amerikanen, maar ook nogal wat Nederlanders trouwens, die echter meer langs de Kispiox te vinden zijn.

Gill had me zijn Pick Up gegeven waarvoor in ruil hij alle eenden- en ganzehuiden kreeg die ik netjes in een stuk van de vogels stroopten en over de veranda van het River House hing. Het vroor al licht toen en Gill wreef ze in met aluin en ander spul om ze te preserveren om de veren en veertjes te kunnen gebruiken voor het binden van allerlei soorten kunstvliegen. Ik hielp hem daar trouwens ook nog mee en ging vaak pas tegen middernacht - na de gebruikelijke l'Aphroiac's - naar bed.

Om dan de volgende morgen al weer om vijf uur of zo uit de veren - de bedveren - te zijn en op jacht te gaan. Er waren eenden en ganzen zat en de tableaus waren behoorlijk, maar je moest wel goed uitkijken en kien zijn om ze aan de kleren te komen, beste jongen.
Mijn jarenlange ervaring wat betreft de waterwildjacht in Nederland kwam me daar zeer goed van pas. En het toverwoord is dekking en nog eens dekking, want zo'n grote groep met zoveel ogen heeft de minste beweging in de gaten en middels waarschuwingen, kwaken en gakken naar hun soortgenoten, vliegen ze dan weg en niet naar jou toe en komen ze dus niet binnen schot.

Er waren nog late bessen en ook veel paddenstoelen dan. Soms hele stukken vochtig bos langs de rivier vol met cantharellen, hele grote lichtgele. En zelfs de matsutake, die van hieruit massaal wordt uitgevoerd naar Japan en de wilde tegenhanger is van de gekweekte shiitake. Dus de diners waren de hoogtepunten van de dag met vers wild, verse vis, verse groenten uit het tuintje van Deborah, wilde paddenstoelen en bessen. Cootje, Peter en ik hadden ieder ons deel aan het koken, ieder zijn eigen specialiteit.

Een enkele keer was er ook een grouse (familie van het bij ons uitgestorven korhoen en de inheemse red grouse van Engeland, waarvan meerdere soorten voorkomen op het Amerikaanse continent) die ik schoot vanuit een langzaam rijdende Four Wheel als we langs rustige paden door de bossen reden naar de volgende visplek toe. Steentjes tot zich nemend - om het voedsel in hun magen beter te kunnen verteren - op de gravel paden en dan effe niet op hun qui vive.

Dat was ook het begin van het jachtseizoen daar op de grote beesten zoals herten, de eland en de twee beresoorten en een keer kwamen Moose jagers, familie en vrienden van Gill en Deborah, langs het River House om feest te vieren en te zingen bij eigen gitaarmuziek. En een mooi stuk Moose was ons deel voor het volgende etentje, terwijl ik wat verse eenden- en ganzenborsten ervoor in ruil gaf, die graag en met een blik van bewondering werden aangenomen, want zij jaagden nooit op kleinwild, alleen op grootwild.

Het waren en werden uiteindelijk vier steelhead seizoenen aan de Bulkley, de moeite waard om een verhaal over te schrijven dat hieronder volgt:



A steelhead river runs through it


Grote, sterke, Joseph Brown leerde mij de eerste beginselen van het vliegvissen op de steelhead aan de Stillaguamish in de staat Washington, twintig jaar geleden. Mooie visavonturen volgden die ik graag verwoord in onderstaand gedicht voor hem in zijn taal:

Stillaguamish beyond Skykomish
Fordson's hole and darkness still
In the warm summer night

Remember the cold of November
Bald eagle above spawning chum
The raging torrent

But now a crystal clear stretch
Below a mirror in the trunk's pool
Smooth without a ripple

As daylight breaks the steelhead wakes
To the bright and also the dark fly once
Prelude to much skill and an incredible thrill

 


Alle boeken erover van Roderick Haig-Brown, die vaak viste op de Stillaguamish in zijn jonge jaren, had ik verslonden. Vergis U niet, waarde lezer en vliegvisser op de Europese salmoniden, het is een Oncorhynchus nu, familie van de Pacifische zalmen. De moderne genetica en moleculaire biologie staan voor niets. En de enige soort die het paaien in het zoete water meestal overleeft en die in het zoete water nog voedsel tot zich neemt als hij optrekt naar de plek waar hij ter wereld kwam. In dat opzicht te vergelijken met Salmo salar, de Atlantische zalm, dat wel.

Het vliegvissen er op was in die tijden een kunst, maar is nu welhaast een wetenschap geworden. Maar nog wel met veel variabelen en moeilijk te leren en de Hoge School van het vliegvissen op welke forelachtigen en salmoniden dan ook. Vergelijkbaar met het vissen op de trekkende Atlantische zalm in Europa en de oostkust van Canada.

Als Robert Redford deze schrijver van het Amerikaanse continent, van oorsprong Engelsman, ontdekt, dan weet ik zeker dat na de film A river runs through it - de mooiste film ooit gemaakt over de kunst, de schoonheid en aantrekkingskracht van het vissen met de vlieg op forelachtigen - het leven en het vissen van Haig-Brown aan de beurt is.
Dan stijgt de omzet van de vliegviswinkels - vooral in Japan - nogmaals de pan uit. Maar als U, waarde lezer, in mijn voetstappen mocht volgen, zonder Haig-Brown's werken over de vier seizoenen aan een steelhead rivier te lezen, zou U het opperste geluk bij het vangen van zo'n vis op de juiste wijze nooit kennen, zelfs bij benadering niet.

Peter en ik ontmoetten Gill Cobb aan de Bulkley in Canada toen we onze eerste steelheads daar al gevangen hadden, nu zo'n zes jaar geleden. Na Joseph werd de niet minder grote en sterke Gill mijn tweede leermeester. Hij had Haig-Brown - al een levende legende in zijn tijd - nog gekend als jongeman, sterker nog, hij had met de oude meester gevist op de Campbell van Vancouver eiland waar Haig-Brown toen woonde.

Not so very long ago on the Telkwa
When flyfishing in British Columbia
A  big Canadian called Cobb
Laughed at me and told me to stop

He forcefully recommended that first day
 To fish like the men on the River Spey
 He patiently taught me the style
And yes It took me quite a  while

Now I love to cast with my strong Bruce-and -Walker
I fish for steelhead like a professional stalker
 Now I cast with two hands even the Double Spey
And Gill Cobb is forever a friend to stay

Nederlandse vliegviskleinzoon dus van Haig-Brown. De man die de West, het Wilde Westen, ontsloot, die naar de Amerikaanse westkust trok in het begin van de twintigste eeuw met een vliegvishengel over de schouder en de tradities van Walton, Halford en Skues op zak. In dezelfde tijd dat Norman Mailer en zijn broer - gespeeld door Brad Pitt in de film - met hun vader visten op de Blackfoot in Montana. Nu pas verfilmd, want Mailer schreef zijn eerste boek pas in zijn drieenzeventigste levensjaar.

Mijn vliegviscompagnon Peter Kenemans ging daar samen met zijn Cootje - in de Blackfoot Mountains - op vliegvisbedevaart en vertelde er enthousiaste verhalen over.

Gill Cobb te zien vissen doet echt niet onder voor datgene wat Brad Pitt in de film laat zien. Gill verdwijnt natuurlijk niet geheel onder water zoals ons aller Brad bij het drillen van zo'n enorme vis. En steelheads worden nog groter dan die vis, veel groter. Zo groot dat met normaal vliegvismateriaal, zelfs ons aller Henk Peeters ze niet kan vangen - samen met ondergetekende een van de nestors van de Nederlandse vliegvissers van de tijd, toen hier nog geen sterveling over die sport gehoord had - en die dertigplus ponder haak of geen haak in de bek - gewoon doorzwemt, de lijn brekend hoe sterk ook, terug naar de Pacifische oceaan, en en passant de hengelaar trillend van emotie in zijn vliegvishemd laat staan.

Henk had het me verteld en die kon het weten want die heeft op de Babine gevist - met als stille getuigen meerdere grizzlyberen op de eretribune langs beide oevers tegelijkertijd - en de Babine doet niet onder voor welke andere steelhead rivier in de wereld dan ook, zelfs niet de Bulkley en de Kispiox, waar veel meer gevist wordt omdat die makkelijker bereikbaar zijn vanuit de bewoonde wereld.

Als zoiets U overkomt, zoals Peter en mij dat overkwam, dan kan het zijn dat U nog een kwartier lang op de oever zit te trillen van emotie en dat voorzichtig een traan wordt weggepinkt. Een karper van dertig pond op stilstaand water is niet te vergelijken met een steelhed van twintig pond, zeker niet op de Bulkley, die groter en sterker is dan de Kispiox en ook de Babine, pakweg bij Smithers als de koude, witte en snelle Telkwa er al bijgekomen is.

Het Skeena rivier systeem gaat heel ver landinwaarts. De steelheads zijn langer in het zoete water hier dan in de relatief korte rivieren van bijvoorbeeld Vancouver Island, zoals de Campbell waar Haig-Brown woonde en viste. De vissen zijn groter dan waar ook in hun stroomgebieden langs de Pacifische Oceaan. Die van de Kispiox hebben de naam gemiddeld de grootste te zijn, maar die van de Bulkley en de Babine doen er echt niet voor onder.

In Smithers waar Gill aan de rivier woont, hebben de optrekkende vissen al honderden kilometers achter de rug. Ze zijn al gewend aan het zoete water en nemen voedsel, zoals de stonefly larve, die daarom vaak wordt nagebootst, met name door Mike Maxwell. Zijn boek The Art and Science of Speyfishing (de Spey is een beroemde Schotse zalmrivier, waar ik ook gevist heb, en waar deze methode van vliegvissen is ontstaan) heeft zelfs zo'n nagebootste stonefly in een uitsparing van de dikke omslag aan de binnenkant, aan een vergulde hoek!
Mike's school staat langs de Bulkley net boven de Telkwa en is er ook al een van grote, ferme jongen,  die er zich op beroept nog tankcommandant te zijn geweest toen hij in de oorlog vocht.

Zo ziet hij er ook uit, groot en sterk, net als Joseph en Gill en niet als Peter die klein en gedrongen de eenhandige vliegenhengel nooit heeft afgezworen, hetgeen hem veel vissen heeft gekost.

Op natuurlijke insekten lijkende kunstvliegen - zoals voor forellen - zijn echter niet echt nodig. Felgekleurde streamerachtige vliegen worden veel gebruikt, naast pikzwarte en donkere contrapties met lange zachte veren. Ook de klassieke zalmvliegen van het Europese continent worden af en toe gezien, alhoewel die door de beroemde vliegvissers van Smithers zelf meestal verkocht worden voor de sier en het goeie geld en niet voor het echie. Zou trouwens een te kostbare zaak worden want je verliest die dure dingen zomaar bij het vissen op deze ruige rivieren.

Maar wereldberoemd is de Bulkley Mouse, waarvan je er een en tenminste voor de show in je vliegvisdoos moet hebben zitten, wil je hier meetellen tussen de kopstukken van internationaal formaat.

De stand van de steelhead is in de loop der jaren achteruit gegaan, met jaarlijkse fluctuaties weliswaar en er is nog steeds hoop dat het allemaal weer goed zal komen. De nettenvisserij in de mond van de Skeena discrimineert echter niet en te veel steelheads zijn het bijgoed als het gaat om de commerciele vangst van voornamelijk de coho, de rode zalm. Maar met vijfentwintig miljoen dollar omzet hier jaarlijks in Smithers, alleen al van de sportvissers, begint de economische waagschaal langzaam maar zeker in hun voordeel door te slaan.

Er een aan de haak krijgen met een vlieg is andere koek. Moeilijker dan er een vangen met een lepel of spinner en nog moeilijker dan er een aan levend aas naar binnen krijgen. En een aan de vlieg gehaakte vis is nog eens pakweg twee keer zo problematisch. Als U op de Bulkley een op een vist, dat wil zeggen een par dag haakt dan mag U als vliegvisser in spe op steelhead al niet eens klagen, waarde lezer. En om dat te bereiken moet je honderden worpen maken.

Lange worpen vaak, liefst met tweehandige hengels en als het even kan - en op sommige plaatsen is dat de enige mogelijkheid - met hulp van de zogenaamde Spey worp. Dit is de enige manier om schouders en gestel te sparen op den duur. Vroeg uit de veren en veel uren maken aan het water is het motto. Doorzettingsvermogen en wat meer dan normale lichaamskracht is een pre. Een jonge sterke vent is per definitie in het voordeel. Afzien, waarde lezer, is hier van toepassing. Wat niet wil zeggen dat ook relatief kleine Cootje ze best kon vangen vooral aan de Kispiox.

Op de Kispiox minder omdat die kleiner en beter bevisbaar is. Op de Babine waar de stand het hoogste is valt het ook nog wel mee, maar op de Bulkley waar het in september en oktober wel op de Kalverstraat lijkt is het vinden van een nog niet beviste pool of hole een eerste vereiste en moeten lange worpen worden gemaakt om de ligplaatsen van de grote vissen te bereiken, keer op keer bij iedere worp.

Dan ga ik toch ergens anders op steelhead vissen zult U zeggen. Ja dat kan, maar dan mist U de Bulkley. Het is het allemaal namelijk waard, dubbel en dwars waard. Het vangen van zo'n wilde oersterke vis, vers uit de zee, op zo'n kapitaal sterk stromende rivier wordt - vis voor vis - in uw geheugen gegrift. Wat zeg ik, in uw geheugen gekerfd.
De lengte van de runs, de sprongen boven water, het schuren langs de bodem om de haak kwijt te raken, de eerste glimp van de violetzilveren torpedo, de overgave van de vis, de voldoening, de foto, het terugzetten en de langzame verdwijning van de vermoeide vis in het diepe, alles staat op de harde schijf in uw hoofd en is niet meer uitwisbaar, een mensenleven lang.

Het is onvergetelijk, het is onze sport in optima forma en zonder weerga. En niks meenemen Meneer. Iedere vis moet terug bij de wet. Een Dolly Varden mag mee voor de pan, maar een steelhead mag hooguit voorzichtig gemeten en vooral niet beschadigd worden. Als je een wil eten moet je ze op de vismarkt in Vancouver kopen, vissen die op volle zee gevangen zijn met grote trawlers en dat deden we ook wel eens omdat deze vissen heerlijk smaken en net zo rozerode vlees hebben als zalmen.

Neem nou Peter's vis die hij haakte bij de Manege, niet ver weg van de brug van de weg van Smithers naar Telkwa. Ikzelf stond een eind stroomopwaarts toen de oerkreet van Peter tot me doordrong. Zijn hengel stond, of liever danste als een hoepel. De eerste run van de vis was volop aan de gang toen ik zo goed en zo kwaad mogelijk langs de stenige oever naar hem toe begon te lopen, te struikelen en te waden. 

Een steelhead vang je "samen". Je maat "coacht" hem mee naar binnen. Dit heeft het voordeel dat je je maat de schuld ervan kunt geven als je de vis kwijtraakt. Je neemt bovendien de tijd op, niet op de seconde nauwkeurig met de stopwatch, maar tenminste op vijf minuten nauwkeurig, afgerond naar boven natuurlijk.

De tweede run was al begonnen toen ik eindelijk bij hem aankwam strompelen. Voor Peter, klein van stuk maar degelijk gebouwd, met zijn eenhandige Nummer Negen van Hardy Brothers, was weer eens het uur van de waarheid aangebroken. En dat wist hij want er werd intens "gedrild" zoals wij hengelaars dat wel zeggen. Dit was geen tijd voor grappen of lollige opmerkingen. Dit was mannenwerk.
"Mannenwerk" zoals ook Cootje dat kon leveren, overigens met uitzondering van die ene keer op de Kispiox toen alsnog de lijn brak, nadat Cootjes krachten langzaam waren weggeëbd en ze de minstens twintig pond zware vis te haastig wilde binnenhalen omdat ze moe was.

Peter's vis was geen kapitale, maar de vijftien pond haalde het beest wel. Het water was hoog en de stroom sterk. En de vis was ook sterk en vers van zee, vooral diep blijvend en schurend over de zanderige bodem daar, draaiend en af en toe uit het water springend.

Laat gaan. Pas op. Hoger die hengel. Daar gaat ie weer. Hij draait om. Hij is op de terugweg. Sneller binnendraaien die lijn. Hou strak. Niet te kort die lijn nu. Prachtige vis. Mooi gevecht. Het gaat goed. Hou vast. Laat gaan. Hij zoekt de stroom weer op. Voorzichtig. Hij is moe. Mooi licht van kleur, vers uit zee. Nog effe.

Was het maar waar. Met een laatste desperate duik naar de diepte, zichtbaar in het heldere water enkele meters voor ons, draaide de grote vis een kwartslag over de zanderige bodem en was los. De vis geloofde het niet en Peter nog minder. Ik zag het, ik wist het. Dit was de derde vandaag die loskwam. Zoveel pech had mijn maat niet verdiend. Weg vis. Nee niet in de handen kunnen nemen en over zijn kop kunnen aaieen. Geen foto deze keer.
Telt ie of telt ie niet? Telt ie omdat hij altijd in de herinnering zal blijven. Telt ie omdat ie hier wordt beschreven of niet? Misschien is ie al terug naar zee geweest en nu de rivier weer opgekomen? Misschien is ie nu wel vijfentwintig pond?

Hoe dan ook, waarde Lezer. Voor mij heeft Peter die vis wel degelijk gevangen. Ik tel hem mee. Alleen wij met zijn tweeën weten dat. Alleen wij kennen de emoties die ermee gepaard gingen. Alleen wij weten hoeveel moeite we ons hebben moeten troosten om zover te komen.

De herinnering blijft, ook aan Gill en Deborah Cobb, hun River House waar we logeerden, de vrienden die we er maakten, de eenden en ganzen die daar trekken en waarvan we geoogst en gegeten hebben. Net als de grouse langs de paden. De goudgele cottonwoods, de groene naaldbossen, de witte berken.

De eerste sneeuw op de skipistes van de nabijgelegen hoge bergen. De koude sterke stroom van het water. De bochten met hun diepe pools. De vergezichten. Het gekras van een ravenpaar, nooit ver van elkaar. De steak met lobster in het Motel. En niet te vergeten de eendenborst met wilde paddestoelen, gestoofde grouse en biefstuk van de moose.

De moose jagers met hun gitaarmuziek. De aan struiken groeiende cranberry's van onbekende soort. Nachten van korte diepe slaap. Dagenlang midden in de sterke stroom, de lange lijnen suizend door de lucht. De Teeny 200, ja zelfs de Teeny 300, want Henk zei dat we diep moesten vissen. Maar ook die hele week dat Cootje met de droge vlieg bleef vissen en niks ving. Slechts het jaar erna werd haar geduld beloond en hoe.

Met mijn echte Bruce en Walker, een erfstuk van Henk Peeters. Een hengel voor de perfecte Spey cast. Daar was de Hardy Brothers nummer veertien een stijve paal bij, net goed genoeg voor een cast over je hoofd.

En nu zult U willen weten, waarde lezer, hoeveel wij er wel niet gevangen hebben. Wij weten het precies. Iedere vis hebben we geteld, iedere vis is in ons geheugen opgeslagen, ook de vissen die we niet konden aaien, iedere gehaakte vis was er een. We hebben er samen precies honderd gehaakt en gevangen, vijfentwintig per seizoen in onze vier seizoenen aan de Bulkley en dat is wis en waarachtig geen visserslatijn.

Mocht U ooit het Heilige der Heilige binnengaan, te weten het River House in Smithers aan de Bulkley, weet dan dat U daar een gedicht in het gastenboek zult aantreffen op bladzijde nummer een, zo mooi dat ik het uit mijn hoofd kan voordragen tot het einde van mijn dagen en dat U - waarde lezer - dit verhaal nooit meer vergeet.
 

Cottonwoods turn golden
Towering over spruce and fir
Silver violet runs the steelhead
And the waters stir
Mightier than the dark red coho
Faster than the chinook himself
Along the road stand the grouse
While geese fly over the River House
In the autumn in the Bulkley valley
Is this where I met a larger way
Is this I long for at the end of day


Dit was het laatste verhaal van het kwartet van verhalen over vliegvissen beste Peter, waarmee ik wilde aantonen dat ik ooit de beste vliegvisser van Nederland was, misschien met uitzondering van Henk Peeters en nu zeker met uitzondering van Marco Kraal, de specialist op Nederlandse wateren.

Het eerste ging over het vissen met de tandem van verzwaarde nymphen in de gebruikelijke Europese stromen zoals de Duitse Roer uit de Eifel over niet kalkrijke bodems op beekforel en vlagzalm (geleerd van een voormalige wereldkampioen vliegvissen Jindrich Behounek),
Het tweede in de kalkrijke stromen met veel plantengroei zoals de Test en de Itchen in het zuiden van Engeland ten noorden van Southampton, op de beekforel van groot formaat met de droge kunstmeivliegen (geleerd uit de Engelse literatuur),
Het derde op de korte stromen van IJsland met enerzijds zeeforel en anderzijds de zalm en met de klassieke methode  aan de strakke lijn en de Thunder and Lightning en andere klassieke zalmvliegen en
Het vierde dan dit verhaal op de steelhead, de regenboogforel die naar zee trekt, waar de Spey cast onvermijdelijk is om tot optimale resultaten te komen, geleerd van Joseph Brown en Gill Cobb en uit de boeken van Roderick Haig-Brown.

Als je mij vraagt wat ik prefereer dan zeg ik dat dat moeilijk is, maar als ik er maar een uit mag kiezen dan het vissen op de wilde steelhead. Dus Marco, als ik jou was zou ik niet emigreren naar Duitsland, Engeland of IJsland, maar inderdaad naar Canada en gaan wonen aan de Skeena waar de Bulkley en de Kispiox samenkomen en die fantastische steelhead rivier vormen die bij Port Rupert in de Pacifische Oceaan uitmondt.

Daar kun je nog vissen en jagen dat het een lieve lust is.

Met vriendelijke groeten vanuit Bandung,


Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz