28-08-2011 Verslag Consultatie deelsessie ‘Jacht’ 28 juni 2011 nieuwe wet Natuur

Nieuwspagina

Nieuwsarchief

Homepage

 

Wetsvoorstel Natuur

Consultatie deelsessie ‘Jacht’

28 juni 2011, Beatrixgebouw, Jaarbeurs Utrecht

  • Voorzitter: De heer Jan Willem van der Ham

  • Aanwezig:

  • De heer Jan Willem v.d. Ham EL&I (voorzitter)

  • De heer Niels Berg EL&I

  • De heer Jelmer de Jong EL&I

  • De heer Jeroen Ostendorf EL&I

  • De heer Mathijs Tollerton EL&I

  • De heer Jakob Leidekker NP De Hoge Veluwe

  • De heer Alfred Melissen FBE Limburg

  • De heer Marco Hoekstra BFVW (Bond Friese Vogelwachten)

  • De heer Piet Croughs PAN (Platteland Alliantie Nederland)

  • De heer Nic Quaedvlieg NOJG

  • De heer Willem Lambooij NGB/DHV

  • De heer Paul Voskamp IPO

  • Mevrouw Femmie Kraaijeveld-Smit Dierenbescherming

  • De heer Leon Ripmeester Dierenbescherming

  • Mevrouw Riëtte Iken Provincie Flevoland

  • De heer Harm Niesen Faunabescherming

  • De heer Volker Repelaer Federatie Particulier Grondbezit

  • De heer Michel Jamin Federatie Particulier Grondbezit

  • De heer Douwe Boersma KNJV

  • De heer Andreas Dijkhuis KNJV Faunafonds

  • De heer Ton Vermaesen NOVO

  • Verslag: Anneke Pereboom onafhankelijk

  • Opening

    De voorzitter, de heer Van der Ham opent de bijeenkomst om 14.05 uur. In de vorige sessie zijn opmerkingen gemaakt waaruit drie thema’s zijn geselecteerd waarover verder zal worden gesproken. Het is ook mogelijk om vandaag over andere thema’s te spreken en er zijn schriftelijke bijdragen ingediend.

    Korte toelichting

    De heer Tollerton maakt deel uit van het team dat het wetsvoorstel heeft geschreven, specifiek het onderdeel ‘jacht’. Hier horen ook schadebestrijding en faunabeheer bij, evenals de aanpak van exoten. In de vorige bijeenkomst stonden vooral nut en noodzaak van het wetsvoorstel ter discussie; nu gaat het om de effecten in de praktijk. In de vragenlijst is gevraagd naar de beleefde lasten, irritaties en gevolgen van het nieuwe voorstel. Daarnaast is gevraagd naar de noodzakelijke randvoorwaarden om van het nieuwe voorstel een succes te maken en welke alternatieven er zijn om zaken anders of beter te regelen. Er is een top 3 van thema’s samengesteld:

    1. uitbreiding lijst van bejaagbare soorten;

    2. decentralisatie: eigen provinciaal beleid;

    3. bestrijden met geweer van exoten; verruimde mogelijkheden grondgebruikers.

    Ten opzichte van de FF-wet zijn vijf soorten aan de lijst van bejaagbare soorten toegevoegd, wat aanleiding is geweest voor een uitgebreide discussie. Het tweede punt, decentralisatie naar de provincie is ook bij andere onderwerpen aan de orde geweest. De provincie wordt uitvoerder van het natuurbeleid, wat in het regeerakkoord staat. Ook dat is aanleiding geweest tot discussie en vragen wat het betekent als de provincie zelf besluiten gaat nemen en wat daarvan de gevolgen zijn. Voor het derde punt, bestrijden met geweer van exoten is gekozen omdat dat voor de praktijk de meeste veranderingen met zich meebrengt. Er is geen opdracht van gedeputeerde staten meer nodig om exoten te bestrijden.

    Alle opmerkingen die worden gemaakt worden opgenomen in een tabel. Schriftelijke reacties zijn welkom.

    Inbreng deelnemers

    De heer Vermaesen (NOVO)

    • vraagt om bij punt 3 roofvogels toe te voegen. Van decentralisatie naar de provincies vreest hij dat dit nog meer irritaties gaat opleveren omdat iedere provincie zijn eigen beleid heeft waardoor provincies ook eigen besluiten gaan nemen. Dan mag in de ene provincie iets anders dan in de andere, wat heel lastig wordt. Organisaties moeten dan met alle twaalf provincies om tafel om te kijken hoe het moet worden geregeld. Dit leidt tot veel meer irritaties als moet worden onderhandeld over welke vogels in de jacht mogen worden gebruikt. Van de extra dieren die buiten de jacht vallen maar waarvoor schadebestrijding nodig zou kunnen zijn, blijft wellicht landelijk en provinciaal de vrijstellingslijst gehandhaafd. Dan moet over de artikelen 65, 66 en 67 met alle provincies om tafel worden gegaan als overlast moet worden bestreden.

    • Als de grondgebruiker mag beslissen welke exoot wel en niet mag worden bestreden, dan wordt van de grondgebruiker wel heel veel kennis over de natuur verwacht, welke bij de meesten niet aanwezig is.

    • De heer Vermaesen wil graag dat de overheid de valkerijakte in leven houdt, in elk geval voor de havik en de slechtvalk. Als er gebruik kan worden gemaakt van andere roofvogels buiten de havik en de slechtvalk, dan is daarvoor ook een valkerijakte vereist. Hierdoor is dan in ieder geval de opleiding veiliggesteld.

    • De heer Vermaesen is voor demonstraties met roofvogels en uilen, mits die mensen een gedegen opleiding hebben. Eigenlijk wil hij ook dat mensen die demonstraties geven, een valkerijakte hebben zodat ook daarvoor de opleiding is gewaarborgd. Het NOVO verzorgt de opleiding voor de KNJV. Dit kunnen waarborgen zijn van het kennisniveau van degenen die met roofvogels en uilen jagen. De heer Vermaesen zou dat bij het ministerie willen onderbrengen, waarbij het mogelijk zou kunnen zijn dat een deel daarvan door de provincie wordt uitgevoerd.

    • Een punt van irritatie is het feit dat de valkerijakte ieder jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Hij zou graag zien dat dit hetzelfde wordt geregeld als de jachtakte, voor vijf jaar waarbij een aantal zaken moet worden overlegd zoals nu bij de korpschef van de politie moet worden gedaan. Dat is een kwestie van de akte opsturen en dat zou hij graag geregeld willen zien. Uiteraard zou de overlastbestrijding van exoten ook met vogels moeten kunnen gebeuren en niet alleen met het geweer.

    De heer Melissen is secretaris van de Faunabeheereenheid Limburg.

    • Hij deelt een aantal schriftelijke opmerkingen uit bij het conceptwetsvoorstel en de Memorie van toelichting, zowel van hemzelf als van zijn achterban, terreinbeheerderorganisaties, particuliere grondbezitters, boeren, jagers en de secretarissen van de Verenigde Faunabeheereenheden.

    • In punt 1 van zijn schriftelijke opmerkingen wordt gevraagd wat wordt verstaan onder ‘onnodig lijden’, dat voorkomen dient te worden. Hij vraagt om dit te definiëren. Dit zou theoretisch gezien een bron kunnen zijn voor rechtbanken of iets al dan niet onnodig lijden is en hij vraagt om aan te geven wat hieronder wel of niet dient te worden verstaan om uitgebreide juridische discussies achteraf te ondervangen.

    • Punt 2: in de verklarende lijst wordt wel gesproken over jacht, terwijl verderop in het voorstel wordt gesproken over beheer en schadebestrijding. Er is gepoogd in de eerdere Flora- en Faunawet een knip te maken, die nu niet duidelijk doorloopt. Er wordt niet alleen over jacht gesproken maar ook over beheer en schadebestrijding. De heer Melissen stelt voor om dat dan ook in de begrippenlijst op te nemen en een zwaardere plek te geven. Als het de bedoeling is van de wet om hier een knip te maken, dan moet hierop ook een toelichting worden gegeven.

    • In de Memorie van Toelichting wordt het vervoer van dieren genoemd. De heer Melissen stelt voor om het vervoer van dieren pas van toepassing te laten zijn op het moment dat een dier buiten het eigen jachtveld wordt gebracht. Daarbinnen kan het dier dan gewoon worden vervoerd van de plek waar het is bemachtigd tot aan de auto. Pas op het moment dat men buiten het gebied gaat waar men krachtens de ontheffing is gerechtigd om handelingen aan het dier te verrichten, moet het vervoer zijn geregeld. Punt 6 is een voorbeeld van een discussie over de vraag wanneer een vangkooi al dan niet een vangkooi is. Dit kan waarschijnlijk niet in deze wet worden geregeld en de heer Melissen heeft begrepen dat hij hiervoor misschien een circulaire van het OM moet hebben. Met het oog op de volgorde van de wetsartikelen is het niet duidelijk of het de provincie nu nog wel is toegestaan om een ontheffing te geven voor de vangkooi die is geclassificeerd als een massaal en niet selectief middel, per specifieke diersoort. Opgemerkt wordt dat dit inderdaad mag; gedeputeerde staten kan hiervoor een ontheffing geven.

    • Punt 9 is volgens de heer Melissen een zaak van omgekeerde bewijslast. In de Flora- en Faunawet staat dat het zwaarste middel pas mag worden ingezet als eerst andere alternatieven zijn gebruikt. Hierbij wordt niet aangegeven wat de zin of onzin van deze alternatieve middelen is. Hij vraagt of het mogelijk is om dit om te keren, waarbij het ultieme middel mag worden ingezet tenzij er een aantoonbaar beter, werkend middel is en waarvan naar redelijkheid aan de grondgebruiker kan worden gevraagd om dit in te zetten.

    • Naar aanleiding van punt 11 vraagt de heer Melissen of gedeputeerde staten mag afwijken van de limitatieve opsomming en dus middelen mag ontheffen welke niet op de limitatieve lijst van het Beneluxverdrag/beschikking staan.

    • Punt 12 is hieraan gekoppeld. Op de limitatieve lijst komt niet voor ’s nachts schieten, bij maanlicht schieten, bij kunstlicht schieten en het gebruik van een restlichtkijker. Als deze middelen niet meer kunnen worden ingezet of ontheven, dan ontstaat er een groot probleem met het beheer van wilde zwijnen, niet alleen in hun leefgebied maar zeker ook daarbuiten.

    • Punt 13: in de Memorie van Toelichting staat dat als beschermde vogels dienen te worden gezien, alle in het wild levende vogelsoorten, als vertaling van ‘birds naturally occuring in the wild’. Hierover is een rechtszaak gevoerd in Limburg, met als inzet: vogels die van nature voorkomen in het wild of vogels die voorkomen in het wild. Zoals het nu wordt beschreven zouden ook grote groepen halsbandparkieten, zijnde levende vogels in het wild, beschouwd kunnen worden als beschermde soort. De heer Melissen vraagt om duidelijkheid te geven over het verschil tussen ‘van nature voorkomen’ en ‘in de natuur voorkomen’.

    • Bij punt 14 vraagt de heer Melissen wie het bevoegd gezag is dat bepaalt of de staat van instandhouding al dan niet wordt bedreigd en in welke mate.

    • Over punt 17 merkt de heer Melissen op dat het wilde zwijn in principe jachtsoort zou worden en beperkt tot de periode van 15 augustus tot en met 15 februari. Jachthouders zullen ernaar streven om de stand zo te houden dat ieder jaar kan worden geoogst. Dit staat haaks op de belangen van de landbouwers in de tweede helft van het jaar, want zij willen buiten de leefgebieden geen wilde zwijnen met het oog op schadeontwikkeling. Hij vraagt of er in de rest van het jaar een nulstandbeleid mogelijk of wenselijk is en hoe het zal gaan met schadevergoeding. In principe kan de jager in de winter een mooie populatie in stand houden om van te kunnen oogsten en dan op 15 februari de nulstand nastreven omdat men anders in het jaar daarop met schadeclaims zou kunnen worden geconfronteerd.

    • In de wet staat dat voor grondgebruikers die 40 ha grond hebben de mogelijkheid komt om een akte te krijgen voor beheer en schadebestrijding. De heer Melissen vraagt om een toevoeging waarbij het mogelijk wordt dat een willekeurig persoon hiervoor een akte kan krijgen zodat de boer aan een jager kan vragen om zijn probleem op te lossen.

    • Het is de heer Melissen opgevallen dat er veel gebieden zijn die deels zijn ingesloten in natuurgebieden en daardoor niet voldoen aan de 40 ha-eis en de cirkels die kunnen worden getrokken. In de praktijk wordt dit soms opgelost met nulcontracten of contracten op afroep. Hij vraagt om grondgebruikers in staat te stellen toch aan beheer en schadebestrijding te doen. Er moeten mogelijkheden komen om dit op een legale manier te doen, zodat men niet afhankelijk is van de goodwill van de buurman om al dan niet te mogen schieten.

    • Voor verwilderde dieren stelt de heer Melissen bij punt 21 voor om in de begrippenlijst op te nemen wat hieronder wordt verstaan. Hierdoor kunnen discussies in het veld en eventuele problemen met handhaven, worden voorkomen.

    • Bij punt 23 wordt aangegeven dat de afhandeling van valwild een groot grijs gebied is. Het is de vraag of het mag of niet of wordt gedoogd en of degene die het dier heeft aangereden er iets mee mag doen. Voor die diersoorten waarvoor ontheffingen zijn dat zij mogen worden gedood of bemachtigd, zou moeten worden bekeken of het onder zich brengen en vervoeren daaronder kan worden geschaard.

    • De heer Melissen geeft een voorbeeld van een biologische fruitteler die alle mogelijke middelen inzet om al het wild uit zijn tuin te weren. Dit lukt hem wel en hij heeft geen schades. Zijn buurman doet niet zoveel, hij zet wat vlaggetjes neer en knalt drie keer waar de vogels zich niets van aantrekken en hij krijgt zijn schade vergoed. In feite is dit een rechtsongelijkheid want de biologische fruitteler investeert en heeft minder inkomsten en krijgt zijn schade niet gecompenseerd. Iemand die minder zijn best doet, krijgt wel compensatie. Het is dus de vraag of kapitalisatie kan plaatsvinden of een tegemoetkoming voor dure werende middelen en technieken, waardoor men niet tot afschot hoeft te komen maar ook geen schade heeft.

    De heer Hoekstra spreekt namens de Bond Friese Vogelwachten en voor de Weidevogelbescherming in Friesland, een van de kerntaken van de bond.

    • Als onderdeel van de Weidevogelbescherming mogen zij in Friesland eieren zoeken en rapen. Hij maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkelingen in het aantal vrijwilligers. Drie jaar geleden was er een beperking in tijd en dit is veranderd in een beperking op aantallen. Hij zou graag zien dat de beperking in tijd weer wordt ingevoerd en dat dit via vrijstelling kan worden geregeld.

    De heer Croughs spreekt namens de Platteland Alliantie Nederland (PAN)en namens de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG).

    • Een belangrijk punt waarover in het verleden een aantal rechtszaken heeft plaatsgevonden, is een duidelijke beschrijving van het begrip: ‘geen andere bevredigende oplossing’. Hiervoor dient een duidelijke omschrijving te komen die discussies en rechtszaken voorkomt. Als voorstel geeft hij de volgende formulering: ‘Geen andere bevredigende oplossing betekent dat er geen alternatieve oplossing is om het probleem op te lossen, als die met objectieve en verifieerbare factoren dienen te zijn onderbouwd, zoals wetenschappelijke en technische feiten.  Gedeputeerde staten dienen verplicht de haar bekende" Andere Bevredigende Oplossing"(ABO) voor het beheer van één of meerdere diersoorten op te nemen in de provinciale beleidsnota. Indien deze zijn aangegeven in de beleidsnota betekent dit, dat er voor de genoemde diersoort(en) waar de ABO’s zijn aangegeven, dat hiervoor niet geëist wordt, dat hiervoor een Faunabeheerplan wordt opgesteld.

    • Hij vraagt ook om bijzondere weeromstandigheden nader te omschrijven. Als alles door de provincie moet worden beslist, dan moet in de beschrijving in de wet komen te staan wat die bijzondere weeromstandigheden zijn. Als voorbeeld noemt hij het Voorstel wintersluiting die de KNJV in het verleden heeft gedaan en dat in de wet te gebruiken, zodat iedere provincie dit op dezelfde wijze interpreteert en er geen verschil van inzicht is.

    • Bij het begrip grondgebruiker vraagt de heer Croughs om net als in de vorige wet artikel 65 toe te passen. Op dit moment is 24% van alle pachtgronden verpacht op basis van een mondelinge overeenkomst of op basis van een beperkt recht. Dat wil zeggen dat volgens het voorstel op 24% van alle pachtgronden geen schadebestrijding mogelijk is. Hij wil dat beperkt recht weer terugkomt in de wet.

    • In Nederland bestaan 330 wildbeheereenheden die uitvoerder zijn van faunabeheer. Een belangrijke taak van de wildbeheereenheden is dat zij gecoördineerd wildbeheer doen in hun gebied, maar ook gecoördineerd doen aan het beheer van diersoorten en aan schadebestrijding. Het is belangrijk dat zij weer in de wet worden opgenomen, want de gronden die de Wbe’s beheren zijn maatgevend voor het beheer van die diersoorten op het grondgebied in geheel Nederland. Bijvoorbeeld: Ganzen worden niet beheerd op perceelsniveau zoals het nu naar voren komt, maar op gebiedsniveau. Een van de maatstaven daarvan is het werkgebied van de wildbeheereenheid. Dus moet de wildbeheereenheid weer in de wet worden genoemd en ook bij beheer en schadebestrijding worden vermeld.

    • In het voorstel kan de jachthuurovereenkomst nu worden gesloten van één tot bij wijze van spreken honderd jaar. Dit is een overeenkomst om de jachtrechten te mogen huren van de grondeigenaar cq de gemachtigde. In het verleden was er altijd een jachtovereenkomst van zes jaar die later is verruimd naar twaalf jaar. Jachtrechten dienen voor minimaal 6 jaar of langer te gelden. Dit om langdurig wildbeheer van dezelfde jachthouders mogelijk te maken en in het belang van een goede wildstand. Deze minimum duur voorkomt onnodig veel onderhandelingen en onrust tussen de grondeigenaar/gebruiker en de jachthouders voor de continuïteit van een jachtveld en investeren in het toezicht door Boa’s .

    • Ook wil de heer Croughs dat er een duidelijke omschrijving komt van exoten en verwilderde dieren en op welke grond die moeten worden bestreden. Het is nu niet duidelijk of dit kan op basis van een jachthuurovereenkomst of op basis van toestemming van de grondgebruiker er is immers geen toestemming van de provincie nodig.

    • Over de jachtakte merkt hij op dat in de wet staat dat deze kan worden aangevraagd voor 40 ha. Hij stelt voor dat de jachtakten in de toekomst voor minimaal drie of vijf jaar worden afgegeven. Dit bespaart veel administratieve lasten, wat ook geldt voor de daaraan gekoppelde verzekeringsbewijzen. Ook die zouden voor drie of vijf jaar geldig moeten zijn.

    • In het Benelux-verdrag worden limitatieve middelen genoemd die mogen worden gebruikt bij beheer en schadebestrijding. Het verbaast de heer Croughs dat die hier worden beperkt tot het Benelux-verdrag. Als schade moet worden bestreden in het belang van de grondgebruiker of Fauna en flora, moeten er uitzonderingen worden gemaakt voor elektronische middelen, niet voor vangen of doden van de dieren, maar wel voor het lokken van de dieren. Daarmee kan selectief en effectief schade worden bestreden. Het is beter om een gans dichtbij te krijgen dan wanneer hij op grote afstand moet worden geschoten. Daarom verzoekt de heer Croughs om deze lijst van middelen uit te breiden, in verband met het voorkomen van onnodig lijden. Het Benelux-verdrag is niet bestemd voor schadebestrijding en beheer, maar alleen voor de jacht. Dit maakt een groot verschil. In de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn worden alleen elektronische middelen uitgesloten, indien die bedoeld zijn voor het doden van diersoorten, die niet mogen worden gebruikt voor het vangen en doden van dieren, wat niets te maken heeft met lokken. In alle EU-landen worden elektronische lokmiddelen wel toegestaan.

    • Een heel belangrijk punt is dat de wederverhuur van jachtrechten niet meer is opgenomen in de wet. Alle WBE's in Nederland hebben een overeenkomst waarmee zij gronden pachten namens hun leden, omdat de leden hun jachtrechten door wederverhuur afstaan aan de WBE om zodoende een groot jacht- of beheerveld te krijgen. Door het niet toestaan van wederverhuur ontstaan er grote uitvoeringsproblemen in de uitvoering voor de wildbeheereenheid in Nederland. De heer Croughs verzoekt om dit weer op te nemen in de wet.

    • Voor de wildbeheereenheden is het ook heel belangrijk dat 40% van alle jagers in Nederland de jachtakte krijgen op basis van (art. 36 lid 1), Toestemming om in gezelschap van de jachthouder de jacht te mogen uitoefenen. Op basis van dit artikel wordt de jachtakte aangevraagd. Als dit vervalt, ontstaan er grote problemen voor deze jachtaktehouders.

    • Bij de criteria ‘jacht’ zou hij graag zien dat daar een derde reden wordt opgenoemd voor overige diersoorten. Nu worden landelijk vrijgestelde diersoorten niet meer genoemd, want alles gaat naar de provincie. Van de Canadese gans, de vos, de zwarte kraai, de kauw, de houtduif en het konijn heeft het Faunafonds geen schadeverleden bijgehouden en de faunabeheereenheden ook niet, omdat dat niet nodig was. Als er geen landelijke vrijstelling is, ontstaan er weer grote rechtsgangen en dat wil hij voorkomen. Hij zou ook graag zien dat er een derde criterium aan het begrip ‘jacht’ wordt toegevoegd, namelijk jacht in het kader van faunabeheer. De zwarte kraai en de kauw zouden het hele jaar door bejaagbaar moeten kunnen zijn, evenals de vos. Op dit moment kan niet worden aangetoond dat er faunaschade is. Ook de omschrijving van faunaschade is niet geregeld en het is niet duidelijk welke criteria hiervoor gelden.

    • Het wilde zwijn en de gans worden als wildsoort genoemd. De heer Croughs wijst erop dat de schade door ganzen wordt geschat op € 24 miljoen. Als deze schadepost wordt afgewenteld op jagers en grondgebruikers dan vindt hij dat ongepast. Hij wil dat er een goede overgangsregeling komt zodat de jagers en de grondgebruikers niet hoeven op te komen voor de schade die er al is of die in de toekomst ontstaat.

    • Over het gebruik van middelen en met name van munitie merkt de heer Croughs op dat de wet wapens en munitie wat de jacht betreft, is gebaseerd op de oude soort loodhagel. In het verleden is overgestapt van loden hagel naar stalen hagel en het gevolg daarvan is voor de diersoorten dat er veel zwaardere soorten hagel moeten worden gebruikt om deze net zo dodelijk te laten zijn als het schokeffect van loodhagel. Hij stelt voor om net als in Amerika de staalhagelpatronen van 3,5 mm te vergroten naar 4,5 mm om het dodelijke effect van een schot hagel te vergroten om onnodig lijden te voorkomen.

    • Over openings- en sluitingstijden van de jacht en voor diersoorten is de heer Croughs van mening dat dit landelijk moet worden bepaald in verband met de rechtsgelijkheid. Een grondeigenaar in Groningen die een diersoort mag laten bejagen, moet gelijk zijn aan degene die in Noord-Brabant acht soorten mag bejagen. Het jachtseizoen en wildsoorten moeten landelijk zijn geregeld door het ministerie en niet door de provincie, want alle besluiten van de provincie zijn onderhevig aan beroep en bezwaar.

    • Op dit moment wordt alleen de regeling voor het jachtexamen genoemd als basis waarop een jachtakte kan worden aangevraagd. De heer Croughs vindt dat de overgangsregeling moet worden gehandhaafd voor alle jachtaktes die voor 1 januari 1977 zijn verstrekt, om op grond daarvan opnieuw een jachtakte te verkrijgen. Voor jachtexamens in het buitenland moet worden aangegeven van welk land het examen erkend is om in Nederland een jachtakte mee te kunnen krijgen en van welk land niet. Dit moet worden aangegeven in een bijlage. Het verzekeringsbewijs moet gelijk zijn aan de duur van de jachtakte.

    • In artikel 3.27 lid 2, dient volgens de heer Croughs ‘in het veld’ te worden verwijderd. In Nederland ontstaat veel faunaschade door (verwilderde) katten die jaarlijks meer dan 10 miljoen vogels, insecten en andere diersoorten doden.

    • Driekwart van de ganzen komt voor in de terreinen van de terreinbeherende organisaties. Zij brengen hun jongen groot en als deze kunnen vliegen, groeien zij op, op de gronden van de landbouwers. Er is geen enkele verantwoordelijkheidszin bij de terreinbeherende organisaties ten opzichte van de landbouwers, want zij hebben andere doelstellingen. Er moet voor worden gezorgd dat de buurman geen last heeft van de doelen van tbo’s. Hier wordt nu niet op gelet en ‘goed nabuurschap’ dient te worden opgenomen in de wet als een verplichting om samen te werken.

    De heer Lambooij van NGB/DHV

    • vindt dat er ruimte moet blijven voor de inzet van jachtvogels naast slechtvalk en havik. Hij vraagt om te kunnen afstappen van de specifieke eis van 40 ha voor schadebestrijding en dit helemaal vrij te geven. Als er een mogelijkheid voor ontheffing zou zijn, moet hiervoor een duidelijk kader worden gegeven waarbinnen zo’n ontheffing wordt beoordeeld. Hij begrijpt dat het voortaan mogelijk is om een ontheffing te verlenen voor onbepaalde tijd en hij vraagt wat daarmee wordt bedoeld.

    De heer Ripmeester laat namens de Dierenbescherming

    • een iets ander geluid horen. In zijn optiek zorgt jacht voor verstoring en dierenleed, doordat het regelmatig voorkomt dat dieren niet in een keer worden geschoten. Dit vermindert het welzijn van de dieren; 40% van de ganzen heeft hagel in het lichaam. Uitbreiding van de jacht in het kader van schadebestrijding en beheer zal dan ook nooit tot succes leiden. Er moet meer worden gezocht naar betaalbare preventieve maatregelen. Daarmee krijgen de grondgebruikers voldoende middelen om schade te voorkomen, zonder doden en zonder jacht. De uitbreiding van mogelijkheden om dieren te doden in het kader van benuttingsjacht is maatschappelijk onverantwoord en weinig effectief om schade te voorkomen. Bij de randvoorwaarden is in een moderne afgewogen beschermingswet naast principes voor beheer en schadebestrijding geen ruimte en ook geen noodzaak voor uitbreiding van bejaagbare soorten. In het kader van dierenbescherming is dit buitengewoon ongewenst en een onbegaanbare weg. De heer Ripmeester stelt voor om de Flora- en Faunawet aan te passen binnen de huidige kaders en daarnaast de huidige regels voor de jacht te heroverwegen.

    Mevrouw Iken van de provincie Flevoland (IPO)

    • constateert dat er onrust is over decentralisatie. De provincies gaan niet telkens het wiel uitvinden en stemmen onderling af en nemen successen uit het verleden mee.

    De heer Niesen van Faunabescherming

    • is het eens met de heer Ripmeester dat jacht altijd schadelijk is. In het oorspronkelijke ontwerp van de Flora- en Faunawet van voor 2000 kwam jacht niet voor. Daarin waren de huidige zes bejaagbare soorten eruit gelaten. Die zijn er pas bij amendement in de Tweede Kamer weer in gekomen, omdat sommige partijen vonden dat de jacht aantrekkelijk moest blijven om jagers niet te degenereren tot schadebestrijders. De jacht heeft altijd grote impact op het gebied waar dit plaatsvindt en niet alleen op de bejaagde soorten. Als er wordt gejaagd op hazen en er zitten ook bruine kiekendieven in hetzelfde gebied, dan vertrekken de bruine kiekendieven. In sommige gevallen kan het indirecte effect van de jacht nog veel groter zijn voor kwetsbare soorten dan voor de soort waarop wordt gejaagd, omdat die meestal wel in grotere aantallen aanwezig is. Voor Faunabescherming is de jacht een volstrekt overbodige activiteit. Afgezien van het feit dat er ook vergissingen worden gemaakt en de verkeerde soort wordt beschoten, is het ook een doorn in het oog van de meerderheid van de recreanten. Zij wensen niet mee te maken dat mensen dieren voor de lol doodschieten in hun favoriete recreatiegebied, ook al wordt het beheer of schadebestrijding genoemd. Ook dit zou jacht moeten worden genoemd, omdat beheer en schadebestrijding in de praktijk bezigheden zijn waarvan vast staat dat zij absoluut het doel niet bereiken dat men ervan verwacht.

    • Door het bestrijden van ganzen wordt niets gedaan aan de oorzaak van het probleem. Dit is symptoombestrijding. De heer Niesen begrijpt dat nu wordt gekeken naar de mogelijkheid om ganzen te vergassen. Dit vindt hij een verwerpelijke methode. Hij wijst er ook op dat het afschieten van grote hoeveelheden ganzen niet zal helpen om de aantallen en daarmee de schade te verminderen. Het is ook zinloos om nesten te behandelen. Hierover is vijf jaar geleden al een rapport opgemaakt waaruit blijkt dat het geen enkel effect heeft. Daarom is het ook juridisch overbodig omdat aannemelijk moet worden gemaakt dat bestrijding helpt. Anders mag het niet en wordt ook volgens de nieuwe wet gehandeld in strijd met de zorgplicht voor de betreffende dieren.

    • In de vragenlijst wordt gevraagd naar verlichting of verzwaring van de lasten. Volgens de heer Niesen hangt het ervan af over wiens lasten het gaat. Het is duidelijk dat het in het nieuwe wetsvoorstel gemakkelijker wordt om dingen te doen die hij en zijn achterban niet willen. Dat betekent ook het houden van in het wild in Europa voorkomende vogelsoorten. Roofvogels en uilen zijn de ernstigste zaak en ooit heeft de minister voorgesteld om een uitsterfsysteem te hanteren. Hierdoor zouden de 35 gediplomeerde valkeniers vanzelf uitsterven en er zouden geen nieuwe vergunningen worden verstrekt. Helaas is dat niet doorgegaan en als legitimatie daarvoor wordt het Arrest van Vergy waarin staat dat vogels die in gevangenschap zijn opgegroeid, niet meer mogen worden losgelaten in de natuur. Dit arrest is tot stand gekomen ter bescherming van die diersoorten maar het wordt nu gebruikt als legitimatie voor het houden van dieren die in gevangenschap zijn opgegroeid. Grote aantallen uilen en roofvogels zijn echter niet in gevangenschap geboren. Hierop vindt nauwelijks controle plaats en als dat wel gebeurt, moeten controleurs een meer dan normale hoeveelheid verstand van zaken hebben om te kunnen vaststellen dat de slechtvalk in gevangenschap hetzelfde dier is als in de papieren wordt beschreven. Het is niet vast te stellen hoe jong of hoe oud dat dier is en daar wordt heel veel mee gesjoemeld. De heer Niesen vraagt om een einde te maken aan de wildgroei van het in gevangenschap houden van Europese vogels.

    • Muskusratten dienen volgens de heer Niesen niet meer te worden beschouwd als exoten. Het is een diersoort die hier al vijftig jaar voorkomt en wij zullen hem nooit kwijtraken. Zij kunnen een bedreiging vormen, maar een exoot is de muskusrat niet meer, hij is ingeburgerd. De heer Niesen pleit ervoor om alle soorten exoten die hier inmiddels vaste voet onder de grond hebben niet te bestrijden. Het is van tevoren duidelijk dat het willekeurig bestrijden van de nijlgans en de Canadese gans of de halsbandparkieten geen enkel effect zal hebben of dat het aantal substantieel zal verminderen. Nog afgezien van het feit dat de meeste exoten geen overlast veroorzaken. Zij horen hier van nature niet thuis, maar dat geldt ook voor veel bomen en planten in Nederland. In plaats van hen te bestrijden, adviseert de heer Niesen om in te zetten op het voorkomen van ontstaan van populaties van exoten. Het is bekend dat juist dankzij jagerskringen allerlei exoten in Nederland terecht zijn gekomen omdat zij zijn uitgezet voor de jacht. Van de heer Niesen mogen zij blijven.

    De heer Leidekker (NP De Hoge Veluwe)

    • heeft in de vorige bijeenkomst gezegd dat hij het wonderlijk vindt dat men hier zit om te praten over maatregelen die een onderdeel zijn van het beheer. Er is geen bijeenkomst over grasmaaien of houtkappen: dat gaat over de uitvoering van beheer. De meningen over de jacht lopen heel ver uiteen, ook onder wetenschappers en daarom begrijpt hij wel dat er iets moet worden geregeld over dit facet van het beheer. De heer Leidekker is blij dat er een verruiming plaatsvindt voor mogelijkheden in het beheer. Een aantal dingen moet preciezer worden geregeld, zoals het nulstandbeleid. Er moeten goede uitspraken worden gedaan over wat men hiermee wil en welke standpunten in Nederland worden ingenomen. Er moet worden bepaald of het al dan niet wenselijk is dat er buiten de nu vastgestelde leefgebieden van grofwild ook grofwild voorkomt. Als grofwild buiten de vastgestelde leefgebieden als lastig wordt ervaren, dan moet daar zowel landelijk beleid als handhaving voor worden ingesteld.

    • Het is goed dat de jachthouder verantwoordelijk wordt gesteld voor geleden schade. In de praktijk van het grofwildbeheer ziet hij dat er tegenstrijdige belangen zijn. Als er een principiële keuze wordt gemaakt om iets wel of niet te doen, kan er mogelijk een probleem worden verplaatst naar de buurman. Een voorbeeld daarvan is het besluit van de provincie Gelderland om in het zuiden van de Veluwe het hertenkerende raster te verlagen naar één meter zonder dat daarvoor goede regelingen waren getroffen met de eigenaren van aangrenzende gebieden. Deze boeren zagen hun oogst verdwijnen en zij trokken hun eigen rasters op; een tegengestelde beweging. In feite wordt gezegd dat men pas voor schadevergoeding in aanmerking komt als al het mogelijke is gedaan om dit te voorkomen en dat kan alleen maar door een raster. Hierdoor ontstaat er een verloedering in het landschap..

    • Een ander voorbeeld is een boer die zijn land naast een landgoed heeft, waar principieel niet wordt gejaagd. Hij heeft inmiddels al zijn leveringscontracten opgezegd want hij heeft geen oogst meer, omdat de edelherten die lekker vinden. Daarom moet de jachthouder verantwoordelijk worden gesteld voor geleden schade vanuit zijn terrein. In Duitsland is men een stap verder met het regelen hiervan.

    • De heer Leidekker vraagt om uitgaande van de gekozen motivatie voor het toevoegen van het wilde zwijn aan de wildlijst, op dezelfde manier te kijken naar het edelhert en het ree. Hij denkt dat die in dezelfde categorie thuishoren. Voor beide soorten is sprake van een gunstige staat van instandhouding en van schadebestrijding.

    • Over jachtmiddelen en de jachttermijn vraagt de heer Leidekker om meer naar de wildsoort te kijken. Varkens moeten in de eerste twee maanden van de zomer worden beheerd om problemen te voorkomen. Per soort moet worden bekeken hoe dit het beste effectief kan worden gedaan. Hij wil hier wel over meepraten.

    • In tegenstelling tot de PAN staat hij wel achter het terugbrengen van de contracttijd naar een jaar, omdat het soms goed uitkomt om een contract met een jager niet te verlengen. Dit is afhankelijk van het belang.

    De heer Repelaer van de FPG

    • bevestigt de noodzaak van populatiebeheer van diersoorten die het onbeheersbare benaderen zoals ganzen in het weiland, damherten in de duinen en op de Veluwe en wilde varkens. Een eigenaar heeft het recht om een gebied jachtvrij te verklaren, wat de oorzaak is van overbevolking. Ook organisaties zien in dat dit veel schade toebrengt aan het milieu en de biodiversiteit en dat er iets moet gebeuren. Dan moet de wet wel extra instrumentarium bieden om dat mogelijk te maken. Dit kan het beste worden gedaan door de provincies die regionaal kunnen optreden, maar de wet moet goede kaders stellen met extra bevoegdheden. Met betrekking tot ganzenschade is gewag gemaakt van internationale verplichtingen die Nederland zou hebben. De heer Repelaer vraagt welke dat zijn en om welke ganzensoorten het gaat. Voordat de lijst van bejaagbare soorten wordt uitgebreid, moet worden bekeken of hier nog andere soorten bij kunnen en wat de exacte verplichtingen zijn. Voordat de definitieve tekst wordt vastgesteld, moet bekend zijn in welke gebieden in Nederland dit een rol speelt. De motivatie voor jacht is schadebestrijding.

    • Dit komt niet terug in het voorstel. Kraaiachtigen en andere soorten moeten duidelijk in de wetgeving worden toegevoegd. De heer Repelaar ondersteunt de opmerkingen die door FBE Limburg en de PAN naar voren zijn gebracht. Hij steunt deze reactie evenals de inbreng over grofwild.

    De heer Jamin spreekt ook namens de FPG.

    • Hij heeft een aantal vragen over artikel 3.7.3 Schadeverantwoordelijkheid van de jachthouder. Hij begrijpt dat er sprake is van een delict als die het uit de hand laat lopen. Er is een inspanningsverplichting om schade door bejaagbare soorten te voorkomen. Zij veroorzaken echter ook schade buiten de jachtperiode. Hoe zit het dan met schade buiten deze periode. Hij vraagt hoe wordt omgegaan met deze inspanningsverplichting van de jachthouder of grondgebruiker als de jacht wordt gesloten en waar de schadeclaim dan moet worden neergelegd. Ook is onduidelijk wie deze claim beoordeelt.

    • Uitvoerbaarheid van de wet is heel belangrijk. Er mag geen versplintering van beleid optreden, waarbij schadeverantwoordelijkheid die nu bij de overheid ligt wordt afgeschoven. De heer Jamin vreest dat er meer conflicten zullen ontstaan in het buitengebied met een diffuse beoordeling van schadeclaims. De schade is uit de hand gelopen en de gevolgen daarvan word nu neergelegd bij grondgebruikers en jachthouders .

    De heer Dijkhuis van de KNJV

    • onderschrijft de reactie van de PAN/NOJG. Hij heeft een groot aantal opmerkingen die schriftelijk zullen worden ingediend. De Europese context spreekt hem erg aan, omdat jacht als beschermingsregime een plek krijgt. Hierdoor krijgen jagers ook verplichtingen voor instandhouding van de soorten en voor beperking van de schade. Hij vindt het mooi dat dit wordt erkend. Ook de ‘ja mits-benadering’ spreekt hem erg aan. Hij stelt voor om gebruik te maken van vrijwilligers om op die manier de burgers bij het beleid te betrekken. Jagers vertegenwoordigen een groot maatschappelijk belang. Hier moet gebruik van worden gemaakt en er moet worden gezorgd voor meer draagvlak. Als randvoorwaarde geeft de heer Dijkhuis aan dat vertrouwen moet worden gesteld in de organisatie en de goede structuur van de jacht in Nederland. 95% van de Nederlanders is tegen plezierjacht, maar 80% is voor beheerjacht. Naar aanleiding van de vraag welke alternatieven er zijn, merkt de heer Dijkhuis op dat nu een aantal soorten wordt voorgesteld, terwijl Europese regelgeving ruimte biedt voor veel meer soorten. Hij vraagt of het niet beter is om 40 soorten op die lijst te zetten en burgers verantwoordelijk te maken. Hij is benieuwd naar de verhouding tussen de verplichting uit de Beneluxregels en die van de EU. De Beneluxregelgeving over jacht is in zijn geheel door Europese regelgeving overgenomen, waardoor de Beneluxregels achterhaald zijn.

    Pauze

    Vervolg inbreng deelnemers

    De voorzitter heropent de bijeenkomst om 16.05 uur. Er zal eerst een reactie worden gegeven op alle punten die naar voren zijn gebracht. Daarna is er ruimte voor discussie.

    De heer Tollerton bedankt de deelnemers voor alle opmerkingen en voor de schriftelijke bijdragen.

    • Over de uitbreiding van de lijst van bejaagbare soorten zijn tegengestelde standpunten geuit. Sommigen pleiten voor helemaal geen jacht en anderen voor een uitgebreidere jacht. Ook is gevraagd naar de definitie van jacht tegenover schadebestrijding en ook hierbij zijn pleidooien gehouden voor en tegen een landelijk vrijstellingsbeleid. Er zal goed worden bestudeerd welke systematiek zal worden toegepast en welke criteria voor welke categorieën worden gebruikt.

    • Ook zal worden bekeken wat landelijk moet worden geregeld en wat logischerwijs kan worden gedecentraliseerd naar de provincies.

    • Welke wildsoorten onder jacht en schadebestrijding vallen, is onderdeel van de afweging. Ook de vraag of het er meer of minder zijn dan nu en hoeveel, moet nog worden bekeken. De systematiek hiervoor moet nog worden verduidelijkt en voor de verhouding tussen regimes moeten toetsbare criteria worden vastgesteld.

    • Over exoten is opgemerkt dat preventie belangrijker is dan bestrijding. Het wetsvoorstel bevat hiervoor instrumenten door het uitvaardigen van bezits- en handelsverboden. Ook door middel van goede communicatie kan winst worden behaald. Dat neemt niet weg dat er exoten kunnen zijn waarvan het van belang is dat zij worden geëlimineerd als zij er eenmaal zijn. Het is echter geen uitgangspunt van de wet dat alle exoten verdwijnen, maar bij exoten die groot gevaar opleveren, kan worden ingegrepen om grotere schade te voorkomen.

    De heer Niesen merkt op;

    • dat dan aan de voorwaarde moet zijn voldaan dat de maatregel ook daadwerkelijk effect heeft. De heer Tollerton beaamt dit. Er zal een risicobeoordeling moeten zijn van de voor- en nadelen van ingrijpen. De heer Niesen noemt als voorbeeld een kolonie van heilige ibissen in Frankrijk, die zich inmiddels hebben verspreid over andere landen. Sinds een aantal jaren broeden zij ook in Botshol. Dit jaar zijn zij daar weggeschoten. Heilige ibissen is een soort die hier van nature niet hoort, maar als exoot zijn zij niet invasief te noemen. Hij vraagt welke gedachte hierachter zit en of er sprake is van een reëel gevaar. De heer Tollerton denkt dat in dit geval sprake is van exoten die zich in Nederland vestigen en waarvan het niet realistisch om te denken dat zij uit de natuur kunnen worden gehouden. Wat niet wegneemt dat er een reden moet zijn om ze te bestrijden. Gedeputeerde staten kunnen hiervoor het initiatief nemen.

    De heer Croughs merkt op;

    • dat in het vorige gesprekssessie exoten heel andere uitgangspunten zijn genoemd voor het bestrijden van exoten. Deze dienden te worden bestreden op basis van een landelijke lijst van exoten en verwilderde diersoorten. Dit betekent dat er provinciale opdracht moet zijn om de stand van die diersoorten terug te brengen.

    De heer Melissen wijst erop;

    • dat er twee categorieën zijn. Er zijn soorten waarvan de minister zegt dat de provincies inspanningen moeten leveren om deze uit te roeien en er zijn minder invasieve soorten waarvoor de mogelijkheid bestaat om middelen in te zetten als er problemen ontstaan.

    De heer Croughs merkt op;

    • dat er dan een landelijke verplichting is om exoten te bestrijden. Op provinciaal niveau kan worden besloten tot bestrijding van exoten als de grondgebruiker dat wil. Hiermee voorziet hij hetzelfde probleem als nu met de ganzen. Op de ene plaats mag het wel en op de andere niet met als gevolg dat er overal schade wordt toegebracht en overlast wordt bezorgd doordat de terreinbeherende organisaties ze zullen beschermen. Hiermee wordt het paard achter de wagen gespannen.

    De heer Tollerton vat samen dat;

    • in het wetsvoorstel wordt geregeld dat voor invasieve exoten die moeten verdwijnen een aanwijzing plaatsvindt waartegen de grondgebruiker het geweer mag gebruiken. Gedeputeerde staten heeft de bevoegdheid om ook exoten aan te wijzen waarvan de stand moet worden teruggebracht, als er problemen ontstaan voor de volksgezondheid of de verkeersveiligheid op regionaal of provinciaal niveau. Dit staat los van soorten die worden beheerd.

    Als beheerder van een park merkt de heer Leidekker op;

    • dat een organisatie een doelstelling heeft van waaruit bepaalde beslissingen worden genomen. Als er mogelijkheden zijn om iets te doen met een bepaalde dier- of plantensoort maar een ander ondervindt daarvan schade, dan moet ook de verantwoordelijkheid worden genomen voor de gevolgen van deze keuze.

    De heer Niesen vindt dat;

    • dan vanuit de zorgplicht moet worden aangetoond dat er sprake is van dreigend gevaar. De beslissing om een exoot te bestrijden moet worden gemotiveerd. Hij vraagt dan ook naar de motivatie voor het bestrijden van de heilige ibissen, die geen schade veroorzaakten. Hij is erop tegen dat een exoot wordt bestreden om geen andere reden dan het feit dat het een exoot is en gemakkelijk aan te pakken. Redenen om een invasieve exoot te bestrijden, moeten duidelijk kunnen worden gemaakt aan het grote publiek.

    De heer Ostendorf (EL&I)merkt op;

    • dat de heilige ibissen niet in Rijksopdracht zijn afgeschoten. De overheid wijst wel soorten aan waaraan iets moet gebeuren, maar bij de ibissen is dat niet het geval. Dit is dus geen goed voorbeeld van de gang van zaken volgens het wetsvoorstel.

    De heer Croughs

    • verwijst naar de marterhond die nu nog te bestrijden is. Hiervoor moeten dan wel middelen worden gegeven omdat er anders faunaschade ontstaat doordat veel andere diersoorten in het gedrang komen. Hij vraagt hoe dit moet worden getoetst. Als er sprake is van een kleine groep, moet een duidelijke keuze worden gemaakt. Er kunnen dan op provinciaal niveau maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het uitgroeit tot een probleem.

    De heer Jamin vraagt;

    • of er schadedreiging moet zijn in Nederland of in vergelijkbare biotopen in het buitenland. Als er een lijst wordt gemaakt van mogelijke invasieve soorten in het buitenland, kan in vergelijkbare gevallen worden beoordeeld of zij schade zullen opleveren.

    De heer Niesen;

    • wil echter criteria horen op basis waarvan bestrijding gaat plaatsvinden. In Duitsland wordt zowel de marterhond als de wasbeer intensief bestreden, maar het worden er niet minder en ze komen ook naar Nederland.

    De heer Croughs;

    • vindt dat het ministerie keuzes moet maken met duidelijke criteria voor bestrijding waarvoor de juiste middelen ter beschikking worden gesteld. Dit staat nog niet duidelijk genoeg in het wetsvoorstel.

    De heer Tollerton geeft aan;

    • dat een aantal begrippen is genoemd, zoals verwilderde dieren, staat van instandhouding, andere oplossing, waarop in algemene zin kan ingaan. De bedoeling is om zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over deze begrippen, maar er moet ook ruimte zijn voor maatwerk in de praktijk. In de Memorie van Toelichting kan een beschrijving worden gegeven zonder dat de mogelijkheid van maatwerk wordt weggenomen. Er zal een goede definitie van deze begrippen worden gegeven.

    • De valkerijakte is in dit voorstel geschrapt vanuit het idee om zo min mogelijk vergunningstelsels in de wet op te nemen en omdat de meerwaarde hiervan onvoldoende is. De opleidingseis voor valkeniers is wel in de wet gehouden, zodat deze is gewaarborgd.

    De heer Vermaesen;

    • vindt dat de valkerijakte dan onder de jachtakte moet vallen, omdat valkerij puur een vorm van jacht is. Over de opleidingseis vraagt hij zich af hoe in het veld kan worden aangetoond dat iemand een diploma heeft gehaald.

    • De havik en de slechtvalk komen van oudsher voor op de vroegere Vogelvergunning, maar de heer Vermaesen vraagt zich af of het bij deze twee vogels blijft of dat volgens de nieuwe wet met alle roofvogels mag worden gejaagd.

    De heer Tollerton;

    • antwoordt dat de vogelsoorten waarmee mag worden gejaagd, worden aangegeven bij AMvB. In de jachtakte wordt aangesloten bij de Wet wapens en munitie, die uitgaat van het gebruik van een geweer. Vanuit die systematiek wordt de jachtakte in stand gehouden. Nadelige effecten in de handhaving van het verdwijnen van de valkerijakte, moeten worden nagegaan.

    De heer Vermaesen;

    • merkt op dat als de valkerijakte vervalt, ook de numerus fixus is opgeheven. De valkeniers willen zich de numerus fixus zelf opleggen, omdat een kerkuil niet in huis hoort te worden gehouden. Daarom is het belangrijk om alles te koppelen aan de akte zodat het is gewaarborgd dat valkeniers een gedegen opleiding hebben gehad via de KNJV. Hij pleit ervoor om voor ± 200 personen de valkerijakte in stand te houden en die voor drie tot vijf jaar geldig te laten zijn. Mensen moeten daarvoor kunnen aantonen dat zij jagen met een vogel en over een terrein kunnen beschikken.

    De heer Tollerton zegt toe dat dit wordt meegenomen.

    De heer Vermaesen zal zijn standpunt ook schriftelijk toesturen.

    • Over het rapen van kievitseieren merkt de heer Tollerton op dat dit nu een wettelijk geregelde uitzondering is op de Vogelrichtlijn. In het wetsvoorstel is het voortaan aan de provincie Friesland om die vrijstelling te verlenen, die daarvoor een systeem moet opzetten.

     

    • De wildbeheereenheden worden nu benoemd in de Flora- en Faunawet, maar niet meer in het voorstel omdat de mogelijkheden van schadebestrijding aan de provincies wordt overgedragen. Daardoor vervalt de noodzaak om de wildbeheereenheid te definiëren. De inzet van vrijwilligers verdient wel een plaats in de Memorie van Toelichting.

    De heer Dijkhuis merkt op;

    • dat de wildbeheereenheid in de wet is opgenomen in verband met de schaalgrootte van beheer en schadebestrijding. Als er op landelijk niveau geen behoefte meer is aan het bestaan van de wildbeheereenheid dan is er op provinciaal niveau nog wel behoefte aan schadebestrijding. Dit gaat altijd over grote gebieden. De wildbeheereenheid is nodig voor planmatigheid in beheer, bestrijding en benutting, anders zijn ingrepen toegestaan zonder rekening te houden met de omgeving. De heer Melissen vult aan dat niet moet worden vastgehouden aan de 5.000 ha-eis, omdat hij vreest dat dan in Limburg, met historisch veel kleine eenheden, kaalslag ontstaat.

    De heer Croughs merkt op;

    • dat schade niet kan worden bestreden op lokaal niveau. Beheer en schadebestrijding hebben alleen effect in een groter verband. Hij zou graag zien dat dit toch in de wet komt te staan, omdat dan ook de provincies hier rekening mee moeten houden.

    Over de jachthuurovereenkomst merkt de heer Tollerton op dat er verschillende standpunten zijn onderbouwd, zowel voor een duur van zes jaar als voor korter. In het voorstel wordt dit aan de praktijk overgelaten.

    De heer Croughs;

    • wijst erop dat dit heel andere consequenties heeft dan men nu denkt. Hij vraagt hoe goed wildbeheer moet worden gedaan als men van jaar tot jaar niet weet of men wel of niet mag jagen. Beheren van dier- en wildsoorten is alleen mogelijk op een lange termijn. Die zekerheid moet in de wet worden vastgelegd, anders kunnen er geen mensen worden aangesteld en kan er geen bosonderhoud worden gepleegd. Nu wordt er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat de juiste voorwaarden aanwezig zijn in het gebied waar wordt gejaagd en waar wildbeheer plaatsvindt. Als dit wordt teruggebracht naar een termijn van een jaar, dan heeft niemand er meer zicht op. Hij wil niet meer terug naar de situatie van voor de Jachtweg van 1954 toen er nog perceeljacht was waar van jaar tot jaar mocht worden gejaagd.

    De heer Leidekker;

    • legt uit dat zijn overweging is dat de beslissing bij de beheerder/eigenaar zelf ligt. Die bepaalt of hij wel of niet hout laat kappen, gras laat maaien of beesten laat schieten. Als de beheerder/eigenaar het recht bij zichzelf houdt en er per jaar mensen bij betrekt is er toch sprake van consistent beheer, omdat de beheerder/eigenaar niet verandert. Zo kijkt hij ook naar het bosbeheer, dat elk jaar anders kan worden uitgevoerd terwijl het beleid hetzelfde blijft.

    • De heer Leidekker zou graag zien dat de mogelijkheid wordt open gelaten om er zelf invulling aan te geven voor organisaties die dat zelf kunnen en als eigenaren dat niet zelf kunnen moet het mogelijk zijn om een langjarig contract aan te gaan.

    De heer Boersma (KNJV);

    • vindt flexibiliteit mooi, maar hij wijst op twee risico’s, namelijk het per opbod verkopen wat een verkeerd slag jagers aantrekt en ten tweede dat er roofbouw wordt gepleegd omdat men ervoor heeft betaald.

    De heer Repelaer;

    • denkt dat ervan wordt uitgegaan dat de gemeentes of de provincies het goed kunnen regelen. In dat geval is er niets aan de hand. Hij vraagt of het inderdaad zo is dat dit wordt gedecentraliseerd. Hij vraagt of wordt overwogen om de wildbeheereenheden over te dragen aan provinciaal beleid.

    De heer Tollerton begrijpt de wens om meer vorm te geven in de wet. Volgens de heer Repelaer gaat het niet alleen om een wens, maar heeft het ook daadwerkelijk een functie.

    De heer Croughs;

    • merkt op dat de grondeigenaar volgens de wet in principe de jachthouder is. Wanneer hij de jachtrechten wil overdragen aan een pachter of grondgebruiker, dan dient er een pachtovereenkomst te worden opgesteld. De grondgebruiker is dan pas volgens de wet jachthouder.

    Volgens de heer Tollerton;

    • is de eigenaar in principe jachthouder. Als er gebruiksrecht wordt gevestigd, gaat het jachtrecht mee over tenzij dit bij de eigenaar wordt gelaten. Bij een pachtovereenkomst moet het worden overgedragen, dus de grondgebruiker hoeft niet altijd jachthouder te zijn.

    De heer Croughs;

    • stelt dat als de grondeigenaar jachthouder is, hij uitvoering moet geven aan lid 2 van de overeenkomst. Dan is hij ook verantwoordelijk voor het niet laten toenemen van grote aantallen wild of diersoorten die schade berokkenen. Dat betekent dan ook dat alle terreinbeheerorganisaties verantwoordelijk zijn voor wat er om hen heen gebeurt, ook al verpachten zij de jacht niet. In dat geval is goed nabuurschap geregeld, wat voor hem heel belangrijk is. Dit is een van de essentiële zaken voor faunabeheer en wildbeheer.

    De heer Tollerton;

    • wijst erop dat het jachthouderschap niet verandert ten opzichte van de Flora- en Faunawet. Het is een verplichting voor de jachthouder om de goede staat van instandhouding te behouden of te bereiken. Overtreding van die rechtsplicht kan als een onrechtmatige daad worden gezien. Dit betekent dat degene die schade leidt, de jachthouder aansprakelijk kan stellen en bij de rechter schade kan verhalen. Wat wel verandert is dat er meer wildsoorten worden aangewezen en dat voor meer soorten aansprakelijkheid geldt. Hoe het zit met de aansprakelijkheid van de jachthouder voor ganzen is nog een vraag die binnen grenzen van redelijkheid moet worden beantwoord, waarover de rechter zou moeten beslissen.

    De heer Jamin;

    • merkt op dat daarover veel onenigheid bestaat in het buitengebied. Hij denkt dat er veel meer rechtszaken door ontstaan. Er moet een constructie worden bedacht waarbij het Faunafonds kijkt naar wat redelijk is. Als de jacht op bepaalde soorten wordt gesloten volgens wettelijke regels, dan kan een doorwerking van claims ontstaan van de grondgebruiker naar de jachthouder en van de jachthouder naar de provincie doordat er niet kan worden gejaagd om ecologische redenen.

    De voorzitter (Jan Willem van der Ham);

    • merkt op dat onderliggende verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid niet veranderen. Van schadebepaling neemt hij aan dat die naar redelijkheid en billijkheid wordt afgehandeld. De mate waarin schade optreedt zal moeten kunnen worden onderbouwd . Welke instantie daarin een rol speelt is niet duidelijk, maar misschien kan de expertise van het Faunafonds daarbij helpen. Dat is niet hetzelfde als het doorschuiven van verantwoordelijkheden naar het Faunafonds.

    De heer Jamin;

    • vindt dat het andersom gebeurt. Als wildbeheer wordt gedecentraliseerd naar de provincies, dan moet de schadeverantwoordelijkheid ook bij de provincies worden neergelegd. Maar dat gebeurt niet want de schadeverantwoordelijkheid wordt bij de eindgebruiker gelegd.

    De heer Tollerton;

    • merkt op dat de provincies verantwoordelijk worden voor het uitkeren van de schadevergoeding. Maar als de jachthouder schade moet voorkomen, dan zal dat ook consequenties hebben. De heer Jamin herhaalt zijn opmerking dat als de provincie de bejaagbare periode voor de gans verkort, hij een verveelvoudiging van het aantal conflictsituaties voorziet.

    De heer Repelaer;

    • vraagt om vast te leggen dat de provincie verantwoordelijk is als de wettelijk vastgelegde jachttermijn wordt beperkt en dat de schade voor rekening komt van de verantwoordelijke overheid.

    De heer Jamin;

    • pleit ervoor dat de bejaagbare periode wordt vastgesteld door het Rijk. Alleen indien er ernstige weersomstandigheden zijn of wanneer een populatie te klein dreigt te worden, wordt de bejaagbare periode aangepast door de provincie.

    De heer Croughs;

    is van mening dat de wilde zwijnen meer schade veroorzaken dan de gans. De provincie zal dan maatregelen moeten kunnen treffen via de FBE. Deze mogelijkheid blijft bestaan.

    De voorzitter zegt toe dat dit nader wordt bekeken als hierover onduidelijkheden bestaan.

    De heer Tollerton zal bekijken of het wenselijk is om de opening en sluiting van de jacht per wildsoort te variëren.

    • Van preventieve maatregelen is een aantal keren gezegd dat deze eerst moeten worden genomen en pas daarna mag worden overgegaan tot het bestrijden van dieren. Dit uitgangspunt staat in het voorstel en de Habitatrichtlijn blijft overeind. Dit zal meer dan nu worden benadrukt. Het is ook aan de provincies om hieraan invulling te geven in hun eigen beleid.

    De heer Croughs;

    • merkt op dat in de landbouw niet alleen de gewassen een rol spelen, maar ook de gewasondersteunende voorzieningen zoals landbouwplastic en bogen. Hieraan kan ook grote schade worden aangericht door wilde zwijnen. Hij vraagt om deze gewasondersteunende zaken ook op te noemen als belang, ook al staan zij niet genoemd in de EU-verordening.

    De heer Tollerton;

    • merkt op dat de EU leidend is en het moet onder de huidige belangen genoemd zijn. Voor soorten die niet onder de bescherming van de Habitatrichtlijn vallen, kan wel een afweging worden gemaakt om bestrijding toe te staan. Dit moet door de provincie in overweging worden genomen. Dit kan in de Memorie van Toelichting worden opgenomen.

    De heer Jamin;

    • vraagt hoe het staat met het gelijkheidsprincipe voor mensen in het buitengebied en de betreffende faunasoorten. Decentralisatie kan op verschillende wijzen worden geïnterpreteerd.

    De heer Berg (LE&I);

    • wijst op het maatwerk, wat inhoudt dat niet elk geval gelijk is. Al deze kanttekeningen bij het omgaan met decentralisatie en de discussie over de kaders die het Rijk moet meegeven, zullen worden meegewogen.

     

    Sluiting

    De voorzitter stelt voor om de bijeenkomst af te sluiten. De heer Berg geeft een overzicht van het vervolgtraject. Alle opmerkingen worden samengevat in een tabel die aan alle deelnemers wordt toegezonden. Hierin wordt aangegeven hoe deze opmerkingen zijn gewogen en verwerkt. Hierna volgt een officiële consultatieronde, die van tevoren zal worden aangekondigd. In december 2011 gaat het voorstel naar de Raad van State en in het voorjaar 2012 naar de Tweede Kamer.

    De voorzitter bedankt de aanwezigen voor hun komst en hun inbreng. Hij sluit de bijeenkomst om 17.00 uur.