Advies Taskforce Verdroging
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
ons kenmerk : DN. 2006/3882
datum : 12-01-2007
onderwerp : Advies Taskforce Verdroging (TRC 2006/6479)
bijlagen : 1
Geachte Voorzitter,
Op verzoek van de staatssecretarissen van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en mijzelf is in 2005 een Taskforce Verdroging ingesteld. De Taskforce had als opdracht om de bestrijding van de verdroging van natuurgebieden in Nederland een nieuwe impuls te geven.
In augustus jl. heeft de Taskforce zijn eindadvies uitgebracht. Het advies kon zo worden benut bij het maken van afspraken in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en bij de voortgaande implementatie van de Kaderrichtlijn Water.In overeenstemming met mijn toezegging in de kabinetsreactie op de Natuurbalans 2006 stuur ik u hierbij, mede namens de staatssecretarissen van VROM en V&W, het advies van de Taskforce Verdroging en informeer ik u over de wijze waarop wij met het advies omgaan.
Achtergrond van het advies
In veel natuurgebieden in Nederland wordt de natuur negatief beïnvloed door een structureel tekort aan (grond)water van goede kwaliteit. Dit tekort is ontstaan door ingrepen in de waterhuishouding ten behoeve van andere functies, zoals landbouw, bewoning, bedrijvigheid en (grond)waterwinning. Het terugdringen van de verdroging is essentieel voor het behoud van de biodiversiteit en voor het bereiken van een goede kwaliteit van natuurgebieden en daarmee voor het succes van de EHS1. Ook wordt zo de natuurlijke veerkracht tegen nadelige externe invloeden en de effecten van klimaatverandering vergroot.Dit doel vraagt om een daadkrachtige aanpak, juist ook met het oog op implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijnen en de Kaderrichtlijn Water en op het tijdig op orde brengen van het watersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water).
Gebleken is dat de verdrogingsbestrijding in de afgelopen jaren weinig vooruitgang heeft geboekt2. Uit enkele studies naar de mogelijkheden voor verbetering van de verdrogingsbestrijding3 komt een beeld naar voren van een zeer complexe opgave van lange adem.
Het raakt veel belangen en vergt nauwe afstemming van beleid, procedures en middelen van veel partijen (Rijk, provincies, waterschappen, gemeenten en terreinbeheerders).Om de verdrogingsbestrijding te laten slagen zijn bestuurlijk commitment, duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden, heldere en concrete doelen en continuïteit in instrumentarium en financiering van groot belang. De beleidsontwikkelingen op het terrein van water, natuur en het landelijk gebied4 bieden echter kansen om de verdrogingsbestrijding uit het slop te halen.
Om de verdrogingsbestrijding een nieuwe impuls te geven, is besloten tot het instellen van de Taskforce Verdroging. Deze Taskforce is begin 2005 gestart met vertegenwoordigers van overheden (provincies, Rijk en waterschappen) en betrokken belangen (natuurbeheer, landbouw, waterwinning). In de periode van ruim één jaar heeft de Taskforce op basis van veldbezoeken en van dialogen in alle provincies en na verder onderzoek voorstellen ontwikkeld voor verbetering van de verdrogingsbestrijding. Deze voorstellen sluiten nauw aan bij de praktijk. De kern van het advies is goed onthaald op een Landelijke Verdrogingsdag op 31 mei jl. Het definitieve advies is eind augustus uitgebracht.
Hoofdlijnen van het advies
De Taskforce constateert dat de verdrogingsbestrijding is verankerd in beleid op diverse terreinen en daardoor niet vrijblijvend kan zijn. Door recente ontwikkelingen in het waterbeleid en de inrichting van het landelijk gebied is een helder beeld ontstaan van de rollen en taken van met name provincies en waterschappen inzake regie en uitvoering. Het is nu vooral een bestuurlijke uitdaging om dit om te zetten in daadwerkelijke uitvoering. Dit vraagt een actieve en effectieve aanpak, waarbij provincies als eerste aan zet zijn.
Hoofdlijnen in het advies van de Taskforce zijn: een sterkere aansturing en regie, een meer realistische en concrete doelformulering en een doelgerichte en geconcentreerde inzet van mensen, middelen en instrumenten. De Taskforce ziet goede mogelijkheden om de verdrogingsbestrijding te laten slagen als voldaan wordt aan cruciale voorwaarden, zoals:
Realistische, concrete en afrekenbare doelen of prestaties
Provincies stellen een lijst op van prioritaire verdroogde gebieden ('TOP-gebieden'), die de komende jaren worden aangepakt en waarop de inzet wordt geconcentreerd.
Deze TOP-gebieden vormen met elkaar de landelijke doelstelling voor de periode tot 2015; deze vervangt de huidige globale doelstelling van 40% herstel in 2010. De haalbaarheid van de doelen wordt bepaald door de mogelijkheden van het watersysteem. Voor elk TOP-gebied wordt een integraal waterplan-proces doorlopen om het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem vast te stellen (GGOR).
Organisatie van de uitvoering
Provincies organiseren de uitvoering per TOP-gebied, door het aanwijzen van verantwoordelijke bestuurders en projectleiders, het maken van afspraken met regionale partijen en de ontwikkeling en inzet van benodigde competenties. Daarbij dient de samenwerking tussen betrokken partijen te worden versterkt, in het bijzonder ook tussen provincies en waterschappen. De tussen provincies en waterschappen in 2005 afgesproken taakverdeling in het waterbeheer vormt daarvoor een goed kader.
Om door alle betrokken partijen gedragen oplossingen te vinden, is voor veel gebieden een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig, waarbij meerwaarde voor meerdere functies en belangen wordt gezocht.
Een actieve en programmatische aanpak en doelgerichte inzet van instrumenten
Maatwerk is noodzakelijk, gericht op de in de TOP-gebieden spelende belangen en mogelijkheden. In het bijzonder is een actieve aanpak van belang bij de aankoop van percelen, waarvan verwerving essentieel is voor de benodigde maatregelen, en voor het maken van afspraken over compensatie van eventueel optredende schade.
Ook moeten beperkingen, voortvloeiend uit de vigerende financieringsregelingen of de voorwaarden bij afgesloten beheerspakketten worden overwonnen.
De Taskforce stelt voor om deze aanpak van de provincies de komende jaren via een samenwerkingsverband te ondersteunen.
Niet alleen vrijwillig
Het nemen van de benodigde maatregelen kan niet langer afhankelijk worden gesteld van alleen vrijwillige medewerking. Als bij de maatregelen (bijvoorbeeld vernatting) schade optreedt, moet dit adequaat en billijk worden gecompenseerd. Maar als dit niet vooraf binnen een bepaalde periode minnelijk en privaatrechtelijk kan worden geregeld kan als uiterste middel ook onvrijwillige vernatting worden opgelegd, met vergoeding via een schaderegeling. Evenzo zal de verwerving van gronden, die essentieel zijn voor de uitvoering van maatregelen, bij voorkeur minnelijk plaatsvinden, in beperkte mate met een prijstoeslag. Maar in het uiterste geval kan ook onteigening worden toegepast.
Financiering
Tot nu toe bleken de beschikbare financiën niet de beperkende factor. Maar voor de totale aanpak van de TOP-gebieden zullen waarschijnlijk ook de in het ILG toegenomen beschikbare middelen niet toereikend zijn. Volgens de Taskforce mag echter een potentieel gebrek aan geld geen blokkade vormen voor een voortvarende aanpak van de TOP-gebieden. Bij de midterm review (MTR) van het ILG of wellicht eerder kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt.
Reactie op het advies
Het goed leesbare en kernachtige advies biedt aanknopingspunten voor een slagvaardiger aanpak van de verdrogingsbestrijding.
Ik onderschrijf de conclusies en aanbevelingen van de Taskforce over versterking van de aansturing en regie van de uitvoering, en het primaat van de provincies daarbij. De bijbehorende verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen Rijk en provincies heeft al vorm gekregen in de werkwijze bij het ILG. Het is bemoedigend om te zien dat de provincies daadwerkelijk deze rol oppakken. Dit wordt bevestigd in de bestuurlijke afspraken, die ten aanzien van het ILG al gemaakt zijn en verder vorm krijgen in de uitvoeringscontracten. Deze contracten bevatten concrete afspraken over de in te zetten middelen en de te leveren prestaties voor de verdrogingsbestrijding. Het is vervolgens aan provincies om deze afspraken om te zetten in uitvoeringsplannen en resultaten.Het voorstel om de vigerende landelijke doelstelling van 40% herstel in 2010 te concretiseren in en te vervangen door een lijst prioritaire gebieden kan op mijn steun rekenen. Zo'n concrete doelstelling spreekt meer tot de verbeelding en geeft zicht op feitelijke resultaten. Ook biedt de concentratie op een gelimiteerde lijst TOP-gebieden in een bepaalde periode de omgeving de voor verdere ontwikkeling gewenste duidelijkheid. De TOP-gebieden kunnen doorwerken in de uitvoeringsplannen voor het waterbeleid en geven operationele sturing aan de gebiedsprocessen, die nodig zijn voor de uitvoering. Het ontbreken daarvan was een manco in het verleden.
Inmiddels wordt uitvoering gegeven aan dit punt. Provincies hebben op mijn verzoek voor de ILG-afspraken over de financiering van en de daarin opgenomen prestaties voor de verdrogingsbestrijding lijsten met TOP-gebieden opgesteld. Daarbij is door de meeste provincies intensief overleg gevoerd met water- en terreinbeheerders.
Ik vind het belangrijk dat deze lijsten een voldoende maar realistische ambitie bevatten en aansluiten bij de verplichtingen voor Europese richtlijnen. De TOP-lijsten creëren geen nieuwe gebiedscategorie, maar prioriteren de aanpak van EHS-gebieden, waarbij met name de urgente Natura 2000-gebieden vooropstaan.
Het proces van afstemming tussen Rijk en provincies over de TOP-lijsten is inmiddels vergevorderd. Daarbij zijn ook het Milieu- en Natuurplanbureau en terreinbeherende organisaties betrokken. Ik hoop op korte termijn overeenstemming te bereiken.
In het algemeen blijkt dat de arealen verdroogde natuur, die met de TOP-gebieden in de ILG-periode worden aangepakt (samen met de arealen die al eerder zijn hersteld), ongeveer in lijn zijn met de oude doelstelling van 40% voor 2010.
De provincies willen met deze TOP-gebieden voortvarend aan de slag gaan. Daarmee lijkt de verdrogingsbestrijding een flinke impuls te krijgen. De komende jaren moet per gebied worden gevolg hoe ver de verdroging teruggedrongen wordt en in welke mate de hersteldoelen haalbaar blijken te zijn.
Een belangrijk punt in de aanbevelingen van de Taskforce is een integrale en actieve aanpak, met name waar het compensatie van schade en grondverwerving betreft.
Ik juich zo'n actieve en programmatische aanpak toe. Ik acht het daarbij van groot belang dat belanghebbenden in een vroeg stadium bij de planvorming worden betrokken en dat zoveel mogelijk wordt uitgegaan van vrijwillige medewerking. In antwoord op vragen van de Kamer naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de EHS5 heb ik al duidelijk gemaakt dat het algemeen belang kan vergen, dat in het uiterste geval maatregelen ook dwingend worden opgelegd. Daarbij kunnen benodigde gronden worden onteigend, met uiteraard een billijke schadevergoeding. Dit is ook nu bij landinrichting op grond van de Onteigeningswet al mogelijk.
Waar voor de uitvoering van de maatregelen urgentie bestaat acht ik het - juist ook om onteigening te voorkomen - toelaatbaar, dat bij actieve grondverwerving schadecompensatie wordt geboden boven de agrarische marktwaarde. Om prijsopdrijving daarbij te voorkomen, dient dit plaats te vinden op basis van een strategisch aankoopplan, beperkt in omvang en voor specifieke en urgente doelen en locaties.
De kosten hiervan kunnen binnen het totaal van de ILG-afspraken worden gedekt.
Het is binnen het ILG- budget de verantwoordelijkheid van provincies, om op basis van eigen afweging en regionaal maatwerk de optimale mix van instrumenten en maatregelen te bedenken, om het gewenste resultaat te bereiken.
Ik ben met de Taskforce van mening, dat onzekerheid over de mate van financiële dekking van het totale programma geen belemmering mag vormen om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak van de TOP-gebieden. In ILG-verband wordt de rijksbijdrage aan anti-verdrogingsmaatregelen de komende jaren ten opzichte van de voorgaande periode meer dan verdubbeld. Dat vormt op zich een goede stimulans voor uitvoering in lijn met de ambities van de provincies.
De landelijke schattingen en de financiële ramingen van provincies voor de TOP-lijsten wijzen al in de richting, dat met de thans voorziene middelen de ambitie voor de TOP-gebieden - of zelfs alleen al voor de Natura 2000-gebieden - niet volledig kan worden gerealiseerd. In ILG-verband is daarom afgesproken dat bij de uitvoering de vinger aan de pols zal worden gehouden. Als tussentijds blijkt dat de uitvoering daadwerkelijk het gewenste tempo krijgt en er tekorten dreigen te ontstaan, zullen alle partijen zich inzetten om extra middelen te genereren. Beslissingen over toename van de rijksbijdrage zullen door een volgend kabinet genomen moeten worden.
Conclusie
Het werk en het advies van de Taskforce Verdroging heeft er mede toe bijgedragen, dat de verdrogingsbestrijding sterker op de bestuurlijke agenda is gezet. Het advies biedt aanknopingspunten voor een verbeterde en slagvaardiger aanpak. Dit wordt mede bevorderd door en uitgewerkt in de opzet van het ILG en de afspraken, die in dat kader tussen Rijk en provincies worden gemaakt, en door de planvorming voor het waterbeleid. Het komt er nu op aan om de bestuurlijke daadkracht te tonen, om deze aanpak in de praktijk gestalte te geven.
Het is van belang, dat provincies hierbij ook kennis en ervaring met elkaar delen en eventueel optredende belemmeringen snel bespreekbaa r maken en - waar nodig in overleg met het Rijk - oplossen.
Ik ben bereid om capaciteit beschikbaar te stellen, om dit proces te ondersteunen. Via de daarvoor gemaakte afspraken in ILG-verband zal de voortgang van de verdrogingsbestrijding worden gevolgd en geëvalueerd.
De minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,
dr. C.P. Veerman
1 Zie het rapport van de Algemene Rekenkamer over de Ecologische Hoofdstructuur, oktober 2006.
2 Zie onder andere de IPO-rapportages (recent "Verdrogingskaart 2004") en de Natuurbalansen van het MNP.
3 Zoals de evaluatiestudie van het onderzoeksinstituut Alterra ("Blauw voor groen, nog veel te doen", 2002) en het advies van de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) van juli 2003.
4 Zoals bijvoorbeeld weergegeven in de Agenda Vitaal Platteland, de Decembernota KRW/WB21 2005.
5 Brief nr. DN. 2006/3619 van 28 november 2006