|
Hoofdstuk 127
13 maart 2004
Vier steelhead seizoenen in Smithers aan de Bulkley
of
A steelhead river runs through it
Marcus Bemelmans, jager en student in Maastricht, schreef
gisteren: Als ik vanavond niks te doen had ging ik
rechtstreeks naar Canada. Wat een verhaal.
En dat was het verhaal over die mislukte berenjacht in
Alaska in de USA, geen verhaal uit Canada. Voor Marcus zal
ik daarom hier een verhaal schrijven over het vliegvissen op
steelhead in British Columbia, in Smithers aan de Bulkley.
Een verhaal dat nog niet zo lang geleden verscheen in De
Nederlandse Vliegvisser trouwens, maar hier met ook nog een
context waarin het allemaal plaatsvond, die beschreven
avonturen, en ook voor Marcus als jager nog wat extra's over
de jacht daar aan de Westkust van Canada in het magnifieke
Skeena rivier gebied ten zuiden van Port Rupert.
Het risico van dit verhaal is dat Marcus dus echt gaat
emigreren en Nederland vaarwel zegt en dat daarmee een
toekomstige voorman - uit het goede hout gesneden - voor de
Nederlandse jacht verloren gaat.
Rond de eerste oktober van de jaren 1994-1995-1996-1997 ging
ik vliegvissen met Peter Kenemans in Smithers aan de
Bulkley. De laatste twee jaren ging ook Cootje, Peter's
vrouw mee, een uiterst gezellige roodharige vrouw die nog
nooit een vlieg kwaad heeft gedaan en die houdt van
vliegvissen. Een kunstenares die vooral met zijde werkt en
waarvan zo'n magnifieke zijden hoed zelfs al eens op het
koninklijk hoofd van onze Beatrix heeft geprijkt, dacht ik.
Het eerste jaar verbleven we nog in een Motel in de buurt
van Smithers, maar nadat we Gill Cobb en zijn vrouw hebben
ontmoet, boven Telkwa langs de spoorlijn door het Westen van
Canada, die daar parallel loopt langs de grote en daar zeer
sterk stromende Bulkley, verbleven we de volgende jaren in
The River House, het gastenhuis van Gill en Deborah naast
hun eigen huis vlak langs de Bulkley onder de brug bij
Smithers.
Het laatste jaar toen dus ook Cootje erbij was heb ik niet
alleen gevist maar ook gejaagd en een dubbel leven geleid,
dubbel zo hard geleefd en veel minder geslapen dan Peter met
zijn Cootje. Ik had een hagelgeweer geregeld bij de
burgemeester en grootste boer van Smithers en een
jachtvergunning om op ganzen en eenden te jagen.
Die trekken dan door, hier langs de Canadese westkust en
verblijven soms in de kleine meertjes, in de rustige
zijrivieren van de Bulkley zelf en fourageren nog op de
gerstvelden waar dan nog schoven op staan, waar je je als
jager goed achter (er voor gaan zitten wat een jager betreft
en niet bewegen) kunt verbergen als ze invallen, de Canada
ganzen, de vollen die hier standwild zijn zoals bij ons ook
in de winter en de verschillende soorten van kleinere
duikeenden die doortrekken naar het zuiden tot in
Washington, Oregon en Californie.
Ik schoot dan in de morgen voor achten al wat eenden en soms
ganzen voor de pot, maakten het ontbijt klaar en zette de
bouillon op. Voor dag en dauw was ik al op dan maar we
gingen pas vissen tegen tienen, veel te laat eigenlijk omdat
in deze drukke tijd aan de Bulkley de beste pools al bezet
zijn door vliegvissers, afkomstig uit letterlijk de hele
affluente wereld, onder andere veel uit Japan, naast nogal
wat Amerikanen, maar ook nogal wat Nederlanders trouwens,
die echter meer langs de Kispiox te vinden zijn.
Gill had me zijn Pick Up gegeven waarvoor in ruil hij alle
eenden- en ganzehuiden kreeg die ik netjes in een stuk van
de vogels stroopten en over de veranda van het River House
hing. Het vroor al licht toen en Gill wreef ze in met aluin
en ander spul om ze te preserveren om de veren en veertjes
te kunnen gebruiken voor het binden van allerlei soorten
kunstvliegen. Ik hielp hem daar trouwens ook nog mee en ging
vaak pas tegen middernacht - na de gebruikelijke
l'Aphroiac's - naar bed.
Om dan de volgende morgen al weer om vijf uur of zo uit de
veren - de bedveren - te zijn en op jacht te gaan. Er waren
eenden en ganzen zat en de tableaus waren behoorlijk, maar
je moest wel goed uitkijken en kien zijn om ze aan de kleren
te komen, beste jongen.
Mijn jarenlange ervaring wat betreft de waterwildjacht in
Nederland kwam me daar zeer goed van pas. En het toverwoord
is dekking en nog eens dekking, want zo'n grote groep met
zoveel ogen heeft de minste beweging in de gaten en middels
waarschuwingen, kwaken en gakken naar hun soortgenoten,
vliegen ze dan weg en niet naar jou toe en komen ze dus niet
binnen schot.
Er waren nog late bessen en ook veel paddenstoelen dan. Soms
hele stukken vochtig bos langs de rivier vol met
cantharellen, hele grote lichtgele. En zelfs de matsutake,
die van hieruit massaal wordt uitgevoerd naar Japan en de
wilde tegenhanger is van de gekweekte shiitake. Dus de
diners waren de hoogtepunten van de dag met vers wild, verse
vis, verse groenten uit het tuintje van Deborah, wilde
paddenstoelen en bessen. Cootje, Peter en ik hadden ieder
ons deel aan het koken, ieder zijn eigen specialiteit.
Een enkele keer was er ook een grouse (familie van het bij
ons uitgestorven korhoen en de inheemse red grouse van
Engeland, waarvan meerdere soorten voorkomen op het
Amerikaanse continent) die ik schoot vanuit een langzaam
rijdende Four Wheel als we langs rustige paden door de
bossen reden naar de volgende visplek toe. Steentjes tot
zich nemend - om het voedsel in hun magen beter te kunnen
verteren - op de gravel paden en dan effe niet op hun qui
vive.
Dat was ook het begin van het jachtseizoen daar op de grote
beesten zoals herten, de eland en de twee beresoorten en een
keer kwamen Moose jagers, familie en vrienden van Gill en
Deborah, langs het River House om feest te vieren en te
zingen bij eigen gitaarmuziek. En een mooi stuk Moose was
ons deel voor het volgende etentje, terwijl ik wat verse
eenden- en ganzenborsten ervoor in ruil gaf, die graag en
met een blik van bewondering werden aangenomen, want zij
jaagden nooit op kleinwild, alleen op grootwild.
Het waren en werden uiteindelijk vier steelhead seizoenen
aan de Bulkley, de moeite waard om een verhaal over te
schrijven dat hieronder volgt:
A
steelhead river runs through it
Grote, sterke, Joseph Brown leerde mij de eerste beginselen
van het vliegvissen op de steelhead aan de Stillaguamish in
de staat Washington, twintig jaar geleden. Mooie
visavonturen volgden die ik graag verwoord in onderstaand
gedicht voor hem in zijn taal:
|
Stillaguamish beyond Skykomish
Fordson's hole and darkness still
In the warm summer night
Remember the cold of November
Bald eagle above spawning chum
The raging torrent
But now a crystal clear stretch
Below a mirror in the trunk's pool
Smooth without a ripple
As
daylight breaks the steelhead wakes
To the bright and also the dark fly once
Prelude to much skill and an incredible thrill
|
Alle boeken erover van Roderick Haig-Brown, die vaak viste
op de Stillaguamish in zijn jonge jaren, had ik verslonden.
Vergis U niet, waarde lezer en vliegvisser op de Europese
salmoniden, het is een Oncorhynchus nu, familie van de
Pacifische zalmen. De moderne genetica en moleculaire
biologie staan voor niets. En de enige soort die het paaien
in het zoete water meestal overleeft en die in het zoete
water nog voedsel tot zich neemt als hij optrekt naar de
plek waar hij ter wereld kwam. In dat opzicht te vergelijken
met Salmo salar, de Atlantische zalm, dat wel.
Het vliegvissen er op was in die tijden een kunst, maar is
nu welhaast een wetenschap geworden. Maar nog wel met veel
variabelen en moeilijk te leren en de Hoge School van het
vliegvissen op welke forelachtigen en salmoniden dan ook.
Vergelijkbaar met het vissen op de trekkende Atlantische
zalm in Europa en de oostkust van Canada.
Als Robert Redford deze schrijver van het Amerikaanse
continent, van oorsprong Engelsman, ontdekt, dan weet ik
zeker dat na de film A river runs through it - de mooiste
film ooit gemaakt over de kunst, de schoonheid en
aantrekkingskracht van het vissen met de vlieg op
forelachtigen - het leven en het vissen van Haig-Brown aan
de beurt is.
Dan stijgt de omzet van de vliegviswinkels - vooral in Japan
- nogmaals de pan uit. Maar als U, waarde lezer, in mijn
voetstappen mocht volgen, zonder Haig-Brown's werken over de
vier seizoenen aan een steelhead rivier te lezen, zou U het
opperste geluk bij het vangen van zo'n vis op de juiste
wijze nooit kennen, zelfs bij benadering niet.
Peter en ik ontmoetten Gill Cobb aan de Bulkley in Canada
toen we onze eerste steelheads daar al gevangen hadden, nu
zo'n zes jaar geleden. Na Joseph werd de niet minder grote
en sterke Gill mijn tweede leermeester. Hij had Haig-Brown -
al een levende legende in zijn tijd - nog gekend als
jongeman, sterker nog, hij had met de oude meester gevist op
de Campbell van Vancouver eiland waar Haig-Brown toen
woonde.
|
Not so
very long ago on the Telkwa
When flyfishing in British Columbia
A big Canadian called Cobb
Laughed at me and told me to stop
He forcefully recommended that first day
To fish like the men on the River Spey
He patiently taught me the style
And yes It took me quite a while
Now I love to cast with my strong Bruce-and -Walker
I fish for steelhead like a professional stalker
Now I cast with two hands even the Double Spey
And Gill Cobb is forever a friend to stay
|
Nederlandse vliegviskleinzoon dus van Haig-Brown. De man die
de West, het Wilde Westen, ontsloot, die naar de Amerikaanse
westkust trok in het begin van de twintigste eeuw met een
vliegvishengel over de schouder en de tradities van Walton,
Halford en Skues op zak. In dezelfde tijd dat Norman Mailer
en zijn broer - gespeeld door Brad Pitt in de film - met hun
vader visten op de Blackfoot in Montana. Nu pas verfilmd,
want Mailer schreef zijn eerste boek pas in zijn
drieenzeventigste levensjaar.
Mijn vliegviscompagnon Peter Kenemans ging daar samen met
zijn Cootje - in de Blackfoot Mountains - op
vliegvisbedevaart en vertelde er enthousiaste verhalen over.
Gill Cobb te zien vissen doet echt niet onder voor datgene
wat Brad Pitt in de film laat zien. Gill verdwijnt
natuurlijk niet geheel onder water zoals ons aller Brad bij
het drillen van zo'n enorme vis. En steelheads worden nog
groter dan die vis, veel groter. Zo groot dat met normaal
vliegvismateriaal, zelfs ons aller Henk Peeters ze niet kan
vangen - samen met ondergetekende een van de nestors van de
Nederlandse vliegvissers van de tijd, toen hier nog geen
sterveling over die sport gehoord had - en die dertigplus
ponder haak of geen haak in de bek - gewoon doorzwemt, de
lijn brekend hoe sterk ook, terug naar de Pacifische
oceaan, en en passant de hengelaar trillend van emotie in
zijn vliegvishemd laat staan.
Henk had het me verteld en die kon het weten want die heeft
op de Babine gevist - met als stille getuigen meerdere
grizzlyberen op de eretribune langs beide oevers
tegelijkertijd - en de Babine doet niet onder voor welke
andere steelhead rivier in de wereld dan ook, zelfs niet de
Bulkley en de Kispiox, waar veel meer gevist wordt omdat die
makkelijker bereikbaar zijn vanuit de bewoonde wereld.
Als zoiets U overkomt, zoals Peter en mij dat overkwam, dan
kan het zijn dat U nog een kwartier lang op de oever zit te
trillen van emotie en dat voorzichtig een traan wordt
weggepinkt. Een karper van dertig pond op stilstaand water
is niet te vergelijken met een steelhed van twintig pond,
zeker niet op de Bulkley, die groter en sterker is dan de
Kispiox en ook de Babine, pakweg bij Smithers als de koude,
witte en snelle Telkwa er al bijgekomen is.
Het Skeena rivier systeem gaat heel ver landinwaarts. De
steelheads zijn langer in het zoete water hier dan in de
relatief korte rivieren van bijvoorbeeld Vancouver Island,
zoals de Campbell waar Haig-Brown woonde en viste. De vissen
zijn groter dan waar ook in hun stroomgebieden langs de
Pacifische Oceaan. Die van de Kispiox hebben de naam
gemiddeld de grootste te zijn, maar die van de Bulkley en de
Babine doen er echt niet voor onder.
In Smithers waar Gill aan de rivier woont, hebben de
optrekkende vissen al honderden kilometers achter de rug. Ze
zijn al gewend aan het zoete water en nemen voedsel, zoals
de stonefly larve, die daarom vaak wordt nagebootst, met
name door Mike Maxwell. Zijn boek The Art and Science of
Speyfishing (de Spey is een beroemde Schotse zalmrivier,
waar ik ook gevist heb, en waar deze methode van vliegvissen
is ontstaan) heeft zelfs zo'n nagebootste stonefly in een
uitsparing van de dikke omslag aan de binnenkant, aan een
vergulde hoek!
Mike's school staat langs de Bulkley net boven de Telkwa en
is er ook al een van grote, ferme jongen, die er zich
op beroept nog tankcommandant te zijn geweest toen hij in de
oorlog vocht.
Zo ziet hij er ook uit, groot en sterk, net als Joseph en
Gill en niet als Peter die klein en gedrongen de eenhandige
vliegenhengel nooit heeft afgezworen, hetgeen hem veel
vissen heeft gekost.
Op natuurlijke insekten lijkende kunstvliegen - zoals voor
forellen - zijn echter niet echt nodig. Felgekleurde
streamerachtige vliegen worden veel gebruikt, naast
pikzwarte en donkere contrapties met lange zachte veren. Ook
de klassieke zalmvliegen van het Europese continent worden
af en toe gezien, alhoewel die door de beroemde vliegvissers
van Smithers zelf meestal verkocht worden voor de sier en
het goeie geld en niet voor het echie. Zou trouwens een te
kostbare zaak worden want je verliest die dure dingen zomaar
bij het vissen op deze ruige rivieren.
Maar wereldberoemd is de Bulkley Mouse, waarvan je er een en
tenminste voor de show in je vliegvisdoos moet hebben
zitten, wil je hier meetellen tussen de kopstukken van
internationaal formaat.
De stand van de steelhead is in de loop der jaren achteruit
gegaan, met jaarlijkse fluctuaties weliswaar en er is nog
steeds hoop dat het allemaal weer goed zal komen. De
nettenvisserij in de mond van de Skeena discrimineert echter
niet en te veel steelheads zijn het bijgoed als het gaat om
de commerciele vangst van voornamelijk de coho, de rode
zalm. Maar met vijfentwintig miljoen dollar omzet hier
jaarlijks in Smithers, alleen al van de sportvissers, begint
de economische waagschaal langzaam maar zeker in hun
voordeel door te slaan.
Er een aan de haak krijgen met een vlieg is andere koek.
Moeilijker dan er een vangen met een lepel of spinner en nog
moeilijker dan er een aan levend aas naar binnen krijgen. En
een aan de vlieg gehaakte vis is nog eens pakweg twee keer
zo problematisch. Als U op de Bulkley een op een vist, dat
wil zeggen een par dag haakt dan mag U als vliegvisser in
spe op steelhead al niet eens klagen, waarde lezer. En om
dat te bereiken moet je honderden worpen maken.
Lange worpen vaak, liefst met tweehandige hengels en als het
even kan - en op sommige plaatsen is dat de enige
mogelijkheid - met hulp van de zogenaamde Spey worp. Dit is
de enige manier om schouders en gestel te sparen op den
duur. Vroeg uit de veren en veel uren maken aan het water is
het motto. Doorzettingsvermogen en wat meer dan normale
lichaamskracht is een pre. Een jonge sterke vent is per
definitie in het voordeel. Afzien, waarde lezer, is hier van
toepassing. Wat niet wil zeggen dat ook relatief kleine
Cootje ze best kon vangen vooral aan de Kispiox.
Op de Kispiox minder omdat die kleiner en beter bevisbaar
is. Op de Babine waar de stand het hoogste is valt het ook
nog wel mee, maar op de Bulkley waar het in september en
oktober wel op de Kalverstraat lijkt is het vinden van een
nog niet beviste pool of hole een eerste vereiste en moeten
lange worpen worden gemaakt om de ligplaatsen van de grote
vissen te bereiken, keer op keer bij iedere worp.
Dan ga ik toch ergens anders op steelhead vissen zult U
zeggen. Ja dat kan, maar dan mist U de Bulkley. Het is het
allemaal namelijk waard, dubbel en dwars waard. Het vangen
van zo'n wilde oersterke vis, vers uit de zee, op zo'n
kapitaal sterk stromende rivier wordt - vis voor vis - in uw
geheugen gegrift. Wat zeg ik, in uw geheugen gekerfd.
De lengte van de runs, de sprongen boven water, het schuren
langs de bodem om de haak kwijt te raken, de eerste glimp
van de violetzilveren torpedo, de overgave van de vis, de
voldoening, de foto, het terugzetten en de langzame
verdwijning van de vermoeide vis in het diepe, alles staat
op de harde schijf in uw hoofd en is niet meer uitwisbaar,
een mensenleven lang.
Het is onvergetelijk, het is onze sport in optima forma en
zonder weerga. En niks meenemen Meneer. Iedere vis moet
terug bij de wet. Een Dolly Varden mag mee voor de pan, maar
een steelhead mag hooguit voorzichtig gemeten en vooral niet
beschadigd worden. Als je een wil eten moet je ze op de
vismarkt in Vancouver kopen, vissen die op volle zee
gevangen zijn met grote trawlers en dat deden we ook wel
eens omdat deze vissen heerlijk smaken en net zo rozerode
vlees hebben als zalmen.
Neem nou Peter's vis die hij haakte bij de Manege, niet ver
weg van de brug van de weg van Smithers naar Telkwa. Ikzelf
stond een eind stroomopwaarts toen de oerkreet van Peter tot
me doordrong. Zijn hengel stond, of liever danste als een
hoepel. De eerste run van de vis was volop aan de gang toen
ik zo goed en zo kwaad mogelijk langs de stenige oever naar
hem toe begon te lopen, te struikelen en te waden.
Een steelhead vang je "samen". Je maat "coacht" hem mee naar
binnen. Dit heeft het voordeel dat je je maat de schuld
ervan kunt geven als je de vis kwijtraakt. Je neemt
bovendien de tijd op, niet op de seconde nauwkeurig met de
stopwatch, maar tenminste op vijf minuten nauwkeurig,
afgerond naar boven natuurlijk.
De tweede run was al begonnen toen ik eindelijk bij hem
aankwam strompelen. Voor Peter, klein van stuk maar degelijk
gebouwd, met zijn eenhandige Nummer Negen van Hardy Brothers,
was weer eens het uur van de waarheid aangebroken. En dat
wist hij want er werd intens "gedrild" zoals wij hengelaars
dat wel zeggen. Dit was geen tijd voor grappen of lollige
opmerkingen. Dit was mannenwerk.
"Mannenwerk" zoals ook Cootje dat kon leveren, overigens met
uitzondering van die ene keer op de Kispiox toen alsnog de
lijn brak, nadat Cootjes krachten langzaam waren weggeëbd en
ze de minstens twintig pond zware vis te haastig wilde
binnenhalen omdat ze moe was.
Peter's vis was geen kapitale, maar de vijftien pond haalde
het beest wel. Het water was hoog en de stroom sterk. En de
vis was ook sterk en vers van zee, vooral diep blijvend en
schurend over de zanderige bodem daar, draaiend en af en toe
uit het water springend.
Laat gaan. Pas op. Hoger die hengel. Daar gaat ie weer. Hij
draait om. Hij is op de terugweg. Sneller binnendraaien die
lijn. Hou strak. Niet te kort die lijn nu. Prachtige vis.
Mooi gevecht. Het gaat goed. Hou vast. Laat gaan. Hij zoekt
de stroom weer op. Voorzichtig. Hij is moe. Mooi licht van
kleur, vers uit zee. Nog effe.
Was het maar waar. Met een laatste desperate duik naar de
diepte, zichtbaar in het heldere water enkele meters voor
ons, draaide de grote vis een kwartslag over de zanderige
bodem en was los. De vis geloofde het niet en Peter nog
minder. Ik zag het, ik wist het. Dit was de derde vandaag
die loskwam. Zoveel pech had mijn maat niet verdiend. Weg
vis. Nee niet in de handen kunnen nemen en over zijn kop
kunnen aaieen. Geen foto deze keer.
Telt ie of telt ie niet? Telt ie omdat hij altijd in de
herinnering zal blijven. Telt ie omdat ie hier wordt
beschreven of niet? Misschien is ie al terug naar zee geweest
en nu de rivier weer opgekomen? Misschien is ie nu wel
vijfentwintig pond?
Hoe dan ook, waarde Lezer. Voor mij heeft Peter die vis wel
degelijk gevangen. Ik tel hem mee. Alleen wij met zijn
tweeën weten dat. Alleen wij kennen de emoties die ermee
gepaard gingen. Alleen wij weten hoeveel moeite we ons
hebben moeten troosten om zover te komen.
De herinnering blijft, ook aan Gill en Deborah Cobb, hun
River House waar we logeerden, de vrienden die we er
maakten, de eenden en ganzen die daar trekken en waarvan we
geoogst en gegeten hebben. Net als de grouse langs de paden.
De goudgele cottonwoods, de groene naaldbossen, de witte
berken.
De eerste sneeuw op de skipistes van de nabijgelegen hoge
bergen. De koude sterke stroom van het water. De bochten met
hun diepe pools. De vergezichten. Het gekras van een
ravenpaar, nooit ver van elkaar. De steak met lobster in het
Motel. En niet te vergeten de eendenborst met wilde
paddestoelen, gestoofde grouse en biefstuk van de moose.
De moose jagers met hun gitaarmuziek. De aan struiken
groeiende cranberry's van onbekende soort. Nachten van korte
diepe slaap. Dagenlang midden in de sterke stroom, de lange
lijnen suizend door de lucht. De Teeny 200, ja zelfs de
Teeny 300, want Henk zei dat we diep moesten vissen. Maar
ook die hele week dat Cootje met de droge vlieg bleef vissen
en niks ving. Slechts het jaar erna werd haar geduld beloond
en hoe.
Met mijn echte Bruce en Walker, een erfstuk van Henk
Peeters. Een hengel voor de perfecte Spey cast. Daar was de
Hardy Brothers nummer veertien een stijve paal bij, net goed
genoeg voor een cast over je hoofd.
En nu zult U willen weten, waarde lezer, hoeveel wij er wel
niet gevangen hebben. Wij weten het precies. Iedere vis
hebben we geteld, iedere vis is in ons geheugen opgeslagen,
ook de vissen die we niet konden aaien, iedere gehaakte vis
was er een. We hebben er samen precies honderd gehaakt en
gevangen, vijfentwintig per seizoen in onze vier seizoenen
aan de Bulkley en dat is wis en waarachtig geen
visserslatijn.
Mocht U ooit het Heilige der Heilige binnengaan, te weten
het River House in Smithers aan de Bulkley, weet dan dat U
daar een gedicht in het gastenboek zult aantreffen op
bladzijde nummer een, zo mooi dat ik het uit mijn hoofd kan
voordragen tot het einde van mijn dagen en dat U - waarde
lezer - dit verhaal nooit meer vergeet.
|
Cottonwoods turn golden
Towering over spruce and fir
Silver violet runs the steelhead
And the waters stir
Mightier than the dark red coho
Faster than the chinook himself
Along the road stand the grouse
While geese fly over the River House
In the autumn in the Bulkley valley
Is this where I met a larger way
Is this I long for at the end of day
|
Dit was het laatste verhaal van het kwartet van verhalen
over vliegvissen beste Peter, waarmee ik wilde aantonen dat
ik ooit de beste vliegvisser van Nederland was, misschien
met uitzondering van Henk Peeters en nu zeker met
uitzondering van Marco Kraal, de specialist op Nederlandse
wateren.
Het eerste ging over het vissen met de tandem van verzwaarde
nymphen in de gebruikelijke Europese stromen zoals de Duitse
Roer uit de Eifel over niet kalkrijke bodems op beekforel en
vlagzalm (geleerd van een voormalige wereldkampioen
vliegvissen Jindrich Behounek),
Het tweede in de kalkrijke stromen met veel plantengroei
zoals de Test en de Itchen in het zuiden van Engeland ten
noorden van Southampton, op de beekforel van groot formaat
met de droge kunstmeivliegen (geleerd uit de Engelse
literatuur),
Het derde op de korte stromen van IJsland met enerzijds
zeeforel en anderzijds de zalm en met de klassieke methode
aan de strakke lijn en de Thunder and Lightning en andere
klassieke zalmvliegen en
Het vierde dan dit verhaal op de steelhead, de
regenboogforel die naar zee trekt, waar de Spey cast
onvermijdelijk is om tot optimale resultaten te komen,
geleerd van Joseph Brown en Gill Cobb en uit de boeken van
Roderick Haig-Brown.
Als je mij vraagt wat ik prefereer dan zeg ik dat dat
moeilijk is, maar als ik er maar een uit mag kiezen dan het
vissen op de wilde steelhead. Dus Marco, als ik jou was zou
ik niet emigreren naar Duitsland, Engeland of IJsland, maar
inderdaad naar Canada en gaan wonen aan de Skeena waar de
Bulkley en de Kispiox samenkomen en die fantastische
steelhead rivier vormen die bij Port Rupert in de Pacifische
Oceaan uitmondt.
Daar kun je nog vissen en jagen dat het een lieve lust is.
Met vriendelijke groeten vanuit Bandung,
|