Op 18 september 2009 sprak hoogleraar Goffe Jensma van de Rijksuniversiteit in
Groningen een rede uit in Franeker. Dit vond plaats in het kader van het
afscheid van Pieter Breuker als hoogleraar aan de RUG. Naast Jensma leverden ook
Daniël Rewijk, Yme Kuiper en de afscheid nemende Pieter Breuker zelf een
bijdrage aan hetgeen genoemd werd Sporthistorisch Congres. De bijdragen werden
gebundeld en als boek uitgegeven bij de Uitgeverij Bornmeer onder de titel
Friese Sport, tussen traditie en professie.
“Met deze publicatie hopen we het sporthistorisch onderzoek naar ‘typisch
Friese’ sporten te stimuleren en tegelijk een bijdrage te leveren aan het
sporthistorisch onderzoek in het algemeen”, zo luidt de laatste zin van de
Inleiding, die ook geschreven werd door Jensma.
Typisch Fries?
Ik beperk me tot Jensma’s bijdrage over het kievitseierenzoeken die hij noemde:
“Van professie naar traditie; het ‘ljipaaisykjen’ als uitgevonden traditie”.
Jensma is Groninger van geboorte en geen ‘ljipaaisiker’. Daarom valt nog meer
dan in het geval dat hij een Fries zou zijn te waarderen dat hij aandacht
besteedt aan dit fenomeen. En dat hij dat doet als wetenschapper en in een
wetenschappelijk kader, maakt zijn bijdrage alleen nog maar meer waardevol; zo
vaak heeft de wetenschap zich per slot van rekening niet over aspecten van
het zoeken en rapen van kievitseieren uitgesproken.
Jensma beperkt zich in zijn verhaal tot ’de negentiende-eeuwse voorgeschiedenis’
van het kievitseierenzoeken en focust op twee aspecten. Hij stelt de vraag aan
de orde of het kievitseierenzoeken als ‘typisch Fries’ moet worden gezien en
gaat daarnaast in op de economische prikkel. Zonder dat punt verder uit te
werken brengt Jensma ook de rol van de media, in casu de zo belangrijke
Leeuwarder Courant in dit verband even te berde. “De wijze waarop en de mate
waarin bijvoorbeeld over Friese cultuur werd geschreven, bepaalde ook mee het
belang en de inhoud van die cultuur”.
Met vele tot nu toe niet beschreven voorbeelden staaft Jensma zijn stelling dat
het zoeken en rapen van kievitseieren een oeroud verschijnsel is en dat er zelfs
eerder sprake is van een internationaal fenomeen dan dat men het typisch voor de
provincie Fryslân zou kunnen noemen. Ik ben dat met Jensma eens. Men mag
inderdaad aannemen dat overal waar Kieviten broedden de gelegde eieren gedurende
langere of kortere tijd in het voorjaar door mensen –waar ze ook woonden binnen
het verspreidingsgebied van Vanellus vanellus- als een gewild voedsel werden
beschouwd. De eerste extra eiwitten in het vroege voorjaar. De in vele biotopen
redelijk algemene Kievit was samen met de Wilde eend de eerste wilde vogel die
op enige schaal en gedurende een aangenaam lange tijd –van eind maart tot ruwweg
half juni- eieren produceerde. De eieren zullen méér dan welkom zijn geweest. En
door de grote reproductiecapaciteit was er sprake van een vervolglegsel tot wel
viermaal toe. Dat betekende dat één Kievitenpaar in staat was –als het legsel
geraapt werd of anderszins verloren ging én met tussenpozen- tot rond vijftien
eieren te leggen. Het zal ook niet lang geduurd hebben voordat de mens ontdekte
dat de smaak goed was, beter bijvoorbeeld dan de veel later en eveneens massaal
gelegde meeuweneieren, die alleen voor varkens goed genoeg waren. Handel ligt
voor de hand. Met vele nieuw ontdekte voorbeelden illustreert Jensma zijn
stellingen, met dank aan de nieuwe digitale mogelijkheden van onderzoek van
historische bronnen.
Terecht schrijft Jensma dat het zoeken en rapen van de “weidedragonder”-ik was
deze aardige aanduiding nog nooit tegengekomen- een duizenden jaren oude
bezigheid is en in vele landen.
De benaming ‘typisch Fries’ is dus volgens Jensma onjuist. Ik ben dat met hem
eens. Toch zijn er aan het ljipaaisykjen (een werkwoord dat het rapen
impliceert) wel aspecten te onderscheiden, die maakten dat het een geheel in
onze provincie andere maatschappelijke plek kreeg dan buiten de provincie. Het
is dus niet typisch Fries als verschijnsel zélf maar de omgang met het
verschijnsel in het maatschappelijk verkeer is wel typisch Fries. Het is juist
die omgang met het kievitseierenzoeken die de waarde van het verschijnsel in de
huidige tijd bepaalt. Belangrijk scharnierpunt voor dit onderscheid is het jaar
1936 toen een nieuwe Vogelwet werd ingevoerd in ons land. Ik licht deze
bewering later toe.
Na een korte beschrijving van de gang van zaken in de laatste paar jaren geeft
Jensma aan het einde van zijn betoog een persoonlijke mening over de toekomst
van het ljipaaisykjen. Hij schrijft: “Het lijdt geen twijfel dat ook deze
beperkte hoeveelheid (te rapen kievitseieren: 6431, SPR) binnenkort te veel zal
zijn en dat het eierzoeken dan volledig zal worden verboden. Daarmee zal ook een
definitief einde komen aan de hier beschreven traditie. Ze zal opgaan in wat
oorspronkelijk haar natuurlijke vijand was: de natuurbescherming. Laten we
omwille van de kieviet en van de natuurliefhebber hopen dat de man in het veld
zich dan tenslotte van kievitseieren rapen zich tot een echte ljipaaisiker zal
willen omvormen”.
Het verhaal van Jensma is in veel opzichten vernieuwend. Gelet op die kwaliteit
is het erg jammer dat hij zich beperkt tot de ‘negentiende-eeuwse
voorgeschiedenis’.
Zijn verhaal nodigt sterk uit tot het toevoegen van wat opmerkingen. En niemand
zal mij kwalijk nemen dat bij het laatste citaat van Jensma mijn bloed als
hartstochtelijk ljipaaisiker en oud-dagelijks betuurslid van de BFVW op een
aangename wijze begint te brûzen en te sieren.
Wetenschap en BFVW
Omdat logischerwijze voortdurend de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten
(BFVW) wordt genoemd als Friese natuurorganisatie die het zoeken en rapen van
kievitseieren actief verdedigt op basis van natuurbeschermingsoverwegingen, is
het goed om deze vereniging op deze plaats kort te schetsen. Het gaat om een
overkoepelende organisatie van rond 120 plaatselijke vogelwachtverenigingen met
een totaal ledenbestand van rond 26.000 leden. In het topjaar 2004 deden van
deze leden rond 6500 mee in de weidevogelzorg, de nazorg. De BFVW kent ook
andere vogelbeschermende projekten. In totaal doen rond 1000 van de leden aktief
mee in deze werkzaamheden. De filosofie van de BFVW is dat op de basis van
beperkt natuurgebruik (het ljipaaisykjen) heel goed natuurbescherming ‘gebouwd’
kan worden. En daarnaast meent de BFVW dat natuurbescherming weliswaar een
overheidstaak geworden is in de laatste eeuw, maar dat deze bescherming toch
vooral ook volkszaak moet blijven. Zoals ik al even eerder aanuidde is deze
banadefin waarschijnlijk een typische plattelandsbenadering. Daarin spelen
traditionele elementen als saamhorigheid en burenhulp, kortom wat men zelf kan
doen, een grotere rol dan in een stedelijke benadering die meer steunt op
opvattingen van ‘wat een ander moet laten’, steunend op wet- en regegeving.
In de lange historie van het zoeken en rapen van kievitseieren zijn meningen van
wetenschappers niet talrijk. Het is voor het vervolg van mijn verhaal wellicht
goed om nu al een uitzonderlijke brief te citeren van Leidse weidevogelbiologen,
de heren Kruk en Ter Keurs. Deze brief is gedateerd 17 februari 1993, enkele
weken voor de behandeling van het zoeken en rapen van kievitseieren in de Tweede
Kamer op 2 en 9 maart van dat jaar. Noodzakelijk om de Nederlandse Vogelwet aan
te passen aan de Europese Vogelrichtlijn van april 1979. In de (lange) aanloop
naar deze belangrijke gebeurtenis was er sprake van hevige strijd tussen vóór-
en tegenstanders die zich op vrijwel elk denkbaar landelijk toneel afspeelde. De
belangrijkste kemphanen waren de vereniging Bond van Friese
Vogelbeschermingswachten (BFVW) die het eierzoeken wenste te behouden en te
benutten in de weidevogelbescherming aan het ene uiterste van het spectrum, en
aan de andere kant de vijfmaal grotere vereniging Vogelbescherming Nederland en
de veel kleinere maar zeer militante stichting De Faunabescherming die tegen
waren. Het is niet overdreven deze strijd ook te zien als een strijd tussen een
plattelandsbenadering van natuurbescherming en een (rand)stedelijke.
De betrokken staatssecretaris van Natuur, Dzjingish Gabor (CDA) stelde in 1993
voor het eierzoeken alleen nog in Friesland toe te staan en het sterk te
beperken. Het was een moment van buitengewoon groot belang in de historie van de
BFVW. De brief van de beide biologen is de enige bijdrage van de wetenschap in
dit debat. Zij schreven:
“ Excellentie,
130 "Ondergetekenden hebben met belangstelling kennis genomen van hierboven
genoemde Memorie van Antwoord (28 april 1992), in het bijzonder de (impliciete)
opvattingen daarin over de biologische aspecten cq. populatie-effecten van het
Kievitseieren rapen.
Wij menen uit Uw standpunten te mogen opmaken dat U het rapen van Kievitseieren
als een onverantwoorde aangelegenheid voor de Kievitenstand ziet. Deze
stellingname verbaast ons, omdat het door U ingenomen standpunt niet wordt
ondersteund door enig wetenschappelijk onderzoek dat direct of indirect was
gericht op het aantonen van de schadelijkheid van het Kievitseieren rapen. Naar
onze mening is de discussie omtrent het Kievitseieren rapen dan ook niet zozeer
een discussie op wetenschappelijk-biologische gronden, doch op ethische. Ter
toelichting van onze mning verwijzen wij U kortheidshalve naar de hierbij
gevoegde kopieën van onze bijdrage aan de raapdiscussie, verschenen in “Het
Vogeljaar".
Voor wat betreft deze ethische aspecten mogen wij U wellicht nog op het volgende
opmerkzaam maken. Het gaat in de discussie in belangrijke mate ook om de vraag
of het ingrijpen in de natuur voor recreatieve cq plezier-doeleinden überhaupt
te rechtvardigen is of niet. De publieke opinie neigt naar het afkeuren van
dergelijk “onnodig” geacht gebruik van de natuur. Dat houdt evenwel ook een
gevaar in. De natuurbeleving krijgt als gevolg hiervan een steeds meer
“abstract” karakter.
Een niet onbelangrijk aspect is voorts, dat juist door een directe, fysieke
relatie met de natuur ook het draagvlak voor de bescherming daarvan van grote
waarde kan zijn. Het feit, dat juist in Friesland zeer veel nazorgers tevens “aaisiker”
zijn, geeft aan dat deze relatie belangrijke natuurbeschermende waarde kan
hebben en dat deze ook duurzaam kan zijn. Ook voor de weidevogels is dan van
belang dat de nazorg aan het “aaisiken” gekoppeld blijft.
Wij wijzen er met nadruk op dat een draagvlak voor natuurbescherming onder een
zo groot mogelijk deel van de bevolking onontbeerlijk is om gestalte te geven
aan het natuurbeschermingsbeleid.
(was ondertekend door dr. M.Kruk en dr. W.J.Ter Keurs en in afschrift gestuurd
naar de Vaste Commissie Landbouw, het Ministerie van LNV (NBLF en JBZ) en de
BFVW.)
De drie aangeduide elementen, de schier eindeloze discussie over de ecologische
schuldvraag, de waarde van natuurbeleving en de draagvlakvorming voor
natuurbeleid komen later in dit verhaal terug.
De Tweede Kamer sprak op 9 maart 1993 uit dat het kievitseierenzoeken en -rapen
in het hele land diende te blijven bestaan. Er diende wel een koppeling te zijn
met de weidevogelbescherming. Friesland werd ten voorbeeld gesteld waar het ging
om de relatie naar weidevogelbescherming en de praktische invulling. Refererend
aan de BFVW-benadering van de vogelbescherming zei de CDA-woordvoerder Berry
Esselink in de Tweede Kamer het zo: "Een sterk geïndustrialiseerd en
dichtbevolkt land verdringt natuur en dus ook de in het wild levende vogels. Dat
verplicht om al het mogelijke te doen om goede bescherming te bieden waar dat
nodig is. Dat verplicht ook om maatschappelijke adhesie voor natuurbescherming
zo goed mogelijk om te zetten in concrete daden en mensen daar ook de
gelegenheid voor te bieden. Dat kan van de wetgever enige souplesse vragen. De
weg die rechtstreeks naar een doel gaat, is wellicht niet altijd de beste. Soms
is een omweg zelfs wat beter".
Er werd een nieuwe sluitingsdatum vastgesteld: 9 april in het hele land. De
Eerste Kamer zette in oktober de trend van positieve benadering van de Tweede
Kamer voort en maakte van de al in Fryslân gebruikte aaisikerskaart een
nationaal document. Alleen Groen Links was principieel tegen. Bij de behandeling
van de voorstellen in oktober in de Eerste Kamer ging staatssecretaris Gabor
dieper in op de uitleg van koppeling van het eierzoeken aan de bescherming,
omdat er onduidelijkheid was ontstaan over de vorm. Werd hier nu wel of niet een
'verplichte binding' bedoeld? De staatssecretaris zei o.a.: "Je hoeft die nazorg
niet zelf te doen. Je kunt ook anderen in staat stellen om in gezamenlijkheid
die nazorg te doen. Daar maak je dan afspraken over en daartoe lever je een
financiële bijdrage". (-) Je hebt een verplichting om dat tot stand te brengen,
maar dit betekent niet dat je dit in persoon en ter plekke zelf moet gaan doen.
(-) De eierzoekers kunnen er wel aan bijdragen dat dit soort dingen tot stand
komen. Dat is een afgeleide vorm en dat is niet een persoonsgebonden
nazorg. Dat is mijn interpretatie".
De staatssecretaris kiest duidelijk voor een losse binding, volgens het Friese
model op dat moment. Het jaar 1993 was een uitstekend jaar voor de BFVW.
Vanaf het succesjaar 1993 maakte de BFVW een lange periode van constante groei
mee. De werkwijze met de eierzoekkaart werkte stimulerend: het open model was
aantrekkelijk en toch was er een drempel opgeworpen tegen ál te eenvoudige
deelname. Het evenwicht tussen de belangen van boer, weidevogel en eierzoeker
was aardig gevonden. De Friese politiek en provinciale overheid stonden in grote
meerderheid achter de doelstellingen en missie van de BFVW . De
natuurorganisatie It Fryske Gea steunde de BFVW en stelde haar graslandgebieden
gewoon open voor de ljipaaisiker. It Fryske Gea-medewerker Ultsje Hosper –zelf
enthousiast ljipaaisiker- was van 1987 tot zijn directeurschap begon in 1998,
hoofdbestuurslid van de BFVW. De BFVW deed zelfs een poging om ook
Staatsbosbeheer als niet-Friese organisatie met graslanden in deze provincie
over te halen net als It Fryske Gea haar gebieden open te stellen voor de
eierzoeker onder de gebruikelijke voorwaarden. De provincie had grote
belangstelling voor deze discussie. Maar het overleg mislukte; SBB bracht
alleen maar negatieve benadering in stelling en weigerde een echte afweging van
lusten en lasten.
Tien jaar later, in oktober 2003 sprak een andere belangrijke partij zich na
uitvoerig onderzoek eveneens uit over het eierzoeken. Antwoordende op een klacht
van 1999 van de stichting De Faunabescherming schreef Europees
Milieucommissaris Margot Wallström:
“Mijn diensten zijn van mening, dat er voor het rapen van de eerste
kievitseieren geen andere bevredigende oplossing bestaat, aangezien het gaat om
een oude volkstraditie die niet vervangen kan worden door een andere activiteit
met eenzelfde sociaal-culturele waarde. Het rapen van kievitseieren maakt
bovendien deel uit van een reëel programma voor de bescherming van weidevogels.
Het rapen is verder slechts gedurende een zeer korte tijd toegestaan in beperkte
hoeveelheden en door een strikt gecontroleerd aantal personen. De handel in
eieren is niet toegestaan. Gezien het feit dat er in het geval van geraapte
eieren bovendien vrijwel steeds sprake zal zijn van vervolglegsels met een
uitkomstresutaat en overlevingskans die hoger zijn dan geldt voor de eieren
gelegd in de periode van waarin het rapen is toegestaan, kan geconcludeerd
worden, dat het wat de mortaliteit betreft slechts om kleine of zelfs
verwaarloosbare hoeveelheid gaat”.
Het is zonneklaar dat de beide weidevogelbiologen van de Leidse Universiteit, de
beide Kamers der Staten-Generaal én de Europese Commissie overtuigd waren van de
waarde van de eierzoeker als natuurbeschermer.
Het absolute topjaar van de BFVW waar het ging om deze vorm van
weidevogelbescherming was het daaropvolgende jaar 2004 toen 6445 nazorgers bij
de BFVW geregistreerd stonden. Rond één van elke honderd Friezen deed mee, en
deze deelname was een factor tien hoger dan in enig andere provincie. Deze
vrijwilligers waren vrijwel allen kievitseierenzoekers. In dat jaar was er in
onze provincie voor het eerst sprake van vrijwel provinciedekkende nazorg. Uit
cijfers van het CBS en jaarverslagen van de landelijke stichting
Landschapsbeheer Nederland in Utrecht blijkt dat de deelname in Fryslân aan de
vrijwillige weidevogelbescherming een factor tien hoger is dan in enig andere
provincie (zie: Beter één vogel in de hand, KNNV Uitgeverij, Utrecht 2008,
p. 48 – 56). De opvallende Friese bijdrage in de weidevogelbescherming geeft aan
dat een zorgvuldig geconserveerde cultuur van kievitseierenzoeken en-rapen ook
in de hudige tijd nog steeds als emotionele motor voor bescherming kan fungeren.
De tegenstelling die Jensma in zijn verhaal aanbrengt tussen ‘natuurbeschermers’
en ‘de ljipaaisiker’ en het model dat dit moet verduidelijken (op blz. 44) staat
met deze vaststelling wel wat op drijfzand.
Flora- en Faunawet
De in april 2002 ingevoerde Flora- en Faunawet strooide echter in ernstige mate
roet in het eten. De nieuwe wet bood geen enkele ruimte voor een alternatieve
benadering van het fenomeen natuurbescherming als de in Holland gangbare. De
zichtbaar succesvolle en zo breed en luid geprezen ‘omweg’ die de BFVW had
gekozen en ontwikkeld kwam onder hevig vuur te liggen. De politiek bleek niet
consistent. De sterk benadrukte generieke benadering van 1993 -tegen de wens van
de staatssecretaris in- werd in de nieuwe natuurwet geheel verlaten: elke
provincie moest zelf maar beslissen over het lot van de eierzoeker! De negatieve
benadering die nog steeds –ondanks hevige pogingen van de BFVW om VBN te
overtuigen van het tegendeel- door Vogelbescherming Nederland centraal
volgehouden werd en op de provinciehuizen actief uitgedragen door haar
regioconsulenten maakte dat binnen twee jaren het eierzoeken tot Fryslân was
beperkt. De introductie van de verplichtstelling om ontheffing aan te vragen-
een nieuwe en volstrekt overbodige bureaucratische exercitie- had echter ook
binnen Fryslân een vernietigend effect. Elke persoon en instelling, ook van
buiten de betreffende provincie, kan tegen de ontheffingverlening vrijwel
eindeloos in beroep gaan. Van die juridische kans maakt De Faunabescherming
vanzelfsprekend gretig gebruik. “En de indiener van de ontheffingsaanvraag moet
bewijzen dat zijn actie geen kwaad kan”. Hoe zou de BFVW dat kunnen waar
vijftigjarig onderzoek door biologen nauwelijks een eenduidig antwoord op die
vraag had kunnen produceren!? Ook de opponent kan zijn punt niet bewijzen maar
die hoeft dat volgens de wet ook niet..
De nieuwe regels maakten het tegenstanders gemakkelijk ontwrichtende procedures
te starten. De BFVW had de gang van zaken voorspeld. Fryslân verzette zich
hevig. Aan alle provinciehuizen werd informatie gestuurd, soms werd telefonisch
contact gezocht met een gedeputeerde en het provinciehuis in Groningen werd
persoonlijk bezocht. De gedeputeerde Anita Andriesen spande zich bijzonder in
voor de zaak van de BFVW. Maar de erosie zette vanaf dat topjaar onontkoombaar
in. Beperking stapelde zich op beperking, resulterend in een voortdurende daling
naar 5892 vrijwilligers in het jaar 2008. En in het voorjaar van 2009 toen elk
gevonden kievitsei voor het eerst per sms gemeld diende te worden alvorens te
worden geraapt, deden nog maar net 5011 Friese ljipaaisikers mee.. De
ontmoediging is duidelijk.
De kerstboodschap van It Fryske Gea van 2009 van een totaalverbod voor het
eierzoeken in haar graslanden lijkt in dat proces weer een stapje verder naar
een definitief einde.
De frustratie van de goedlopende praktijk door de komst van de onverstandige
Flora- en Faunawet betekent dat de geciteerde voorspelling van Jensma redelijke
kans heeft werkelijkheid te worden. Een totaalverbod op het eierzoeken betekent
dat de eierzoeker zich uit de bescherming terugtrekt en dat de bescherming ook
in Fryslân belandt op het doorsnee-Nederlandse, lage niveau. Als de aaisiker
niet meer als natuurbeschermer wordt erkend dan zal de meerwaarde voor Fryslân
waar het gaat om de bescherming verloren gaan.
Verschillende ontwikkeling door Vogelwet 1936
Zoals hiervoor toegezegd kom ik nog even terug op hetgeen ik eerder zei over de
verschillende karakters van het eierzoeken in Fryslân en daarbuiten. Jensma
schrijft: “Friezen maakten van het eierenrapen een traditie die ze als een soort
van nationale buitensport beleefden”.
Ik denk dat een duidelijke oorzaak aan te duiden is waardoor het eierzoeken in
Fryslân in een grotere mate werd beoefend en daardoor buitengewone kansen bood,
dan in de andere provncies. Dat heeft te maken met de reactie op de Vogelwet van
1936. Het opkomende natuurbeschermingsbesef in de periode van de overgang van de
negentiende naar de twintigste eeuw had wetgeving tot resultaat. In 1936 kwam de
eerste Vogelwet tot stand. Die markeert een punt in de historie waarop de wegen
van Fryslân en de andere provincies zich scheidden met betrekking tot de
ontwikkeling van het kievitseierenzoeken. Deze nieuwe wet bepaalde in artikel
19, lid drie c, dat een eierzoeker de schriftelijke toestemming van de
grondgebruiker nodig had. Dat was een nieuwe bepaling. De praktijk was dat een
grondgebruiker die geen eierzoekers wenste dat aangaf met een bord of anderszins
–soms ook middels een advertentie in lokale bladen. Dat waren in Fryslân
uitzonderingen. De gastvrijheid was vrij algemeen heel groot. Misschien heeft
dat ook te maken met het gegeven dat ook heel veel boeren, maar vooral ook
boerenzoons en boerefeinten deelnemers waren in de sport. Wellicht had het ook
te maken met de algemene geest van coöperatie en ‘nabuurschap’ in dit gewest.
Misschien zou je deze inbedding wel het predikaat ‘typisch Fries’ kunnen noemen.
Vrij toegankelijk
In mijn jonge jaren –ik ben geboren in 1945 in Grou dat toen nog Grouw heette-
waren de weide- en hooilanden van de Hospers, de Kaastra’s, de Miedema’s en Van
der Iesten en verder alle weilanden richting Sneek, Aldeboarn en Wergea, en ‘oer
it wetter’ richting Earnewâld allemaal vrij toegankelijk. Zij waren een
onovertroffen en zich geleidelijk steeds verder uitdijend speelterrein waar ik
vele ego-bepalende ‘magic moments’ heb opgedaan waar het gaat om natuurbeleving.
Is het een wonder dat ik biologie-leraar werd en dat ik later hoofdbestuurslid
van de BFVW zou zijn?
Buiten Fryslân ontwikkelde zich de praktijk dat één of enkele eierzoekers zich
verstonden met de grondgebruiker en privileges verwierven om daar de eieren te
rapen. Dát is inderdaad rapen! In latere literatuur noemden wij als
BFVW-bestuurders dit het zg. jachtmodel, terwijl wij de opener, vrijere Friese
situatie aandduidden met het sportvissersmodel.
Het spreekt vanzelf dat de Friese praktijk grotere aantallen mensen opleverden
die
‘meededen’. Zij vormden het menselijke fundament onder een brede beweging van
BFVW-nazorgers zoals die zich vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw
parallel aan de veranderende agrarische bedrijfsvoering ontwikkelde. Deze
nazorgers waren voor 90% ook kievitseierenzoekers.
Het is de vraag of de woordkeuze van Jensma: het gaat bij het ljipaaisykjen om
een
“uitgevonden traditie” wel zo adequaat de ontwikkeling samenvat.
Beleidsfouten?
Achteraf kan men vaststellen dat het beleid van het hoofdbestuur van de BFVW om
het evenwicht te zoeken tussen benutting van de natuur én de bescherming van de
weidevogels wel eens faalde. Het is waarschijnlijk zo dat het verzet tegen een
inkorting van het kievitseierenzoeken van 19 april naar 12 april beter enkele
jaren eerder tot stand had moeten komen. Nu vond die noodzakelijk aanpassing
plaats als eindresultaat van een ernstige aanvaring tussen het ministeire (van
Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk enerzijds en de BFVW anderzijds. In
het vroege voorjaar van 1975 werd de sluitingsdatum door CRM eenzijdig
vastgesteld op 6 april, een beperking met twee weken. Verzet en een heleboel
overleg zorgde ervoor dat het in 1976 weer met een week werd verlengd, een
betere datum. Maar alleen in Fryslân. Buiten deze provincie bleef 6 april de
laatste zoekdag. Het leidt geen twijfel dat het verzet tegen de aanpassing van
19 april naar een eerdere sluitingsdatum de BFVW in de mid-zeventiger jaren
imagoschade heeft opgeleverd.
Jensma stelt: “Het rapen van kievietseieren is een intrigerend postmodern
ritueel geworden”. Het is mij niet helemaal duidelijk wat Jensma precies bedoelt
met deze aanduiding. Duidelijk is dat de waarde van het kievitseierenzoeken in
het huidige economische verkeer vrijwel nihil is. Van een heel andere orde en
van veel groter gewicht zou –bij juist beleid- de betekenis voor de
natuurbescherming, en in engere zin de weidevogelbescherming kunnen zijn. Er
zijn berekeningen gemaakt van de waarde van de door vrijwilligers uitgevoerde
weidevogelbescherming. In deze vorm van vogelbescherming gaan tegenwoordig
miljoenen euro’s om.
En een functie van geheel andere orde is die van het verschaffen van de nodige
natuur-contact o natuurbeleving, met name ook voor de jeugd. Die belevingswaarde
is heel groot. Insiders in beide takken van sport vergelijken de Alvestêdetocht
met de ‘tritichtûsentrêdetocht (dertigduizend stappentocht; de vondst is van de
Akkrumer dorpsdichter Willen Johannes Koopmans). In dit verband heb ik wel eens
gesproken van het ljipaaisykjen als gratis en grootschalige vorm van
zelfopleiding van de jeugd tot natuurliefhebber en natuurbeschermer. Men is
bijna geneigd te zeggen: als het kievitseierenzoeken er niet was dan zou het
alleen al vanwege deze functies uitgevonden moeten worden.
Leeuwarder Courant
Een laatste aspect is de invloed van het belangrijkste geschreven medium in
Fryslân, de Leeuwarder Courant, op de meningsvorming van de aanvaardbaarheid en
de vormgeving van het eierzoeken. Jensma schrijft: “De wijze waarop en de mate
waarin bijvoorbeeld over Friese cultuur werd geschreven, bepaalde mee het belang
en de inhoud van die cultuur”. (-) “De Leeuwarder Courant bijvoorbeeld noteerde
niet alleen wat er in de Friese samenleving gebeurde, maar was ook bepalend voor
de vormgeving ervan”. Zeker, Jensma raakt daar een bijzonder punt. Met name in
de periode vanaf ruwweg 1970 toen vormen van natuurgebruik steeds vaker ethische
afkeuring ontmoetten was de opstelling van de krant van groot gewicht. De vraag
is natuurlijk waar deze grootste Friese krant stond toen de BFVW in een verwoed
gevecht gewikkeld raakte met haar grototste landelijke tegenstander, de ‘brother
in arms’ Vogelbescherming Nederland? Was er überhaupt sprake van een bepaald
standpunt of bleef de berichtgeving beperkt tot feitelijkheden? Ik meen te mogen
stellen dat er wel degelijk sprake was van stellingname. De historie van de
laatste ruwweg vijftig jaar van de Leeuwarder Courant voor het zoeken en rapen
van kievitseieren is een opmerkelijke. Zonder meer een wetenschappelijke studie
waard.
Men kan vaststellen dat er vanaf het oprichtingsjaar van de BFVW in 1947 tot het
jaar 1968 sprake was van oprechte en soms zelfs hartelijke steun van de
LC-hoofdredactie voor de missie en werkwijze van de BFVW. In 1968 werd zelfs
door de hoofdredactie van deze krant een provinciale trofee ingesteld voor de
vinder van het eerste kievitsei.
Het is aardig dat de eerste twee jaren voor zijn afscheid in het jaar 2009 in
het boek Mijn Fryslân dat als zijn testament als journalist mag worden
beschouwd, hoofdredacteur Rimmer Mulder ook een hoofdstukje wijdt aan de BFVW en
het kievitseierenzoeken onder de kop: Vogelvrienden en eierrapers. Alleen al
deze kop, die een tegenstelling suggereert, is veelzeggend voor de opstelling
van Rimmer Mulder tegenover de (Friese) eierzoeker. Hij had niets met hun
actviteiten! En ook al verwijst hij in dit hoofdstukje van 8 bladzijden naar de
BFVW als “zonder twijfel een van de succesrijkste actiegroepen van Nederland”,
hij gunt deze vereniging haar succes niet! Sterker, hij beschrijft dat succes
zelfs niet.
De meer dan twintigjarige periode van Mulder’s hoofdredacteurschap –van 1988 tot
2009- viel toevalligerwijze samen met een uiterst belangrijke en zeker de meest
turbulente periode in de geschiedenis van de BFVW. In december 1987 ontving de
BFVW als één van zestig natuurorganisaties het allereerste concept van de Flora-
en faunawet, die uiteindelijk na vijftien jaar, op 1 april 2002, wet zou worden.
In deze periode vonden tal van gebeurtenissen plaats in de samenleving en in de
wetgeving, die grote invloed hadden op het bestaan van het eierzoeken. Mulder
beschrijft in zijn boek enkele markante voorvallen die met het eierzoeken te
maken hebben, d.w.z. hij poetst enkele kralen op van een ketting, zonder die
ketting in zijn geheel te laten zien. Die kralen waren gelegenheden waarbij hij
zelf als hoofdredacteur direct betrokken was, bij voorkeur de hoofdrol speelde.
De nieuwe hoofdredacteur zette voor het eerst in het voorjaar van 1992 de toon.
In een hoofdredactioneel op 29 februari, schrikkeldag 1992, stak hij openlijk de
draak met tradities rond het eierzoeken, de burgemneester incluis: "Van alle
kwesties die dit gewest verdeeld houden, is het kievitseierzoeken de grootste
aanslag op het gezond verstand. (-) De burgervaders lijden onder afbrokkeling
van gezag. Van de bevolking krijgen ze meer kritiek dan dank. (-) Het is daarom
begrijpelijk dat burgemeesters van harte meewerken als één van de onderdanen
zich nu eens niet met een bezwaarschrift naar het gemeentehuis spoedt, maar met
een ei. Voor de burgemeester! Dat geeft je tenminste nog eenmaal per jaar het
gevoel een bijzonder ambt te bekleden".
Op 2 maart 1993 werd zoals aangeduid in de Tweede Kamer de werkwijze van de BFVW
veel lof toegezwaaid. Het BFVW-harmoniemodel werd zelfs ten voorbeeld gesteld
voor het hele land. De Tweede Kamer sprak vrijwel Kamerbereed uit -alleen Groen
Links was tegen- dat van de invoering van de Friese model ook buiten de
provincie daadwerkelijk werk gemaakt diende te worden. Hoe bracht de Leeuwarder
Courant dit nieuws van het succes van één van de eigen Friese organisaties? Op
de voorpagina –het traditionele domein van de hoofdredacteur- verscheen
vierkoloms breed (van de zeven) een grote foto van de protestdemonstratie tegen
het kievitseierenzoeken de dag tevoren op het Binnenhof door de Tegenstanders,
de stichting De Faunabescherming was georganiseerd. Uit een groot nagemaakt
kievitsei kruipt een kind, verkleed als kievitkuikentje. Links van het ei staat
mevrouw Ria Beckers-de Bruin, op dat moment fractievoorzitter van Groen Links,
rechts staat mevrouw Rita Stockman, voorzitter van stichting De
Faunabescherming. Boven de foto staat met grote kapitelen: ‘Actie Faunabeheer
tegen rapen van kievitseieren’. Het onderschrift luidt: “De Vogelbescherming in
Zeist stapt naar het Europese Hof als staatssceretaris Dzsingisz Gabor van
natuurbeheer blijft toestaan dat er in heel Nederland kievitseieren worden
geraapt. Gabor zelf wil het rapen van kievitseieren alleen in Friesland gedogen,
maar de Tweede Kamer vindt dat omwille van de rechtsgelijkheid niet gewenst en
pleit in meerderheid voor 9 april als sluitingsdatum voor het hele land. De
Vogelbescherming heeft grote twijfels over de aanpassing van de Vogelwet.
Volgens woordvoerder E.Wanders is er geen sprake meer van kleinschaligheid als
straks in alle provincies naar kievitseieren mag worden gezocht.
Vertegenwoordigers van Kritisch Faunabeheer protesteerden gisteren bij het
gebouw van de Tweede Kamer tegen het gedogen van het rapen van kievitseieren.
Kamerlid Ria Beckers van Groen Linjks voelt de net uit het ei gekropen vogel aan
de snavel. Meer hierover op pagina 17”.
Geen woord op de voorpagina over het enorme succes van de BFVW-lobby. Slechts
woorden en de daden van De ‘Hollandse’ Tegenpartij worden verwoord. Pas in de op
één na laatste alinea van een tweede bijdrage, weggestopt op bladzijde 17 wordt
nog vermeld: “Vooral het ‘model-Friesland’ (verplichte aaisikerskaart, strenge
controle) oogstte veel lof in het parlement. De meeste woordvoerders voegden
daaraan toe dat eierzoeken een stimulans is voor grotere betrokkenheid bij de
natuur, en daardoor uiteindelijk meer winst voor de natuur oplevert dan verlies.
SGP’er Bas van der Vlies sprak van ‘folkore, die een zelfstandige waarde
heeft’”.
De naam van de BFVW, als de organisatie die verantwoordelijk was voor de stevige
lobby, wordt niet eenmaal genoemd. Er wordt ook geen commentaar van een
BFVW-bestuurslid gevraagd en opgenomen. Op 6 maart wordt het nieuws gebracht dat
het hoofdbestuur van de BFVW verdeeld zou zijn over de sluitingsdatum van het
kievitseierenzoeken.
De wijze waarop hier met positief nieuws voor de BFVW is omgegaan is typerend
voor de LC in de tijd van Mulder. Het is duidelijk dat de BFVW zijn
onloochenbare successen boekte ondanks de Leeuwarder Courant en zeker niet
dankzij de LC!
Enkele dagen later haalde de LC-hoofdredactie een tweede ‘frjemde streek’ uit.
Twee Koudumers, vrijwilligers op pad voor Staatsbosbeheer, vinden op 15 maart
een twake kievitseieren in een Staatsbosbeheer-reservaat. Zij vinden zelf dat ze
niet meedoen in de ‘race’ om het eerste Friese ljipaai en melden daarom hun
vondst pas de volgende dag als nieuwtje aan de Leeuwarder Courant. Rimmer Mulder
laat hen echter terugbellen en haalt hen over de LC-trofee, de Sulveren Ljip, te
accepteren. En hoewel ze dat eigenlijk niet willen – het gebied waar ze de
eieren vonden is immers niet vrij toegankelijk voor elke Fries- gaan ze
toch in op het LC-aanbod. Commissaris Hans Wiegel overhandigt hun op verzoek van
de LC-hoofdredactie wel het kleinood maar geeft hun niet de gebruikelijke
oorkonde en de geldelijke beloning. “De hoofdredactie van de Leeuwarder Courant
besloot een eigen koers te varen”, schrijft LC-redacteur Sytze Singelsma. Over
de handelwijze van de LC ontstaat een hevige rel, die alleen nog maar erger
wordt als de echte vinder van het eerste echte kievitsei zich meldt..
De eerste Sulveren Ljip werd in het jaar 1968 uitgereikt. Het was een cadeautje
van de toenmalige hoofdredactie van de Leeuwarder Courant, bestaande uit de
heren Eddie Evenhuis en Jacob Noordmans. De prijs had het doel, zo vermeldt het
LC-boekje Hijkes en Sijkes om “de traditie van de anbieding van eerste
kievitseieren aan de koningin en de commissaris in ere te houden en een trofee
in te stellen voor het “ljipaeisykjen, dat in Friesland in de loop der
geschiedenis tot een unieke volkssport is geworden”.
Het volgende voorjaar volhardt de LC in de nieuwe koers, en als de Friese
commissaris de Sulveren Ljip niet wil uitreiken dan zal Nico de Haan, bekend
medewerker van Vogelbescherming Nederland worden gevraagd die handeling voor
zijn rekening te nemen, zo meldt de Leeuwarder Courant. Openlijk wordt de
Sulveren Ljip gebruikt in de onenigheid tussen de beide vogelbeschermende
verenigingen. In de zomer van 1996 neemt het hoofdbestuur van de BFVW via
mede-hoofdredacteur Hylke Speerstra en na ruggespraak met het Provinsjehûs in
Leeuwarden contact op met Rimmer Mulder en vraagt de hoofdredacteur formeel
terug te willen keren naar de oorspronkelijke bedoelingen met de Sulveren Ljip.
Op 19 december van dat jaar vindt overleg plaats op de LC-redactie. Daarbij is
een vertegenwoordiger van het Provinciehuis aanwezig, enkele hoofdbestuursleden
van de BFVW en –op dringend verzoek van Mulder- ook Klaas van Dijk, de
regioconsulent van Vogelbescherming Nederland. De krant weigert echter de rol
van dienstbaarheid aan de traditie en impliciet aan de vereniging BFVW en
volhardt in de eigen afwijkende koers. De commissaris weigert langer de Sulveren
Ljip van de Leeuwarder Courant onder deze condities uit te reiken. Op 11 januari
1977 maakt de krant bekend te zullen stoppen met de uitgifte van de Sulveren
Ljip. Dat maakt een einde aan een traditie die 29 voorjaren heeft geduurd. In
overleg met de BFVW besluit het provinciaal bestuur daarna te komen met een
eigen, geheel vernieuwde Sulveren Ljip.
In latere correspondentie en ook in zijn boek Mijn Friesland aan het einde van
zijn loopbaan geeft Rimmer Mulder ten beste dat zijn idee van maart 1993 zeer
veel aandacht betekende voor Fryslân. “We haalden die avond inderdaad het
Journaal. Het Jeugdjournaal maakte er zelfs een soort reclamespotje van. Kijk
kinderen, zo doen echte vogelvrienden dat nou. Ze laten het nestje mooi met
rust”. In alle openheid toont de hoofdredacteur hier dat hij met missie en
werkwijze van de BFVW geen ekele affiniteit heeft bezeten.
Hij beschouwde de BFVW en haar pogingen kennelijk als een journalistiek speeltje
en de rest was persoonlijke ijdeltuiterij. Van enige compassie, laat staan
hartelijke omarming, zoals het geval bij eerdere hoofdredacties van het grootste
Friese dagblad, was geen sprake. In de laatste zin van de tekst op de achterflap
van Mulder’s boek Mijn Friesland wordt zijn benadering in de portretten van
sommige Friese zaken vilein genoemd. Dat is een goede aanduiding voor zijn
omgang met de eierzoekers, het ljipaaisykjen en de BFVW.
Het blijft natuurlijk een academische vraag of de BFVW met hartelijker steun van
de LC tot een nog betere vertaling van de natuurbeleving naar natuurinzet zou
zijn gekomen en dat die provinciaal én nationaal daardoor breder gedragen zou
zijn
Tenslotte
Jensma ziet m.b.t. het ljipaaisykjen een doemscenario voor zich. Men kan ook een
andere, positiever perspectief schetsen. Maar daarvoor is overheidsingrijpen
absoluut een voorwaarde. Minister Gerda Verburg zei het op 7 augustius 2007 in
een interview met Omrop Fryslân Radio zo:
Omrop Fryslân: "Dus in die zin zou je bijna kunnen zeggen, nou gaat dat beleid
wat in Friesland wordt gevoerd dan maar in heel Nederland uitvoeren".
De minister: "Als er andere gebieden zouden zijn, als er andere provincies
zouden zijn die zouden zeggen: wij zien hoe het er in Friesland toegaat en wij
willen op dezelfde zorgvuldige wijze ook zo'n soort beleid opzetten dan ga ik
daar heel serieus over nadenken, want natuurlijk moet je respect hebben voor de
vogelstand en we hebben een Vogelrichtlijn die een aantal zaken heel zorgvuldig
regelt, maar als je een mooie traditie kunt combineren met toch een vitale
kievitenstand, dan zeg ik: doen!"
Een moment van herbezinning op uitvoering en doelmatigheid zal de evaluatie van
de huidige natuurwet zijn. Die is in voorbereiding. Tot die tijd geldt Jacob
Noordmans woorden als leidraard toen hij op 11 januari 2010 in de Leeuwarder
Courant in de rubriek ‘Na de zondag’:
Het Konkrijk der nederlanden is nog altijd op z’n vitaalst in zijn dorpen. Idaar
kent Nederland nog ‘ouderwetse’ saamhorigheid en burenhulp. Dorpen willen dwars
tegen trends in leven”. Léven wil de BFVW, mét zijn ljipaaisikers. Politiek en
overheid horen zorgvuldig te kijken naar de redelijke wensen en behoeften van
die ‘dorpen’ en de kaders te stellen om die idealen tot werkelijkheid te maken.