Datum:
24-01-2010
“Het kievitseierenzoeken: een uitgevonden traditie”.

Nieuws PAN

Nieuws Alg.

Nieuwsarchief

Startpagina

 


Op 18 september 2009 sprak hoogleraar Goffe Jensma van de Rijksuniversiteit in Groningen een rede uit in Franeker. Dit vond plaats in het kader van het afscheid van Pieter Breuker als hoogleraar aan de RUG. Naast Jensma leverden ook Daniël Rewijk, Yme Kuiper en de afscheid nemende Pieter Breuker zelf een bijdrage aan hetgeen genoemd werd Sporthistorisch Congres. De bijdragen werden gebundeld en als boek uitgegeven bij de Uitgeverij Bornmeer onder de titel Friese Sport, tussen traditie en professie.
“Met deze publicatie hopen we het sporthistorisch onderzoek naar ‘typisch Friese’ sporten te stimuleren en tegelijk een bijdrage te leveren aan het sporthistorisch onderzoek in het algemeen”, zo luidt de laatste zin van de Inleiding, die ook geschreven werd door Jensma.
 
Typisch Fries?
Ik beperk me tot Jensma’s bijdrage over het kievitseierenzoeken die hij noemde:
“Van professie naar traditie; het ‘ljipaaisykjen’ als uitgevonden traditie”.
Jensma is Groninger van geboorte en geen ‘ljipaaisiker’. Daarom valt nog meer dan in het geval dat hij een Fries zou zijn te waarderen dat hij aandacht besteedt aan dit fenomeen. En dat hij dat doet als wetenschapper en in een wetenschappelijk kader, maakt zijn bijdrage alleen nog maar meer waardevol; zo vaak heeft de wetenschap zich per slot van rekening niet over aspecten van  het zoeken en rapen van kievitseieren uitgesproken.
Jensma beperkt zich in zijn verhaal tot ’de negentiende-eeuwse voorgeschiedenis’ van het kievitseierenzoeken en focust op twee aspecten. Hij stelt de vraag aan de orde of het kievitseierenzoeken als ‘typisch Fries’ moet worden gezien en gaat daarnaast in op de  economische prikkel. Zonder dat punt verder uit te werken brengt Jensma ook de rol van de media, in casu de zo belangrijke Leeuwarder Courant in dit verband even te berde. “De wijze waarop en de mate waarin bijvoorbeeld over Friese cultuur werd geschreven, bepaalde ook mee het belang en de inhoud van die cultuur”.
 
Met vele tot nu toe niet beschreven voorbeelden staaft Jensma zijn stelling dat het zoeken en rapen van kievitseieren een oeroud verschijnsel is en dat er zelfs eerder sprake is van een internationaal fenomeen dan dat men het typisch voor de provincie Fryslân zou kunnen noemen. Ik ben dat met Jensma eens. Men mag inderdaad aannemen dat overal waar Kieviten broedden de gelegde eieren gedurende langere of kortere tijd in het voorjaar door mensen –waar ze ook woonden binnen het verspreidingsgebied van Vanellus vanellus- als een gewild voedsel werden beschouwd. De eerste extra eiwitten in het vroege voorjaar. De in vele biotopen redelijk algemene Kievit was samen met de Wilde eend de eerste wilde vogel die op enige schaal en gedurende een aangenaam lange tijd –van eind maart tot ruwweg half juni- eieren produceerde. De eieren zullen méér dan welkom zijn geweest. En door de grote reproductiecapaciteit was er sprake van een vervolglegsel tot wel viermaal toe. Dat betekende dat één Kievitenpaar in staat was –als het legsel geraapt werd of anderszins verloren ging én met tussenpozen- tot rond vijftien eieren te leggen. Het zal ook niet lang geduurd hebben voordat de mens ontdekte dat de smaak goed was, beter bijvoorbeeld dan de veel later en eveneens massaal gelegde meeuweneieren, die alleen voor varkens goed genoeg waren. Handel ligt voor de hand. Met vele nieuw ontdekte voorbeelden illustreert Jensma zijn stellingen, met dank aan de nieuwe digitale mogelijkheden van onderzoek van historische bronnen.
Terecht schrijft Jensma dat het zoeken en rapen van de “weidedragonder”-ik was deze aardige aanduiding nog nooit tegengekomen- een duizenden jaren oude bezigheid is en in vele landen.
De benaming ‘typisch Fries’ is dus volgens Jensma onjuist. Ik ben dat met hem eens. Toch zijn er aan het ljipaaisykjen (een werkwoord dat het rapen impliceert) wel aspecten te onderscheiden, die maakten dat het een geheel in onze provincie andere maatschappelijke plek kreeg dan buiten de provincie. Het is dus niet typisch Fries als verschijnsel zélf maar de omgang met het verschijnsel in het maatschappelijk verkeer is wel typisch Fries. Het is juist die omgang met het kievitseierenzoeken die de waarde van het verschijnsel in de huidige tijd bepaalt. Belangrijk scharnierpunt voor dit onderscheid is het jaar 1936  toen een nieuwe Vogelwet werd ingevoerd in ons land. Ik licht deze bewering later toe.
 
Na een korte beschrijving van de gang van zaken in de laatste paar jaren geeft Jensma aan het einde van zijn betoog een persoonlijke mening over de toekomst van het ljipaaisykjen. Hij schrijft: “Het lijdt geen twijfel dat ook deze beperkte hoeveelheid (te rapen kievitseieren: 6431, SPR) binnenkort te veel zal zijn en dat het eierzoeken dan volledig zal worden verboden. Daarmee zal ook een definitief einde komen aan de hier beschreven traditie. Ze zal opgaan in wat oorspronkelijk haar natuurlijke vijand was: de natuurbescherming. Laten we omwille van de kieviet en van de natuurliefhebber hopen dat de man in het veld zich dan tenslotte van kievitseieren rapen zich tot een echte ljipaaisiker zal willen omvormen”.
 
Het verhaal van Jensma is in veel opzichten vernieuwend. Gelet op die kwaliteit is het erg jammer dat hij zich beperkt tot de ‘negentiende-eeuwse voorgeschiedenis’.
Zijn verhaal nodigt sterk uit tot het toevoegen van wat opmerkingen. En niemand zal mij kwalijk nemen dat bij het laatste citaat van Jensma mijn bloed als hartstochtelijk ljipaaisiker en oud-dagelijks betuurslid van de BFVW op een aangename wijze begint te brûzen en te sieren.
 
Wetenschap en BFVW
Omdat logischerwijze voortdurend de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW) wordt genoemd als Friese natuurorganisatie die het zoeken en rapen van kievitseieren actief verdedigt op basis van natuurbeschermingsoverwegingen, is het goed om deze vereniging op deze plaats kort te schetsen. Het gaat om een overkoepelende organisatie van rond 120 plaatselijke vogelwachtverenigingen met een totaal ledenbestand van rond 26.000 leden. In het topjaar 2004 deden van deze leden rond 6500 mee in de weidevogelzorg, de nazorg. De BFVW kent ook andere vogelbeschermende projekten. In totaal doen rond 1000 van de leden aktief mee in deze werkzaamheden. De filosofie van de BFVW is dat op de basis van beperkt natuurgebruik (het ljipaaisykjen) heel goed natuurbescherming ‘gebouwd’ kan worden. En daarnaast meent de BFVW dat natuurbescherming weliswaar een overheidstaak geworden is in de laatste eeuw, maar dat deze bescherming toch vooral ook volkszaak moet blijven. Zoals ik al even eerder aanuidde is deze banadefin waarschijnlijk een typische plattelandsbenadering. Daarin spelen traditionele elementen als saamhorigheid en burenhulp, kortom wat men zelf kan doen, een grotere rol dan in een stedelijke benadering die meer steunt op opvattingen van ‘wat een ander moet laten’, steunend op wet- en regegeving.   
 
In de lange historie van het zoeken en rapen van kievitseieren zijn meningen van wetenschappers niet talrijk. Het is voor het vervolg van mijn verhaal wellicht goed om nu al een uitzonderlijke brief te citeren van Leidse weidevogelbiologen, de heren Kruk en Ter Keurs. Deze brief is gedateerd 17 februari 1993, enkele weken voor de behandeling van het zoeken en rapen van kievitseieren in de Tweede Kamer op 2 en 9 maart van dat jaar. Noodzakelijk om de Nederlandse Vogelwet aan te passen aan de Europese Vogelrichtlijn van april 1979. In de (lange) aanloop naar deze belangrijke gebeurtenis was er sprake van hevige strijd tussen vóór- en tegenstanders die zich op vrijwel elk denkbaar landelijk toneel afspeelde. De belangrijkste kemphanen waren de vereniging Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW) die het eierzoeken wenste te behouden en te benutten in de weidevogelbescherming aan het ene uiterste van het spectrum, en aan de andere kant de vijfmaal grotere vereniging Vogelbescherming Nederland en de veel kleinere maar zeer militante stichting De Faunabescherming die tegen waren. Het is niet overdreven deze strijd ook te zien als een strijd tussen een plattelandsbenadering van natuurbescherming en een (rand)stedelijke.
De betrokken staatssecretaris van Natuur, Dzjingish Gabor (CDA) stelde in 1993 voor het eierzoeken alleen nog in Friesland toe te staan en het sterk te beperken. Het was een moment van buitengewoon groot belang in de historie van de BFVW. De brief van de beide biologen is de enige bijdrage van de wetenschap in dit debat. Zij schreven:
 
“ Excellentie, 
130 "Ondergetekenden hebben met belangstelling kennis genomen van hierboven genoemde Memorie van Antwoord (28 april 1992), in het bijzonder de (impliciete) opvattingen daarin over de biologische aspecten cq. populatie-effecten van het Kievitseieren rapen.
Wij menen uit Uw standpunten te mogen opmaken dat U het rapen van Kievitseieren als een onverantwoorde aangelegenheid voor de Kievitenstand ziet. Deze stellingname verbaast ons, omdat het door U ingenomen standpunt niet wordt ondersteund door enig wetenschappelijk onderzoek dat direct of indirect was gericht op het aantonen van de schadelijkheid van het Kievitseieren rapen. Naar onze mening is de discussie omtrent het Kievitseieren rapen dan ook niet zozeer een discussie op wetenschappelijk-biologische gronden, doch op ethische. Ter toelichting van onze mning verwijzen wij U kortheidshalve naar de hierbij gevoegde kopieën van onze bijdrage aan de raapdiscussie, verschenen in “Het Vogeljaar".
 
Voor wat betreft deze ethische aspecten mogen wij U wellicht nog op het volgende opmerkzaam maken. Het gaat in de discussie in belangrijke mate ook om de vraag of het ingrijpen in de natuur voor recreatieve cq plezier-doeleinden überhaupt te rechtvardigen is of niet. De publieke opinie neigt naar het afkeuren van dergelijk “onnodig” geacht gebruik van de natuur. Dat houdt evenwel ook een gevaar in. De natuurbeleving krijgt als gevolg hiervan een steeds meer “abstract” karakter.
 
Een niet onbelangrijk aspect is voorts, dat juist door een directe, fysieke relatie met de natuur ook het draagvlak voor de bescherming daarvan van grote waarde kan zijn. Het feit, dat juist in Friesland zeer veel nazorgers tevens “aaisiker” zijn, geeft aan dat deze relatie belangrijke natuurbeschermende waarde kan hebben en dat deze ook duurzaam kan zijn. Ook voor de weidevogels is dan van belang dat de nazorg aan het “aaisiken” gekoppeld blijft.
Wij wijzen er met nadruk op dat een draagvlak voor natuurbescherming onder een zo groot mogelijk deel van de bevolking onontbeerlijk is om gestalte te geven aan het natuurbeschermingsbeleid.
 
(was ondertekend door dr. M.Kruk en dr. W.J.Ter Keurs en in afschrift gestuurd naar de Vaste Commissie Landbouw, het Ministerie van LNV (NBLF en JBZ) en de BFVW.)
 
De drie aangeduide elementen, de schier eindeloze discussie over de ecologische schuldvraag, de waarde van natuurbeleving en de draagvlakvorming voor natuurbeleid komen later in dit verhaal terug.
De Tweede Kamer sprak op 9 maart 1993 uit dat het kievitseierenzoeken en -rapen in het hele land diende te blijven bestaan. Er diende wel een koppeling te zijn met de weidevogelbescherming. Friesland werd ten voorbeeld gesteld waar het ging om de relatie naar weidevogelbescherming en de praktische invulling. Refererend aan de BFVW-benadering van de vogelbescherming zei de CDA-woordvoerder Berry Esselink in de Tweede Kamer het zo: "Een sterk geïndustrialiseerd en dichtbevolkt land verdringt natuur en dus ook de in het wild levende vogels. Dat verplicht om al het mogelijke te doen om goede bescherming te bieden waar dat nodig is. Dat verplicht ook om maatschappelijke adhesie voor natuurbescherming zo goed mogelijk om te zetten in concrete daden en mensen daar ook de gelegenheid voor te bieden. Dat kan van de wetgever enige souplesse vragen. De weg die rechtstreeks naar een doel gaat, is wellicht niet altijd de beste. Soms is een omweg zelfs wat beter".
Er werd een nieuwe sluitingsdatum vastgesteld: 9 april in het hele land. De Eerste Kamer zette in oktober de trend van positieve benadering van de Tweede Kamer voort en maakte van de al in Fryslân gebruikte aaisikerskaart een nationaal document. Alleen Groen Links was principieel tegen. Bij de behandeling van de voorstellen in oktober in de Eerste Kamer ging staatssecretaris Gabor dieper in op de uitleg van koppeling van het eierzoeken aan de bescherming, omdat er onduidelijkheid was ontstaan over de vorm. Werd hier nu wel of niet een 'verplichte binding' bedoeld? De staatssecretaris zei o.a.: "Je hoeft die nazorg niet zelf te doen. Je kunt ook anderen in staat stellen om in gezamenlijkheid die nazorg te doen. Daar maak je dan afspraken over en daartoe lever je een financiële bijdrage". (-) Je hebt een verplichting om dat tot stand te brengen, maar dit betekent niet dat je dit in persoon en ter plekke zelf moet gaan doen. (-) De eierzoekers kunnen er wel aan bijdragen dat dit soort dingen tot stand komen. Dat is een afgeleide vorm en dat is niet een persoonsgebonden
nazorg. Dat is mijn interpretatie".
De staatssecretaris kiest duidelijk voor een losse binding, volgens het Friese model op dat moment. Het jaar 1993 was een uitstekend jaar voor de BFVW.
 
Vanaf het succesjaar 1993 maakte de BFVW een lange periode van constante groei mee. De werkwijze met de eierzoekkaart werkte stimulerend: het open model was aantrekkelijk en toch was er een drempel opgeworpen tegen ál te eenvoudige deelname. Het evenwicht tussen de belangen van boer, weidevogel en eierzoeker was aardig gevonden. De Friese politiek en provinciale overheid stonden in grote meerderheid achter de doelstellingen en missie van de BFVW . De natuurorganisatie It Fryske Gea steunde de BFVW en stelde haar graslandgebieden gewoon open voor de ljipaaisiker. It Fryske Gea-medewerker Ultsje Hosper –zelf enthousiast ljipaaisiker- was van 1987 tot zijn directeurschap begon in 1998, hoofdbestuurslid van de BFVW. De BFVW deed zelfs een poging om ook Staatsbosbeheer als niet-Friese organisatie met graslanden in deze provincie over te halen net als It Fryske Gea haar gebieden open te stellen voor de eierzoeker onder de gebruikelijke voorwaarden. De provincie had grote belangstelling voor deze discussie. Maar het overleg mislukte;  SBB bracht alleen maar negatieve benadering in stelling en weigerde een echte afweging van lusten en lasten.
 
Tien jaar later, in oktober 2003 sprak een andere belangrijke partij zich na uitvoerig onderzoek eveneens uit over het eierzoeken. Antwoordende op een klacht van 1999 van de stichting De Faunabescherming schreef  Europees Milieucommissaris Margot Wallström:
“Mijn diensten zijn van mening, dat er voor het rapen van de eerste kievitseieren geen andere bevredigende oplossing bestaat, aangezien het gaat om een oude volkstraditie die niet vervangen kan worden door een andere activiteit met eenzelfde sociaal-culturele waarde. Het rapen van kievitseieren maakt bovendien deel uit van een reëel programma voor de bescherming van weidevogels. Het rapen is verder slechts gedurende een zeer korte tijd toegestaan in beperkte hoeveelheden en door een strikt gecontroleerd aantal personen. De handel in eieren is niet toegestaan. Gezien het feit dat er in het geval van geraapte eieren bovendien vrijwel steeds sprake zal zijn van vervolglegsels met een uitkomstresutaat en overlevingskans die hoger zijn dan geldt voor de eieren gelegd in de periode van waarin het rapen is toegestaan, kan geconcludeerd worden, dat het wat de mortaliteit betreft slechts om kleine of zelfs verwaarloosbare hoeveelheid gaat”.
 
Het is zonneklaar dat de beide weidevogelbiologen van de Leidse Universiteit, de beide Kamers der Staten-Generaal én de Europese Commissie overtuigd waren van de waarde van de eierzoeker als natuurbeschermer.
 
Het absolute topjaar van de BFVW waar het ging om deze vorm van weidevogelbescherming was het daaropvolgende jaar 2004 toen 6445 nazorgers bij de BFVW geregistreerd stonden. Rond één van elke honderd Friezen deed mee, en deze deelname was een factor tien hoger dan in enig andere provincie. Deze vrijwilligers waren vrijwel allen kievitseierenzoekers. In dat jaar was er in onze provincie voor het eerst sprake van vrijwel provinciedekkende nazorg. Uit cijfers van het CBS en jaarverslagen van de landelijke stichting Landschapsbeheer Nederland in Utrecht blijkt dat de deelname in Fryslân aan de vrijwillige weidevogelbescherming een factor tien hoger is dan in enig andere provincie (zie: Beter één vogel in de hand, KNNV Uitgeverij,  Utrecht 2008, p. 48 – 56). De opvallende Friese bijdrage in de weidevogelbescherming geeft aan dat een zorgvuldig geconserveerde cultuur van kievitseierenzoeken en-rapen ook in de hudige tijd nog steeds als emotionele motor voor bescherming kan fungeren.
 
De tegenstelling die Jensma in zijn verhaal aanbrengt tussen ‘natuurbeschermers’ en ‘de ljipaaisiker’ en het model dat dit moet verduidelijken (op blz. 44) staat met deze vaststelling wel wat op drijfzand.
 
Flora-  en Faunawet
De in april 2002 ingevoerde Flora- en Faunawet strooide echter in ernstige mate roet in het eten. De nieuwe wet bood geen enkele ruimte voor een alternatieve benadering van het fenomeen natuurbescherming als de in Holland gangbare. De zichtbaar succesvolle en zo breed en luid geprezen ‘omweg’ die de BFVW had gekozen en ontwikkeld kwam onder hevig vuur te liggen. De politiek bleek niet consistent. De sterk benadrukte generieke benadering van 1993 -tegen de wens van de staatssecretaris in- werd in de nieuwe natuurwet geheel verlaten: elke provincie moest zelf maar beslissen over het lot van de eierzoeker! De negatieve benadering die nog steeds –ondanks hevige pogingen van de BFVW om VBN te overtuigen van het tegendeel- door Vogelbescherming Nederland centraal volgehouden werd en op de provinciehuizen actief uitgedragen door haar regioconsulenten maakte dat binnen twee jaren het eierzoeken tot Fryslân was beperkt. De introductie van de verplichtstelling om ontheffing aan te vragen- een nieuwe en volstrekt overbodige bureaucratische exercitie- had echter ook binnen Fryslân een vernietigend effect. Elke persoon en instelling, ook van buiten de betreffende provincie, kan tegen de ontheffingverlening vrijwel eindeloos in beroep gaan. Van die juridische kans maakt De Faunabescherming vanzelfsprekend gretig gebruik. “En de indiener van de ontheffingsaanvraag moet bewijzen dat zijn actie geen kwaad kan”. Hoe zou de BFVW dat kunnen waar vijftigjarig onderzoek door biologen nauwelijks een eenduidig antwoord op die vraag had kunnen produceren!? Ook de opponent kan zijn punt niet bewijzen maar die hoeft dat volgens de wet ook niet..
 
De nieuwe regels maakten het tegenstanders gemakkelijk ontwrichtende procedures te starten. De BFVW had de gang van zaken voorspeld. Fryslân verzette zich hevig. Aan alle provinciehuizen werd informatie gestuurd, soms werd telefonisch contact gezocht met een gedeputeerde en het provinciehuis in Groningen werd persoonlijk bezocht. De gedeputeerde Anita Andriesen spande zich bijzonder in voor de zaak van de BFVW. Maar de erosie zette vanaf dat topjaar onontkoombaar in. Beperking stapelde zich op beperking, resulterend in een voortdurende daling naar 5892 vrijwilligers in het jaar 2008. En in het voorjaar van 2009 toen elk gevonden kievitsei voor het eerst per sms gemeld diende te worden alvorens te worden geraapt, deden nog maar net 5011 Friese ljipaaisikers mee.. De ontmoediging is duidelijk.
De kerstboodschap van It Fryske Gea van 2009 van een totaalverbod voor het eierzoeken in haar graslanden lijkt in dat proces weer een stapje verder naar een definitief einde.
 
De frustratie van de goedlopende praktijk door de komst van de onverstandige Flora- en Faunawet betekent dat de geciteerde voorspelling van Jensma redelijke kans heeft werkelijkheid te worden. Een totaalverbod op het eierzoeken betekent dat de eierzoeker zich uit de bescherming terugtrekt en dat de bescherming ook in Fryslân belandt op het doorsnee-Nederlandse, lage niveau. Als de aaisiker niet meer als natuurbeschermer wordt erkend dan zal de meerwaarde voor Fryslân waar het gaat om de bescherming verloren gaan.
 
Verschillende ontwikkeling door Vogelwet 1936
Zoals hiervoor toegezegd kom ik nog even terug op hetgeen ik eerder zei over de verschillende karakters van het eierzoeken in Fryslân en daarbuiten. Jensma schrijft: “Friezen maakten van het eierenrapen een traditie die ze als een soort van nationale buitensport beleefden”.
Ik denk dat een duidelijke oorzaak aan te duiden is waardoor het eierzoeken in Fryslân in een grotere mate werd beoefend en daardoor buitengewone kansen bood, dan in de andere provncies. Dat heeft te maken met de reactie op de Vogelwet van 1936. Het opkomende natuurbeschermingsbesef in de periode van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw had wetgeving tot resultaat. In 1936 kwam de eerste Vogelwet tot stand. Die markeert een punt in de historie waarop de wegen van Fryslân en de andere provincies zich scheidden met betrekking tot de ontwikkeling van het kievitseierenzoeken. Deze nieuwe wet bepaalde in artikel 19, lid drie c, dat een eierzoeker de schriftelijke toestemming van de grondgebruiker nodig had. Dat was een nieuwe bepaling. De praktijk was dat een grondgebruiker die geen eierzoekers wenste dat aangaf met een bord of anderszins –soms ook middels een advertentie in lokale bladen. Dat waren in Fryslân uitzonderingen. De gastvrijheid was vrij algemeen heel groot. Misschien heeft dat ook te maken met het gegeven dat ook heel veel boeren, maar vooral ook boerenzoons en boerefeinten deelnemers waren in de sport. Wellicht had het ook te maken met de algemene geest van coöperatie en ‘nabuurschap’ in dit gewest. Misschien zou je deze inbedding wel het predikaat ‘typisch Fries’ kunnen noemen.
 
Vrij toegankelijk
In mijn jonge jaren –ik ben geboren in 1945 in Grou dat toen nog Grouw heette- waren de weide- en hooilanden van de Hospers, de Kaastra’s, de Miedema’s en Van der Iesten en verder alle weilanden richting Sneek, Aldeboarn en Wergea, en ‘oer it wetter’ richting Earnewâld allemaal vrij toegankelijk. Zij waren een onovertroffen en zich geleidelijk steeds verder uitdijend speelterrein waar ik vele ego-bepalende ‘magic moments’ heb opgedaan waar het gaat om natuurbeleving. Is het een wonder dat ik biologie-leraar werd en dat ik later hoofdbestuurslid van de BFVW zou zijn?
Buiten Fryslân ontwikkelde zich de praktijk dat één of enkele eierzoekers zich verstonden met de grondgebruiker en privileges verwierven om daar de eieren te rapen. Dát is inderdaad rapen! In latere literatuur noemden wij als BFVW-bestuurders dit het zg. jachtmodel, terwijl wij de opener, vrijere Friese situatie aandduidden met het sportvissersmodel.
Het spreekt vanzelf dat de Friese praktijk grotere aantallen mensen opleverden die
‘meededen’. Zij vormden het menselijke fundament onder een brede beweging van BFVW-nazorgers zoals die zich vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw parallel aan de veranderende agrarische bedrijfsvoering ontwikkelde. Deze nazorgers waren voor 90% ook kievitseierenzoekers.
Het is de vraag of de woordkeuze van Jensma: het gaat bij het ljipaaisykjen om een
“uitgevonden traditie” wel zo adequaat de ontwikkeling samenvat.
 
Beleidsfouten?
Achteraf kan men vaststellen dat het beleid van het hoofdbestuur van de BFVW om het evenwicht te zoeken tussen benutting van de natuur én de bescherming van de weidevogels wel eens faalde. Het is waarschijnlijk zo dat het verzet tegen een inkorting van het kievitseierenzoeken van 19 april naar 12 april beter enkele jaren eerder tot stand had moeten komen. Nu vond die noodzakelijk aanpassing plaats als eindresultaat van een ernstige aanvaring tussen het ministeire (van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk enerzijds en de BFVW anderzijds. In het vroege voorjaar van 1975 werd de sluitingsdatum door CRM eenzijdig vastgesteld op 6 april, een beperking met twee weken. Verzet en een heleboel overleg zorgde ervoor dat het in 1976 weer met een week werd verlengd, een betere datum. Maar alleen in Fryslân. Buiten deze provincie bleef 6 april de laatste zoekdag. Het leidt geen twijfel dat het verzet tegen de aanpassing van 19 april naar een eerdere sluitingsdatum de BFVW in de mid-zeventiger jaren imagoschade heeft opgeleverd.  
 
Jensma stelt: “Het rapen van kievietseieren is een intrigerend postmodern ritueel geworden”. Het is mij niet helemaal duidelijk wat Jensma precies bedoelt met deze aanduiding. Duidelijk is dat de waarde van het kievitseierenzoeken in het huidige economische verkeer vrijwel nihil is. Van een heel andere orde en van veel groter gewicht zou –bij juist beleid- de betekenis voor de natuurbescherming, en in engere zin de weidevogelbescherming kunnen zijn. Er zijn berekeningen gemaakt van de waarde van de door vrijwilligers uitgevoerde weidevogelbescherming. In deze vorm van vogelbescherming gaan tegenwoordig miljoenen euro’s om.
En een functie van geheel andere orde is die van het verschaffen van de nodige natuur-contact o natuurbeleving, met name ook voor de jeugd. Die belevingswaarde is heel groot. Insiders in beide takken van sport vergelijken de Alvestêdetocht met de ‘tritichtûsentrêdetocht (dertigduizend stappentocht; de vondst is van de Akkrumer dorpsdichter Willen Johannes Koopmans). In dit verband heb ik wel eens gesproken van het ljipaaisykjen als gratis en grootschalige vorm van zelfopleiding van de jeugd tot natuurliefhebber en natuurbeschermer. Men is bijna geneigd te zeggen: als het kievitseierenzoeken er niet was dan zou het alleen al vanwege deze functies uitgevonden moeten worden.
 
Leeuwarder Courant
Een laatste aspect is de invloed van het belangrijkste geschreven medium in Fryslân, de Leeuwarder Courant, op de meningsvorming van de aanvaardbaarheid en de vormgeving van het eierzoeken. Jensma schrijft: “De wijze waarop en de mate waarin bijvoorbeeld over Friese cultuur werd geschreven, bepaalde mee het belang  en de inhoud van die cultuur”. (-) “De Leeuwarder Courant bijvoorbeeld noteerde niet alleen wat er in de Friese samenleving gebeurde, maar was ook bepalend voor de vormgeving ervan”. Zeker, Jensma raakt daar een bijzonder punt. Met name in de periode vanaf ruwweg 1970 toen vormen van natuurgebruik steeds vaker ethische afkeuring ontmoetten was de opstelling van de krant van groot gewicht. De vraag is natuurlijk waar deze grootste Friese krant stond toen de BFVW in een verwoed gevecht gewikkeld raakte met haar grototste landelijke tegenstander, de ‘brother in arms’ Vogelbescherming Nederland? Was er überhaupt sprake van een bepaald standpunt of bleef de berichtgeving beperkt tot feitelijkheden? Ik meen te mogen stellen dat er wel degelijk sprake was van stellingname. De historie van de laatste ruwweg vijftig jaar van de Leeuwarder Courant voor het zoeken en rapen van kievitseieren is een opmerkelijke. Zonder meer een wetenschappelijke studie waard. 
Men kan vaststellen dat er vanaf het oprichtingsjaar van de BFVW in 1947 tot het jaar 1968 sprake was van oprechte en soms zelfs hartelijke steun van de LC-hoofdredactie voor de missie en werkwijze van de BFVW. In 1968 werd zelfs door de hoofdredactie van deze krant een provinciale trofee ingesteld voor de vinder van het eerste kievitsei. 
 
Het is aardig dat de eerste twee jaren voor zijn afscheid in het jaar 2009 in het boek Mijn Fryslân dat als zijn testament als journalist mag worden beschouwd, hoofdredacteur Rimmer Mulder ook een hoofdstukje wijdt aan de BFVW en het kievitseierenzoeken onder de kop: Vogelvrienden en eierrapers. Alleen al deze kop, die een tegenstelling suggereert, is veelzeggend voor de opstelling van Rimmer Mulder tegenover de (Friese) eierzoeker. Hij had niets met hun actviteiten! En ook al verwijst hij in dit hoofdstukje van 8 bladzijden naar de BFVW als “zonder twijfel een van de succesrijkste actiegroepen van Nederland”, hij gunt deze vereniging haar succes niet! Sterker, hij beschrijft dat succes zelfs niet.
 
De meer dan twintigjarige periode van Mulder’s hoofdredacteurschap –van 1988 tot 2009- viel toevalligerwijze samen met een uiterst belangrijke en zeker de meest turbulente periode in de geschiedenis van de BFVW. In december 1987 ontving de BFVW als één van zestig natuurorganisaties het allereerste concept van de Flora- en faunawet, die uiteindelijk na vijftien jaar, op 1 april 2002, wet zou worden. In deze periode vonden tal van gebeurtenissen plaats in de samenleving en in de wetgeving, die grote invloed hadden op het bestaan van het eierzoeken. Mulder beschrijft in zijn boek enkele markante voorvallen die met het eierzoeken te maken hebben, d.w.z. hij poetst enkele kralen op van een ketting, zonder die ketting in zijn geheel te laten zien. Die kralen waren gelegenheden waarbij hij zelf als hoofdredacteur direct betrokken was, bij voorkeur de hoofdrol speelde. De nieuwe hoofdredacteur zette voor het eerst in het voorjaar van 1992 de toon. In een hoofdredactioneel op 29 februari, schrikkeldag 1992, stak hij openlijk de draak met tradities rond het eierzoeken, de burgemneester incluis: "Van alle kwesties die dit gewest verdeeld houden, is het kievitseierzoeken de grootste aanslag op het gezond verstand. (-) De burgervaders lijden onder afbrokkeling van gezag. Van de bevolking krijgen ze meer kritiek dan dank. (-) Het is daarom begrijpelijk dat burgemeesters van harte meewerken als één van de onderdanen zich nu eens niet met een bezwaarschrift naar het gemeentehuis spoedt, maar met een ei. Voor de burgemeester! Dat geeft je tenminste nog eenmaal per jaar het gevoel een bijzonder ambt te bekleden".
 
Op 2 maart 1993 werd zoals aangeduid in de Tweede Kamer de werkwijze van de BFVW veel lof toegezwaaid. Het BFVW-harmoniemodel werd zelfs ten voorbeeld gesteld voor het hele land. De Tweede Kamer sprak vrijwel Kamerbereed uit -alleen Groen Links was tegen- dat van de invoering van de Friese model ook buiten de provincie daadwerkelijk werk gemaakt diende te worden. Hoe bracht de Leeuwarder Courant dit nieuws van het succes van één van de eigen Friese organisaties? Op de voorpagina –het traditionele domein van de hoofdredacteur- verscheen vierkoloms breed (van de zeven) een grote foto van de protestdemonstratie tegen het kievitseierenzoeken de dag tevoren op het Binnenhof door de Tegenstanders, de stichting De Faunabescherming was georganiseerd. Uit een groot nagemaakt kievitsei kruipt een kind, verkleed als kievitkuikentje. Links van het ei staat mevrouw Ria Beckers-de Bruin, op dat moment fractievoorzitter van Groen Links, rechts staat mevrouw Rita Stockman, voorzitter van stichting De Faunabescherming. Boven de foto staat met grote kapitelen: ‘Actie Faunabeheer tegen rapen van kievitseieren’. Het onderschrift luidt: “De Vogelbescherming in Zeist stapt naar het Europese Hof als staatssceretaris Dzsingisz Gabor van natuurbeheer blijft toestaan dat er in heel Nederland kievitseieren worden geraapt. Gabor zelf wil het rapen van kievitseieren alleen in Friesland gedogen, maar de Tweede Kamer vindt dat omwille van de rechtsgelijkheid niet gewenst en pleit in meerderheid voor 9 april als sluitingsdatum voor het hele land. De Vogelbescherming heeft grote twijfels over de aanpassing van de Vogelwet. Volgens woordvoerder E.Wanders is er geen sprake meer van kleinschaligheid als straks in alle provincies naar kievitseieren mag worden gezocht. Vertegenwoordigers van Kritisch Faunabeheer protesteerden gisteren bij het gebouw van de Tweede Kamer tegen het gedogen van het rapen van kievitseieren. Kamerlid Ria Beckers van Groen Linjks voelt de net uit het ei gekropen vogel aan de snavel. Meer hierover op pagina 17”.
Geen woord op de voorpagina over het enorme succes van de BFVW-lobby. Slechts woorden en de daden van De ‘Hollandse’ Tegenpartij worden verwoord. Pas in de op één na laatste alinea van een tweede bijdrage, weggestopt op bladzijde 17 wordt nog vermeld: “Vooral het ‘model-Friesland’ (verplichte aaisikerskaart, strenge controle) oogstte veel lof in het parlement. De meeste woordvoerders voegden daaraan toe dat eierzoeken een stimulans is voor grotere betrokkenheid bij de natuur, en daardoor uiteindelijk meer winst voor de natuur oplevert dan verlies. SGP’er Bas van der Vlies sprak van ‘folkore, die een zelfstandige waarde heeft’”.
De naam van de BFVW, als de organisatie die verantwoordelijk was voor de stevige lobby, wordt niet eenmaal genoemd. Er wordt ook geen commentaar van een BFVW-bestuurslid gevraagd en opgenomen. Op 6 maart wordt het nieuws gebracht dat het hoofdbestuur van de BFVW verdeeld zou zijn over de sluitingsdatum van het kievitseierenzoeken.
De wijze waarop hier met positief nieuws voor de BFVW is omgegaan is typerend voor de LC in de tijd van Mulder. Het is duidelijk dat de BFVW zijn onloochenbare successen boekte ondanks de Leeuwarder Courant en zeker niet dankzij de LC!
 
Enkele dagen later haalde de LC-hoofdredactie een tweede ‘frjemde streek’ uit. Twee Koudumers, vrijwilligers op pad voor Staatsbosbeheer, vinden op 15 maart een twake kievitseieren in een Staatsbosbeheer-reservaat. Zij vinden zelf dat ze niet meedoen in de ‘race’ om het eerste Friese ljipaai en melden daarom hun vondst pas de volgende dag als nieuwtje aan de Leeuwarder Courant. Rimmer Mulder laat hen echter terugbellen en haalt hen over de LC-trofee, de Sulveren Ljip, te accepteren. En hoewel ze dat eigenlijk niet willen – het gebied waar ze de eieren vonden is immers niet vrij toegankelijk voor elke Fries-  gaan ze toch in op het LC-aanbod. Commissaris Hans Wiegel overhandigt hun op verzoek van de LC-hoofdredactie wel het kleinood maar geeft hun niet de gebruikelijke oorkonde en de geldelijke beloning. “De hoofdredactie van de Leeuwarder Courant besloot een eigen koers te varen”, schrijft LC-redacteur Sytze Singelsma. Over de handelwijze van de LC ontstaat een hevige rel, die alleen nog maar erger wordt als de echte vinder van het eerste echte kievitsei zich meldt..
De eerste Sulveren Ljip werd in het jaar 1968 uitgereikt. Het was een cadeautje van de toenmalige hoofdredactie van de Leeuwarder Courant, bestaande uit de heren Eddie Evenhuis en Jacob Noordmans. De prijs had het doel, zo vermeldt het LC-boekje Hijkes en Sijkes om “de traditie van de anbieding van eerste kievitseieren aan de koningin en de commissaris in ere te houden en een trofee in te stellen voor het “ljipaeisykjen, dat in Friesland in de loop der geschiedenis tot een unieke volkssport is geworden”.  
Het volgende voorjaar volhardt de LC in de nieuwe koers, en als de Friese commissaris de Sulveren Ljip niet wil uitreiken dan zal Nico de Haan, bekend medewerker van Vogelbescherming Nederland worden gevraagd die handeling voor zijn rekening te nemen, zo meldt de Leeuwarder Courant. Openlijk wordt de Sulveren Ljip gebruikt in de onenigheid tussen de beide vogelbeschermende verenigingen. In de zomer van 1996 neemt het hoofdbestuur van de BFVW via mede-hoofdredacteur Hylke Speerstra en na ruggespraak met het Provinsjehûs in Leeuwarden contact op met Rimmer Mulder en vraagt de hoofdredacteur formeel terug te willen keren naar de oorspronkelijke bedoelingen met de Sulveren Ljip. Op 19 december van dat jaar vindt overleg plaats op de LC-redactie. Daarbij is een vertegenwoordiger van het Provinciehuis aanwezig, enkele hoofdbestuursleden van de BFVW en –op dringend verzoek van Mulder- ook Klaas van Dijk, de regioconsulent van Vogelbescherming Nederland. De krant weigert echter de rol van dienstbaarheid aan de traditie en impliciet aan de vereniging BFVW en volhardt in de eigen afwijkende koers. De commissaris weigert langer de Sulveren Ljip van de Leeuwarder Courant onder deze condities uit te reiken. Op 11 januari 1977 maakt de krant bekend te zullen stoppen met de uitgifte van de Sulveren Ljip. Dat maakt een einde aan een traditie die 29 voorjaren heeft geduurd. In overleg met de BFVW besluit het provinciaal bestuur daarna te komen met een eigen, geheel vernieuwde Sulveren Ljip.
 
In latere correspondentie en ook in zijn boek Mijn Friesland aan het einde van zijn loopbaan geeft Rimmer Mulder ten beste dat zijn idee van maart 1993 zeer veel aandacht betekende voor Fryslân. “We haalden die avond inderdaad het Journaal. Het Jeugdjournaal maakte er zelfs een soort reclamespotje van. Kijk kinderen, zo doen echte vogelvrienden dat nou. Ze laten het nestje mooi met rust”. In alle openheid toont de hoofdredacteur hier dat hij met missie en werkwijze van de BFVW geen ekele affiniteit heeft bezeten.
Hij beschouwde de BFVW en haar pogingen kennelijk als een journalistiek speeltje en de rest was persoonlijke ijdeltuiterij. Van enige compassie, laat staan hartelijke omarming, zoals het geval bij eerdere hoofdredacties van het grootste Friese dagblad, was geen sprake. In de laatste zin van de tekst op de achterflap van Mulder’s boek Mijn Friesland wordt zijn benadering in de portretten van sommige Friese zaken vilein genoemd. Dat is een goede aanduiding voor zijn omgang met de eierzoekers, het ljipaaisykjen en de BFVW.
 
Het blijft natuurlijk een academische vraag of de BFVW met hartelijker steun van de LC tot een nog betere vertaling van de natuurbeleving naar natuurinzet zou zijn gekomen en dat die provinciaal én nationaal daardoor breder gedragen zou zijn
 
Tenslotte
Jensma ziet m.b.t. het ljipaaisykjen een doemscenario voor zich. Men kan ook een andere, positiever perspectief schetsen. Maar daarvoor is overheidsingrijpen absoluut een voorwaarde. Minister Gerda Verburg zei het op 7 augustius 2007 in een interview met Omrop Fryslân Radio zo:
Omrop Fryslân: "Dus in die zin zou je bijna kunnen zeggen, nou gaat dat beleid wat in Friesland wordt gevoerd dan maar in heel Nederland uitvoeren".
De minister: "Als er andere gebieden zouden zijn, als er andere provincies zouden zijn die zouden zeggen: wij zien hoe het er in Friesland toegaat en wij willen op dezelfde zorgvuldige wijze ook zo'n soort beleid opzetten dan ga ik daar heel serieus over nadenken, want natuurlijk moet je respect hebben voor de vogelstand en we hebben een Vogelrichtlijn die een aantal zaken heel zorgvuldig regelt, maar als je een mooie traditie kunt combineren met toch een vitale kievitenstand, dan zeg ik: doen!"
Een moment van herbezinning op uitvoering en doelmatigheid zal de evaluatie van de huidige natuurwet zijn. Die is in voorbereiding. Tot die tijd geldt Jacob Noordmans woorden als leidraard toen hij op 11 januari 2010 in de Leeuwarder Courant in de rubriek ‘Na de zondag’: 
Het Konkrijk der nederlanden is nog altijd op z’n vitaalst in zijn dorpen. Idaar kent Nederland nog ‘ouderwetse’ saamhorigheid en burenhulp. Dorpen willen dwars tegen trends in leven”. Léven wil de BFVW, mét zijn ljipaaisikers. Politiek en overheid horen zorgvuldig te kijken naar de redelijke wensen en behoeften van die ‘dorpen’ en de kaders te stellen om die idealen tot werkelijkheid te maken. 
 
 
 Sake P. Roodbergen
 
Oudejaarsavond 2009