Datum:24-01-2010

Aaisykje, van doemscenario naar doen-scenario

Nieuws PAN

Nieuws Alg.

Nieuwsarchief

Startpagina

 

Een oud Chinees spreekwoord zegt: een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit. Dat geldt in buitengewoon hoge mate voor de Friese weidevogelbescherming in relatie tot het  kievitseierenzoeken.

Het is heel goed dat Lutz Jacobi en Joop Atsma als twee van de Friese volksvertegenwoordigers in Den Haag minister Verburg hebben uitgenodigd voor een gesprek over het onbegrijpelijke besluit dat bestuur en directie van de vereniging It Fryske Gea, vooruitlopend op de jaarvergadering in mei en in strijd met de informatie op de eigen website, namen op de valreep van het oude jaar. Dat besluit is de zoveelste verslechtering in deze provincie van de situatie rond het eierzoeken vanaf het jaar 2000. Een dieptepunt.

 

Hoogtepunt voor de eierzoeker was het jaar 1993. Toen omarmde de Tweede Kamer vrijwel Kamerbreed de werkwijze van de BFVW. Het BFVW-harmoniemodel van beperkt oogsten en breed beschermen –een uitermate duurzaam model- werd zelfs als voorbeeld voor het hele land gesteld. Terecht, want in onze provincie is de inzet van de vrijwilligheid een factor tien hoger dan in enig andere provincie. De CDA-woordvoerder Berry Esselink zei in dit verband: “Soms is een omweg blijkbaar zelfs beter dan de directe weg naar het doel”.

In 2003 sprak de Europese Commissie haar waardering en goedkeuring uit over de Friese werkwijze. Iemand die dit model aanvalt zou zich voor Brussel moeten verantwoorden, was het commentaar van een Nederlands lid van het Europese parlement.

 

Alles wat daarna kwam betekende voornamelijk afbraak. Vanaf voorjaar 2004 begon buiten de provincie Fryslân de pas geïntroduceerde Flora- en Faunawet (april 2002) haar heilloze, mensonvriendelijke werk te doen. Binnen twee jaar was het daar bij gebrek aan voldoende tegengas gebeurd met het eierzoeken. De wet maakte wel dat de Friese Gedeputeerde Staten nu de formele zeggenschap kregen over het ljipaaisykjen maar de decentralisatie ging niet zover dat ‘Hollandse’ tegenstanders die hier de boel kwamen verstieren bij Warns geweerd mochten worden.

Voor de BFVW was dat jaar 2004 nog het absolute topjaar. Toen deden 6445 vrijwilligers -vrijwel allemaal ook ljipaaisiker- mee in de neisoarch. En voor het eerst was er sprake van provinciedekkende werkzaamheid. De vrijwilligers binnen dit enorme –landelijk volstrekt unieke- BFVW-weidevogelmeetnet telden en beschermden dertigduizend kievitsnesten. Vanaf dat jaar ging het bergafwaarts. Minder weidevogels, minder ruimte voor de eierzoeker/nazorger, (veel) hogere verplichtingen voor die vrijwilliger en introductie van een onnozel zoek-quotum. De enorme uitbreiding van ganzengedooggebied maakte rond de helft van het Friese weidevogelgebied voor de eierzoeker slechts toegankelijk vanaf half vijf ’s middags. En daar bovenop werd de sluitingsdatum vervroegd. Schijnbaar winst voor de weidevogels, maar de praktijk wijst anders uit. De natuur werkt niet volgens menselijke gedachten van één en één is twee..

Eén en ander betekende een zo hevige ‘verdichting’ van het zoeken dat een Friese jongfeint of jongfaam die ook graag eens een eitje wil vinden, geen schijn van kans heeft. Afnemende aantrekkelijkheid voor het huidige bestand aan vrijwilligers, geen enkele wervingskracht naar de jeugd, naar de toekomst. Een doemscenario. Dat komt net goed. Voorjaar 2008 waren er nog 5892 nazorgers. In het hilarische SMS-voorjaar van 2009 waren er nog maar 5014 deelnemers aan het ljipaaisykjen over; dat belooft weinig goeds voor het aantal nazorgers.

En nu dan dit besluit van It Gea. Een historisch moment van het doorsnijden van alle banden van It Gea met de eigen oude roots. De ideologische veren zijn net voor 2010 afgeschud.

 

De eenduidige missie van de BFVW is tweeërlei: er is uitstekend natuurbescherming te organiseren op de basis van beperkt natuurgebruik én de natuurbescherming is op dit moment weliswaar overheidstaak maar moet ook zo veel mogelijk volkszaak blijven.

Wat moet er gebeuren als ons land de eierzoeker succesvol wil blijven behouden als de spreekwoordelijke ‘vogel’ in de natuurbescherming?

 

  1. het fundament van het gebouw van de BFVW-weidevogelbescherming moet worden hersteld. Daarmee bedoel ik dat op zoveel mogelijk plekken in Fryslân door zoveel mogelijk mensen –onder normale, controleerbare voorwaarden-  kievitseieren gezocht mogen worden. Dat houdt m.i. vanzelfsprekend ook in dat in graslandgebieden van de  terreinbeherende natuurorganisaties ook gezocht en geraapt mag worden. Daarbij denk ik aan Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en It Fryske Gea. Deze vorm van nabuurschap moet in ere worden hersteld. Deze organisaties hebben binnen én buiten de hekken van hun terreinen een taak. Het is naar mijn opvatting hun license to be. (Het Columbus-project van de BFVW schetst een betaling voor deze ‘groene dienst’.)

  2. iedereeen mag eierzoeken als hij het noodzakelijke papiertje bezit. Ljipaaisiker moet weer een geuzennaam woren! Mijns inziens moeten we terug naar de situatie dat het eierzoeken niet een privilige is van degene die nazorg doet. Die verplichte binding stamt uit 2001. Erg jong nog maar en –wat erger is- in strijd met de BFVW-uitgangspunten, ongefundeerd en onwerkzaam. Een vreemd element in een sfeer van vrijwilligheid. Het sluit mensen (jeugd!) uit inplaats van ze te mobiliseren. In de relatieve vrijheid van vóór die verplichting ontstond verreweg de hoogste beschermingsinzet. Vrijheid bleek  hier gelukkig geen vrijblijvendheid maar stimulans.

  3. de sluitingsdatum moet naar achteren verschoven worden. Eén april is te vroeg, 22 maart is waanzin. En in een zeer vroeg voorjaar gebruiken we wel de bestaande  flexibiliseringsregeling die de algemene ledenvergadering van de BFVW in maart 1993 aanvaardde. 

 

Ik ben van mening dat er snel een ministerieel besluit moet komen dat de werking van de Flora- en faunawet m.b.t. het eierzoeken opheft. We hebben dit zo natuurlijk met elkaar niet gewild. En kennelijk duurt in Den Haag de herziening waarin één en ander hersteld zou kunnen worden domweg te lang. “Wa’t aaien hat kin doppen meitsje, wa’t doppen hat gjin aaien”, zei Henk Kroes als Fryske Gea-directeur in 1975 toen de eierzoekkwestie met staatssecretaris Wim Meijer aan de orde was. Meijer erkende later zich vergist te hebben. Meijer is ervaringsdeskundige. Kan hij zijn fout van toen niet goedmaken met wat netwerken van vandaag? Om te beginnen met minister Gerda Verburg?

 

Sake P. Roodbergen

5 januari 2010.