Akkoord tussen Rijk en
provincies om de verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid over te dragen van
rijk naar provincies. In dit onderhandelingsakkoord worden afspraken gemaakt
over de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en het Investeringsbudget Landelijk
Gebied (ILG). Afspraken over bevoegdheden worden opgenomen in de Wet inrichting
landelijk gebied en in de Natuurwetgeving.
De belangrijkste taken die
gedecentraliseerd worden zijn;
Bijlage 1: Bevoegdheden
van de provincies na decentralisatie
In aanvulling op de
wettelijke taken die nu al door de provincies worden uitgevoerd, worden de
volgende
taken naar de provincies gedecentraliseerd:
het vaststellen van
beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden die in beheer zijn bij
Staatsbosbeheer, en in het verlengde daarvan het ervoor zorg te dragen dat
instandhoudingmaatregelen worden getroffen, toegangsbeperkingen worden
gesteld en feitelijke preventieve of herstelmaatregelen worden getroffen,
ingeval dat nodig is ter bescherming van die gebieden;
de verplichting om
ervoor zorg te dragen dat voor Natura 2000-gebieden op hun grondgebied de
nodige instandhoudingmaatregelen worden getroffen (art. 4 Vogel richtlijn,
art. 6 lid 1 Habitatrichtlijn);
de beoordeling van de
toelaatbaarheid van activiteiten die schadelijk zijn voor de instandhouding
van dier- of plantensoorten. Hierbij gaat het om de uitvoering van
verschillende regimes: 1) een stelsel van verboden ter bescherming van
vogels (Vogelrichtlijn) en andere dieren en planten (Habitatrichtlijn,
verdragen Bonn en Bern), met de mogelijkheid tot verlening van ontheffing of
vrijstelling, 2) een verbod op het doden van gewervelde dieren, met de
mogelijkheid tot verlening van ontheffing en vrijstelling. Dit in aanvulling
op de huidige provinciale bevoegdheden in het kader van beheer en
schadebestrijding - m.n. ruimtelijke ingrepen. Vooreen aantal gevallen
blijft het Rijk evenwel het bevoegd gezag; het gaat hier om gevallen,
opgenomen in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, en om
activiteiten inzake handel van exemplaren van bedreigde soorten en producten
daarvan);
de volgende onderdelen van het
jachtregime:
sluiting van de
jacht,
het stellen van
regels over samenwerkingsverbanden van jachthouders en
faunabeheerplannen,
het toestaan van
drijfjacht (besluiten, toezicht, bestuurlijke handhaving)
het verlenen van
ontheffing van het verbod op het bijvoederen van edelherten, damherten,
reeën en bejaagbare dieren;
de zorg om de stand van
invasieve exotensoorten, aangewezen door de minister van EL&I, tot nul te
brengen;
het verlenen van
ontheffing van het verbod op het uitzetten van dieren of eieren in de vrije
natuur, met uitzondering van invasieve exoten
het verlenen van
tegemoetkoming in geleden schade, veroorzaakt door beschermde vogels of
andere dieren (Faunafonds);
de behandeling van
meldingen van voorgenomen houtkap, het stellen van regels terzake, het
verbieden van houtkap, het verlenen van ontheffingen van de meldings- en
herbeplantingsplicht (besluiten, toezicht, bestuurlijke handhaving);
de zorg op hun
grondgebied voor de biologische biodiversiteit door het treffen van passende
maatregelen voor het instandhouden van natuurlijke habitats en in het wild
levende flora en fauna, m.n. genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Het rijk blijft
verantwoordelijk voor gebieden waarvoor een specifieke rijksverantwoordelijkheid
geldt, zoals de rijkswateren, ruimte voor de rivieren (NURG) en Maaswerken.
Verantwoordelijkheid voor de laatst genoemde twee onderwerpen betreft de
ontwikkelingsopgave in het kader van waterveiligheid. Provincies zijn bij NURG
en Maaswerken verantwoordelijk voor het beheer. Tevens blijft het rijk
verantwoordelijk voor de instandhouding van de kennisinfrastructuur, waaronder
Wageningen UR. Onderzoek en kennisverspreiding vinden gehoord de provincies
plaats.