Het in Memoriam van een
Snoek
Zijn dagelijkse sleur
"begluurd" door het aquarium-glas
De Sportvisser, 16, no.3, maart 1968, pp. 77-78 en 16,
no. 4, april 1968, pp. 121-123. Hoofdredacteur, P.A.Hendriks,
Redactie C. van Heugten, J. Stopetie, C. Vorstelman en Rein
van Rutten.
In augustus 1966 ving ik met een watervlooiennetje in een
poldersloot een snoekje van negen centimeter lengte. In
maart 19767 was dat snoekje 30 cm lang en had het alle
aquarium perikelen overleefd. Mijn aquarium meet 130 bij 30
bij 30 cm en staat op een opzet achter op mijn
schrijfbureau, zodat ik vele merkwaardige hoogtepunten en
ook de dagelijkse sleur van het jonge snoekeleven van zeer
nabij heb meegemaakt. Nu ik op het punt sta iets te
schrijven over dat snoekje in mijn aquarium weet ik
nauwelijks waar te beginnen.
Als enthousiaste sportvisser wist ik, na enkele opgedane
ervaringen, al vrij spoedig wat vriend Esox zoal doet in het
leven, hoe hij zich gedraagt, waar hij zich meestal ophoudt,
welke prooi hij prefereert, hoe de prooi moet worden
aangeboden en ga zo maar door. Het leek mij echter moeilijk
om aan de hand van hengelervaringen een in mijn ogen simpel
gedragspatroon, dat hoofdzakelijk is gericht op het snel en
efficiënt vangen van een levende prooivis, te doorgronden.

Het schonk mij veel voldoening mijn kleine snoekje in
zijn element te zien leven en onvermoede
karaktereigenschappen, of zo U wilt gedragspatronen, werden
mij min of meer duidelijk. Helaas overleefde de vis dit
verblijf in het aquarium niet en men zou kunnen zeggen dat
dit artikel het "in memoriam" is van onze snoek.
Afwisselend menu
Mijn snoekje dan was in zeven maanden ongeveer 20 cm
gegroeid en in die periode had het 150 tot 200 visjes
verorberd, in grootte variërend tussen 5 en 15 cm, met een
gemiddelde lengte der prooivisjes van ca. 10 cm. Het menu
was afwisselend. Het bestond voor het grootste deel uit
voorntjes (blank- en ruisvoorntjes), voorts uit
grondelingen, baarsjes, bliekjes, elritsen, diamantbaarsjes,
hondsvisjes, benevens een dwergmeervalletje en ten slotte
een tiental regenboog forelletjes.
Wat het laatste menu betreft zou de meester-kok "truite
fraiche" zeggen en in dit geval gegarneerd met levende
watervlooien. De meeste visjes werden des nachts verorberd,
enkele tientallen zag ik overdag grijpen en daarna werd
geslikt ofwel losgelaten. Het aantal waarnemingen was dus
niet zo groot als het grote aantal prooivissen doet
vermoeden.
Wanneer er wel eens andere toeschouwers bij het opeten
van een prooivis door de snoek aanwezig waren, kwam het
gesprek vaak op de vraag of het wel ethisch was een snoek
een prooi was een prooi te laten grijpen voor je eigen ogen.
Het antwoord op deze vraag laat ik graag aan de lezers over.
Wat de voorkeur voor bepaalde vissoorten betreft, kan ik
iets zeggen over de voorntjes als prooivissen ten opzichte
van de baarsjes van gelijke grootte. Mijn snoekje begon pas
aan baarsjes wanneer de voorntjes al geruime tijd op waren.
Voordat hij echter baarsjes definitief had verslonden, had
hij al vele malen misgegrepen en ook vaak raak gegrepen en
weer losgelaten. Daarbij werd de rugvin van alle baarsjes
steeds beschadigd. Alleen de harde vinstralen bleven
overeind, terwijl de tussenliggende zachte vingedeelten
inscheurden. Opgemerkt dient te worden, dat de baarsjes
altijd de rugvin opzetten wanneer ze voorlangs de snoek
zwommen.
Herkend als gevaar
Visueel werd de snoek mijns inziens door de voorntjes en de
baarsjes en waarschijnlijk ook door vele andere soorten
herkend als een dreigend gevaar. Hierbij moet sprake zijn
van een zekere training dan wel een geheugen van beperkte
duur. Wanneer er enige soortgenoten door de rover waren
opgegeten herkenden de prooivisjes de snoek namelijk van een
grotere afstand en vluchtten ze eerder weg. Ik kan niet met
stelligheid beweren, of de herkenning slechts een visuele
was (of zelfs inderdaad een visuele) aangezien het bekend is
dat sommige vissoorten een schrikstof in het water
afscheiden wanneer ze gewond raken.
Deze schrikstof zou dan geroken kunnen worden. Dat ze
eventueel selectieve trillingen, behorend bij normale
snoekbewegingen, herkennen, lijkt me niet waarschijnlijk
daar de snoek, wanneer hij niet zijn normale vangpatroon
afwerkt, nauwelijks beweegt. Of het bewegen van de
borstvinnen en vaak ook nog van andere vinnen, zonder dat
daarbij de snoek van plaats verandert, zou een rol moeten
spelen.
Niet alleen greep mijn snoek wel eens een visje dat hij
dan weer losliet (voornamelijk baarsjes, grondelingen en
forelletjes), maar vele malen greep hij ook gewoon mis. Ik
schat, dat van de tienmaal dat hij greep slechts een poging
succes had. Dat resulteerde dan in het verdwijnen van de
prooi naar binnen en het arriveren van de prooi met de kop
in het maagzuur. Om bij ramingen te blijven: van de tienmaal
dat hij raakgreep schat ik, dat hij een- a tweemaal weer
losliet.
Aanval op de forel
Een keer was een ca. 10 cm lang regenboogforelletje al half
geslikt door het (toen) 20 cm grote snoekje, toen het
dubbelgestaarte geval met een klap weer in tweeën splitste.
Het forelletje had slechts een onbeduidend wondje op zijn
kop.
De frequentie van het misgrijpen is vrij hoog en mijns
inziens afhankelijk van verschillende factoren. Wanneer de
snoek namelijk flinke honger had of liever gezegd ongeveer
een a twee weken had gevast en er zich geen visje in het
aquarium bevond behalve de snoek zelf, dan greep hij de
eerste keer raak op nieuwe visjes. Had hij bijvoorbeeld twee
dagen niet gegeten,dan greep hij met meer waarschijnlijkheid
raak dan wanneer hij na een visje op een dag nogmaals greep
op dezelfde dag.
Een verklaring hiervoor kan tweeledig zijn: de prooi was
of wordt argelozer, of de snoek grijpt feller en
doeltreffender door meer honger. Het normale vangpatroon
werd in deze gevallen als het ware versneld afgedraaid en
hij greep dan zelfs na achter de prooi te hebben
aangezwommen. Ik geloof, dat zowel de argeloosheid en de
bijzondere felheid van de rover beiden de reden zijn van het
vangen met resultaat bij honger of na vasten.
Gevaar drijft de prooivis - ook in
aquarium - in een school
Reeds Karl von Frisch veronderstelde, dat bij de familie der
karperachtigen, de prooivissen een schrikstof in het water
verspreiden, als zij door de beet van een snoek worden
beschadigd. Wellicht komt deze stof vrij door de
beschadiging van alleen het schubbenkleed. Von Frisch toonde
het bestaan van deze stof aan bij de elrits. Mijn eigen
waarnemingen over het schoolgedrag van de prooivissen - met
name van de voorns - wijzen er wellicht op, dat dit sociale
gedrag samenhangt met het schrikgedrag van deze vissen.

Wanneer bijvoorbeeld een tiental voorntjes in het
aquarium met een snoek werd gezet, trad er aanvankelijk
nauwelijks schoolgedrag op. De visjes verspreiden zich en de
eerste dagen of zelfs weken vormden ze alleen maar kleine
groepjes of zwierven alleen rond. Als ze erg dicht bij de
snoek zwommen, schrokken ze zichtbaar en zwommen dan iets
terug, daarbij de borstvinnen nerveus naar voren bewegend,
Ze sloten zich echter niet aaneen tot een groep. Dat
gebeurde pas nadat enige soortgenoten waren opgegeten. Na
het vallen van de eerste slachtoffers bleven de vissen dicht
bijeen en schrokken als ze toevallig uit de school waren
geraakt.
Ze zwommen telkens achter elkaars staarten aan en de zo
gevormde school verbleef in die hoek van het aquarium waar
in ieder geval de snoek niet lag. Het leek er op, of ze de
snoek nu ook visueel van een veel grotere afstand herkenden,
laten we zeggen, van een afstand van ca. 30 cm tegen 10 cm
zonder "ervaring". Ging de snoek op jacht dan raakten de
visjes in de school zo in paniek, dat er soms wel eens een
boven water uitsprong.
Jachttechniek
Hoe is nu de jachttechniek van de snoek ten opzichte van een
school vissen? Als snoek op jacht gaat, verandert er
allereerst iets in zijn houding, evenals wanneer hij vanuit
een schuilhoek gaat aanvallen. Normaal "staat" een snoek of
zwemt met gestrekt lichaam enigszins schuin in het water,
waarbij de kop zich iets hoger bevindt dan de staart
(ongeveer een cm bij een lengte van mijn snoek van 20 cm).
Bij de eerste jacht-phase lijkt hij iets te krommen,
omdat de kop wat onlaag gaat en op gelijke hoogte met de
staart komt. Hij ligt nu helemaal horizontaal en glijdt naar
voren. Hij maakt geen of nauwelijks een staartbeweging.
Alleen de achterkant van de ver naar achteren geplaatste
rugvin beweegt, de voorkant is roerloos. De borstvinnen
waaieren uiterst langzaam heen en weer. Het lichaam is
volstrekt roerloos.
Als de jachthouding is aangenomen, zien we soms
plotseling schokkende oogbewegingen optreden, waarbij het
lijkt, meer naar voren gaat kijken. Hij glijdt nu vrij vlug,
met de ogen iets naar voren gericht, op de school af. Nooit
zal de snoek midden in de school toeslaan. In de school
ontstaat nu paniek. De visjes vluchten alle kanten op en
meestal verdwijnen ze naar de andere kant van het aquarium.
Als alle visjes gevlucht zijn, zal het weer geruime tijd
duren eer de snoek een nieuwe aanval onderneemt. Soms echter
"durft" een voorntje of ander prooivisje niet langs de snoek
terug en zwemt nerveus tot in de andere hoek van het
aquarium, meestal vlak onder het wateroppervlak. Het blijft
hier, een soort schrikbewegingen makend met de borstvinnen,
staan en nu begint de snoek, die dit een tijdje stilliggend
heeft aangezien in een glijbeweging naar het visje toe te
drijven, als een stuk hout en tergend langzaam. Zijn - goed
in de kassen verplaatsbare ogen - zijn duidelijk op het
visje gericht. Meestal blijft hij op 10-15 cem van het visje
weer staan en nu treedt een zeer spannend stadium in.
Doodvonnis
Zowel roofvis als prooi, beide tot het uiterste gespannen,
maken nu zo weinig mogelijk beweging. Als ik in dit stadium
van de jacht ergens op de aquariumruit een klein tikje gaf,
betekende dit meestal het doodvonnis van het visje. Wanneer
het visje met een plotselinge beweging wilde wegschieten,
schoot de snoek met ongelooflijke snelheid toe, hetgeen
nauwelijks met de ogen te volgen was.
Er konden nu vier verschillende dingen gebeuren: of het
visje was gevlucht en had zich weer bij de school gevoegd,
of de snoek had het gegrepen, meestal dwars over het
lichaam, maar soms ook bij de kop of meer naar de staart
toe. Het visje kon echter ook met succes zijn gevlucht,
nadat de snoek wel of niet had gegrepen en ten slotte kon
het visje na een felle sparteling nog losschieten uit de
lange bek met de naar achteren geplaatste vlijmscherpe
tanden.
H eeft
de snoek succes gehad dan volgt het keer- en slikproces, dat
van een tot 35 minuten kan duren, maar meestal tussen de 3
en 10 minuten plaatsvindt. Hierbij bestond geen enkel
verband tussen de grootte van de prooivis en de tijd van het
naar binnen werken. Meestal wordt het prooivisje ongeveer in
het midden overdwars gegrepen, soms echter bij de kop. Een
keer zag ik een gegrepen voorntje precies in de lengte in de
geopende snoekebek schieten en op slag verdwijnen maar dat
was een uitzondering op de regel.
De gekste en ongelooflijkste uitzondering was, dat een
visje bij het keerproces met de staart het eerst naar binnen
werd gedraaid. De als vork gesplitste staart kan echter niet
zomaar de slokdarm in. De snoek bemerkte dit kennelijk,
draaide de vis weer dwars uit zijn bek en draaide door tot
de prooi met de kop naar voren naar binnen verdween.
Golfbeweging
De prooi is nog lang niet dood na te zijn gegrepen. Het kwam
voor, dat het al dan niet fel bewegen van het visje, dat
dwars was gegrepen, de duur van het slikproces aanzienlijk
kon vertragen. Een vrij klein grondelingentje, dat heftig
bewoog, werd pas na 35 minuten naar binnen gewerkt, terwijl
een nauwelijks bewegende grote voorn binnen een minuut naar
binnen was.
Nog andere bijzonderheden zijn te vermelden over het
merkwaardig aangeboren keer- en slikproces. Slechts een
daarvan wil ik nog vermelden, namelijk het opmerkelijke
"golven" van het snoekenlichaam, geruime tijd nadat de prooi
naar binnen is gewerkt. Het hele snoekelichaam golft
kennelijk in zijwaarste richting om het visje beter naar de
maag te laten doorschuiven.
|