Verslag
Consultatie deelsessie ‘Jacht’ 28 juni 2011 nieuwe wet Natuur
Wetsvoorstel Natuur
Consultatie deelsessie ‘Jacht’
28 juni 2011, Beatrixgebouw,
Jaarbeurs Utrecht
Voorzitter:
De heer Jan
Willem van der Ham
Aanwezig:
De heerJan
Willem v.d. Ham EL&I
(voorzitter)
De heer Niels Berg EL&I
De heer Jelmer de Jong
EL&I
De heer Jeroen Ostendorf
EL&I
De heer Mathijs
Tollerton EL&I
De heer Jakob Leidekker
NP De Hoge Veluwe
De heer Alfred Melissen
FBE Limburg
De heer Marco Hoekstra
BFVW (Bond Friese
Vogelwachten)
De heer Piet Croughs PAN
(Platteland Alliantie
Nederland)
De heer Nic Quaedvlieg
NOJG
De heer Willem Lambooij
NGB/DHV
De heer Paul Voskamp IPO
Mevrouw Femmie
Kraaijeveld-Smit
Dierenbescherming
De heer Leon Ripmeester
Dierenbescherming
Mevrouw Riëtte Iken
Provincie Flevoland
De heer Harm Niesen
Faunabescherming
De heer Volker Repelaer
Federatie Particulier
Grondbezit
De heer Michel Jamin
Federatie Particulier
Grondbezit
De heer Douwe Boersma
KNJV
De heer Andreas Dijkhuis
KNJV Faunafonds
De heer Ton Vermaesen
NOVO
Verslag:
Anneke Pereboom
onafhankelijk
Opening
De voorzitter, de heer Van der
Ham opent de bijeenkomst om
14.05 uur. In de vorige sessie
zijn opmerkingen gemaakt waaruit
drie thema’s zijn geselecteerd
waarover verder zal worden
gesproken. Het is ook mogelijk
om vandaag over andere thema’s
te spreken en er zijn
schriftelijke bijdragen
ingediend.
Korte toelichting
De heer Tollerton maakt deel uit
van het team dat het
wetsvoorstel heeft geschreven,
specifiek het onderdeel ‘jacht’.
Hier horen ook schadebestrijding
en faunabeheer bij, evenals de
aanpak van exoten. In de vorige
bijeenkomst stonden vooral nut
en noodzaak van het wetsvoorstel
ter discussie; nu gaat het om de
effecten in de praktijk. In de
vragenlijst is gevraagd naar de
beleefde lasten, irritaties en
gevolgen van het nieuwe
voorstel. Daarnaast is gevraagd
naar de noodzakelijke
randvoorwaarden om van het
nieuwe voorstel een succes te
maken en welke alternatieven er
zijn om zaken anders of beter te
regelen. Er is een top 3 van
thema’s samengesteld:
1. uitbreiding lijst van
bejaagbare soorten;
2. decentralisatie: eigen
provinciaal beleid;
3. bestrijden met geweer van
exoten; verruimde mogelijkheden
grondgebruikers.
Ten opzichte van de FF-wet zijn
vijf soorten aan de lijst van
bejaagbare soorten toegevoegd,
wat aanleiding is geweest voor
een uitgebreide discussie. Het
tweede punt, decentralisatie
naar de provincie is ook bij
andere onderwerpen aan de orde
geweest. De provincie wordt
uitvoerder van het natuurbeleid,
wat in het regeerakkoord staat.
Ook dat is aanleiding geweest
tot discussie en vragen wat het
betekent als de provincie zelf
besluiten gaat nemen en wat
daarvan de gevolgen zijn. Voor
het derde punt, bestrijden met
geweer van exoten is gekozen
omdat dat voor de praktijk de
meeste veranderingen met zich
meebrengt. Er is geen opdracht
van gedeputeerde staten meer
nodig om exoten te bestrijden.
Alle opmerkingen die worden
gemaakt worden opgenomen in een
tabel. Schriftelijke reacties
zijn welkom.
Inbreng deelnemers
De heer Vermaesen (NOVO)
vraagt om bij punt 3
roofvogels toe te voegen.
Van decentralisatie naar de
provincies vreest hij dat
dit nog meer irritaties gaat
opleveren omdat iedere
provincie zijn eigen beleid
heeft waardoor provincies
ook eigen besluiten gaan
nemen. Dan mag in de ene
provincie iets anders dan in
de andere, wat heel lastig
wordt. Organisaties moeten
dan met alle twaalf
provincies om tafel om te
kijken hoe het moet worden
geregeld. Dit leidt tot veel
meer irritaties als moet
worden onderhandeld over
welke vogels in de jacht
mogen worden gebruikt. Van
de extra dieren die buiten
de jacht vallen maar
waarvoor schadebestrijding
nodig zou kunnen zijn,
blijft wellicht landelijk en
provinciaal de
vrijstellingslijst
gehandhaafd. Dan moet over
de artikelen 65, 66 en 67
met alle provincies om tafel
worden gegaan als overlast
moet worden bestreden.
Als de grondgebruiker mag
beslissen welke exoot wel en
niet mag worden bestreden,
dan wordt van de
grondgebruiker wel heel veel
kennis over de natuur
verwacht, welke bij de
meesten niet aanwezig is.
De heer Vermaesen wil graag
dat de overheid de
valkerijakte in leven houdt,
in elk geval voor de havik
en de slechtvalk. Als er
gebruik kan worden gemaakt
van andere roofvogels buiten
de havik en de slechtvalk,
dan is daarvoor ook een
valkerijakte vereist.
Hierdoor is dan in ieder
geval de opleiding
veiliggesteld.
De heer Vermaesen is voor
demonstraties met roofvogels
en uilen, mits die mensen
een gedegen opleiding
hebben. Eigenlijk wil hij
ook dat mensen die
demonstraties geven, een
valkerijakte hebben zodat
ook daarvoor de opleiding is
gewaarborgd. Het NOVO
verzorgt de opleiding voor
de KNJV. Dit kunnen
waarborgen zijn van het
kennisniveau van degenen die
met roofvogels en uilen
jagen. De heer Vermaesen zou
dat bij het ministerie
willen onderbrengen, waarbij
het mogelijk zou kunnen zijn
dat een deel daarvan door de
provincie wordt uitgevoerd.
Een punt van irritatie is
het feit dat de valkerijakte
ieder jaar opnieuw moet
worden aangevraagd. Hij zou
graag zien dat dit hetzelfde
wordt geregeld als de
jachtakte, voor vijf jaar
waarbij een aantal zaken
moet worden overlegd zoals
nu bij de korpschef van de
politie moet worden gedaan.
Dat is een kwestie van de
akte opsturen en dat zou hij
graag geregeld willen zien.
Uiteraard zou de
overlastbestrijding van
exoten ook met vogels moeten
kunnen gebeuren en niet
alleen met het geweer.
De heer Melissen is secretaris
van de Faunabeheereenheid
Limburg.
Hij deelt een aantal
schriftelijke opmerkingen
uit bij het
conceptwetsvoorstel en de
Memorie van toelichting,
zowel van hemzelf als van
zijn achterban,
terreinbeheerderorganisaties,
particuliere grondbezitters,
boeren, jagers en de
secretarissen van de
Verenigde
Faunabeheereenheden.
In punt 1 van zijn
schriftelijke opmerkingen
wordt gevraagd wat wordt
verstaan onder ‘onnodig
lijden’, dat voorkomen dient
te worden. Hij vraagt om dit
te definiëren. Dit zou
theoretisch gezien een bron
kunnen zijn voor rechtbanken
of iets al dan niet onnodig
lijden is en hij vraagt om
aan te geven wat hieronder
wel of niet dient te worden
verstaan om uitgebreide
juridische discussies
achteraf te ondervangen.
Punt 2: in de verklarende
lijst wordt wel gesproken
over jacht, terwijl verderop
in het voorstel wordt
gesproken over beheer en
schadebestrijding. Er is
gepoogd in de eerdere Flora-
en Faunawet een knip te
maken, die nu niet duidelijk
doorloopt. Er wordt niet
alleen over jacht gesproken
maar ook over beheer en
schadebestrijding. De heer
Melissen stelt voor om dat
dan ook in de begrippenlijst
op te nemen en een zwaardere
plek te geven. Als het de
bedoeling is van de wet om
hier een knip te maken, dan
moet hierop ook een
toelichting worden gegeven.
In de Memorie van
Toelichting wordt het
vervoer van dieren genoemd.
De heer Melissen stelt voor
om het vervoer van dieren
pas van toepassing te laten
zijn op het moment dat een
dier buiten het eigen
jachtveld wordt gebracht.
Daarbinnen kan het dier dan
gewoon worden vervoerd van
de plek waar het is
bemachtigd tot aan de auto.
Pas op het moment dat men
buiten het gebied gaat waar
men krachtens de ontheffing
is gerechtigd om handelingen
aan het dier te verrichten,
moet het vervoer zijn
geregeld. Punt 6 is een
voorbeeld van een discussie
over de vraag wanneer een
vangkooi al dan niet een
vangkooi is. Dit kan
waarschijnlijk niet in deze
wet worden geregeld en de
heer Melissen heeft begrepen
dat hij hiervoor misschien
een circulaire van het OM
moet hebben. Met het oog op
de volgorde van de
wetsartikelen is het niet
duidelijk of het de
provincie nu nog wel is
toegestaan om een ontheffing
te geven voor de vangkooi
die is geclassificeerd als
een massaal en niet
selectief middel, per
specifieke diersoort.
Opgemerkt wordt dat dit
inderdaad mag; gedeputeerde
staten kan hiervoor een
ontheffing geven.
Punt 9 is volgens de heer
Melissen een zaak van
omgekeerde bewijslast. In de
Flora- en Faunawet staat dat
het zwaarste middel pas mag
worden ingezet als eerst
andere alternatieven zijn
gebruikt. Hierbij wordt niet
aangegeven wat de zin of
onzin van deze alternatieve
middelen is. Hij vraagt of
het mogelijk is om dit om te
keren, waarbij het ultieme
middel mag worden ingezet
tenzij er een aantoonbaar
beter, werkend middel is en
waarvan naar redelijkheid
aan de grondgebruiker kan
worden gevraagd om dit in te
zetten.
Naar aanleiding van punt 11
vraagt de heer Melissen of
gedeputeerde staten mag
afwijken van de limitatieve
opsomming en dus middelen
mag ontheffen welke niet op
de limitatieve lijst van het
Beneluxverdrag/beschikking
staan.
Punt 12 is hieraan
gekoppeld. Op de limitatieve
lijst komt niet voor ’s
nachts schieten, bij
maanlicht schieten, bij
kunstlicht schieten en het
gebruik van een
restlichtkijker. Als deze
middelen niet meer kunnen
worden ingezet of ontheven,
dan ontstaat er een groot
probleem met het beheer van
wilde zwijnen, niet alleen
in hun leefgebied maar zeker
ook daarbuiten.
Punt 13: in de Memorie van
Toelichting staat dat als
beschermde vogels dienen te
worden gezien, alle in het
wild levende vogelsoorten,
als vertaling van ‘birds
naturally occuring in the
wild’. Hierover is een
rechtszaak gevoerd in
Limburg, met als inzet:
vogels die van nature
voorkomen in het wild of
vogels die voorkomen in het
wild. Zoals het nu wordt
beschreven zouden ook grote
groepen halsbandparkieten,
zijnde levende vogels in het
wild, beschouwd kunnen
worden als beschermde soort.
De heer Melissen vraagt om
duidelijkheid te geven over
het verschil tussen ‘van
nature voorkomen’ en ‘in de
natuur voorkomen’.
Bij punt 14 vraagt de heer
Melissen wie het bevoegd
gezag is dat bepaalt of de
staat van instandhouding al
dan niet wordt bedreigd en
in welke mate.
Over punt 17 merkt de heer
Melissen op dat het wilde
zwijn in principe jachtsoort
zou worden en beperkt tot de
periode van 15 augustus tot
en met 15 februari.
Jachthouders zullen ernaar
streven om de stand zo te
houden dat ieder jaar kan
worden geoogst. Dit staat
haaks op de belangen van de
landbouwers in de tweede
helft van het jaar, want zij
willen buiten de
leefgebieden geen wilde
zwijnen met het oog op
schadeontwikkeling. Hij
vraagt of er in de rest van
het jaar een nulstandbeleid
mogelijk of wenselijk is en
hoe het zal gaan met
schadevergoeding. In
principe kan de jager in de
winter een mooie populatie
in stand houden om van te
kunnen oogsten en dan op 15
februari de nulstand
nastreven omdat men anders
in het jaar daarop met
schadeclaims zou kunnen
worden geconfronteerd.
In de wet staat dat voor
grondgebruikers die 40 ha
grond hebben de mogelijkheid
komt om een akte te krijgen
voor beheer en
schadebestrijding. De heer
Melissen vraagt om een
toevoeging waarbij het
mogelijk wordt dat een
willekeurig persoon hiervoor
een akte kan krijgen zodat
de boer aan een jager kan
vragen om zijn probleem op
te lossen.
Het is de heer Melissen
opgevallen dat er veel
gebieden zijn die deels zijn
ingesloten in natuurgebieden
en daardoor niet voldoen aan
de 40 ha-eis en de cirkels
die kunnen worden getrokken.
In de praktijk wordt dit
soms opgelost met
nulcontracten of contracten
op afroep. Hij vraagt om
grondgebruikers in staat te
stellen toch aan beheer en
schadebestrijding te doen.
Er moeten mogelijkheden
komen om dit op een legale
manier te doen, zodat men
niet afhankelijk is van de
goodwill van de buurman om
al dan niet te mogen
schieten.
Voor verwilderde dieren
stelt de heer Melissen bij
punt 21 voor om in de
begrippenlijst op te nemen
wat hieronder wordt
verstaan. Hierdoor kunnen
discussies in het veld en
eventuele problemen met
handhaven, worden voorkomen.
Bij punt 23 wordt aangegeven
dat de afhandeling van
valwild een groot grijs
gebied is. Het is de vraag
of het mag of niet of wordt
gedoogd en of degene die het
dier heeft aangereden er
iets mee mag doen. Voor die
diersoorten waarvoor
ontheffingen zijn dat zij
mogen worden gedood of
bemachtigd, zou moeten
worden bekeken of het onder
zich brengen en vervoeren
daaronder kan worden
geschaard.
De heer Melissen geeft een
voorbeeld van een
biologische fruitteler die
alle mogelijke middelen
inzet om al het wild uit
zijn tuin te weren. Dit lukt
hem wel en hij heeft geen
schades. Zijn buurman doet
niet zoveel, hij zet wat
vlaggetjes neer en knalt
drie keer waar de vogels
zich niets van aantrekken en
hij krijgt zijn schade
vergoed. In feite is dit een
rechtsongelijkheid want de
biologische fruitteler
investeert en heeft minder
inkomsten en krijgt zijn
schade niet gecompenseerd.
Iemand die minder zijn best
doet, krijgt wel
compensatie. Het is dus de
vraag of kapitalisatie kan
plaatsvinden of een
tegemoetkoming voor dure
werende middelen en
technieken, waardoor men
niet tot afschot hoeft te
komen maar ook geen schade
heeft.
De heer Hoekstra spreekt namens
de Bond Friese Vogelwachten en
voor de Weidevogelbescherming in
Friesland, een van de kerntaken
van de bond.
Als onderdeel van de
Weidevogelbescherming mogen
zij in Friesland eieren
zoeken en rapen. Hij maakt
zich ernstig zorgen over de
ontwikkelingen in het aantal
vrijwilligers. Drie jaar
geleden was er een beperking
in tijd en dit is veranderd
in een beperking op
aantallen. Hij zou graag
zien dat de beperking in
tijd weer wordt ingevoerd en
dat dit via vrijstelling kan
worden geregeld.
De heer Croughs spreekt namens
de Platteland Alliantie
Nederland (PAN)en namens de
Nederlandse Organisatie voor
Jacht en Grondbeheer (NOJG).
Een belangrijk punt waarover
in het verleden een aantal
rechtszaken heeft
plaatsgevonden, is een
duidelijke beschrijving van
het begrip: ‘geen andere
bevredigende oplossing’.
Hiervoor dient een
duidelijke omschrijving te
komen die discussies en
rechtszaken voorkomt. Als
voorstel geeft hij de
volgende formulering:
‘Geen andere bevredigende
oplossing betekent dat er
geen alternatieve oplossing
is om het probleem op te
lossen, als die met
objectieve en verifieerbare
factoren dienen te zijn
onderbouwd, zoals
wetenschappelijke en
technische feiten.’
Gedeputeerde staten dienen
verplicht de haar bekende"
Andere Bevredigende
Oplossing"(ABO) voor het
beheer van één of meerdere
diersoorten op te nemen in
de provinciale beleidsnota.
Indien deze zijn aangegeven
in de beleidsnota betekent
dit, dat er voor de genoemde
diersoort(en) waar de ABO’s
zijn aangegeven, dat
hiervoor niet geëist wordt,
dat hiervoor een
Faunabeheerplan wordt
opgesteld.
Hij vraagt ook om bijzondere
weeromstandigheden nader te
omschrijven. Als alles door
de provincie moet worden
beslist, dan moet in de
beschrijving in de wet komen
te staan wat die bijzondere
weeromstandigheden zijn. Als
voorbeeld noemt hij het
Voorstel wintersluiting die
de KNJV in het verleden
heeft gedaan en dat in de
wet te gebruiken, zodat
iedere provincie dit op
dezelfde wijze interpreteert
en er geen verschil van
inzicht is.
Bij het begrip
grondgebruiker vraagt de
heer Croughs om net als in
de vorige wet artikel 65 toe
te passen. Op dit moment is
24% van alle pachtgronden
verpacht op basis van een
mondelinge overeenkomst of
op basis van een beperkt
recht. Dat wil zeggen
dat volgens het voorstel op
24% van alle pachtgronden
geen schadebestrijding
mogelijk is. Hij wil dat
beperkt recht weer terugkomt
in de wet.
In Nederland bestaan 330
wildbeheereenheden die
uitvoerder zijn van
faunabeheer. Een belangrijke
taak van de
wildbeheereenheden is dat
zij gecoördineerd wildbeheer
doen in hun gebied, maar ook
gecoördineerd doen aan het
beheer van diersoorten en
aan schadebestrijding. Het
is belangrijk dat zij weer
in de wet worden opgenomen,
want de gronden die de Wbe’s
beheren zijn maatgevend voor
het beheer van die
diersoorten op het
grondgebied in geheel
Nederland. Bijvoorbeeld:
Ganzen worden niet beheerd
op perceelsniveau zoals het
nu naar voren komt, maar op
gebiedsniveau. Een van de
maatstaven daarvan is het
werkgebied van de
wildbeheereenheid. Dus moet
de wildbeheereenheid weer in
de wet worden genoemd en ook
bij beheer en
schadebestrijding worden
vermeld.
In het voorstel kan de
jachthuurovereenkomst nu
worden gesloten van één tot
bij wijze van spreken
honderd jaar. Dit is een
overeenkomst om de
jachtrechten te mogen huren
van de grondeigenaar cq de
gemachtigde. In het verleden
was er altijd een
jachtovereenkomst van zes
jaar die later is verruimd
naar twaalf jaar.
Jachtrechten dienen voor
minimaal 6 jaar of langer te
gelden. Dit om langdurig
wildbeheer van dezelfde
jachthouders mogelijk te
maken en in het belang van
een goede wildstand. Deze
minimum duur voorkomt
onnodig veel
onderhandelingen en onrust
tussen de
grondeigenaar/gebruiker en
de jachthouders voor de
continuïteit van een
jachtveld en investeren in
het toezicht door Boa’s
.
Ook wil de heer Croughs dat
er een duidelijke
omschrijving komt van exoten
en verwilderde dieren en op
welke grond die moeten
worden bestreden. Het is nu
niet duidelijk of dit kan op
basis van een
jachthuurovereenkomst of op
basis van toestemming van de
grondgebruiker er is immers
geen toestemming van de
provincie nodig.
Over de jachtakte merkt hij
op dat in de wet staat dat
deze kan worden aangevraagd
voor 40 ha. Hij stelt voor
dat de jachtakten in de
toekomst voor minimaal drie
of vijf jaar worden
afgegeven. Dit bespaart veel
administratieve lasten, wat
ook geldt voor de daaraan
gekoppelde
verzekeringsbewijzen. Ook
die zouden voor drie of vijf
jaar geldig moeten zijn.
In het Benelux-verdrag
worden limitatieve middelen
genoemd die mogen worden
gebruikt bij beheer en
schadebestrijding. Het
verbaast de heer Croughs dat
die hier worden beperkt tot
het Benelux-verdrag. Als
schade moet worden bestreden
in het belang van de
grondgebruiker of Fauna en
flora, moeten er
uitzonderingen worden
gemaakt voor elektronische
middelen, niet voor vangen
of doden van de dieren, maar
wel voor het lokken van de
dieren. Daarmee kan
selectief en effectief
schade worden bestreden. Het
is beter om een gans
dichtbij te krijgen dan
wanneer hij op grote afstand
moet worden geschoten.
Daarom verzoekt de heer
Croughs om deze lijst van
middelen uit te breiden, in
verband met het voorkomen
van onnodig lijden. Het
Benelux-verdrag is niet
bestemd voor
schadebestrijding en beheer,
maar alleen voor de jacht.
Dit maakt een groot
verschil. In de
Habitatrichtlijn en de
Vogelrichtlijn worden alleen
elektronische middelen
uitgesloten, indien die
bedoeld zijn voor het doden
van diersoorten, die niet
mogen worden gebruikt voor
het vangen en doden van
dieren, wat niets te maken
heeft met lokken. In alle
EU-landen worden
elektronische lokmiddelen
wel toegestaan.
Een heel belangrijk punt is
dat de wederverhuur van
jachtrechten niet meer is
opgenomen in de wet. Alle
WBE's in Nederland hebben
een overeenkomst waarmee zij
gronden pachten namens hun
leden, omdat de leden hun
jachtrechten door
wederverhuur afstaan aan de
WBE om zodoende een groot
jacht- of beheerveld te
krijgen. Door het niet
toestaan van wederverhuur
ontstaan er grote
uitvoeringsproblemen in de
uitvoering voor de
wildbeheereenheid in
Nederland. De heer Croughs
verzoekt om dit weer op te
nemen in de wet.
Voor de wildbeheereenheden
is het ook heel belangrijk
dat 40% van alle jagers in
Nederland de jachtakte
krijgen op basis van (art.
36 lid 1), Toestemming om in
gezelschap van de
jachthouder de jacht te
mogen uitoefenen. Op basis
van dit artikel wordt de
jachtakte aangevraagd. Als
dit vervalt, ontstaan er
grote problemen voor deze
jachtaktehouders.
Bij de criteria ‘jacht’ zou
hij graag zien dat daar een
derde reden wordt opgenoemd
voor overige diersoorten. Nu
worden landelijk
vrijgestelde diersoorten
niet meer genoemd, want
alles gaat naar de
provincie. Van de Canadese
gans, de vos, de zwarte
kraai, de kauw, de houtduif
en het konijn heeft het
Faunafonds geen
schadeverleden bijgehouden
en de faunabeheereenheden
ook niet, omdat dat niet
nodig was. Als er geen
landelijke vrijstelling is,
ontstaan er weer grote
rechtsgangen en dat wil hij
voorkomen. Hij zou ook graag
zien dat er een derde
criterium aan het begrip
‘jacht’ wordt toegevoegd,
namelijk jacht in het kader
van faunabeheer. De zwarte
kraai en de kauw zouden het
hele jaar door bejaagbaar
moeten kunnen zijn, evenals
de vos. Op dit moment kan
niet worden aangetoond dat
er faunaschade is. Ook de
omschrijving van faunaschade
is niet geregeld en het is
niet duidelijk welke
criteria hiervoor gelden.
Het wilde zwijn en de gans
worden als wildsoort
genoemd. De heer Croughs
wijst erop dat de schade
door ganzen wordt geschat op
€ 24 miljoen. Als deze
schadepost wordt afgewenteld
op jagers en grondgebruikers
dan vindt hij dat ongepast.
Hij wil dat er een goede
overgangsregeling komt zodat
de jagers en de
grondgebruikers niet hoeven
op te komen voor de schade
die er al is of die in de
toekomst ontstaat.
Over het gebruik van
middelen en met name van
munitie merkt de heer
Croughs op dat de wet wapens
en munitie wat de jacht
betreft, is gebaseerd op de
oude soort loodhagel. In het
verleden is overgestapt van
loden hagel naar stalen
hagel en het gevolg daarvan
is voor de diersoorten dat
er veel zwaardere soorten
hagel moeten worden gebruikt
om deze net zo dodelijk te
laten zijn als het
schokeffect van loodhagel.
Hij stelt voor om net als in
Amerika de
staalhagelpatronen van 3,5
mm te vergroten naar 4,5 mm
om het dodelijke effect van
een schot hagel te vergroten
om onnodig lijden te
voorkomen.
Over openings- en
sluitingstijden van de jacht
en voor diersoorten is de
heer Croughs van mening dat
dit landelijk moet worden
bepaald in verband met de
rechtsgelijkheid. Een
grondeigenaar in Groningen
die een diersoort mag laten
bejagen, moet gelijk zijn
aan degene die in
Noord-Brabant acht soorten
mag bejagen. Het
jachtseizoen en wildsoorten
moeten landelijk zijn
geregeld door het ministerie
en niet door de provincie,
want alle besluiten van de
provincie zijn onderhevig
aan beroep en bezwaar.
Op dit moment wordt alleen
de regeling voor het
jachtexamen genoemd als
basis waarop een jachtakte
kan worden aangevraagd. De
heer Croughs vindt dat de
overgangsregeling moet
worden gehandhaafd voor alle
jachtaktes die voor 1
januari 1977 zijn verstrekt,
om op grond daarvan opnieuw
een jachtakte te verkrijgen.
Voor jachtexamens in het
buitenland moet worden
aangegeven van welk land het
examen erkend is om in
Nederland een jachtakte mee
te kunnen krijgen en van
welk land niet. Dit moet
worden aangegeven in een
bijlage. Het
verzekeringsbewijs moet
gelijk zijn aan de duur van
de jachtakte.
In artikel 3.27 lid 2, dient
volgens de heer Croughs ‘in
het veld’ te worden
verwijderd. In Nederland
ontstaat veel faunaschade
door (verwilderde) katten
die jaarlijks meer dan 10
miljoen vogels, insecten en
andere diersoorten doden.
Driekwart van de ganzen komt
voor in de terreinen van de
terreinbeherende
organisaties. Zij brengen
hun jongen groot en als deze
kunnen vliegen, groeien zij
op, op de gronden van de
landbouwers. Er is geen
enkele
verantwoordelijkheidszin bij
de terreinbeherende
organisaties ten opzichte
van de landbouwers, want zij
hebben andere
doelstellingen. Er moet voor
worden gezorgd dat de
buurman geen last heeft van
de doelen van tbo’s. Hier
wordt nu niet op gelet en
‘goed nabuurschap’ dient te
worden opgenomen in de wet
als een verplichting om
samen te werken.
De heer Lambooij van NGB/DHV
vindt dat er ruimte moet
blijven voor de inzet van
jachtvogels naast slechtvalk
en havik. Hij vraagt om te
kunnen afstappen van de
specifieke eis van 40 ha
voor schadebestrijding en
dit helemaal vrij te geven.
Als er een mogelijkheid voor
ontheffing zou zijn, moet
hiervoor een duidelijk kader
worden gegeven waarbinnen
zo’n ontheffing wordt
beoordeeld. Hij begrijpt dat
het voortaan mogelijk is om
een ontheffing te verlenen
voor onbepaalde tijd en hij
vraagt wat daarmee wordt
bedoeld.
De heer Ripmeester laat namens
de Dierenbescherming
een iets ander geluid horen.
In zijn optiek zorgt jacht
voor verstoring en
dierenleed, doordat het
regelmatig voorkomt dat
dieren niet in een keer
worden geschoten. Dit
vermindert het welzijn van
de dieren; 40% van de ganzen
heeft hagel in het lichaam.
Uitbreiding van de jacht in
het kader van
schadebestrijding en beheer
zal dan ook nooit tot succes
leiden. Er moet meer worden
gezocht naar betaalbare
preventieve maatregelen.
Daarmee krijgen de
grondgebruikers voldoende
middelen om schade te
voorkomen, zonder doden en
zonder jacht. De uitbreiding
van mogelijkheden om dieren
te doden in het kader van
benuttingsjacht is
maatschappelijk
onverantwoord en weinig
effectief om schade te
voorkomen. Bij de
randvoorwaarden is in een
moderne afgewogen
beschermingswet naast
principes voor beheer en
schadebestrijding geen
ruimte en ook geen noodzaak
voor uitbreiding van
bejaagbare soorten. In het
kader van dierenbescherming
is dit buitengewoon
ongewenst en een
onbegaanbare weg. De heer
Ripmeester stelt voor om de
Flora- en Faunawet aan te
passen binnen de huidige
kaders en daarnaast de
huidige regels voor de jacht
te heroverwegen.
Mevrouw Iken van de provincie
Flevoland (IPO)
constateert dat er onrust is
over decentralisatie. De
provincies gaan niet telkens
het wiel uitvinden en
stemmen onderling af en
nemen successen uit het
verleden mee.
De heer Niesen van
Faunabescherming
is het eens met de heer
Ripmeester dat jacht altijd
schadelijk is. In het
oorspronkelijke ontwerp van
de Flora- en Faunawet van
voor 2000 kwam jacht niet
voor. Daarin waren de
huidige zes bejaagbare
soorten eruit gelaten. Die
zijn er pas bij amendement
in de Tweede Kamer weer in
gekomen, omdat sommige
partijen vonden dat de jacht
aantrekkelijk moest blijven
om jagers niet te
degenereren tot
schadebestrijders. De jacht
heeft altijd grote impact op
het gebied waar dit
plaatsvindt en niet alleen
op de bejaagde soorten. Als
er wordt gejaagd op hazen en
er zitten ook bruine
kiekendieven in hetzelfde
gebied, dan vertrekken de
bruine kiekendieven. In
sommige gevallen kan het
indirecte effect van de
jacht nog veel groter zijn
voor kwetsbare soorten dan
voor de soort waarop wordt
gejaagd, omdat die meestal
wel in grotere aantallen
aanwezig is. Voor
Faunabescherming is de jacht
een volstrekt overbodige
activiteit. Afgezien van het
feit dat er ook vergissingen
worden gemaakt en de
verkeerde soort wordt
beschoten, is het ook een
doorn in het oog van de
meerderheid van de
recreanten. Zij wensen niet
mee te maken dat mensen
dieren voor de lol
doodschieten in hun
favoriete recreatiegebied,
ook al wordt het beheer of
schadebestrijding genoemd.
Ook dit zou jacht moeten
worden genoemd, omdat beheer
en schadebestrijding in de
praktijk bezigheden zijn
waarvan vast staat dat zij
absoluut het doel niet
bereiken dat men ervan
verwacht.
Door het bestrijden van
ganzen wordt niets gedaan
aan de oorzaak van het
probleem. Dit is
symptoombestrijding. De heer
Niesen begrijpt dat nu wordt
gekeken naar de mogelijkheid
om ganzen te vergassen. Dit
vindt hij een verwerpelijke
methode. Hij wijst er ook op
dat het afschieten van grote
hoeveelheden ganzen niet zal
helpen om de aantallen en
daarmee de schade te
verminderen. Het is ook
zinloos om nesten te
behandelen. Hierover is vijf
jaar geleden al een rapport
opgemaakt waaruit blijkt dat
het geen enkel effect heeft.
Daarom is het ook juridisch
overbodig omdat aannemelijk
moet worden gemaakt dat
bestrijding helpt. Anders
mag het niet en wordt ook
volgens de nieuwe wet
gehandeld in strijd met de
zorgplicht voor de
betreffende dieren.
In de vragenlijst wordt
gevraagd naar verlichting of
verzwaring van de lasten.
Volgens de heer Niesen hangt
het ervan af over wiens
lasten het gaat. Het is
duidelijk dat het in het
nieuwe wetsvoorstel
gemakkelijker wordt om
dingen te doen die hij en
zijn achterban niet willen.
Dat betekent ook het houden
van in het wild in Europa
voorkomende vogelsoorten.
Roofvogels en uilen zijn de
ernstigste zaak en ooit
heeft de minister
voorgesteld om een
uitsterfsysteem te hanteren.
Hierdoor zouden de 35
gediplomeerde valkeniers
vanzelf uitsterven en er
zouden geen nieuwe
vergunningen worden
verstrekt. Helaas is dat
niet doorgegaan en als
legitimatie daarvoor wordt
het Arrest van Vergy waarin
staat dat vogels die in
gevangenschap zijn
opgegroeid, niet meer mogen
worden losgelaten in de
natuur. Dit arrest is tot
stand gekomen ter
bescherming van die
diersoorten maar het wordt
nu gebruikt als legitimatie
voor het houden van dieren
die in gevangenschap zijn
opgegroeid. Grote aantallen
uilen en roofvogels zijn
echter niet in gevangenschap
geboren. Hierop vindt
nauwelijks controle plaats
en als dat wel gebeurt,
moeten controleurs een meer
dan normale hoeveelheid
verstand van zaken hebben om
te kunnen vaststellen dat de
slechtvalk in gevangenschap
hetzelfde dier is als in de
papieren wordt beschreven.
Het is niet vast te stellen
hoe jong of hoe oud dat dier
is en daar wordt heel veel
mee gesjoemeld. De heer
Niesen vraagt om een einde
te maken aan de wildgroei
van het in gevangenschap
houden van Europese vogels.
Muskusratten dienen volgens
de heer Niesen niet meer te
worden beschouwd als exoten.
Het is een diersoort die
hier al vijftig jaar
voorkomt en wij zullen hem
nooit kwijtraken. Zij kunnen
een bedreiging vormen, maar
een exoot is de muskusrat
niet meer, hij is
ingeburgerd. De heer Niesen
pleit ervoor om alle soorten
exoten die hier inmiddels
vaste voet onder de grond
hebben niet te bestrijden.
Het is van tevoren duidelijk
dat het willekeurig
bestrijden van de nijlgans
en de Canadese gans of de
halsbandparkieten geen enkel
effect zal hebben of dat het
aantal substantieel zal
verminderen. Nog afgezien
van het feit dat de meeste
exoten geen overlast
veroorzaken. Zij horen hier
van nature niet thuis, maar
dat geldt ook voor veel
bomen en planten in
Nederland. In plaats van hen
te bestrijden, adviseert de
heer Niesen om in te zetten
op het voorkomen van
ontstaan van populaties van
exoten. Het is bekend dat
juist dankzij jagerskringen
allerlei exoten in Nederland
terecht zijn gekomen omdat
zij zijn uitgezet voor de
jacht. Van de heer Niesen
mogen zij blijven.
De heer Leidekker (NP De Hoge
Veluwe)
heeft in de vorige
bijeenkomst gezegd dat hij
het wonderlijk vindt dat men
hier zit om te praten over
maatregelen die een
onderdeel zijn van het
beheer. Er is geen
bijeenkomst over grasmaaien
of houtkappen: dat gaat over
de uitvoering van beheer. De
meningen over de jacht lopen
heel ver uiteen, ook onder
wetenschappers en daarom
begrijpt hij wel dat er iets
moet worden geregeld over
dit facet van het beheer. De
heer Leidekker is blij dat
er een verruiming
plaatsvindt voor
mogelijkheden in het beheer.
Een aantal dingen moet
preciezer worden geregeld,
zoals het nulstandbeleid. Er
moeten goede uitspraken
worden gedaan over wat men
hiermee wil en welke
standpunten in Nederland
worden ingenomen. Er moet
worden bepaald of het al dan
niet wenselijk is dat er
buiten de nu vastgestelde
leefgebieden van grofwild
ook grofwild voorkomt. Als
grofwild buiten de
vastgestelde leefgebieden
als lastig wordt ervaren,
dan moet daar zowel
landelijk beleid als
handhaving voor worden
ingesteld.
Het is goed dat de
jachthouder verantwoordelijk
wordt gesteld voor geleden
schade. In de praktijk van
het grofwildbeheer ziet hij
dat er tegenstrijdige
belangen zijn. Als er een
principiële keuze wordt
gemaakt om iets wel of niet
te doen, kan er mogelijk een
probleem worden verplaatst
naar de buurman. Een
voorbeeld daarvan is het
besluit van de provincie
Gelderland om in het zuiden
van de Veluwe het
hertenkerende raster te
verlagen naar één meter
zonder dat daarvoor goede
regelingen waren getroffen
met de eigenaren van
aangrenzende gebieden. Deze
boeren zagen hun oogst
verdwijnen en zij trokken
hun eigen rasters op; een
tegengestelde beweging. In
feite wordt gezegd dat men
pas voor schadevergoeding in
aanmerking komt als al het
mogelijke is gedaan om dit
te voorkomen en dat kan
alleen maar door een raster.
Hierdoor ontstaat er een
verloedering in het
landschap..
Een ander voorbeeld is een
boer die zijn land naast een
landgoed heeft, waar
principieel niet wordt
gejaagd. Hij heeft inmiddels
al zijn leveringscontracten
opgezegd want hij heeft geen
oogst meer, omdat de
edelherten die lekker
vinden. Daarom moet de
jachthouder verantwoordelijk
worden gesteld voor geleden
schade vanuit zijn terrein.
In Duitsland is men een stap
verder met het regelen
hiervan.
De heer Leidekker vraagt om
uitgaande van de gekozen
motivatie voor het toevoegen
van het wilde zwijn aan de
wildlijst, op dezelfde
manier te kijken naar het
edelhert en het ree. Hij
denkt dat die in dezelfde
categorie thuishoren. Voor
beide soorten is sprake van
een gunstige staat van
instandhouding en van
schadebestrijding.
Over jachtmiddelen en de
jachttermijn vraagt de heer
Leidekker om meer naar de
wildsoort te kijken. Varkens
moeten in de eerste twee
maanden van de zomer worden
beheerd om problemen te
voorkomen. Per soort moet
worden bekeken hoe dit het
beste effectief kan worden
gedaan. Hij wil hier wel
over meepraten.
In tegenstelling tot de PAN
staat hij wel achter het
terugbrengen van de
contracttijd naar een jaar,
omdat het soms goed uitkomt
om een contract met een
jager niet te verlengen. Dit
is afhankelijk van het
belang.
De heer Repelaer van de FPG
bevestigt de noodzaak van
populatiebeheer van
diersoorten die het
onbeheersbare benaderen
zoals ganzen in het weiland,
damherten in de duinen en op
de Veluwe en wilde varkens.
Een eigenaar heeft het recht
om een gebied jachtvrij te
verklaren, wat de oorzaak is
van overbevolking. Ook
organisaties zien in dat dit
veel schade toebrengt aan
het milieu en de
biodiversiteit en dat er
iets moet gebeuren. Dan moet
de wet wel extra
instrumentarium bieden om
dat mogelijk te maken. Dit
kan het beste worden gedaan
door de provincies die
regionaal kunnen optreden,
maar de wet moet goede
kaders stellen met extra
bevoegdheden. Met betrekking
tot ganzenschade is gewag
gemaakt van internationale
verplichtingen die Nederland
zou hebben. De heer Repelaer
vraagt welke dat zijn en om
welke ganzensoorten het
gaat. Voordat de lijst van
bejaagbare soorten wordt
uitgebreid, moet worden
bekeken of hier nog andere
soorten bij kunnen en wat de
exacte verplichtingen zijn.
Voordat de definitieve tekst
wordt vastgesteld, moet
bekend zijn in welke
gebieden in Nederland dit
een rol speelt. De motivatie
voor jacht is
schadebestrijding.
Dit komt niet terug in het
voorstel. Kraaiachtigen en
andere soorten moeten
duidelijk in de wetgeving
worden toegevoegd. De heer
Repelaar ondersteunt de
opmerkingen die door FBE
Limburg en de PAN naar voren
zijn gebracht. Hij steunt
deze reactie evenals de
inbreng over grofwild.
De heer Jamin spreekt ook namens
de FPG.
Hij heeft een aantal vragen
over artikel 3.7.3
Schadeverantwoordelijkheid
van de jachthouder. Hij
begrijpt dat er sprake is
van een delict als die het
uit de hand laat lopen. Er
is een
inspanningsverplichting om
schade door bejaagbare
soorten te voorkomen. Zij
veroorzaken echter ook
schade buiten de
jachtperiode. Hoe zit het
dan met schade buiten deze
periode. Hij vraagt hoe
wordt omgegaan met deze
inspanningsverplichting van
de jachthouder of
grondgebruiker als de jacht
wordt gesloten en waar de
schadeclaim dan moet worden
neergelegd. Ook is
onduidelijk wie deze claim
beoordeelt.
Uitvoerbaarheid van de wet
is heel belangrijk. Er mag
geen versplintering van
beleid optreden, waarbij
schadeverantwoordelijkheid
die nu bij de overheid ligt
wordt afgeschoven. De heer
Jamin vreest dat er meer
conflicten zullen ontstaan
in het buitengebied met een
diffuse beoordeling van
schadeclaims. De schade is
uit de hand gelopen en de
gevolgen daarvan word nu
neergelegd bij
grondgebruikers en
jachthouders .
De heer Dijkhuis van de KNJV
onderschrijft de reactie van
de PAN/NOJG. Hij heeft een
groot aantal opmerkingen die
schriftelijk zullen worden
ingediend. De Europese
context spreekt hem erg aan,
omdat jacht als
beschermingsregime een plek
krijgt. Hierdoor krijgen
jagers ook verplichtingen
voor instandhouding van de
soorten en voor beperking
van de schade. Hij vindt het
mooi dat dit wordt erkend.
Ook de ‘ja mits-benadering’
spreekt hem erg aan. Hij
stelt voor om gebruik te
maken van vrijwilligers om
op die manier de burgers bij
het beleid te betrekken.
Jagers vertegenwoordigen een
groot maatschappelijk
belang. Hier moet gebruik
van worden gemaakt en er
moet worden gezorgd voor
meer draagvlak. Als
randvoorwaarde geeft de heer
Dijkhuis aan dat vertrouwen
moet worden gesteld in de
organisatie en de goede
structuur van de jacht in
Nederland. 95% van de
Nederlanders is tegen
plezierjacht, maar 80% is
voor beheerjacht. Naar
aanleiding van de vraag
welke alternatieven er zijn,
merkt de heer Dijkhuis op
dat nu een aantal soorten
wordt voorgesteld, terwijl
Europese regelgeving ruimte
biedt voor veel meer
soorten. Hij vraagt of het
niet beter is om 40 soorten
op die lijst te zetten en
burgers verantwoordelijk te
maken. Hij is benieuwd naar
de verhouding tussen de
verplichting uit de
Beneluxregels en die van de
EU. De Beneluxregelgeving
over jacht is in zijn geheel
door Europese regelgeving
overgenomen, waardoor de
Beneluxregels achterhaald
zijn.
Pauze
Vervolg inbreng deelnemers
De voorzitter heropent de
bijeenkomst om 16.05 uur. Er zal
eerst een reactie worden gegeven
op alle punten die naar voren
zijn gebracht. Daarna is er
ruimte voor discussie.
De heer Tollerton bedankt de
deelnemers voor alle opmerkingen
en voor de schriftelijke
bijdragen.
Over de uitbreiding van de
lijst van bejaagbare soorten
zijn tegengestelde
standpunten geuit. Sommigen
pleiten voor helemaal geen
jacht en anderen voor een
uitgebreidere jacht. Ook is
gevraagd naar de definitie
van jacht tegenover
schadebestrijding en ook
hierbij zijn pleidooien
gehouden voor en tegen een
landelijk
vrijstellingsbeleid. Er zal
goed worden bestudeerd welke
systematiek zal worden
toegepast en welke criteria
voor welke categorieën
worden gebruikt.
Ook zal worden bekeken wat
landelijk moet worden
geregeld en wat
logischerwijs kan worden
gedecentraliseerd naar de
provincies.
Welke wildsoorten onder
jacht en schadebestrijding
vallen, is onderdeel van de
afweging. Ook de vraag of
het er meer of minder zijn
dan nu en hoeveel, moet nog
worden bekeken. De
systematiek hiervoor moet
nog worden verduidelijkt en
voor de verhouding tussen
regimes moeten toetsbare
criteria worden vastgesteld.
Over exoten is opgemerkt dat
preventie belangrijker is
dan bestrijding. Het
wetsvoorstel bevat hiervoor
instrumenten door het
uitvaardigen van bezits- en
handelsverboden. Ook door
middel van goede
communicatie kan winst
worden behaald. Dat neemt
niet weg dat er exoten
kunnen zijn waarvan het van
belang is dat zij worden
geëlimineerd als zij er
eenmaal zijn. Het is echter
geen uitgangspunt van de wet
dat alle exoten verdwijnen,
maar bij exoten die groot
gevaar opleveren, kan worden
ingegrepen om grotere schade
te voorkomen.
De heer Niesen merkt op;
dat dan aan de voorwaarde
moet zijn voldaan dat de
maatregel ook daadwerkelijk
effect heeft. De heer
Tollerton beaamt dit. Er zal
een risicobeoordeling moeten
zijn van de voor- en nadelen
van ingrijpen. De heer
Niesen noemt als voorbeeld
een kolonie van heilige
ibissen in Frankrijk, die
zich inmiddels hebben
verspreid over andere
landen. Sinds een aantal
jaren broeden zij ook in
Botshol. Dit jaar zijn zij
daar weggeschoten. Heilige
ibissen is een soort die
hier van nature niet hoort,
maar als exoot zijn zij niet
invasief te noemen. Hij
vraagt welke gedachte
hierachter zit en of er
sprake is van een reëel
gevaar. De heer Tollerton
denkt dat in dit geval
sprake is van exoten die
zich in Nederland vestigen
en waarvan het niet
realistisch om te denken dat
zij uit de natuur kunnen
worden gehouden. Wat niet
wegneemt dat er een reden
moet zijn om ze te
bestrijden. Gedeputeerde
staten kunnen hiervoor het
initiatief nemen.
De heer Croughs merkt op;
dat in het vorige
gesprekssessie exoten heel
andere uitgangspunten zijn
genoemd voor het bestrijden
van exoten. Deze dienden te
worden bestreden op basis
van een landelijke lijst van
exoten en verwilderde
diersoorten. Dit betekent
dat er provinciale opdracht
moet zijn om de stand van
die diersoorten terug te
brengen.
De heer Melissen wijst erop;
dat er twee categorieën
zijn. Er zijn soorten
waarvan de minister zegt dat
de provincies inspanningen
moeten leveren om deze uit
te roeien en er zijn minder
invasieve soorten waarvoor
de mogelijkheid bestaat om
middelen in te zetten als er
problemen ontstaan.
De heer Croughs merkt op;
dat er dan een landelijke
verplichting is om exoten te
bestrijden. Op provinciaal
niveau kan worden besloten
tot bestrijding van exoten
als de grondgebruiker dat
wil. Hiermee voorziet
hij hetzelfde probleem als
nu met de ganzen. Op de ene
plaats mag het wel en op de
andere niet met als gevolg
dat er overal schade wordt
toegebracht en overlast
wordt bezorgd doordat de
terreinbeherende
organisaties ze zullen
beschermen. Hiermee wordt
het paard achter de wagen
gespannen.
De heer Tollerton vat samen dat;
in het wetsvoorstel wordt
geregeld dat voor invasieve
exoten die moeten verdwijnen
een aanwijzing plaatsvindt
waartegen de grondgebruiker
het geweer mag gebruiken.
Gedeputeerde staten heeft de
bevoegdheid om ook exoten
aan te wijzen waarvan de
stand moet worden
teruggebracht, als er
problemen ontstaan voor de
volksgezondheid of de
verkeersveiligheid op
regionaal of provinciaal
niveau. Dit staat los van
soorten die worden beheerd.
Als beheerder van een park merkt
de heer Leidekker op;
dat een organisatie een
doelstelling heeft van
waaruit bepaalde
beslissingen worden genomen.
Als er mogelijkheden zijn om
iets te doen met een
bepaalde dier- of
plantensoort maar een ander
ondervindt daarvan schade,
dan moet ook de
verantwoordelijkheid worden
genomen voor de gevolgen van
deze keuze.
De heer Niesen vindt dat;
dan vanuit de zorgplicht
moet worden aangetoond dat
er sprake is van dreigend
gevaar. De beslissing om een
exoot te bestrijden moet
worden gemotiveerd. Hij
vraagt dan ook naar de
motivatie voor het
bestrijden van de heilige
ibissen, die geen schade
veroorzaakten. Hij is erop
tegen dat een exoot wordt
bestreden om geen andere
reden dan het feit dat het
een exoot is en gemakkelijk
aan te pakken. Redenen om
een invasieve exoot te
bestrijden, moeten duidelijk
kunnen worden gemaakt aan
het grote publiek.
De heer Ostendorf (EL&I)merkt
op;
dat de heilige ibissen niet
in Rijksopdracht zijn
afgeschoten. De overheid
wijst wel soorten aan
waaraan iets moet gebeuren,
maar bij de ibissen is dat
niet het geval. Dit is dus
geen goed voorbeeld van de
gang van zaken volgens het
wetsvoorstel.
De heer Croughs
verwijst naar de marterhond
die nu nog te bestrijden is.
Hiervoor moeten dan wel
middelen worden gegeven
omdat er anders faunaschade
ontstaat doordat veel andere
diersoorten in het gedrang
komen. Hij vraagt hoe dit
moet worden getoetst. Als er
sprake is van een kleine
groep, moet een duidelijke
keuze worden gemaakt. Er
kunnen dan op provinciaal
niveau maatregelen worden
genomen om te voorkomen dat
het uitgroeit tot een
probleem.
De heer Jamin vraagt;
of er schadedreiging moet
zijn in Nederland of in
vergelijkbare biotopen in
het buitenland. Als er een
lijst wordt gemaakt van
mogelijke invasieve soorten
in het buitenland, kan in
vergelijkbare gevallen
worden beoordeeld of zij
schade zullen opleveren.
De heer Niesen;
wil echter criteria horen op
basis waarvan bestrijding
gaat plaatsvinden. In
Duitsland wordt zowel de
marterhond als de wasbeer
intensief bestreden, maar
het worden er niet minder en
ze komen ook naar Nederland.
De heer Croughs;
vindt dat het ministerie
keuzes moet maken met
duidelijke criteria voor
bestrijding waarvoor de
juiste middelen ter
beschikking worden gesteld.
Dit staat nog niet duidelijk
genoeg in het wetsvoorstel.
De heer Tollerton geeft aan;
dat een aantal begrippen is
genoemd, zoals verwilderde
dieren, staat van
instandhouding, andere
oplossing, waarop in
algemene zin kan ingaan. De
bedoeling is om zoveel
mogelijk duidelijkheid te
geven over deze begrippen,
maar er moet ook ruimte zijn
voor maatwerk in de
praktijk. In de Memorie van
Toelichting kan een
beschrijving worden gegeven
zonder dat de mogelijkheid
van maatwerk wordt
weggenomen. Er zal een goede
definitie van deze begrippen
worden gegeven.
De valkerijakte is in dit
voorstel geschrapt vanuit
het idee om zo min mogelijk
vergunningstelsels in de wet
op te nemen en omdat de
meerwaarde hiervan
onvoldoende is. De
opleidingseis voor
valkeniers is wel in de wet
gehouden, zodat deze is
gewaarborgd.
De heer Vermaesen;
vindt dat de valkerijakte
dan onder de jachtakte moet
vallen, omdat valkerij puur
een vorm van jacht is. Over
de opleidingseis vraagt hij
zich af hoe in het veld kan
worden aangetoond dat iemand
een diploma heeft gehaald.
De havik en de slechtvalk
komen van oudsher voor op de
vroegere Vogelvergunning,
maar de heer Vermaesen
vraagt zich af of het bij
deze twee vogels blijft of
dat volgens de nieuwe wet
met alle roofvogels mag
worden gejaagd.
De heer Tollerton;
antwoordt dat de
vogelsoorten waarmee mag
worden gejaagd, worden
aangegeven bij AMvB. In de
jachtakte wordt aangesloten
bij de Wet wapens en
munitie, die uitgaat van het
gebruik van een geweer.
Vanuit die systematiek wordt
de jachtakte in stand
gehouden. Nadelige effecten
in de handhaving van het
verdwijnen van de
valkerijakte, moeten worden
nagegaan.
De heer Vermaesen;
merkt op dat als de
valkerijakte vervalt, ook de
numerus fixus is opgeheven.
De valkeniers willen zich de
numerus fixus zelf opleggen,
omdat een kerkuil niet in
huis hoort te worden
gehouden. Daarom is het
belangrijk om alles te
koppelen aan de akte zodat
het is gewaarborgd dat
valkeniers een gedegen
opleiding hebben gehad via
de KNJV. Hij pleit ervoor om
voor ± 200 personen de
valkerijakte in stand te
houden en die voor drie tot
vijf jaar geldig te laten
zijn. Mensen moeten daarvoor
kunnen aantonen dat zij
jagen met een vogel en over
een terrein kunnen
beschikken.
De heer Tollerton zegt toe dat
dit wordt meegenomen.
De heer Vermaesen zal zijn
standpunt ook schriftelijk
toesturen.
Over het rapen van
kievitseieren merkt de heer
Tollerton op dat dit nu een
wettelijk geregelde
uitzondering is op de
Vogelrichtlijn. In het
wetsvoorstel is het voortaan
aan de provincie Friesland
om die vrijstelling te
verlenen, die daarvoor een
systeem moet opzetten.
De wildbeheereenheden worden
nu benoemd in de Flora- en
Faunawet, maar niet meer in
het voorstel omdat de
mogelijkheden van
schadebestrijding aan de
provincies wordt
overgedragen. Daardoor
vervalt de noodzaak om de
wildbeheereenheid te
definiëren. De inzet van
vrijwilligers verdient wel
een plaats in de Memorie van
Toelichting.
De heer Dijkhuis merkt op;
dat de wildbeheereenheid in
de wet is opgenomen in
verband met de schaalgrootte
van beheer en
schadebestrijding. Als er op
landelijk niveau geen
behoefte meer is aan het
bestaan van de
wildbeheereenheid dan is er
op provinciaal niveau nog
wel behoefte aan
schadebestrijding. Dit gaat
altijd over grote gebieden.
De wildbeheereenheid is
nodig voor planmatigheid in
beheer, bestrijding en
benutting, anders zijn
ingrepen toegestaan zonder
rekening te houden met de
omgeving. De heer Melissen
vult aan dat niet moet
worden vastgehouden aan de
5.000 ha-eis, omdat hij
vreest dat dan in Limburg,
met historisch veel kleine
eenheden, kaalslag ontstaat.
De heer Croughs merkt op;
dat schade niet kan worden
bestreden op lokaal niveau.
Beheer en schadebestrijding
hebben alleen effect in een
groter verband. Hij zou
graag zien dat dit toch in
de wet komt te staan, omdat
dan ook de provincies hier
rekening mee moeten houden.
Over de jachthuurovereenkomst
merkt de heer Tollerton op dat
er verschillende standpunten
zijn onderbouwd, zowel voor een
duur van zes jaar als voor
korter. In het voorstel wordt
dit aan de praktijk overgelaten.
De heer Croughs;
wijst erop dat dit heel
andere consequenties heeft
dan men nu denkt. Hij vraagt
hoe goed wildbeheer moet
worden gedaan als men van
jaar tot jaar niet weet of
men wel of niet mag jagen.
Beheren van dier- en
wildsoorten is alleen
mogelijk op een lange
termijn. Die zekerheid moet
in de wet worden vastgelegd,
anders kunnen er geen mensen
worden aangesteld en kan er
geen bosonderhoud worden
gepleegd. Nu wordt er alles
aan gedaan om ervoor te
zorgen dat de juiste
voorwaarden aanwezig zijn in
het gebied waar wordt
gejaagd en waar wildbeheer
plaatsvindt. Als dit wordt
teruggebracht naar een
termijn van een jaar, dan
heeft niemand er meer zicht
op. Hij wil niet meer terug
naar de situatie van voor de
Jachtweg van 1954 toen er
nog perceeljacht was waar
van jaar tot jaar mocht
worden gejaagd.
De heer Leidekker;
legt uit dat zijn overweging
is dat de beslissing bij de
beheerder/eigenaar zelf
ligt. Die bepaalt of hij wel
of niet hout laat kappen,
gras laat maaien of beesten
laat schieten. Als de
beheerder/eigenaar het recht
bij zichzelf houdt en er per
jaar mensen bij betrekt is
er toch sprake van
consistent beheer, omdat de
beheerder/eigenaar niet
verandert. Zo kijkt hij ook
naar het bosbeheer, dat elk
jaar anders kan worden
uitgevoerd terwijl het
beleid hetzelfde blijft.
De heer Leidekker zou graag
zien dat de mogelijkheid
wordt open gelaten om er
zelf invulling aan te geven
voor organisaties die dat
zelf kunnen en als eigenaren
dat niet zelf kunnen moet
het mogelijk zijn om een
langjarig contract aan te
gaan.
De heer Boersma (KNJV);
vindt flexibiliteit mooi,
maar hij wijst op twee
risico’s, namelijk het per
opbod verkopen wat een
verkeerd slag jagers
aantrekt en ten tweede dat
er roofbouw wordt gepleegd
omdat men ervoor heeft
betaald.
De heer Repelaer;
denkt dat ervan wordt
uitgegaan dat de gemeentes
of de provincies het goed
kunnen regelen. In dat geval
is er niets aan de hand. Hij
vraagt of het inderdaad zo
is dat dit wordt
gedecentraliseerd. Hij
vraagt of wordt overwogen om
de wildbeheereenheden over
te dragen aan provinciaal
beleid.
De heer Tollerton begrijpt de
wens om meer vorm te geven in de
wet. Volgens de heer Repelaer
gaat het niet alleen om een
wens, maar heeft het ook
daadwerkelijk een functie.
De heer Croughs;
merkt op dat de
grondeigenaar volgens de wet
in principe de jachthouder
is. Wanneer hij de
jachtrechten wil overdragen
aan een pachter of
grondgebruiker, dan dient er
een pachtovereenkomst te
worden opgesteld. De
grondgebruiker is dan pas
volgens de wet jachthouder.
Volgens de heer Tollerton;
is de eigenaar in principe
jachthouder. Als er
gebruiksrecht wordt
gevestigd, gaat het
jachtrecht mee over tenzij
dit bij de eigenaar wordt
gelaten. Bij een
pachtovereenkomst moet het
worden overgedragen, dus de
grondgebruiker hoeft niet
altijd jachthouder te zijn.
De heer Croughs;
stelt dat als de
grondeigenaar jachthouder
is, hij uitvoering moet
geven aan lid 2 van de
overeenkomst. Dan is hij ook
verantwoordelijk voor het
niet laten toenemen van
grote aantallen wild of
diersoorten die schade
berokkenen. Dat betekent dan
ook dat alle
terreinbeheerorganisaties
verantwoordelijk zijn voor
wat er om hen heen gebeurt,
ook al verpachten zij de
jacht niet. In dat geval is
goed nabuurschap geregeld,
wat voor hem heel belangrijk
is. Dit is een van de
essentiële zaken voor
faunabeheer en wildbeheer.
De heer Tollerton;
wijst erop dat het
jachthouderschap niet
verandert ten opzichte van
de Flora- en Faunawet. Het
is een verplichting voor de
jachthouder om de goede
staat van instandhouding te
behouden of te bereiken.
Overtreding van die
rechtsplicht kan als een
onrechtmatige daad worden
gezien. Dit betekent dat
degene die schade leidt, de
jachthouder aansprakelijk
kan stellen en bij de
rechter schade kan verhalen.
Wat wel verandert is dat er
meer wildsoorten worden
aangewezen en dat voor meer
soorten aansprakelijkheid
geldt. Hoe het zit met de
aansprakelijkheid van de
jachthouder voor ganzen is
nog een vraag die binnen
grenzen van redelijkheid
moet worden beantwoord,
waarover de rechter zou
moeten beslissen.
De heer Jamin;
merkt op dat daarover veel
onenigheid bestaat in het
buitengebied. Hij denkt dat
er veel meer rechtszaken
door ontstaan. Er moet een
constructie worden bedacht
waarbij het Faunafonds kijkt
naar wat redelijk is. Als de
jacht op bepaalde soorten
wordt gesloten volgens
wettelijke regels, dan kan
een doorwerking van claims
ontstaan van de
grondgebruiker naar de
jachthouder en van de
jachthouder naar de
provincie doordat er niet
kan worden gejaagd om
ecologische redenen.
De voorzitter (Jan Willem van
der Ham);
merkt op dat onderliggende
verantwoordelijkheden en
aansprakelijkheid niet
veranderen. Van
schadebepaling neemt hij aan
dat die naar redelijkheid en
billijkheid wordt
afgehandeld. De mate waarin
schade optreedt zal moeten
kunnen worden onderbouwd .
Welke instantie daarin een
rol speelt is niet
duidelijk, maar misschien
kan de expertise van het
Faunafonds daarbij helpen.
Dat is niet hetzelfde als
het doorschuiven van
verantwoordelijkheden naar
het Faunafonds.
De heer Jamin;
vindt dat het andersom
gebeurt. Als wildbeheer
wordt gedecentraliseerd naar
de provincies, dan moet de
schadeverantwoordelijkheid
ook bij de provincies worden
neergelegd. Maar dat gebeurt
niet want de
schadeverantwoordelijkheid
wordt bij de eindgebruiker
gelegd.
De heer Tollerton;
merkt op dat de provincies
verantwoordelijk worden voor
het uitkeren van de
schadevergoeding. Maar als
de jachthouder schade moet
voorkomen, dan zal dat ook
consequenties hebben. De
heer Jamin herhaalt zijn
opmerking dat als de
provincie de bejaagbare
periode voor de gans
verkort, hij een
verveelvoudiging van het
aantal conflictsituaties
voorziet.
De heer Repelaer;
vraagt om vast te leggen dat
de provincie
verantwoordelijk is als de
wettelijk vastgelegde
jachttermijn wordt beperkt
en dat de schade voor
rekening komt van de
verantwoordelijke overheid.
De heer Jamin;
pleit ervoor dat de
bejaagbare periode wordt
vastgesteld door het Rijk.
Alleen indien er ernstige
weersomstandigheden zijn of
wanneer een populatie te
klein dreigt te worden,
wordt de bejaagbare periode
aangepast door de provincie.
De heer Croughs;
is van mening dat de wilde
zwijnen meer schade veroorzaken
dan de gans. De provincie zal
dan maatregelen moeten kunnen
treffen via de FBE. Deze
mogelijkheid blijft bestaan.
De voorzitter zegt toe dat dit
nader wordt bekeken als hierover
onduidelijkheden bestaan.
De heer Tollerton zal bekijken
of het wenselijk is om de
opening en sluiting van de jacht
per wildsoort te variëren.
Van preventieve maatregelen
is een aantal keren gezegd
dat deze eerst moeten worden
genomen en pas daarna mag
worden overgegaan tot het
bestrijden van dieren. Dit
uitgangspunt staat in het
voorstel en de
Habitatrichtlijn blijft
overeind. Dit zal meer dan
nu worden benadrukt. Het is
ook aan de provincies om
hieraan invulling te geven
in hun eigen beleid.
De heer Croughs;
merkt op dat in de landbouw
niet alleen de gewassen een
rol spelen, maar ook de
gewasondersteunende
voorzieningen zoals
landbouwplastic en bogen.
Hieraan kan ook grote schade
worden aangericht door wilde
zwijnen. Hij vraagt om deze
gewasondersteunende zaken
ook op te noemen als belang,
ook al staan zij niet
genoemd in de
EU-verordening.
De heer Tollerton;
merkt op dat de EU leidend
is en het moet onder de
huidige belangen genoemd
zijn. Voor soorten die niet
onder de bescherming van de
Habitatrichtlijn vallen, kan
wel een afweging worden
gemaakt om bestrijding toe
te staan. Dit moet door de
provincie in overweging
worden genomen. Dit kan in
de Memorie van Toelichting
worden opgenomen.
De heer Jamin;
vraagt hoe het staat met het
gelijkheidsprincipe voor
mensen in het buitengebied
en de betreffende
faunasoorten.
Decentralisatie kan op
verschillende wijzen worden
geïnterpreteerd.
De heer Berg (LE&I);
wijst op het maatwerk, wat
inhoudt dat niet elk geval
gelijk is. Al deze
kanttekeningen bij het
omgaan met decentralisatie
en de discussie over de
kaders die het Rijk moet
meegeven, zullen worden
meegewogen.
Sluiting
De voorzitter stelt voor om de
bijeenkomst af te sluiten. De
heer Berg geeft een overzicht
van het vervolgtraject. Alle
opmerkingen worden samengevat in
een tabel die aan alle
deelnemers wordt toegezonden.
Hierin wordt aangegeven hoe deze
opmerkingen zijn gewogen en
verwerkt. Hierna volgt een
officiële consultatieronde, die
van tevoren zal worden
aangekondigd. In december 2011
gaat het voorstel naar de Raad
van State en in het voorjaar
2012 naar de Tweede Kamer.
De voorzitter bedankt de
aanwezigen voor hun komst en hun
inbreng. Hij sluit de
bijeenkomst om 17.00 uur.