Een voorlopige samenvatting
Beste Floris en Annie,
Hier opnieuw een samenvatting van mijn stellingen tot nu
toe. Geenszins volledig want ik heb me bijvoorbeeld nog
geen mening gevormd over de gedooggebieden in dit
geheel. Dat vergt nog verdere studie.
Op 12 september zal LNV dus een Handreiking doen voor
het provinciaal beleid voor jaarrond verblijvende
ganzen. Het rapport is in concept gereed en bereikte mij
half juli.
Nu al bespeur ik onvrede in jagers- en vooral ook
boerenkringen wat de Handreiking betreft en denkt men
dat de nieuwe richtlijnen niet veel zullen uithalen met
betrekking tot het enigszins chaotische, in ieder geval
zeer wisselende provinciale beleid, mbt. de enorm
groeiende problematiek van de overzomerende ganzen.
Terwijl er nu in de meeste provincies met ontheffingen
gewerkt wordt zijn er in Zuid Holland en Friesland nog
steeds vrijstellingen o.a. bij gebrek aan
faunabeheerplannen.
Ondergetekende, lid van het CDA, bioloog en jager, als
adviseur van de Voorzitster van de Vaste Commissie van
de Tweede Kamer voor de Natuurwetgeving, Mevr. Annie
Schreijer-Pierik van het CDA, heeft inmiddels vier
maanden werkzaamheden verricht om tot een eventuele
wetswijziging te komen wat betreft jacht en afschot van
met name de grauwe gans. Samen met de betrokken
faunabeheereenheden in den lande, met name uit Zeeland,
Noord Brabant, Utrecht, Zuid Holland, Noord Holland, de
Flevolanden en Friesland, waar jaarrond verblijvende
ganzen een enorm probleem zijn geworden.
Zijn conclusie is dat er met de huidige wetgeving in de
hand niet zomaar een oplossing in zicht is en dat het
terugbrengen van de gans als jachtvogel, waar overigens
de KNJV in 2002 niet voor was, wel een oplossing biedt,
mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Om dit aan U te verduidelijken zal ik eerst komen met
kritieken op de: "Handreiking voor het provinciaal
beleid voor jaarrond verblijvende ganzen. Richtlijnen
voor de uitwerking van het rijksbeleid provincies en
faunabeheereenheden". Gedateerd september 2006 en tot
stand gekomen met Vogelbescherming, SOVON, LTO,
Staatsbosbeheer, IPO en Faunafonds, met een voorwoord
van Dr. C. P Veerman, de Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit.
Ik heb nu drie stellingen van kritiek afgerond en reeds
eerder rondgestuurd aan de meest betrokken Fbe's met
name de (adjunct)secretarissen, waarmee ik in
productieve samenspraak ben. De twee eerste vormen van
kritiek betreffen niet zozeer de Handleiding zelf, maar
twee achterliggende studies door SOVON en
Vogelbescherming. De derde stelling van kritiek betreft
de Handreiking zelf.
1. De studie van Van der Jeugd en medewerkers uit 2006:
"Overzomerende Ganzen in Nederland: Grenzen aan de
Groei" (Sovon/RUG/Oldenburg)
Mijnheer de Voorzitter,
Mijn naam is Dr. Jo Hilgers. Mijn Alma Mater is de RUU.
Ik ben gepensioneerd medisch bioloog na veertig jaren
toponderzoek op het gebied van kanker. Ik ben ook jager
en als lid van het CDA, adviseur voor de reparatie van
de Flora en Faunawetgeving van de Voorzitster van de
Vaste Kamercommissie Mevr. Annie Schreijer-Pierik, onder
andere gekozen met meer dan 20.000 voorkeursstemmen uit
boerenkringen in het Overijsselse.
Mijn kritiek, opmerkingen en vraag betreft de
oplossingsrichting die in de beleidshandreiking valt
onder predatie van broedende ganzen, met name door
vossen. Ik heb daartoe het rapport van Henk van der
Jeugd en medewerkers bij Sovon nauwkeurig bestudeerd en
geanalyseerd.
Er worden vijf waarnemingen vermeld van predatie door
vossen (1) plaatstrouw wordt verstoord nadat de vos in
een broedkolonie terechtkwamen, (2) een snelgroeiende
brandganzen broedpopulatie op een stuweiland bij Driel
werd in twee jaar door de vos geëlimineerd, (3) Op een
eiland voor de Zweedse kust werd door de vos een
brandganzen broedkolonie teruggebracht van 2450 tot 1400
broedparen, (4) in de Ooypolder stellen ganzen het
broeden uit bij overlast door de vos (5) in de Biesbosch
zijn ganzenbroedsels niet meer veilig voor (zwemmende)
vossen.
Op basis van deze incidentele waarnemingen die overigens
suggestief zijn, verschijnt er vervolgens een
getalsmatige prognose over het predatie effect van
vossen op de uitbreiding van de broedganzen in
Nederland. Zonder vossen een maximum van 90.000
broedparen in 2040 en met vossen van hooguit 60.000
broedparen in 2030. Op basis van zogenaamde
dichtheidsafhankelijke groeicurven der populaties.
Op pagina 125 van het rapport dan een sweeping
statement. Ik citeer: "Het is niet ondenkbaar dat
predatie door Vossen, maar ook bijvoorbeeld door
geherintroduceerde Otters, verdere toename van
Steenmarters en de te verwachten vestiging van
Zeearenden op termijn zal leiden tot een natuurlijke
regulatie van de aantallen in Nederland broedende ganzen
tot een aanvaardbaar niveau voor agrariërs en
natuurbeheerders". Einde citaat.
Dat brengt mij vervolgens tot de Handreiking voor het
Provinciaal beleid van jaarrond verblijvende ganzen, dat
in grote mate is afgeleid van het Sovon rapport van Van
der Jeugd en medewerkers en gefinancierd is door LNV,
tot de maatregel "fluctueren van de waterstand" met o.a.
de zinsnede 'Het vervolgens laten zakken van de
waterstand geeft vossen een kans de overgebleven nesten
te bereiken".
Begrijp ik het goed? Dat vossen en andere predatoren -
het wellicht belangrijkste wapen zijn in de strijd tegen
al te grote broedganzen populaties? Dat een derde van
die broedpopulaties voorkomen kan worden in ons lage
waterrijke vosarme westen, waar het overgrote merendeel
aan broedende ganzen zich bevindt. En dat de otter die
er nog niet is en de zeearend met een broedgeval daar
aan gaan bijdragen? Dat gelooft U zelf toch niet?
En zo ja waar zijn dan de historische cijfers om dit
wetenschappelijk enigszins aannemelijk te maken? Of
vindt U die vijf suggestieve anekdotes daarvoor
voldoende? En zo ja, is dit dan een wetenschappelijk
rapport of slechts wishful thinking vanuit een politieke
voorkeur?
Ik zeg U bij voorbaat en onafhankelijk van uw antwoord
dat ik dit van alle schaamteloze pseudowetenschappelijke
zaken in het voorliggende rapport het ernstigste vind,
ook al omdat het tegen de Geest van de huidige
gerepareerde Wet is, namelijk om vossen weer zo snel
mogelijk terug te dringen in de natuur, nadat de ramp
die Flora en Faunawet heet in 2002 over ons allen is
neergedaald. En de broedende ganzen zich hebben
vermeerderd als nooit tevoren.
Mijn voorstel Mijnheer de Voorzitter is om deze
Handreiking onverwijld terug te trekken en onder
verantwoording van een bonafide hoogleraar in de
ecologie opnieuw te laten opstellen, maar dan naar echte
wetenschappelijke maatstaven.
Hier kreeg ik het volgende antwoord op
van Ensink van LNV:
Mijnheer Hilgers
Uit uw reactie begrijp ik dat de vos naar uw mening iets
te vaak in het rapport wordt aangehaald, maar als het om
zomerganzen gaat, is er voor de vos geen grote rol
weggelegd. De door u aangehaalde passages zijn enkel
bedoeld om aan te geven dat ganzen niet los staan van de
rest van het ecosysteem en dat predatie ook een rol
speelt bij de populatieregulatie. Ik hoop dan ook dat we
de discussie op het symposium kunnen beperken tot de
vraag hoe we het verstandigst met de overzomerende
ganzen om kunnen gaan, discussies over vossen horen
volgens mij ergens anders plaats te vinden.
Floris
Mijn repliek
Mijnheer Ensink,
Natuurlijk is er geen grote rol voor
de vos weggelegd in de strijd tegen de groeiende
populaties van de ganzen. Dat stel ik immers, middels
cynische vragen, zelf aan de orde. Maar daar gaat het
dan ook niet om.
Het gaat om het feit dat de wetenschappelijke
methodologie van de heren ornithologen in het rapport
niet buiten kijf staat en dat er daarom geen recht van
spreken aan ontleend kan worden middels een
beleidshandreiking van het Rijk aan de Provincies. Het
is puur slechte wetenschap en leidt alleen maar tot
verwarring en zoals U zult merken op de 12de september
tot grote onenigheid met de bekende partijen ter linker-
en ter rechterzijde die zich nog dieper zullen ingraven
in hun al bij voorbaat betrokken stellingen. Of simpel
gezegd: het wordt een pan die dag.
Met nog andere woorden het is weggegooid geld door de
Overheid die niet heeft gezocht naar wetenschappelijke
integriteit. Maar ja, mijn discussiepunt fnuikt dan ook
de hele discussie en het doel waarna U streeft. Dus ik
had eerlijk gezegd niets anders verwacht en moet spijtig
vaststellen dat U niet boven de partijen staat.
Met vriendelijke groeten,
Dr. Jo Hilgers
Zijn repliek
Mijnheer Hilgers
Ik hoop dat u mij op mijn woord zult geloven dat ik er
werkelijk alleen maar op uit ben om tot een bevredigende
oplossing voor het probleem van de overzomerende ganzen
te komen. Dat hierover verschillen van mening bestaan is
een feit. Dat SOVON dit rapport heeft uitgebracht is ook
een feit. Waar ik in geïnteresseerd ben is hoe we nu
tegen deze achtergrond verder gaan. Wanneer u of iemand
anders hiervoor een zinnige bijdrage kan leveren, ben ik
daar zeer in geïnteresseerd. Ik hoop dus op een
vruchtbare bijeenkomst op 12 september.
Het symposium zal vanaf 9.30 plaatsvinden op het
Vechthuis in Utrecht. Wanneer u mij een adres geeft, zal
ik u een uitnodiging toesturen.
Met vriendelijke groet
Floris Ensink
2. De studie van Schekkerman en medewerkers uit 2000
getiteld "Overzomerende grauwe ganzen in het Noordelijk
Deltagebied. Een modelmatige benadering van de
aantalontwikkeling bij verschillende beheersscenario's"
(Alterra en Sovon
Beste Mariette (FBE ZH) (Floris van LNV, Gerard van de
KNJV en Annie van de Tweede Kamer),
Hartelijk dank voor de rapporten Mariëtte uit het
Zuid-Hollandse, waarvan dat van Schekkerman et al uit
2000 van ALTERRA/SOVON getiteld: "Overzomerende grauwe
ganzen in het Noordelijk deltagebied", een modelmatige
benadering van de aantal ontwikkeling bij verschillende
beheersscenario's, m.i. het belangrijkste is.
Die studie met Bart Ebbinge als senior author heeft
duidelijk zelf "model" gestaan voor het recente stuk van
Van der Jeugd uit 2006 met Kees Koffijberg als laatste
auteur: "Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan
de groei? ". Het komt allemaal uit dezelfde ecologische
school, met Berend Voslamber als link tussen deze
studies.
Volgens Schekkerman et al in 2000, groeiden in de
negentiger jaren het aantal grauwe ganzen broedparen van
100 in 1991 tot minimaal 600 in 1999 in het Noordelijk
Deltagebied. Merkwaardigerwijs spreekt hij echter van
5000 in totaal, eigenlijk veel te veel bij maar 600
broedparen, dat m.i. dus wel al 1000 zal zijn geweest in
2000 in de noordelijke Delta toen. Figuur 1 in dat
rapport geeft die populatiegroei aan vergeleken met die
van een Zweedse populatie en die van de Ooypolder, die
beiden veel minder snel groeien (Zweden) dan wel reeds
hun eindpunt lijken te hebben bereikt qua groei
(Ooypolder) en dus niet representatief zijn voor de
bestudeerde sterk groeiende populaties vooral in het
vosarme westen van Nederland.
En dan komen de modellen en allerlei berekeningen waar
ik me niet in hebt verdiept, omdat dat niet niks is en
tijd vergt. Al die simulaties voorspellen een totaal
aantal van 10.000 tot 20.000 vogels, 2-4x de grootte in
2000. Nog een getal is 15.000 ganzen voor het gebied als
climax tegen 2030 dat ik vanaf nu aanhoud.
We zijn nu ca. 6 jaar verder (1999-2005) en zien dan
recente getallen in het rapport van Van der Jeugd voor
heel Zuid-Holland te weten bijna 4000 broedparen.
4000x2x2= 16.000 in totaal met deze formule voor heel
Zuid Holland. Als we aannemen dan driekwart daarvan
voorkomt in het Deltagebied (ik sla echter een slag) dan
zitten we dus al gauw aan 12.000 ganzen in totaal nu in
2005 (laatste telling). Ik maak me sterk dat we dan in
2006 die 15.000 hebben bereikt die als climax wordt
berekend op basis van de gehanteerde modellen in 2000.
(NB: Kun jij deze getallen alsjeblieft nauwkeuriger
aangeven?).
Dus 15000 in 2006 al aanwezig maar pas voorspeld voor
2030, pakweg een kwart eeuw later op basis van die
modellen.
Doet me denken aan die climax populaties in het Van der
Jeugd rapport voor 2030, te weten 60.000 broedparen voor
heel Nederland met veel vossen en 90.000 broedparen
zonder vossen in 2040. Voorspellingen voor periodes van
25 en zelfs 35 jaar. Terwijl ze over 5 jaar al niet
uitkomen, overigens ook niet in het Utrechtse (zie FBE
plan Provincie Utrecht), waar de voorspellingen 3500
ganzen waren voor 2005 terwijl er toen al meer dan
10.000 waren in de Provincie.
Tja en wat moet ik daar nu in Godsnaam van denken? Dat
de groei er nu uit is in de Delta en dat de climax
bereikt is, zodat we over 25 jaar nog steeds met 15.000
overzomeraars zitten zoals in 2000 voorspeld door
Schekkerman en medewerkers?
Ik zou zeggen tegen de heren ecologen probeer dat maar
eens aan de boeren te verkopen of maak dat maar de kat
wijs. Met andere woorden ze zitten er met hun modellen
grandioos naast. En als ze dat weten, waarom wordt dat
dan nu niet geanalyseerd en maken ze nieuwe modellen, in
aanmerking nemend de gigantische groei tussen 2000 en
2005 in het hele land, behalve misschien de Ooypolder.
Waarom niet eerst een analyse van de kwaliteit van
gehanteerde modellen ipv nog weer een rapport met die
oude modellen?
Een echte wetenschapper zoekt naar de waarheid en als
hij in het verleden iets heeft beweerd wat uiteindelijk
niet waar is, dan begint hij dat te analyseren om voor
de toekomst wijzer te worden. Is dat gedaan en waar
staat dat? En als het niet gedaan is, waarom dan niet?
Omdat daar geen geld/subsidie voor was misschien?
Hoe meer ik me verdiep in deze materie hoe kwader ik
word. Wordt aan deze mensen gevraagd om een
beleidshandreiking te geven voor Rijks- en Provinciale
beleid? Wordt aan deze mensen voortdurend overheidsgeld
gegeven om nog meer waanzin te verkopen? Welke
hooggeleerde ecoloog in Nederland stelt daar als
onderzoeker paal en perk aan? Of is er geen een daar
competent genoeg voor? En wat zegt Hoogleraar Prins van
Wageningen hiervan? Waarom roept hij zijn discipelen
niet de integriteit van de wetenschap hoger in het
vaandel te houden? Hebben we inderdaad en Canadees, Rus
of Zuid-Afrikaan nodig om hier orde op zaken te komen
stellen?
Hoe dan ook, ik ga verder met mijn analyses, ook al is
dit mijn vak niet. Maar alles is te leren nietwaar. Moet
nog wat biologenvriendjes inschakelen hiervoor.
Beste Mariëtte, Het is fijn om je te kennen en al zo
snel met elkaar van gedachten te kunnen wisselen. Jouw
inspanningen om ook de statistiek te leren kennen
waardeer ik ten zeerste en betekent dat je een stap
verder bent dan de meeste collega's die het moeten
hebben van de praktijk alleen. Echter praktijk zonder
(goeie) theorie kan niet meer tegenwoordig. Het is de
slechte theorie die momenteel roet in het eten gooit en
de discussies vertroebeld als je het mij vraagt.
De voorspellingen van de ornithologen zijn op
dramatische wijze veel en veel te laag gebleken. Bij
nieuwe voorspellingen op basis van de oude modellen zou
ik zeggen, vermenigvuldig ze met een factor vijf.
Met vriendelijke groeten,
Jo Hilgers, adviseur Annie Schreijer-Pierik
cc: Floris Ensink (LNV): Is bovenstaande wellicht een
beter discussiepunt voor de 12de september?
cc. Gerard Alferink (KNJV): Ook dit kun je wat mij
betreft regelrecht naar de Minister van LNV sturen, net
als dat eerste discussiestuk voor 12 september over
berekende predatie voor vossen van ganzen.
3. Kritiek op de enige tekst van de Handreiking zelf.
Beste Floris
Tot nu toe heb ik op De Handreiking twee kritische
essays geschreven, maar die waren vooral gericht op de
achterliggende studies, de belangrijkste bronnen voor De
Handreiking (Van der Jeugd et al., 2006; en Schekkerman
et al., 2000). Een stuk betrof de mate waarin predatie
door de vos een rol zou spelen bij het terugdringen van
de groei van ganzen en het tweede stuk betrof de analyse
van de modellen en de statistiek die gebruikt wordt om
de groei te voorspellen. Daarmee heb ik afdoende
aangetoond dat de methologie van de studies belabberd is
en het woord wetenschap niet waardig. Er zit te veel
politiek wishful thinking in het rapport, zeker tussen
de regels.
Ik kon nu met mijn eerste stuk van kritiek op De
Handreiking zelf en richt me in eerste instantie op het
hoofdstuk Schadebeperkende Maatregelen en met name op
het stukje onder Het Afschot.
Dit stuk is zo tendentieus en duidelijk niet geschreven
door specialisten c.q. ganzenjagers, dat het een doorn
in het oog is van heel jagend Nederland, neem dat van
mij aan beste Floris. En ik zal dat hieronder zin voor
zin aan je uitleggen en als laatste deel van de
exercitie het stuk herschrijven.
Zin 1: "Afschot van ganzen als middel om de populatie te
verkleinen is alleen effectief indien een zeer groot
aandeel van de vogels jaarlijks wordt geschoten".
Dit statement is vnl. gebaseerd op cijfers uit de VS
waar 42% van Canadese ganzenafschot op de vier
vluchtroutes (anderhalf miljoen totaal) alleen niet
voldoende is om de groei te stoppen die nog 6-8% blijft
bedragen. De vraag, die voor de hand ligt, is dan hoe
groot zou die groei zijn zonder afschot? Enorm
natuurlijk. De methodiek van de ganzenjacht in de VS is
veel en veel effectiever dan in Nederland. Ze schieten
veel beter, met veel minder restricties, zwaardere
geweren, zwaardere patronen, met geluidsapparatuur van
gakkende ganzen, lokkers, vanuit goede "hides" overal
langs de trekroutes etc.
In Nederland is er veel minder traditie wat het jagen
van ganzen betreft met uitzondering misschien Friesland
en Zeeland. De Friezen hebben speciale afgezonken hutten
ontwikkeld voor in de sloot, jaagden van oudsher veel en
frequent met levende en later plastic lokkers, met
fluiten, op de routes tussen slaapplaatsen op het water
en foerageergebieden etc. In de rest van Nederland is
dat veel minder het geval omdat daar vroeger weinig of
geen ganzen waren. Er is een veel kortere traditie, van
decennia, niet van eeuwen, in de andere delen van
Nederland. Er zijn maar weinig relatieve goede
schuilhutten, er worden daarom door gebrek aan dekking
en veel oefening relatief veel ganzen ziek geschoten, de
geweren en kalibers zijn niet optimaal etc.
En als klap op de vuurpijl allerlei idiote regels en
restricties voor het geweer met als doel de kans op het
doden te minimaliseren, regels het laatste decennium
geboren achter de schrijftafels van de anti-jacht
lobbyisten. Zoals de regel dat er niet op overvliegende
ganzen maar wel op dalende ganzen geschoten mag worden.
Zoiets is oncontroleerbaar met als gevolg dat heel
gemakkelijk een proces-verbaal - ook onterecht -
uitgeschreven kan worden. Eigenlijk pure pesterij van de
jager om het dodende afschot (maar niet het ziekmakende)
te minimaliseren.
Nu is iedere jager in Nederland nog lang geen
ganzenjager en er zou een nationale cursus moeten komen
bijvoorbeeld in Friesland, misschien wel met een brevet
om ganzen te mogen bejagen, zoals dat gold voor de
drijfjacht op wilde zwijnen en het zogenaamde
zwartwildbrevet. Dit idee viel wat mij betreft in goede
aarde in alle jachtkringen die ik dat voorlegde met name
ook bij de KNJV en ook Mevr. Annie Schreijer-Pierik.
Eerst op vrijwillige basis en als het werkt wellicht
verplicht.
Zin 1 volgens mij: Afschot van ganzen als middel om de
populaties te verkleinen kan een effectieve, relatief
goedkope maatregel zijn.
Zin 2: "In grote populaties wordt afschot als
populatiebeperkende maatregel met klem afgeraden".
In de VS worden kleine en grote populaties allemaal
bejaagd. Er zijn geen restricties wat dit betreft. En
wat is een kleine en wat is een grote populatie? De
grootte van populaties wisselt nogal en kleine
populaties worden vaak snel groot, zoals we overal zien
in den lande. Zo was er in een polder in Zeeland een
jaar geen enkele overzomeraar en het jaar daarna had er
zich een populatie van niet minder dan 300 ganzen
gesetteld. Zomaar van het ene jaar op het andere. Dit is
een arbitrair statement dat verwarring zal scheppen en
ongenoegen zal opleveren. Daarom ook deze zin
verwijderen zou ik zeggen.
Zin 3. "In kleinere populaties en bij nieuwe vestigingen
is het wel mogelijk vogels te schieten, maar dan altijd
als duwtje in de rug voor meer duurzame methoden". Het
principe geldt kennelijk nog steeds: eerst alles
proberen alvorens tot afschot over te gaan. Een uiterst
subjectieve stelling die alleen maar discussies oplevert
tussen voor- en tegenstanders van jacht en bestuurlijke
complicaties. En argumenten voor rechters om
faunabeheerplannen af te schieten (inmiddels door de
Raad van State onmogelijk gemaakt). Afschot is een
weidelijke methode op zich, die niet afhankelijk gesteld
mag worden van de effectiviteit van andere methoden
zoals verjagen met linten, poppen etc. etc waarmee de
beesten natuurlijk niet worden opgeruimd en rustig door
kunnen gaan met schade aan te richten maar dan elders.
Daarom ook deze zin verwijderen en het principe
overboord zetten.
Zin 4. "Aan verjaging ondersteunend afschot op gevoelige
percelen, bijvoorbeeld in combinatie met opvanggebieden
van niet-broedende vogels, kan het lerend vermogen van
de ganzen aanspreken". So what? Dat geldt voor alle
diersoorten. En van poppen schrikken ze ook niet zo lang
en worden ze al gauw wijs. Het betekent dat je dan de
jacht professioneler moet uit kunnen voeren, want het
maakt afschot moeilijker. In Friesland worden slimme
ganzen ook heus wel geschoten als alles maar optimaal
is, in dit geval de dekking van goede schuilhutten met
lokkers, liefst levende en lokmogelijkheden met
CD-spelers of met goede fluiten. Deze zin is helemaal
overbodig.
Zin 5. "Hierbij is het belangrijk dat op kwetsbare
percelen foeragerende of invallende ganzen wordt
geschoten en niet op overvliegende vogels of vogels die
opvliegen van hun slaapplaats in een natuurgebied". Ja
dan zul je niet veel mogen en kunnen schieten en is de
jacht als effectieve maatregel van de baan. Ook deze zin
kan weg.
Het hele stukje "Afschot" is eigenlijk een stukje
"Antiafschot" en heeft als achterliggende gedachte de
jacht met het geweer ineffectief te maken als
voorbereiding op totale afschaffing in de toekomst. Zeer
tendentieus en anti-jacht. Zeker niet tot stand gekomen
in overleg met de professionals op dit gebied. Alle
echte ganzenjagers halen er nu hun schouders over op,
over zoveel onbenul en pesterij, om de jacht
uiteindelijk afgeschaft te krijgen. Ze zijn getergd en
ontevreden, maken ruzie onderling en met de boeren
vanwege al die onmogelijke en nergens in den lande
eenduidige regels.
Daarom stuur ik je hierbij mijn tekst onder het hoofdje
"Afschot" :
Afschot van ganzen als middel om de populaties te
verkleinen kan een effectieve relatief goedkope
maatregel zijn. Echter dit vergt een specifiek brevet
voor de ganzenjager te verwerven na het jachtexamen,
waarin effectiviteit en weidelijkheid hoog in het
vaandel dienen te staan. Beperkende regels die tot nu
toe gelden wat betreft gebruik van hagelgeweren,
kalibers van patronen, gebruik van lokmiddelen en
schuilmogelijkheden dienen zo veel mogelijk te worden
afgeschaft of bijgesteld. Financiële middelen voor
jagers en faunabeheerders om tot optimaal afschot te
komen (schuilmogelijkheden op trekroutes) ook in daartoe
aan te wijzen natuurgebieden, dienen met rede
beschikbaar gesteld te worden om schade-uitkeringen door
Faunafonds te beperken. Met als doel zo effectief
mogelijk de ganzen te kunnen bestrijden enerzijds en het
percentage ziek geschoten dieren anderzijds te verlagen.
Optioneel:
De buit dient zo goed mogelijk terecht te komen waartoe
faciliteiten ingesteld dienen te worden om verkwisting
en mistoestanden (in de grond stoppen van gedode vogels)
te voorkomen en tegen te gaan (bijvoorbeeld aanbod van
vlees van ganzen en andere soorten, in natuurwinkels,
met pluk- en koelfaciliteiten, op te zetten
door Provincies, LTO, Faunafonds SBB, NM en andere
grondbeherende instanties en de jagers etc. etc., ook
voor ander schadelijk wild of af te schieten dieren
zoals bijvoorbeeld grote grazers). Reclame maken voor
wild als voedsel in samenwerking met keurslagers.
Beste Floris,
Dat is natuurlijk heel andere koek. Zo kan het ook en
als dit als handreiking gegeven wordt, geloof mij dan
maar, dat de Provincies er zeer dankbaar onmiddellijk en
uitvoerig gebruik van gaan maken. Dat ze opgelucht
ademhalen dat er eindelijk eens een frisse wind waait
door het jagersland. Dan kan ook de KNJV middels een
nieuw op te zetten cursus zich weer wat meer richten op
hoofddoelen in jagend Nederland en niet zozeer vanuit de
verdediging blijven opereren. Dan komt er een nieuwe
spirit in het land, dan voelen jagers zich weer
geaccepteerd en zullen ze hun best doen om hun image
verder op te vijzelen en mee wil helpen het probleem op
te lossen.
Nu kijken ze sceptisch naar Den Haag, vragen zich af
waarom er zo Gods gruwelijk veel beperkende regels zijn
die per Provincie verschillen, gaan van de weeromstuit
een paar keer aan afschot "doen" omdat het moet, maar
fiducie erin dat het helpt, hebben ze al lang niet meer.
De huidige ganzenjager is een ontevreden
Nederlander, een mopperende man of vrouw in het veld,
die het allemaal al lang niet meer begrijpt, te weten
sinds Geke Faber de jacht op de gans in 1999 afschafte,
drie jaar voordat de FF-wet wet er kwam. Vele jagers
hebben reeds het geweer aan de wilgen gehangen. Maar ach
dat was immers de bedoeling van de anti-jachtlobby, als
verlengstuk van veel stemmen van het verrekijkvolk, dat
aaibaarheid hoog in het vaandel heeft. Nietwaar beste
Floris?
Vroeger beste Floris, in de goeie ouwe tijd, waren
ganzenjagers gelukkige mensen die met grote
verantwoording en liefde voor de natuur, een groot deel
van hun leven daar ook leefden, in diezelfde natuur. En
die een gans meer liefhadden dan een ornitholoog nu.
Echte traditionele ganzenjacht, aangevuld met zinvol en
effectief afschot, met inachtneming van traditionele
waarden en weidelijkheidsprincipes, tot stand gekomen in
eeuwen, begonnen met koningen, is voor Nederland
plotseling te mooi om waar te zijn? Nederland is armer
geworden en zeker geen voorbeeld op dit gebied voor
omringende landen en de wereld van het Wise Use
Principle van het WWF en Het Goed Rentmeesterschap van
het CDA.
Het roer moet om, wat zeg
ik: "Waar is het ganzenroer gebleven?"
Met vriendelijke groeten,
Jo Hilgers
Vervolgens heb ik na werkbezoeken door Annie (Utrecht,
Zeeland)( Noord Holland, Zuid Holland en Friesland komen
nog aan de beurt) en maandenlange discussies een aantal
argumenten bij elkaar gezet om middels een reparatie van
de Flora en Faunawet de gans weer terug te krijgen als
jachtvogel in de wildlijst.
Beste Annie,
Heb weer uitvoerige gesprekken gevoerd per telefoon met
Piet van Houten (secretaris FBE NH) en Erik Koffeman
(secretaris FBE Noord Brabant). Slimme jagers en
bestuurders. Ik leer voortdurend en kom nu even met het
rijtje argumenten om de grauwe gans weer doodleuk tot
jachtvogel te verklaren net als de eend:
1. Vanuit Brussel en de Europese Richtlijnen is geen
kritiek te verwachten omdat de gans tot categorie II
hoort van de Conventie van Bern en in de hele EU bejaagd
mag worden. Ik probeer alle details nog te achterhalen.
2. In vijf deelstaten van Duitsland gaat de jacht op de
grauwe gans per 1 augustus open wegens grote overlast.
Ik probeer nog meer gegevens uit omringende landen op te
duikelen via FACE en Brussel.
3. De Friese ganzenjagers - met name die van de
zuidwesthoek en WBE De Marren - met de grootste
tradities op dit gebied, verklaren met de hand op het
hart dat normale bejaging van de grauwe gans het
probleem daar binnen enkele jaren oplost. Vele jagers
uit den land buiten Friesland bevestigen dit, maar
enkelen denken dat het niet zal lukken.
4. Door de grote problemen met ontheffingen en de enorme
overlast hier en daar begint steeds meer burgerlijke
ongehoorzaamheid de kop op te steken (a) in Texel zijn
200 dode grauwen gevonden, op mysterieuze wijze
overleden, volgens SBB een teken dat de natuur zichzelf
controleert (kul natuurlijk), (b) in Zuid Holland zijn
honderden dode ganzen gevonden met onbekende
doodsoorzaak en (3) in de zuidwesthoek van Friesland
weigeren jagers op verzoek van SBB ganzen nu af te
schieten, ganzen bejagen in de zomer is tegen hun
traditie (je zoekt ook geen kievitseieren in het
najaar).
5. Sabotage van de huidige provinciale wetgeving door
Faunabescherming middels de gang naar de rechter met het
faunabeheerplan is woensdag jl. door de Raad van State
een halt toegeroepen, in processen van de Fbe's van
Utrecht en Friesland. Echter in Noord Holland wordt al
weer op vele andere groenlinkse wijzen gesaboteerd (zie
vertrouwelijk stuk van FBE NH.
6. We gingen terug van 32 tot 6 bejaagbare vogels (minus
de patrijs, bij ons op de rode lijst, maar in alle
deelstaten van Duitsland bejaagbaar) en met de grauwe
erbij hopelijk weer omhoog naar 7. In het kielzog dan
eventueel de smient (nu al?) en niet-schadelijke soorten
zoals de kuifeend/tafeleend voor de jacht op het grote
water en de houtsnip (bejaagbaar in alle deelstaten van
Duitsland) voor de bosjacht en we hebben het grote
merendeel van ons jachtgenot van voor de FF-wet wet weer
terug. De grauwe gans is dus het voorbeeld dat goed
gevolgd moet worden en een springplank kan zijn voor
verdere reparatie. Nu al, of nog wachten is mijn
politieke vraag aan jou?
7. Als grauwe gans jachtvogel wordt hoeft het Faunafonds
minder schade uit te keren. Om boeren en jagers terwille
te zijn omdat het volledig uit de klauwen is gelopen,
wordt een overgangsperiode van drie jaar ingelast waarin
schade niet verhaald kan worden op de jager maar wel nog
uitgekeerd wordt (voorstel Piet van Houten, NH) door het
Faunafonds. Dit is een belangrijk onderhandelingspunt
voor de boerenorganisaties die met lede ogen aanzien dat
er veel geld is voor natuurgebieden terwijl zij slechts
schade lijden en niks krijgen of onvoldoende.
8. Openingstijden grauwe gans net als eend van 15
augustus tot 1 februari. Ontheffingen door Provincies
buiten die tijd bij al te grote overlast. Nooit meer
ontheffingen geven van 1 maart tot tenminste 1 juli
(zoals nu in NBr en U het geval is) omdat het indruist
tegen het weidelijkheidsprincipe van de jager en uit
emotioneel oogpunt niet te verkopen is aan het reviaanse
verrekijkvolk.
9. Vraag aan Brussel in hoeverre de trekkende grauwe
gans die in de winter trekt in Nederland tenminste
beschermd dient te worden. Bijvoorbeeld in gebieden van
SBB en NM waar jacht verboden blijft. Brussel zegt dat
omringende landen zeker geen bezwaar hebben tegen de
jacht op trekkende grauwe ganzen in herfst en winter.
Dat doen de omringende landen zelf ook.
Tot zover voorlopig,
Jo Hilgers