Antwoord Prof Herbert Prins op het schrijven van
de Voorzitter PAN Dr. Jo Hilgers
Geachte Dr. Hilgers,
Hartelijk dank voor Uw brief (per e-mail) betreffende de benoeming
van de nieuwe buitengewone hoogleraar Faunabeheer bij mijn
leerstoelgroep aangesteld. Ook dank voor Uw lofprijzingen en
kritische opmerkingen – zonder kritiek zouden loftuitingen immers al
te makkelijk tot hubris kunnen leiden.
Inzake de promotie van Dr. Vera bij mij vind ik het wel aardig U mee
te delen dat Frans op een gegeven moment vertwijfeld uitriep: “Hoe
kun je nu mijn promotor zijn terwijl je het niet met me eens bent!”.
Ik heb hem toen uitgelegd dat de promotor en de promovendus het niet
“eens” hoeven te zijn – wetenschap draait daar immers nooit om. De
promotor ziet er “slechts” op toe dat het werkstuk wetenschappelijk
verdedigd kan worden. Aangezien mijn kunde inderdaad niet op het
vakgebied van de palynologie ligt (en ook niet op Middelnederlandse
filologie – waar Frans Vera ook gebruik van heeft gemaakt), heb ik,
omdat ik “weet hoe het hoort”, alle dat soort delen van zijn
proefschrift vóór mijn goedkeuring laten beoordelen door een
professioneel palynoloog (collega R. Janssen) en zijn
Middelnederlandse duidingen door een professionele specialist op dat
gebied (collega Blok). Ik heb dit natuurlijk in goed overleg gedaan
met mijn mede-promotor collega Berendse. De commissie die Vera’s
proefschrift heeft beoordeeld was geen lichte: er heeft dus ook geen
“lichte toetsing” plaats gehad. Ik ben dus van mening dat Vera’s
proefschrift aan alle academische eisen voldoet en dat de juiste
procedures zijn gevolgd om te komen tot een oordeelsvorming over de
verdedigbaarheid van dat werk. Na zijn promotie is zijn werk in de
internationale wetenschappelijke arena geworpen, waar het –
natuurlijk – kritiek en bijval heeft gekregen.
Deel ik Frans’ inzichten? Neen, niet direct. Vind ik ze inspirerend?
Absoluut. Uit Uw eigen onderzoekservaring weet U natuurlijk net als
ik dat “scholenstrijd” zich voornamelijk afspeelt in die delen van
de wetenschap waar theorievorming zwak is. De ophef die soms door
ecologen wordt gemaakt over “juist” of “fout”, zoals dat
bijvoorbeeld bij het begrazingsdebat zich afspeelt, is dus eerder
een aanduiding dat de theorievorming zwak dan dat het
grensverleggend zou kunnen zijn.
Mijn samenwerking met de KNJV wordt dan ook vooral ingegeven door de
wens te komen tot betere inzichten over hoe faunabeheer nu eigenlijk
zou moeten plaats vinden in Nederland, dan door de wens mee te doen
aan een scholenstrijd. De persoon van Gerard Alferink van de KNJV is
zo dat ook hij als bruggenbouwer wil werken, en dat stel ik zeer op
prijs. Ik vermoed dat ook de PAN een dergelijke positie wil innemen.
Ik zie daarom een afspraak met U met belangstelling tegemoet.
Hoogachtend,
Prof.Dr. HHT Prins
Resource Ecology
|