Dr. Jo Hilgers
met medewerking van
Piet Croughs en
Maarten Fijnaut
Naar aanleiding van
artikel:
G.W.T.A. Groot
Bruinderink: Het wilde zwijn, bevrijding of bedreiging?
Natuurhistorisch
Maandblad, 96/6, pp. 162-164, 2007

Inleiding
Het Natuurhistorisch Genootschap in
Limburg publiceerde zojuist Deel I van een rapport met als
titel: “Biodiversiteit in het Nationaal Park de Meinweg”,
met daarin een artikel van ecoloog Groot Bruinderink (zie
hierboven), die al twintig jaar geleden in 1987 een eerste
studie publiceerde bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer
(Arnhem), getiteld:
”Het beheer van de wilde zwijnen in het Meinweggebied.” Een
expert vanuit Wageningen dus.
De kern van zijn
betoog is te vinden in de eerste zinnen van de samenvatting
in het Engels, die ik hier citeer: “Conservation policy in
the Netherlands is increasingly based on the creation of
ecological networks, incorporating so-called robust
connections for the deer.
The number of free-ranging
wild boar is currently steadily increasing, and is the first
species to profit from the new ecological networks.”
Volgens Groot Bruinderink neemt buiten het
Meinweggebied het aantal wilde zwijnen inmiddels sneller en
sneller toe in de grensgebieden met Duitsland, enerzijds
naar het zuiden en anderzijds tot in het zogenaamde
Maas-Swalm-Nettegebied naar het noorden. Van hieruit is een
tweede populatie ontstaan in de Peel in het Limburgs
Brabants grensgebied. En een derde populatie breidt zich uit
in het Rijk van Nijmegen van het Groesbeekse bos tot de
Mookerheide. Deze gegevens door Groot Bruinderink gemeld
zijn inmiddels verouderd.
De meest recente
gegevens die de Fractie Jacht van de provinciale
Faunabeheereenheden in het voorjaar van 2007 aandraagt,
laten zien dat het wilde zwijn inmiddels in meer dan de
helft van Zuid Limburg al aanwezig is, in vrijwel geheel
Midden Limburg en een groot deel van Noord Limburg.

Datzelfde rapport geeft gedetailleerde
kaarten van alle natuurgebieden van Limburg – van
Staatsbosbeheer, het Limburgs Landschap en Natuurmonumenten
– waar faunabeheer van het wilde zwijn, ingegeven door het
concept “nulstandgebied” niet of nauwelijks plaatsvindt. Met
uitzondering van het Meinweggebied waar wilde varkens van
oudsher beheerd worden met het geweer.
Het gaat hier om een dertigtal grotere
natuurterreinen en meer als honderdenvijftig beschermde
kleinere gebiedjes verspreid over de hele provincie. Hier is
de doelstelling kennelijk het behoud van deze soort en de
ermee samenhangende vergroting van de biodiversiteit, die
door deze dieren bevorderd wordt in met name de bossen. Die
doelstelling staat dus lijnrecht tegenover die van het
opgedragen beleid van de Tweede Kamer geboden in de zgn.
nulstandgebieden (artikel 68 FF-wet).

Schadegebieden
2005-2006 in combinatie met gebieden waar geen toestemming
is tot afschot
De partijen verenigd in de fractie jacht,
zijn van mening dat weliswaar de uitvoering van de
faunabeheerplannen t.a.v. locale schadeproblematiek goed
verloopt, maar dat de uitvoering vanuit de
faunabeheereenheden voor diersoorten die een groter
leefgebied hebben (met name de zeer schadelijke vos voor het
kleinwild) en waarover gezamenlijke afspraken zijn
vastgelegd in de faunabeheerplannen, sterk moet verbeteren.
De uitvoering van de gezamenlijke
afspraken komt maar moeilijk van de grond, een knelpunt, dat
het gevolg is van tweeslachtigheid in de FF-wet. Enerzijds
hechten de overheden aan een integrale aanpak van het
faunabeheer,over grotere gebieden van meer dan 5000 ha
conform art 29 FF-wet en art 5 Faunabesluit, anderzijds
hebben individuele grondgebruikers duidelijke bevoegdheden
over de beslissing faunabeheerplannen op eigen gronden toe
te staan. Dus de uitvoering wordt hierdoor nog steeds
perceelsgebonden uitgevoerd, terwijl juist de plannen voor
het beheer van deze diersoorten meer dan 5000 ha moeten
beslaan. Daardoor wordt het beheer en schadebestrijding
juist bemoeilijkt, zeker als voor het wild zwijn buiten het
beheergebied van de Meinweg in geheel Limburg een nuloptie
geldt voor de wilde zwijnen.
Dat de wet bevoegdheden verleent aan
individuele grondgebruikers die niet rechtstreeks betrokken
zijn bij het opstellen van de faunabeheerplannen is nog te
begrijpen; maar onbegrijpelijk is als dat niet gebeurt door
deelnemende partijen die als jachthouder deelnemen aan de
provinciale faunabeheereenheden die mede de geldende
faunabeheerplannen hebben opgesteld en deze hebben
goedgekeurd. Dit betreft met name Staatsbosbeheer,
Natuurmonumenten en in mindere mate Het Limburgs Landschap,
die de plannen moeten accorderen alvorens ze naar de
provinciale overheid en voor advies naar het Faunafonds
gaan voor de ontheffingen. Dit leidt tot spanningen over de
uitvoering tussen de uitvoerders van de ontheffingen
(Fractie Jacht) en de TBO’s binnen de drie Limburgse
Faunabeheereenheden en enerzijds en de terreinbeherende
organisaties anderzijds, dit terwijl de probleemhouder in de
LLTB en haar leden en de individuele grondgebruikers
eigenlijk hiervoor dienen zorg te dragen, dat er goede
werkbare ontheffingen komen.
Het 1600 ha grote Nationaal Park De
Meinweg – binnen de Ecologische Hoofdstructuur en in het
bezit van Staatsbosbeheer – is met de Hoge Veluwe, het enige
gebied in Nederland waar van oudsher wilde zwijnen in het
wild voorkomen en waar ze tot op de dag van vandaag beheerd
worden met het geweer. Dat gebeurt ook in het aangrenzende
veel grotere Duitse deel dat onderdeel is van het 70.000 ha
grote Nederlands-Duitse Natuurpark Maas-Swalm-Nette. Er
wordt in De Meinweg gestreefd naar een voorjaarsstand van 60
dieren aan de Nederlandse kant en 330 dieren aan de Duitse
zijde. Het afschot nadert de 100 dieren per jaar en is
stijgend.
Buiten dit gebied en dat van de Hoge
Veluwe is er in Nederland afgesproken om geen wilde varkens
toe te staan en wordt als het “nulstandgebied” aangeduid,
hetgeen voornamelijk geldt voor de provincies Limburg,
Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen langs de Duitse
grens waar wilde zwijnen infiltreren. De jagers worden
geacht alle wilde zwijnen te doden in deze nulstandgebieden
om zo schade aan gewassen, of aanrijdingen in het verkeer en
uitbraken van besmettelijke ziekten te voorkomen.
Het Faunafonds vergoedde tot voor kort in
Limburg geen schade aan gewassen, maar sinds 2003 is daar
toch mee begonnen, ook al hoeft dat niet te gebeuren in het
kader van de landelijke nuloptie wetgeving.
Het jaarlijks afschot – buiten het
Meinweggebied dus - liep op van 45 in 2000/2001 tot 209
stuks in 2004/2005, was bijna 300 in 2006 en is nu in juli
van 2007 al de 285 stuks overschreden. Het aantal
verkeersslachtoffers is opgelopen van enkele dieren in 2001
tot meer als 25 dieren in 2006. De uitgekeerde schade door
het Faunafonds vanwege schade aan gewassen door wilde
zwijnen schommelt tussen de 20.000 en 50.000 euro per jaar.
Hierbij een
overzicht van de aanwas van wilde zwijnen in een leefgebied
van 300 ha met een beginstand van 1 zeug en 1 keiler,
waarbij geen valwild of andere invloeden een rol spelen met
een toename van 100% per jaar. In het 3e
jaar is al de optimale stand bereikt. Terwijl in goede
mastjaren een toename van meer dan 200% mogelijk is.
|
Jaar
|
Wild Zwijn 100%
|
Jaar
|
Wild Zwijn 150%
|

|
|
1
|
2
|
1
|
2
|
|
2
|
4
|
2
|
5
|
|
3
|
8
|
3
|
13
|
|
4
|
16
|
4
|
31
|
|
5
|
32
|
5
|
78
|
|
6
|
64
|
6
|
195
|
|
7
|
128
|
7
|
488
|
|
8
|
256
|
8
|
1221
|
|
9
|
512
|
9
|
3052
|
|
10
|
1024
|
10
|
7629
|
Er is dus geen hoefdiersoort die
zich zo dynamisch vermeerdert, dit kan dus in 2 jaar met
300% zijn toegenomen.
De opmars van en de jacht op het wilde
zwijn in Duitsland
In Duitsland is het wilde zwijn in het
laatste decennium in opmars en breiden de populaties zich
enorm uit. De eerste algemene oorzaak lijkt een gevolg van
de recente milde winters vaak in combinatie met een goede
mast van beuk en eik. Veel varkens overleven hierdoor de
winter, deels omdat ze niet van de honger sterven, deels
omdat ze minder op de voerplaatsen van de jagers komen en
het dus moeilijker is afschot te realiseren. Bovendien is er
in samenhang met de milde winters minder sneeuw gevallen
waardoor er – onafhankelijk van de maanstand – in de nacht
niet gejaagd en “gekreisd” kon worden, een praktijk die
menig varken het leven kost.
Als tweede algemene oorzaak voor de sterke
uitbreiding der populaties is de enorme toename van
maïsvelden aan te merken. Er is geen boer meer die koeien
geen maïs voert en diezelfde maïs is ook bruikbaar in de
biogas industrie, dus niet meer alleen als voedselbron. De
maïsvelden biedt de varkens goede dekking en tegelijkertijd
prima voedsel, waardoor ze in goede conditie de winter
ingaan en grotere worpen krijgen.
Het schieten van de belangrijkste
ouderdieren – zeugen– brengt de sociale rangorde in de
rotten in gevaar en heeft tot gevolg dat jonge zogenaamde
frisling en overloper zeugen in alle jaargetijden gedekt
gaan worden op te jonge leeftijd. Dit kan een enorme aanwas
aan biggen tot gevolg hebben, die zich nog meer verspreiden
over een groter gebied en dit wordt in Rheinland-Pfalz (van
5000 tot 50.000 dieren) gezien als de belangrijkste oorzaak
van enorme groei in de laatste kwart eeuw, ook al voordat de
klimaatveranderingen duidelijk werden.
In NordRhein-Westfalen is de dichtheid
vanaf 2000 tot nu toegenomen met 0,79 st per 100 ha naar 1
stuks. ( 27.000.000 ha)
Dus zo’n 270.000 stuks langs een groot
deel van onze Oostgrens
Het systeem van de jacht dat in grote
delen van Duitsland gehanteerd wordt is als volgt; de aanwas
dwz. de biggen en overlopers mogen het gehele jaar geschoten
worden, maar varkens van twee jaar en ouder alleen van
augustus tot en met januari. In principe kan daarmee het
hele jaar gejaagd worden omdat er altijd wel wat biggen en
eenjarige overlopers bij de rotte zijn. Dit voorkomt
onweidelijke taferelen zonder dat het ten koste van de
effectiviteit gaat.
Maar dit systeem functioneert alleen als
jagers de varkens ook goed kunnen “aanspreken” (herkennen)
en dat vergt opleiding en scholing van de grootwildjager.
Een uitbreiding binnen de jachtcursus van de KNJV in
Nederland met een zwartwild brevet (niet te verwarren met
het oude zwartwild brevet voor schietvaardigheid) is daarom
met de toename in de toekomst van de wilde zwijnen geen
overbodige luxe.
Het probleem van de verkeersveiligheid is
op dit moment vrijwel onoplosbaar. In Duitsland gebeurt dit
onder andere met hekken langs autowegen, wildspiegels bij
wissels en voldoende waarschuwingsborden. Mensen die te hard
rijden dienen hun hand in eigen boezem te steken. In
Duitsland geschieden jaarlijks meer als honderdduizend
auto-ongelukken met grootwild maar daar wordt nauwelijks
over geklaagd.
In Nordrhein-Westfalen en de
Rheinland-Pfalz is er al enige jaren sprake van varkenspest
onder de wilde varkens. Op infectie met de worm die trichine
veroorzaakt en de bacterie voor het miltvuur wordt getest
alvorens het varken geconsumeerd mag worden, hetgeen in
feite gecombineerd zou kunnen worden met een test op
varkenspest. Inmiddels wordt de laatste jaren maïsblokjes
met een vaccin door de “Hegering” (het equivalent van onze
wildbeheereenheid) verspreid onder de jagers.
Er kan veel geleerd worden van het Duitse
systeem waar de jacht op wilde zwijnen al honderden jaren
plaatsvindt. Het wiel hoeft wat dit betreft niet opnieuw
worden uitgevonden in Nederland.
Groot Bruinderink stelt overigens in zijn
artikel over het wilde zwijn “it is the first species to
profit from the ecological networks”. Ik waag dat te
betwijfelen. Mijns inziens is dat te veel eer voor de
natuurbeschermers, want ook zonder die ecologische
verbindingszones zijn er evenveel varkens de Duitse grens
overgekomen en hebben ze zich hier zo goed kunnen
voortplanten, dat al in driekwart van Limburg varkens
zijn waargenomen.
Het beheer met het geweer van de wilde
zwijnen in Limburg
Het Meinweggebied is ingerasterd en heeft
op de toegangswegen wildroosters om de varkens niet te laten
uitwaaieren over de landbouwgronden. Er is voortdurend geld
nodig om het raster te onderhouden.
De jagers met een toestemming voor afschot
van de FBE in het beheergebied van de Meinweg, dienen zich
aan de regels van het faunabeheerplan te houden. Hierbij
gaat het voornamelijk om een goede “ sociale” opbouw te
krijgen in de rotten. Oudere zeugen en keilers dienen zo
veel mogelijk gespaard te worden om te voorkomen dat jongere
dieren aan de voortplanting gaan deelnemen en er buiten het
reguliere seizoen meer en meer biggen verschijnen. Worden er
oudere zeugen geschoten dan dienen er ook voldoende
overloperzeugen over te blijven om deze gaten op te vullen,
als de juiste stand is bereikt in het beheergebied.
Vooral in de nuloptiegebieden mogen de
effectieve drijfjachten (geen wilde zwijnen) in de winter
niet worden gehouden. De middelen om tot effectief afschot
te komen zijn daarom beperkt. Aan de ene kant moet de
nulstand gerealiseerd worden, aan de andere kant wordt het
afschot bemoeilijkt door allerlei beperkende maatregelen.
Groot Bruinderink maakt gewag van
uitbreiding van het Meinweggebied met het Meerlebroek en
Blankwater als een nieuwe stap naar een groter leefgebied
voor het wilde zwijn, maar dit zijn slechts twee kleine
gebiedjes. Hij verlangt duidelijk naar meer, maar hoe moet
dat gerealiseerd worden en ten koste van wat?
In de titel van zijn stuk stelt Groot
Bruinderink tegenover elkaar “de bedreiging” en “de
bevrijding” van het wilde zwijn. Zijn de wilde zwijnen
buiten het Meinweg gebied “de bedreigde” populaties en die
binnen het gebied “de bevrijde” populaties? Per slot
van rekening wordt in het “bevrijde” gebied beheerd met het
geweer door lokale Limburgse jagers en daarbuiten wordt
schadebestrijding met het geweer toegepast in “bedreigd
gebied” (=nuloptiegebied).
In Duitsland leven de meeste wilde zwijnen
in de “freie Wildbahn”. Is ons nuloptiegebied te vergelijken
met “freie Wildbahn”? Of niet omdat ze niet volgens een
zwartwildbeheerplan bejaagd worden, zoals in het
Meinweggebied? Omdat ze niet tot het jachtwild gerekend
worden in Nederland zoals in Duitsland, maar buiten de
beheergebieden van de Meinweg en de Veluwe behoren
en“slechts” tot de schadelijk diersoorten en “zonder-aanzien-des-zwijns”,
ook zeugen en kleine biggetjes gedood dienen te worden?
Geheel tegen het weidelijkheidsprincipe van de jagers; het
oeroude principe om het welzijn van dieren in de natuur niet
te schaden.
Wat wil Groot Bruinderink:
- Overal in Limburg wilde zwijnen
binnen de EHS gebieden, waar ze dan binnen rasters
beheerd worden zoals in het Meinweggebied?
- Ook inclusief die ene Limburgse
robuuste verbindingszone tussen Schinveld, Sittard en
Susteren die nog niet gerealiseerd is? Hoeveel rasters,
wildroosters, tunnels en ecoducten moeten er dan nog
gebouwd en aangelegd worden? En wat gaat dat kosten?
- Wat wil hij buiten de EHS met name in
al die tientallen grotere en honderden kleinere
natuurgebiedjes? Geen nuloptie beleid?
- Kan hij het ermee eens zijn dat de
boeren een adequate vergoeding voor schade krijgen door
het Faunafonds, zodat ze de wilde zwijnen gaan
accepteren als een normale faunasoort in hun
landbouwgebieden?
- Moeten de grondgebruikers buiten deze
gebieden dan ook niet volledige medewerking geven aan de
faunabeheerplannen en ontheffingen zonder uitzonderingen
te bedingen of anders dient hierop de Flora- en faunawet
aangepast te worden.” Deelnemen in een
faunabeheereenheden betekent ook geheel uitvoeren door
de deelnemers, van de door hen opgestelde en
goedgekeurde faunabeheerplannen”?
Naar een breder draagvlak voor de
acceptatie van het faunabeheer met het geweer
Een amateur entomoloog die namens het NHG
in het Meinweggebied een adviserende rol bij het onderzoek
van de biodiversiteit heeft, heeft al eens in zijn column
van het Natuur Historisch Maandblad geschreven over
wilde zwijnen. Het stuk getuigde van een groot anti-jacht
sentiment. In een meer recent stuk van de heer Lenders zet
hij zich nogal meesmuilend af tegen het koppel Veerman/
Schreijer-Pierik van vorig kabinet en kamer, dat nogal
wat zaken heeft gerepareerd aan de Flora en Faunawet en
steekt hij zijn bewondering voor de Partij van de Dieren
niet onder stoelen of banken.
Uit die drie stukken die in het
Natuurhistorisch Maandblad recent zijn gepubliceerd, blijkt
overduidelijk dat men liever niet samen met de
grondgebruikers en de uitvoerders (jager) naar bevredigende
oplossingen zoekt, alsof er andere mogelijkheden zouden
zijn. Er blijkt ook uit dat zowel Groot Bruinderink en
Lenders van de ins en outs van de jacht weinig inhoudelijke
kennis hebben. De tegenstellingen zijn en blijven daarom
onverminderd groot tussen jagers en anti-jacht lobbyisten,
iets dat natuurlijk niet bevorderlijk is voor optimaal
natuurbeleid.
De faunabeheereenheden van Limburg zijn
het forum om tot een vergelijk te komen, een zienswijze die
goed is voor de natuur en alle belangen weegt in verband met
de beschikbare middelen en binnen het kader van de
wetgeving. Het Genootschap zou eens kennis moeten willen
nemen over datgene wat daar aan de orde is wat betreft het
beheer van de fauna. De partners van de faunabeheereenheden
zijn de Wildbeheereenheden, de Limburgse Land en
Tuinbouworganisatie, Particulier Grondbezit,
Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en het Limburgs Landschap,
de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging en de
Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer. Aan het
Faunafonds wordt om advies gevraagd alsmede kunnen andere
betrokken organisaties zoals de Vogelwacht en de
Faunabescherming hun visies hierover indienen, alvorens
Gedeputeerde Staten een Faunabeheerplan goedkeurt met de
daar aan gekoppelde ontheffingen verleent aan de
Faunabeheereenheden.
Niemand heeft kunnen bevroeden dat het
zo’n vaart zou lopen met de grote voorplantings- en
aanpassingskracht van het wilde zwijn in de nuloptiegebieden
in Nederland, niemand kon bevroeden dat de overzomerende
ganzenpopulaties zich exponentieel zouden uitbreiden, maar
hoe daarmee om te gaan?
De volgende veranderingen staan er al weer
aan te komen: invasies van de wasbeer, de marterhond en
verdere uitbreiding van het roofwild – zelfs de vos en de
zwarte kraai ook al mogen ze worden bestreden - lopend en
vliegend is zoals nu blijkt geen gemakkelijke taak voor de
uitvoerders. Wordt afdoende het beheer van deze diersoorten
weer een lange juridische lijdensweg van tegenstellingen in
de zich snel veranderende natuur?
Wanneer komt de mens tot een volwassen
houding ten opzichte van de natuur waar hij zich zo
verantwoordelijk voor voelt, plattelander net zo goed als
stadsmens. Het ware te wensen dat zoveel mogelijk mensen “biologen-in-de-dop”
worden, met voldoende basiskennis over onze inheemse flora
en fauna en speciaal de dynamiek tussen roof- en
prooidieren, in relatie tot het biotoop, om op meer
volwassen wijze te kunnen omgaan met onze natuur en zich
niet te laten leiden door de politieke vaak
niet-inhoudelijke waan van de dag. Educatie van de jeugd
dient zich hier veel meer op te richten dan tot nu toe.
Het ware ook te wensen dat onze
natuurbeheerders en ecologen – vanaf student tot hoogleraar
– en de jagers, eindelijk eens serieus samen om de tafel te
gaan zitten, ook buiten de daarvoor bij de wet gecreëerde
instituties. Met name in Limburg waar het Genootschap al een
eeuw lang zo goed aan de natuurweg timmert, een voorbeeld
voor elke provincie van het land. Om als Limburgse bioloog
trots op te zijn.
Jac Thijsse, Charles Darwin, George
Russell Wallace waren jagers en ik, die me als een van hun
spirituele nazaten mag betitelen, ben trots dat ik zowel
bioloog als ervaren jager ben, ook al struinde ik met
geitenwollen sokken achter Victor Westhof door het
Limburgse heuvelland, op zoek naar orchideeën en andere
schitterende zeldzame planten.
In het land van het
Soldaatje en de Harlekijn
Is het goed mis met de Vos,
de Gans en het wilde Zwijn
Zolang de mens mag oogsten en het beheer
en schadebestrijding met het geweer van de fauna niet als de
normaalste zaak van de wereld wordt beschouwt zoals in de
omringende landen, zal de relatie tussen de mens en zijn
omringende groene leefgebied er een van onbenul en
onvolwassenheid zijn en functioneert de democratie in deze
hoogst emotionele tijden niet goed.
Goed Rentmeesterschap is dan een loze
kreet. Bedenk dat het Wereldnatuurfonds (World Wildlife Fund
of WWF) hetzelfde principe – wise use - wereldwijd voor
landen arm en rijk, als een der hoogste wimpels in het
natuurvaandel draagt.
|