Datum:04-12-2008 Grote grazers doen ook veel dieren verdwijnen

Nieuws PAN

Nieuws Alg.

Nieuwsarchief

Startpagina

 

Bron; de Volkkskrant;  verslaggever Caspar Janssen
gepubliceerd op 26 juli 2008

Amsterdam - Van heinde en verre komen ze naar de Oostvaardersplassen. Het paradepaardje van de Nederlandse natuur, ooit toevallig ontstaan op voor industrie ontgonnen terrein, is nu een uniek natuurgebied in Europa. ‘Serengeti achter de dijken’ vond Der Spiegel, naar het grote natuurpark in Tanzania. In ieder geval een paradijs voor konikpaarden, heckrunderen, herten, grauwe ganzen, grote zilverreigers, lepelaars en een paartje broedende zeearenden, het ultieme symbool van het succes van de Staatsbosbeheerfilosofie: geef de natuur de ruimte en er ontstaat vanzelf iets moois.

In de Ontwikkelingsvisie Oostvaardersplassen geeft Staatsbosbeheer hoog op over de ‘spontane ontwikkeling van het ecosysteem’ en kondigt aan om voort te gaan op de ingeslagen weg, ‘voorbij de horizon van het vertrouwde’. ‘Niets anders wacht ons dan de top,’ aldus het plan voor de Oostvaardersplassen, dat nog in oppervlakte gaat verdubbelen tot een voor Nederland qua grootte ‘ongeëvenaard natuurgebied’.

De enthousiaste toonzetting van het plan is het minste waaraan ecoloog Theo Vulink, die in 2001 promoveerde op onder meer begrazing in de Oostvaardersplassen, zich heeft gestoord.

Het zit Vulink vooral dwars dat er ‘helemaal niets is gedaan’ met een kritisch rapport uit 2006 over tien jaar beheer door Staatsbosbeheer. Vulink was projectleider van die evaluatie met de conclusie: het gaat helemaal niet zo goed in de Oostvaardersplassen.

Dat legt Vulink uit in het jongste nummer van De Levende Natuur. ‘De gedachte dat door systeemprocessen met grote grazers een gevarieerd landschap ontstaat, is niet waargemaakt’, zo stelt hij. De ‘zeer hoge begrazingsdruk’ leidt tot het verdwijnen van het landriet, ruigte en struweel, met als gevolg dat de biodiversiteit daalt.

Al eerder hadden vogelbeschermers zich bezorgd getoond door de achteruitgang van een aantal (zeldzame) broedvogels in het gebied: de wielewaal, de spotvogel, blauwborst, paapje, sprinkhaanrietzanger en grauwe klauwier, soorten die het moeten hebben van de ruigtes, het landriet en bosschages. Ook in het natte deel van de Oostvaardersplassen gaat het slecht met deze soorten. Met andere soorten gaat het wel goed, geeft Vulink toe.

Toch is zijn conclusie dat Staatsbosbeheer meer moet ingrijpen in het gebied teneinde de soortenrijkdom te bewaren. Door om de vijf of tien jaar een catastrofe na te bootsen, waarbij grote grazers uit het gebied worden verwijderd, door het natte gedeelte van het gebied regelmatig te laten droogvallen, waardoor de ganzen de jonge planten met rust laten.

Dat gebeurt niet van nature, aldus Vulink. De dynamiek in het gebied is daarvoor te laag, zelfs als het gebied veel groter wordt. ‘Laten we niet doen of het introduceren van nog meer grote zoogdieren de unieke wetlandbiodiversiteit ten goede komt.’

Het gaat in de Oostvaardersplassen om de aloude tegenstelling tussen soortenbeheer en systeembeheer. Volgens Vulink leidt het ‘eenzijdige geloof in systeembeheer’ tot ‘monotone vegetatie’, zo licht hij desgevraagd toe. ‘Veel planten- en vogelsoorten verdwijnen.’

Volgens Frans Vera van Staatsbosbeheer, geestelijk vader van de beheersfilosofie in de Oostvaardersplassen, is wel degelijk rekening gehouden met het rapport van Vulink. Vera: ‘Maar we hinkten toen op twee gedachten: én streven naar een zelfregulerend ecosysteem, én behouden van wat er op dat moment was. Nou, dat kan dus helemaal niet. We hebben nu expliciet gekozen voor spontane natuurontwikkeling. Dan zie je in overgangsfases weleens soorten verdwijnen. Maar je ziet ook soorten verschijnen. En uiteindelijk ontstaat er alsnog een gevarieerd landschap.’

Theo Vulink: ‘Het wordt tijd dat Staatsbosbeheer hierover een symposium organiseert.’