Dr. Jo Hilgers, bioloog, kankeronderzoek, natuurliefhebber, jager, visser en verteller en dichter
GedichtenVerhalenFotogalerijPlatteland AlliantieDit zijn de verhalen en gedichten van Dr. Jo Hilgers, die zijn hele leven had gewijd aan het kankeronderzoek, hij was een groot natuurliefhebber en een echte Bourgondische Limburger, waar alles perfect moest zijn. Hij overleed helaas veel te vroeg op 29 december 2007 op 67 jarige leeftijd te Leusden.


Het in Memoriam van een Snoek

Zijn dagelijkse sleur "begluurd" door het aquarium-glas


De Sportvisser, 16, no.3, maart 1968, pp. 77-78 en 16, no. 4, april 1968, pp. 121-123. Hoofdredacteur, P.A.Hendriks, Redactie C. van Heugten, J. Stopetie, C. Vorstelman en Rein van Rutten.
In augustus 1966 ving ik met een watervlooiennetje in een poldersloot een snoekje van negen centimeter lengte. In maart 19767 was dat snoekje 30 cm lang en had het alle aquarium perikelen overleefd. Mijn aquarium meet 130 bij 30 bij 30 cm en staat op een opzet achter op mijn schrijfbureau, zodat ik vele merkwaardige hoogtepunten en ook de dagelijkse sleur van het jonge snoekeleven van zeer nabij heb meegemaakt. Nu ik op het punt sta iets te schrijven over dat snoekje in mijn aquarium weet ik nauwelijks waar te beginnen.

Als enthousiaste sportvisser wist ik, na enkele opgedane ervaringen, al vrij spoedig wat vriend Esox zoal doet in het leven, hoe hij zich gedraagt, waar hij zich meestal ophoudt, welke prooi hij prefereert, hoe de prooi moet worden aangeboden en ga zo maar door. Het leek mij echter moeilijk om aan de hand van hengelervaringen een in mijn ogen simpel gedragspatroon, dat hoofdzakelijk is gericht op het snel en efficiënt vangen van een levende prooivis, te doorgronden.

Jonge snoek (~35cm), Eindhovens kanaal, 21-9-2003

Het schonk mij veel voldoening mijn kleine snoekje in zijn element te zien leven en onvermoede karaktereigenschappen, of zo U wilt gedragspatronen, werden mij min of meer duidelijk. Helaas overleefde de vis dit verblijf in het aquarium niet en men zou kunnen zeggen dat dit artikel het "in memoriam" is van onze snoek.


Afwisselend menu
Mijn snoekje dan was in zeven maanden ongeveer 20 cm gegroeid en in die periode had het 150 tot 200 visjes verorberd, in grootte variërend tussen 5 en 15 cm, met een gemiddelde lengte der prooivisjes van ca. 10 cm. Het menu was afwisselend. Het bestond voor het grootste deel uit voorntjes (blank- en ruisvoorntjes), voorts uit grondelingen, baarsjes, bliekjes, elritsen, diamantbaarsjes, hondsvisjes, benevens een dwergmeervalletje en ten slotte een tiental regenboog forelletjes.

Wat het laatste menu betreft zou de meester-kok "truite fraiche" zeggen en in dit geval gegarneerd met levende watervlooien. De meeste visjes werden des nachts verorberd, enkele tientallen zag ik overdag grijpen en daarna werd geslikt ofwel losgelaten. Het aantal waarnemingen was dus niet zo groot als het grote aantal prooivissen doet vermoeden.

Wanneer er wel eens andere toeschouwers bij het opeten van een prooivis door de snoek aanwezig waren, kwam het gesprek vaak op de vraag of het wel ethisch was een snoek een prooi was een prooi te laten grijpen voor je eigen ogen. Het antwoord op deze vraag laat ik graag aan de lezers over.

Wat de voorkeur voor bepaalde vissoorten betreft, kan ik iets zeggen over de voorntjes als prooivissen ten opzichte van de baarsjes van gelijke grootte. Mijn snoekje begon pas aan baarsjes wanneer de voorntjes al geruime tijd op waren. Voordat hij echter baarsjes definitief had verslonden, had hij al vele malen misgegrepen en ook vaak raak gegrepen en weer losgelaten. Daarbij werd de rugvin van alle baarsjes steeds beschadigd. Alleen de harde vinstralen bleven overeind, terwijl de tussenliggende zachte vingedeelten inscheurden. Opgemerkt dient te worden, dat de baarsjes altijd de rugvin opzetten wanneer ze voorlangs de snoek zwommen.


Herkend als gevaar
Visueel werd de snoek mijns inziens door de voorntjes en de baarsjes en waarschijnlijk ook door vele andere soorten herkend als een dreigend gevaar. Hierbij moet sprake zijn van een zekere training dan wel een geheugen van beperkte duur. Wanneer er enige soortgenoten door de rover waren opgegeten herkenden de prooivisjes de snoek namelijk van een grotere afstand en vluchtten ze eerder weg. Ik kan niet met stelligheid beweren, of de herkenning slechts een visuele was (of zelfs inderdaad een visuele) aangezien het bekend is dat sommige vissoorten een schrikstof in het water afscheiden wanneer ze gewond raken.

Deze schrikstof zou dan geroken kunnen worden. Dat ze eventueel selectieve trillingen, behorend bij normale snoekbewegingen, herkennen, lijkt me niet waarschijnlijk daar de snoek, wanneer hij niet zijn normale vangpatroon afwerkt, nauwelijks beweegt. Of het bewegen van de borstvinnen en vaak ook nog van andere vinnen, zonder dat daarbij de snoek van plaats verandert, zou een rol moeten spelen.

Niet alleen greep mijn snoek wel eens een visje dat hij dan weer losliet (voornamelijk baarsjes, grondelingen en forelletjes), maar vele malen greep hij ook gewoon mis. Ik schat, dat van de tienmaal dat hij greep slechts een poging succes had. Dat resulteerde dan in het verdwijnen van de prooi naar binnen en het arriveren van de prooi met de kop in het maagzuur. Om bij ramingen te blijven: van de tienmaal dat hij raakgreep schat ik, dat hij een- a tweemaal weer losliet.


Aanval op de forel
Een keer was een ca. 10 cm lang regenboogforelletje al half geslikt door het (toen) 20 cm grote snoekje, toen het dubbelgestaarte geval met een klap weer in tweeën splitste. Het forelletje had slechts een onbeduidend wondje op zijn kop.

De frequentie van het misgrijpen is vrij hoog en mijns inziens afhankelijk van verschillende factoren. Wanneer de snoek namelijk flinke honger had of liever gezegd ongeveer een a twee weken had gevast en er zich geen visje in het aquarium bevond behalve de snoek zelf, dan greep hij de eerste keer raak op nieuwe visjes. Had hij bijvoorbeeld twee dagen niet gegeten,dan greep hij met meer waarschijnlijkheid raak dan wanneer hij na een visje op een dag nogmaals greep op dezelfde dag.

Een verklaring hiervoor kan tweeledig zijn: de prooi was of wordt argelozer, of de snoek grijpt feller en doeltreffender door meer honger. Het normale vangpatroon werd in deze gevallen als het ware versneld afgedraaid en hij greep dan zelfs na achter de prooi te hebben aangezwommen. Ik geloof, dat zowel de argeloosheid en de bijzondere felheid van de rover beiden de reden zijn van het vangen met resultaat bij honger of na vasten.


Gevaar drijft de prooivis - ook in aquarium - in een school
Reeds Karl von Frisch veronderstelde, dat bij de familie der karperachtigen, de prooivissen een schrikstof in het water verspreiden, als zij door de beet van een snoek worden beschadigd. Wellicht komt deze stof vrij door de beschadiging van alleen het schubbenkleed. Von Frisch toonde het bestaan van deze stof aan bij de elrits. Mijn eigen waarnemingen over het schoolgedrag van de prooivissen - met name van de voorns - wijzen er wellicht op, dat dit sociale gedrag samenhangt met het schrikgedrag van deze vissen.

Veel baarzen, Tijningenplas 19-7-2003

Wanneer bijvoorbeeld een tiental voorntjes in het aquarium met een snoek werd gezet, trad er aanvankelijk nauwelijks schoolgedrag op. De visjes verspreiden zich en de eerste dagen of zelfs weken vormden ze alleen maar kleine groepjes of zwierven alleen rond. Als ze erg dicht bij de snoek zwommen, schrokken ze zichtbaar en zwommen dan iets terug, daarbij de borstvinnen nerveus naar voren bewegend, Ze sloten zich echter niet aaneen tot een groep. Dat gebeurde pas nadat enige soortgenoten waren opgegeten. Na het vallen van de eerste slachtoffers bleven de vissen dicht bijeen en schrokken als ze toevallig uit de school waren geraakt.

Ze zwommen telkens achter elkaars staarten aan en de zo gevormde school verbleef in die hoek van het aquarium waar in ieder geval de snoek niet lag. Het leek er op, of ze de snoek nu ook visueel van een veel grotere afstand herkenden, laten we zeggen, van een afstand van ca. 30 cm tegen 10 cm zonder "ervaring". Ging de snoek op jacht dan raakten de visjes in de school zo in paniek, dat er soms wel eens een boven water uitsprong.
Jachttechniek
Hoe is nu de jachttechniek van de snoek ten opzichte van een school vissen? Als snoek op jacht gaat, verandert er allereerst iets in zijn houding, evenals wanneer hij vanuit een schuilhoek gaat aanvallen. Normaal "staat" een snoek of zwemt met gestrekt lichaam enigszins schuin in het water, waarbij de kop zich iets hoger bevindt dan de staart (ongeveer een cm bij een lengte van mijn snoek van 20 cm).

Bij de eerste jacht-phase lijkt hij iets te krommen, omdat de kop wat onlaag gaat en op gelijke hoogte met de staart komt. Hij ligt nu helemaal horizontaal en glijdt naar voren. Hij maakt geen of nauwelijks een staartbeweging. Alleen de achterkant van de ver naar achteren geplaatste rugvin beweegt, de voorkant is roerloos. De borstvinnen waaieren uiterst langzaam heen en weer. Het lichaam is volstrekt roerloos.

Als de jachthouding is aangenomen, zien we soms plotseling schokkende oogbewegingen optreden, waarbij het lijkt, meer naar voren gaat kijken. Hij glijdt nu vrij vlug, met de ogen iets naar voren gericht, op de school af. Nooit zal de snoek midden in de school toeslaan. In de school ontstaat nu paniek. De visjes vluchten alle kanten op en meestal verdwijnen ze naar de andere kant van het aquarium.

Als alle visjes gevlucht zijn, zal het weer geruime tijd duren eer de snoek een nieuwe aanval onderneemt. Soms echter "durft" een voorntje of ander prooivisje niet langs de snoek terug en zwemt nerveus tot in de andere hoek van het aquarium, meestal vlak onder het wateroppervlak. Het blijft hier, een soort schrikbewegingen makend met de borstvinnen, staan en nu begint de snoek, die dit een tijdje stilliggend heeft aangezien in een glijbeweging naar het visje toe te drijven, als een stuk hout en tergend langzaam. Zijn - goed in de kassen verplaatsbare ogen - zijn duidelijk op het visje gericht. Meestal blijft hij op 10-15 cem van het visje weer staan en nu treedt een zeer spannend stadium in.
 

Doodvonnis
Zowel roofvis als prooi, beide tot het uiterste gespannen, maken nu zo weinig mogelijk beweging. Als ik in dit stadium van de jacht ergens op de aquariumruit een klein tikje gaf, betekende dit meestal het doodvonnis van het visje. Wanneer het visje met een plotselinge beweging wilde wegschieten, schoot de snoek met ongelooflijke snelheid toe, hetgeen nauwelijks met de ogen te volgen was.

Er konden nu vier verschillende dingen gebeuren: of het visje was gevlucht en had zich weer bij de school gevoegd, of de snoek had het gegrepen, meestal dwars over het lichaam, maar soms ook bij de kop of meer naar de staart toe. Het visje kon echter ook met succes zijn gevlucht, nadat de snoek wel of niet had gegrepen en ten slotte kon het visje na een felle sparteling nog losschieten uit de lange bek met de naar achteren geplaatste vlijmscherpe tanden.

Heeft de snoek succes gehad dan volgt het keer- en slikproces, dat van een tot 35 minuten kan duren, maar meestal tussen de 3 en 10 minuten plaatsvindt. Hierbij bestond geen enkel verband tussen de grootte van de prooivis en de tijd van het naar binnen werken. Meestal wordt het prooivisje ongeveer in het midden overdwars gegrepen, soms echter bij de kop. Een keer zag ik een gegrepen voorntje precies in de lengte in de geopende snoekebek schieten en op slag verdwijnen maar dat was een uitzondering op de regel.

De gekste en ongelooflijkste uitzondering was, dat een visje bij het keerproces met de staart het eerst naar binnen werd gedraaid. De als vork gesplitste staart kan echter niet zomaar de slokdarm in. De snoek bemerkte dit kennelijk, draaide de vis weer dwars uit zijn bek en draaide door tot de prooi met de kop naar voren naar binnen verdween.


Golfbeweging
De prooi is nog lang niet dood na te zijn gegrepen. Het kwam voor, dat het al dan niet fel bewegen van het visje, dat dwars was gegrepen, de duur van het slikproces aanzienlijk kon vertragen. Een vrij klein grondelingentje, dat heftig bewoog, werd pas na 35 minuten naar binnen gewerkt, terwijl een nauwelijks bewegende grote voorn binnen een minuut naar binnen was.

Nog andere bijzonderheden zijn te vermelden over het merkwaardig aangeboren keer- en slikproces. Slechts een daarvan wil ik nog vermelden, namelijk het opmerkelijke "golven" van het snoekenlichaam, geruime tijd nadat de prooi naar binnen is gewerkt. Het hele snoekelichaam golft kennelijk in zijwaarste richting om het visje beter naar de maag te laten doorschuiven.

 

Laatste wijziging 13 May 2008  |  © Jo Hilgers Naar bovenzijde blz