Dêr’t it tilt fan fûgels

(Waar het wemelt van de vogels)

De visie van de BFVW op de weidevogelbescherming inFryslân

1. Samenvatting

De BFVW heeft in deze notitie nog eens duidelijk gemaakt hoe de weidevogelbescherming in de praktijk gestalte kan krijgen. Wij hebben ons verre gehouden van beschouwingen maar vooral geput uit de kennis en ervaring van onze praktijkmensen en beschikbaar onderzoek. Wij achten die kennis en ervaring zeer hoog mede als gevolg van het feit dat het systeem in de praktijk blijkt te werken.
In het kort: Weidevogelbescherming door vrijwilligers kan alleen tot zijn recht komen als de motivatie van de vrijwilligers wordt gekoesterd en bevorderd in een goede verenigingsstructuur, niet gehinderd door talloze wetten en voorschriften maar appellerend aan de verantwoordelijkheid van de mensen in het veld. Boeren moeten ook gedreven zijn door dezelfde motivatie en niet in de eerste plaats door geldelijk gewin. Het beschikbare geld van de overheden moet dan ook terecht komen bij de boeren en de organisaties van de vrijwilligers en niet bij geldverslindende controlerende instellingen. In de notitie is uitvoerig ingegaan op de wijze waarop boeren en nazorgers gemotiveerd moeten worden en blijven. Zonder deze motivatie is de bescherming tot mislukken gedoemd.

2. Aanbevelingen
De aanbevelingen zijn in de tekst vermeld als stellingen die ter plaatse zijn onderbouwd.
Wij zetten de stellingen die in dit document zijn verwoord op een rij:
1. Biotoopverbetering is een basisvoorwaarde voor een succesvolle weidevogelbescherming. Daarbij moet ook verhoging van de slootpeilen tot een belangrijke mogelijkheid gerekend worden.
2. Zonder gebiedsgerichte aanpak van de predatie d.m.v. beleidsmatige regulering is weidevogelbescherming zinloos.
3. Het is voor vele weidevogelbeschermers bijkans onmogelijk om de pasgeboren kuikens uit de legsels op maïspercelen tot de inzaai van deze percelen te beschermen. In het kader van regulering en beheer van de populatie is het om ecologische redenen aan te bevelen de legsels tot het moment van de inzaai weg te nemen.
4. De extensivering van de bedrijfsvoering in de melkveehouderij als gevolg van de quotering en de beperkingen als gevolg van de mestwetgeving, kan zeer goed worden aangewend ten gunste van de weidevogelbescherming.
5. Het rapen van kievitseieren is ook een vorm van beheer en regulering van de populatie op boerenland. Daarom moet het rapen van kievitseieren niet mogen maar moeten wegens ecologische belangen. Daarbij is een flexibele raapperiode aan te bevelen met als uiterste sluitingsdatum 9 april waarbij de periode wordt bepaald door de weersomstandigheden, de vordering van de agrarische werkzaamheden, de legfase van de vogels en de stand van de gewassen.
6. De nazorger/weidevogelbeschermer verdient zelf ook bescherming.
7. Vrijwillige weidevogelbescherming zonder een structuur zoals de BFVW die kent, ontbeert draagvlak bij de lokale bevolking, ondervindt te veel verloop in de veldmensen en werkt daardoor op den duur contraproductief.
8. Boeren verdienen meer eigen verantwoordelijkheid en een betere beloning voor wat betreft de weidevogelbescherming.
9. Samenwerking in het kader van de weidevogelbescherming is alleen mogelijk wanneer de participanten elkaars standpunten respecteren en zo mogelijk waarderen.
10. De overheden moeten de moed hebben zo veel mogelijk verantwoordelijkheden over te dragen aan mensen en instellingen die in staat zijn deze verantwoordelijkheden te dragen. De controle moet berusten op rapportage achteraf over de resultaten.
11. Maaitrappen in het kader van het mozaïekbeheer moeten worden uitgebreid met beweiding door jongvee en melkvee voorafgaand aan het maaien van de eerste snede.
12. Met een iets verhoogde krachtvoergift is ruwvoer van beheersgebieden goed inpasbaar in de rantsoenen voor melkvee.
13. Ter voorkoming van een algemene demotivatie bij weidevogelbeschermers is een internationale aanpak van de problematiek noodzakelijk.
14. De EU-regelgeving moet op een weidevogelvriendelijke wijze door de wetgever worden geïnterpreteerd, waarbij ecologische motieven moeten prevaleren boven de letter van de wet.
15. Teneinde de weidevogelbescherming adequaat gestalte te geven dient het onderzoek naar de vele vragen die er zijn krachtig ter hand te worden genomen. Er wordt te veel beleid gemaakt op grond van veronderstellingen.


3. Inleiding en probleemstelling

Gedurende de laatste decennia wordt er in ons land veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de weidevogelstand. Deze is onrustbarend teruggelopen en sommige soorten worden zelfs bedreigd in hun bestaan. Het betreft soorten die zowel in reservaten als in gewoon boerenland voorkomen. Van alle weidevogels broedt nog steeds 80% op boerenland en 20% in reservaten. Vooral de grutto en de veldleeuwerik zitten in de gevarenzone. De kievit handhaaft zich de laatste jaren op het boerenland op een goed peil in Fryslân van rond 20 broedparen per 100 ha. Daarbij moet bedacht worden dat de oppervlakte van de nazorg vanaf 2000 is gestegen van rond 110.000 naar 150.000 hectare. Omdat de gebieden die jaarlijks aan het areaal van de BFVW worden toegevoegd niet de vogelrijkste zijn is er sprake van een zekere verdunning die betekent dat er op de “oude” terreinen van de BFVW sprake is van groei. De zorg over de aantalontwikkeling betreft in Fryslân dus vooral andere soorten dan de kievit.
Gebleken is dat ondanks de grote investeringen in de aankoop en het beheer van natuurgebieden met een weidevogeldoelstelling, er sprake is van een achteruitgang die niet te stoppen lijkt. Er wordt dus koortsachtig gezocht naar maatregelen in de sfeer van het beheer om te komen tot ombuiging van de neerwaartse spiraal. De BFVW wil met deze visie een bijdrage leveren aan de oplossing van de problemen waarbij wij het voorrecht hebben te kunnen putten uit de rijke veldervaring van onze organisatie. Te vaak is het beleid t.a.v. weidevogels gemaakt achter bureaus en natuurbeheer is zelfs tot wetenschap verheven waarbij opgemerkt moet worden dat wetenschap zonder geschiedenis nauwelijks die naam mag dragen.

4. Ontwikkeling van de weidevogelstand in de laatste 15 jaar

De gegevens die de achteruitgang van de weidevogels weergeven zijn afkomstig van het landelijke meetnet. Hoewel de BMP-tellingen qua methodiek aanvechtbaar zijn omdat onze veldmensen als regel een groter aantal broedparen van de vier hoofdsoorten constateren dan de BMP-methode, zijn zij uitgangspunt voor het beleid. Ook in Fryslân constateren we een achteruitgang voor een aantal soorten, doch in onze provincie is het aantal broedparen per 100 hectare groter dan elders in het land, de teldichtheid van de BFVW is veel hoger, waardoor ook de oppervlakten met een lagere vogelbezetting een negatieve invloed hebben op de gemiddelden per 100 ha.
Het Friese weidevogelmeetnet geeft ook een neergaande trend aan, behalve voor de kievit, doch de meetgegevens van van het WMF munten niet uit in betrouwbaarheid blijkens een mededeling daaromtrent in het evaluatierapport aangaande het weidevogelbeleid van de provincie Fryslân. De gegevens zijn duidelijk en daarmee is ook de problematiek in beeld gebracht. Opvallend is dat de tureluur het landelijk goed doet, overigens op een laag niveau. Dit komt waarschijnlijk omdat de tureluur hoe langer hoe meer zijn/haar jongen groot brengt in de sloten met lage waterstand en de taluds van deze sloten. Daarbij houdt de tureluur de jongen in een groepje bij elkaar. Daardoor zijn ze veilig voor de landbouwwerktuigen. Andere soorten foerageren niet graag in sloten omdat ze dan het overzicht over het veld missen voor wat betreft de luchtpredatoren.
De toename van de duikeenden (krak- en kuifeenden) heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ze broeden in de slootwallen dichtbij het water waardoor ze de dans ontspringen bij het maaien en andere werkzaamheden. Ook het perceelrandenbeheer zal niet vreemd zijn aan deze ontwikkeling.

5. Middelen om de trends om te buigen

Er is de laatste jaren koortsachtig gezocht naar wegen om de trend om te buigen. Daarbij zijn de mogelijke oorzaken van de achteruitgang benoemd en aan de hand daarvan is gezocht naar maatregelen om het tij te keren. We kunnen de maatregelen verdelen in een aantal soorten dat ieder voor zich invloed hebben op de stand van de weidevogels. We noemen ze hier in het kort.
Biotoopverbetering
De biotoop voor de weidevogels is de laatste jaren verslechterd althans dat wordt door iedereen aangenomen. De biotoop van de weidevogels is het weiland en het gebruik en de inrichting van dat weiland door de mens. Van groot belang zijn daarbij de bemesting en de zuurgraad en het feit dat het landschap een open karakter heeft, dus geen solitaire bomen en bosjes in ecologische verbindingszones en natuurbouwstroken.
Vaak wordt er gewezen naar de veebezetting die een intensieve bedrijfsvoering noodzakelijk maakt. We hebben echter in het verleden gezien dat de veebezetting tot 1983 gestaag toenam omdat als gevolg van de geringer wordende marges op de melk de boeren ertoe overgingen hoe langer hoe meer melk te produceren per koe, per arbeidskracht en per hectare. Daarbij was de lage prijs van het krachtvoer een prettige bijkomstigheid en het ruwvoer diende om de koeien nog net tot de herkauwers te laten behoren. In Brabant was er hier en daar zelfs sprake van veebezettingen tot 8 grootvee-eenheden ( 1 melkkoe is 1 gve) per hectare, doordat elders maïskuil werd aangekocht of op contract verbouwd.
Fryslân kende van oudsher een lagere veebezetting en daardoor was daar de veehouderij het meest grondgebonden. 1983 was een cruciaal jaar want toen werd door de EU een quotering van de melkproductie ingesteld waardoor uiteindelijk de totale productie is verminderd met bijna 18% t.o.v. 1983. En daarmee zitten we weer op een veebezetting van rond 1,1 melkkoe per hectare, dat is praktisch dezelfde bezetting als in de jaren vijftig van de vorige eeuw toen het uitstekend ging met de weidevogels. En toch kunnen we niet zeggen dat na de invoering van de quotering de vogelstand is toegenomen. Er moet dus meer aan de hand zijn. We noemen enkele factoren. In de eerste plaats is het peil in de sloten drastisch verlaagd t.o.v. 1955. We nemen aan dat dat voor een aantal soorten geen goede zaak is: vooral de watersnip en de kemphaan, maar ook de talingen en de slobeenden hebben daar onder geleden. Maar het laat zich aanzien dat ook de grutto behoefte heeft aan een hoger peil in de sloten. Doch ook het aantal sloten is drastisch gedaald als gevolg van perceelsvergroting en greppels hebben plaatsgemaakt voor drainage. De slootreinigingsresten zouden bekeken kunnen worden als een belangrijk microbiotoop voor voedselaanbod en dekking. In de tweede plaats is de botanische samenstelling van het grasland sterk veranderd doorat er veel selectie is geweest in de grassen en dan vooral in het Engels raaigras. Als grasland tegenwoordig wordt gescheurd, wordt het ingezaaid met een monocultuur van Engels raaigras, weliswaar met verschillende typen binnen het ras (hooi- en weidetype). De nieuwste trend is om ook klaver in te zaaien in het grasmengsel om daardoor stikstof uit de lucht te binden als welkome aanvulling op de kunstmeststikstof. Uit onderzoek is nog niet gebleken of de monoculturen een negatieve invloed hebben op de weidevogels. Sommigen beweren dat deze monoculturen ook een ander insectenbestand zouden herbergen waardoor deze insecten als voedselbron voor jonge vogels niet goed zouden functioneren. Bovendien is de grasmat vaak zo dicht dat de jongen vogels er niet tussen lopen maar er op waardoor de dekking onvoldoende is tegen luchtpredatoren. De vraag doet zich voor of er inderdaad een gras- en kruidenmengsel bestaat dat aangeduid kan worden als ‘weidevogelgrasland’. Onderzoek daarnaar is gewenst. Daarbij moet gekeken worden naar kruiden maar ook naar grassoorten als beemdlangbloem, kamgras, reukgras, ruwbeemd- en veldbeemdgras (al naar gelang de waterhuishouding) en timothee. Wij beklemtonen dit des te meer daar de laatste jaren de nestpredatie niet is toegenomen maar kennelijk wel de predatie van jonge vogels. De aandacht moet zich dus verleggen naar kuikenzorg.
De voortgaande mechanisatie in de veehouderij heeft er toe geleid dat de werksnelheid en de werkbreedte van de werktuigen aanzienlijk is toegenomen. Dat betekent dat de eerste sneden vaak in één keer wordt gemaaid waardoor er geen lang gras meer is als voedselbron en dekking voor vooral jonge grutto’s. Er is weliswaar een oplossing voor gezocht door het mozaïekbeheer waarbij sprake is van tenminste drie maaitrappen. Vroeger hadden we die maaitrappen van nature omdat de boeren niet de hele eerste snede in één keer konden verwerken, vanwege de kleinere capaciteit van de werktuigen. De arbeidsfilm liet dat niet toe. Bij het mozaïekbeheer is echter vergeten om ook het beweiden in april en mei terug te brengen. Het lijkt erop dat het mozaïekbeheer zodanig op de grutto is gericht dat het contraproductief is voor de kievit. Het ware ook ernstig te overwegen de verlate maaidata bijv. 15 juni beheer zodanig te interpreteren dat ook dan niet in één keer alles gemaaid wordt maar gespreid over een periode van 10 dagen. In goed overleg tussen de boer en de vogelbeschermer kan dan een maaiplan worden gemaakt voor 15 juni + of – 5 dagen. Zie ook hoofdstuk 5.

Predatiebeperking
In veel kringen is het ongewenst om met de beschuldigende vinger te wijzen naar de predatoren. Vossen zijn na de invoering van de Flora- en faunawet 4 jaar niet bejaagd en hebben zich in die periode naar hartelust voortgeplant. Onder de oude jachtwet waren de vossen vogelvrij en handhaafden zich desondanks uitstekend. Het is daarom een grove misvatting geweest de vos en de zwarte kraai in de nieuwe wet zoveel bescherming te geven. Ondanks het feit dat de vos nu weer bejaagbaar is, zal het nog jaren duren voordat weer een zeker evenwicht is ontstaan en de aangerichte schade is hersteld. Ook bunzings, wezels en hermelijnen zijn beschermd. Het is de vraag in hoeverre dit een goede zaak is voor de weidevogels. De berichten uit het veld van praktijkmensen wijzen erop dat er veel meer predatie is dan op papier wordt vermeld. De buizerd wordt plaatselijk als een belangrijke predator genoemd evenals de blauwe reiger die vooral halfwas jonge vogels consumeert. Bij de evaluatie van tien jaar Gaasterlandse aanpak van de zorg voor de natuur daar, kwam duidelijk naar voren dat het mislukken van het weidevogelbeleid in die regio uitdrukkelijk te wijten was aan een overvloed aan buizerds, reigers en kraaiachtigen. Het zou goed zijn eens een proef te doen in een gebied als Gaasterland met een gerichte aanpak van de predatie om daarmee de gevolgen in beeld te brengen. En daarmee moet niet gewacht worden tot het te laat is. De BFVW heeft een studie gemaakt over de predatie die duidelijk maakt hoe groot ongeveer het aandeel is van de verschillende predatoren in de totale predatie. We laten die studie in het kort hier volgen.

Vergelijking tussen humane- en dierlijke predatie m.b.t. de Kievit

Predatoren in relatie tot de legsels en kuikens
(indicatief)
1 = klein (weinig) 10 = groot (veel)

 

aantal

formaat

(voedsel-

behoefte)

versprei-

ding

duur

predatie

 

actie-

radius

vaardig-

heid

eieren

kuikens

totaal

gemid-

deld /8

Zw. Kraai

10

  5

10

10

  8

10

10

  9

9

Roek

  3

  5

  3

  4

  4

  5

  5

  4

4.13 

Ekster

  4

  4

  4

  4

  3

  6

  6

  5

4.50

Kauw

  4

  3

  3

  4

  3

  5

  5

  3

3.75 

Buizerd

  2

  6

  4

  6

  5

  8

  1

10

5.25

Br. Kiekendief

  1

  6

  3

10

  5

10

  6

10

6.38

Torenvalk

  3

  3

  9

  7

  3

  5

  2

  7

4.88 

Kleine

Mantelmeeuw

  1

  6

  2

10

  9

  9

  7

  9

6.63 

Zilvermeeuw

  3

  6

  3

10

  9

  8

  7

  9

6.88

Kokmeeuw

10

  4

10

  7

10

  8

  8

  5

7.75

Stormmeeuw

  5

  4

  8

  6

10

  8

  8

  5

6.75

Bl. Reiger

  4

  6

10

10

  4

10

  4

10

7.25

Ooievaar

  1

  7

  2

10

  5

10

  4

10

6.13 

Aaisiker

  3

--

  5

  2

  5

  5?

10 

--

3.75   

Vos

  2

10

  6

10

  7

10

10

10

8.13 

Das

  1

10

  1

10

  5

  5

  6

  5

5.38 

Bunzing

  2

  5

  5

10

  3

  9

  5

  8

5.88 

Hermelijn

  3

  3

  6

10

  2

  9

  9

  7

6.13 

Wezel

  2

  1

  5

  9

  1

  8

  8

  6

Br. Rat

  3

  1

  6

  5

  1

  4

  4

  1

3.13

Egel

  2

  2

  6

  4

  1

  3

  4

  1

2.88   


Toelichting: de getallen in de kolommen 1 t.e.m. 8 worden horizontaal opgeteld en gedeeld door 8. Dan krijgt men een gemiddelde in kolom 9. Kolom 9 verticaal optellen is 119,56 en dit delen door 95 dan weet men dat 1.26 is 1 %.

Volgens deze verdeelsleutel zou de mate van predatie voor elke soort er als volgt kunnen uitzien. In mindering is gebracht het percentage van 5 % dat door landbouwwerkzaamheden verloren gaat. (weidend vee, slepen, rollen, maaien en bemesting van de graslanden en landbewerkingen ten behoeve van de akkerbouw inclusief de maïsteelt)

Zwarte Kraai 7.1 % Br. Kiekendief 5. % Torenvalk 3.9 %
Vos 6.5 % Hermelijn 4.9 % Ekster 3.6 %
Kokmeeuw 6.2 % Ooievaar 4.9 % Roek 3.3 %
Bl. Reiger 5.8 % Bunzing 4.7 % Kauw 3. %
Zilvermeeuw 5.5 % Das 4.3 % Aaisiker 3. %
Stormmeeuw 5.4 % Buizerd 4.2 % Br. Rat 2.5 %
Kl. Mantelmeeuw 5.3 % Wezel 4. % Egel 2.3 %

Sommige zaken zijn moeilijk in een tabel weer te geven. In welk stadium van het broedseizoen vindt de predatie plaats? Vooral de Kok- en Stormmeeuw dringen in het vroege voorjaar vanuit zee het binnenland in. Bij ruig weer in eind maart en begin april zwerven grote aantallen rond. Dikwijls worden landerijen bezocht waar landbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd, zoals bemesting en grondbewerking. In zo’n situatie blijft dan vrijwel geen ei gespaard. Is het niet door de machines, dan wel door de meeuwen. Hier is geen remedie tegen te bedenken. Dat juist dan ook de aaisikers actief zijn en hun tol eisen van de Kievit voegt hier weinig aan toe. Gelukkig worden deze eerste verliezen snel gecompenseerd door vervolglegsels.
Van een totaal andere orde zijn de verliezen aan het eind van het broedseizoen. Dan treden soorten zoals Zwarte Kraai, Buizerd, Bruine Kiekendief, Mantelmeeuw, Zilvermeeuw, Blauwe Reiger, een weer groeiend aantal Ooivaars en vossen op de voorgrond. Zij hebben het vooral op de kuikens gemunt. Dit zijn de zwaargewichten onder de predatoren. Vanwege hun formaat (voedselbehoefte) en opgroeiende jongen, jagen zij zeer gedreven en vakkundig. Het verlies van talrijke bijna vliegvlugge kuikens komt voor de Kievit hard aan. Dat is andere koek in vergelijking met de eerste eieren in het seizoen.
Predatie in de vorm van ‘aaisykjen’ begint ongeveer rond half maart en duurt ca 2,5 week. Stel dat er gezocht wordt vanaf ’s morgens 7.00 uur tot ’s avonds 19.00 uur, dan is dat 12 uren per dag en dus 84 uren per week. 2,5 x 84 =210 uren in totaal. Daar moet aan toegevoegd worden dat men niet overal of altijd mag ‘aaisykjen’, zoals landerijen van terreinbeherende instanties, waar rond 30 % van alle Friese kieviten broeden en percelen of kavels van sommige particuliere grondeigenaren. Ook binnen de zogenaamde ganzen-gedooggebieden (ca 39.000 ha) mag maar zeer beperkt (na 16.30 uur) tot 1 april naar eieren worden gezocht. Na deze datum vervalt deze beperking, maar dat is slechts voor een klein aantal dagen.

De dierlijke predatoren kennen echter geen enkele limiet in de tijd en oppervlakte. Dag en nacht gedurende een periode vanaf half maart tot ongeveer half juni (12,5 weken) zijn zij actief. In uren uitgerekend is dat 2100 uren onafgebroken predatie door afgewisseld 22 soorten dag- en nachtpredatoren. Na het ‘aaisykjen’ gaat de dierlijke predatie dus nog 10 weken onafgebroken het etmaal rond door!
Bij een totaal aantal van 23 predatorsoorten lijkt het misschien logisch te redeneren dat bij het wegvallen van 1 soort (de aaisiker) het aantal predaties met 1/23 zal afnemen. Zo simpel ligt het echter niet. Een niet geraapt ei is nog lang niet een vliegvlugge jonge kievit. Er blijven dan nog 22 belagers over. Daarnaast is in de natuur een ‘mechanisme’ aanwezig om wegvallende predatoren te ‘compenseren’. Soorten die kleiner zijn zullen dan in aantal toenemen om de ‘leemte’ op te vullen.
Het aantal en de soorten predatoren kunnen per regio (type landschap), tijd van het jaar en door weersomstandigheden sterk verschillen of wisselen.
De verliezen ontstaan door landbouwwerkzaamheden (ongeveer 5 %) zijn in deze tabel te vergelijken met de invloed van Kl. Mantelmeeuw, Bruine Kiekendief of Hermelijn.

Uit het bovenstaande mag blijken, dat predatie een complexe zaak is, waar het laatste woord nog niet over gesproken is. Dit onderwerp verdient meer aandacht en deze boodschap moet worden uitgedragen naar het grote publiek voor meer aandacht en begrip. Natuurbeheer in Nederland is sturen en reguleren. Dat is wat anders dan alles “beschermen”.

Het is dan ook een uiterst naïeve gedachte om te redeneren dat met het verbieden van het ‘aaisykjen’ de stand van de kievit ten gunste zal veranderen. Dat kan alleen door een ingrijpende regulatie van de invloedrijkste soorten predatoren en vooral door uitbreiding en verbetering van de biotoop van de kievit.
De gegevens in de tabel zijn niet gebaseerd op concrete gegevens, maar op aannames en tonen een indicatieve weergave.
Bedacht moet worden dat als het beleid erop gericht is meer weidevogels te krijgen ook de predatie moet worden aangepakt. Anders wordt het zwemmen met de handen op de rug gebonden!

Stelling: Zonder gebiedsgerichte aanpak van de predatie d.m.v. een beleidsmatige regulering is weidevogelbescherming zinloos

Beschermingsmaatregelen
Van oudsher worden er in onze provincie erg veel beschermingsmaatregelen genomen. Een leger van meer dan 6000 nazorgers doet zijn zegenrijke werk. De gegevens wijzen erop dat de uitkomstcijfers van de nesten goed zijn en zeker niet minder dan 15 jaar gelden. De predatie blijft constant 18-20%. Dat wijst erop dat de kuikensterfte de grote boosdoener is en dat kuikenzorg de oplossing zou zijn. Kuikenzorg is echter bij nestvlieders ontzettend moeilijk omdat ze moeilijk te vinden zijn. Alarmtellingen lossen het probleem niet op: het brengt alleen het probleem in kaart. Het enige wat gedaan kan worden, is verjagen van de jongen door plastic zakken aan stokken in de te maaien percelen aan te brengen en een aantrekkelijke biotoop voor het foerageren aan te bieden (mozaïekbeheer) of 750 m2 lang gras in de vorm van randen in de buurt van een nest te laten staan. Dit geldt voor de grutto en de tureluur. De kievit broedt echter hoe langer hoe meer op maïsland waardoor de bescherming van deze soort extra aandacht vereist, zeker nu het areaal maïs erg groot is geworden. Bij een raaptijd die sluit op 1 april hebben de kieviten net jongen in de eerste week van mei en dan wordt in Fryslân de maïs gezaaid. Omdat er dan net sprake is van jonge vogels, die zich drukken bij naderend onheil, worden zij ondergeploegd. Het is zeer de vraag of de vrouwelijke kieviten dan nog de hormonale predispositie kunnen opbrengen om nog eens een vervolglegsel te produceren. Zeer waarschijnlijk niet! E.e.a. zal afhangen van de tijd van het jaar, het voedselaanbod en de weersomstandigheden. Onderzoek daarnaar is gewenst. In ieder geval is duidelijk dat voorkomen moet worden dat er sprake is van pas geboren kuikens op het moment van inzaaien. Uit een oogpunt van goed ecologisch beheer is het dus zaak om de kievitseieren op maïsland liefst voor het bebroeden weg te nemen tot de inzaai van het gewas. Het beschermen van eieren op maïsland is uiterst moeilijk omdat de werkzaamheden vaak vergezeld gaan van grote aantallen meeuwen en kraaiachtigen waardoor de eieren toch verloren gaan. Na de inzaai komt er een voldoende rustperiode om met succes de jongen uit te broeden en groot te brengen. Het is beter dat de eieren worden verwijderd dan dat ze worden vernield na een broedperiode van bijv. 20 dagen. Het beleid van de plaatselijke wachten zal in deze de doorslag geven. Indien men kans ziet de legsels en jonge vogels adequaat te beschermen, is er niets tegen dat te doen, maar gezien het grote areaal is dat in de praktijk bijna niet uitvoerbaar.

Stelling: Omdat het voor vele beschermers vrijwel onmogelijk is om de pasgeboren kuikens op maïsland te beschermen, is het in het kader van de regulering en het beheer van de populatie aan te bevelen de kievitseieren weg te nemen tot de inzaai van het gewas, met daarna de gebruikelijke bescherming.

Aanpassing van de bedrijfsvoering
De reeds eerder genoemde extensivering van de veehouderij zou dienstbaar gemaakt kunnen worden aan het weidevogelbeheer. We laten hier de filosofie van de BFVW volgen.

Extensivering ten dienste van de weidevogels

Inleiding en probleemstelling
De maatregelen die de overheid heeft genomen voor wat betreft de melkveehouderij (de quotering, het mestbeleid en het gebruik van landerijen) hebben er toe geleid dat er sprake is van een zekere extensivering. Tot het begin van de jaren 80 in de vorige eeuw nam de marge per kg melk voortdurend af en dat was genoeg reden voor de veehouders om zoveel mogelijk melk te produceren en omdat grond een duur productiemiddel was, werd er naar gestreefd zoveel mogelijk voerderwaarde uit de grond te halen. Het gebruik van stikstof als bemesting was daarbij een belangrijk middel om de productie van het grasland op te voeren. Iedere vierkante meter moest worden benut, er werd bemest en gemaaid tot de waterkant en ook de veredeling van de grassen droeg bij aan een hoge productie aan voedingsstoffen (energie en eiwit) per ha. De uitstekende hooi- en weidetypen van Engels raaigras boden grote mogelijkheden. Samen met de toenemende mechanisatie was het bovenstaande geen gunstige ontwikkeling voor de weidevogels.
Als gevolg van de quotering van de melkproductie en de beperking van het stikstofgebruik zien we thans een veebezetting die te vergelijken is met die van de jaren vijftig van de vorige eeuw. We zitten op een bezetting van ruim 1 melkkoe per ha terwijl we dertig jaar geleden in de buurt van de 2 melkkoeien per ha zaten. De productie per koe is gestegen, terwijl de boeren ongeveer 18% minder mogen produceren dan in 1983.
Dat betekent dus een meer extensief gebruik van de grond en van dat extensieve gebruik zouden vooral de weidevogels uitstekend kunnen profiteren mits we een bedrijfsvoering toepassen die daarop is gericht, zonder het boerenbelang teveel geweld aan te doen. De neiging bestaat bij veel boeren nog steeds om veel en goed ruwvoer te winnen (dat was een must bij de hoge veebezettingen) om het land goed te benutten, vaak met het gevolg dat men een groot overschot aan ruwvoer op het erf heeft zitten. Men woont hier en daar bij de kuilhopen in!

Het gebruik van de grond
We gebruiken de grond van het bedrijf om voldoende en zo goed mogelijk ruwvoer te produceren voor het melkvee. Dat is bij 1 koe per ha gemakkelijker dan bij 2 koeien per ha. De hoeveelheid meststoffen (vooral stikstof ) is door de regelgeving gelimiteerd en het is de kunst om de stikstof zo goed mogelijk te gebruiken voor het gestelde doel. Men zou eenvoudigweg minder en later stikstof kunnen aanwenden op de gehele oppervlakte maar men kan ook gedifferentieerder te werk gaan. Bijvoorbeeld als volgt:
- Op alle percelen drie meter perceelsrand inrichten voor de vogels: geen kunstmest en organische mest en pas de tweede snede mee maaien of weiden. Na enkele jaren zien we dan een verschraling van deze randen optreden met een natuurlijke aanpassing van de botanische samenstelling aan de zich wijzigende omstandigheden. Er groeit dan weinig op deze stroken maar ze zijn uitermate aantrekkelijk als broedgebied voor de kievit en de scholekster in mei en als dekking en foerageergebied voor grutto’s en tureluurs met jongen, nadat het perceel gemaaid is. Maar ook alle eendachtigen (eend, slobeend, taling, krakeend en kuifeend) en leeuweriken, graspiepers en gele kwikstaarten profiteren van een aanpak als deze. De stikstof die niet gestrooid is op deze randen kan extra aangewend worden op de rest van het perceel wat de kwaliteit ten goede komt. Een eenvoudige rekensom leert dat er met een dergelijke aanpak ongeveer 10 % van de oppervlakte is gemoeid.
- In de tweede plaats zou in de boerderij een perceel of enkele percelen benut kunnen worden met de inzaai van een mengsel met vele soorten gras, die passen bij de grondsoort en die niet opnieuw worden gescheurd en ingezaaid zodat er op den duur half natuurlijk grasland ontstaat. Dit land heeft grote aantrekkingskracht als foerageerterrein, als vlucht- en dekkingsplaats en als broedplaats voor grutto’s en tureluurs. Daarvoor lenen de monoculturen van Engels raaigras zich minder goed omdat de vegetatie te dicht is: de jonge vogels lopen er niet in maar over!
- Als derde mogelijkheid noemen we hier het mozaïekbeheer dat geroemd wordt om de gruttovriendelijkheid. Op zich is dat juist. Deze vorm van beheer is afgeleid van het feit dat we in de jaren 50 van de vorige eeuw zo boerden en dat we toen een uitstekende stand van de weidevogels hadden. Onze ouders deden dus al aan mozaïekbeheer. Er is echter één ding vergeten: we schaarden toen het jongvee in in begin april en de melkkoeien eind april waardoor we automatisch drie maaitrappen kregen. Nu wordt er in het mozaïekbeheer gepleit voor drie maaitrappen maar zonder beweiding en het is ons als weidevogelbeschermers wel duidelijk dat de kievit met dit beheer een veel slechter voedselaanbod krijgt dan voorheen toen er nog in het voorjaar werd beweid. De kievit foerageert graag op verse mestflatten van vee in een korte vegetatie. Wij pleiten er dus voor in ieder geval het jongvee weer vroeg naar buiten te doen. Dat heeft een groot voordeel voor de vogels maar het heeft ook voordelen in de arbeidsfilm: de voederwinning komt niet allemaal tegelijkertijd. Bovendien is er een zekere risicospreiding voor wat betreft het weer tijdens de voerderwinning.
- Men kan ook nog de maaitrappen bevorderen door de stikstof in fasen aan te wenden. Bijv. de eerste stikstof strooien rond 10 maart (op de percelen die bestemd zijn voor de eerste snede) en dan telkens weer een deel van de landerijen om de tien dagen (voor de beweiding resp. met jongvee en melkkoeien). Op deze wijze krijgt men ook maaitrappen en beweidingstrappen. Het risico is echter dat na een koude maart/april het effect van de gefaseerde aanwending verdwijnt. Maat het is het proberen waard!

Al met al is er veel voor te zeggen om de extensivering aan te grijpen als een uitstekend middel om de weidevogels tegemoet te komen. Zonder dat het noemenswaardige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering kunnen we ertoe bijdragen dat over een aantal jaren het weer wemelt van de weidevogels, mits er ook aan een aantal andere voorwaarden wordt voldaan, zoals de bestrijding van overmatige predatie en een intensieve nazorg door boeren nazorgers samen.

Stelling: De extensivering van de bedrijfsvoering in de melkveehouderij als gevolg van de quotering en de beperkingen t.a.v. de mestaanwending kunnen zeer goed aangewend worden ten gunste van de weidevogelbescherming.

6. Motivatie en inspiratie: de functie van zoeken, rapen en beschermen

Fryslân kent een eeuwenoude traditie van het zoeken en rapen van kievitseieren. In oude pachtcontracten stond vroeger vaak dat een deel van de pacht moest worden betaald door het leveren van en aantal kievitseieren. Vroeger was het rapen een welkome aanvulling op het inkomen of het voedselpakket van een aantal mensen. Dat is al lang verleden tijd, maar nog steeds is het zoeken en rapen van kievitseieren een inspirerende en motiverende bezigheid in onze provincie die als uiterst belangrijke keerzijde een ongekende omvang van de bescherming van weidevogels laat zien en niet alleen voor de kievit maar voor alle vogels die broeden in het boerenland. Ook de educatieve kant moet niet worden onderschat. De jeugd kan goed gemotiveerd worden door een beperkt oogsten uit de natuur met daarna een verplichting tot bescherming. Het is van groot belang de jeugd het principe van de wise use (verstandig gebruik) bij te brengen.
In vele reservaten wordt niet geraapt en ook daar zien we en gestage achteruitgang van de stand van de weidevogels, soms nog sneller dan op het boerenland. Niet rapen betekent dus niet per definitie betere resultaten.
Het rapen van kievitseieren heeft echter ook een belangrijke ecologische betekenis. Als de kieviten ongemoeid zouden worden gelaten, zouden in Fryslân rond 5 april in een normaal jaar ongeveer 30% van de kievitenpopulatie aan de leg zijn en in de week daarop ruim 50%. Deze kieviten zouden op het maïsland het lot ondergaan wat we beschreven in het vorige hoofdstuk met als gevolg een verloren jaar voor de reproductie. Deze schade is vele malen groter dan die van het rapen zoals die door sommigen wordt berekend. De kieviten die iets later broeden worden de dupe van de cyclomaaier die rond 10 mei aan de gang gaat. Onze stelling is dat niet rapen en rapen tot 1 april catastrofaal zal worden voor de weidevogels. Bij een excursie van de vaste kamercommissie voor natuur en landbouw in Twente op 29 mei 2006 constateerden wij vanuit de bus driemaal dat een kievit ♀ werd getreden op maïsland. Dat betekent dat die vogels aan of tegen de leg aan zijn. Dus ook daar komt van de eerste leg kennelijk niets terecht. De enige oplossing voor dit probleem is in Fryslân rapen tot 9 april en op maïsland de eieren wegnemen tot het moment van inzaaien. Op het moment van maaien is er nog sprake van eieren in plaats van jonge vogels en de legsels zijn beter te beschermen dan de jonge vogels. Afhankelijk van vier factoren kan jaarlijks een commissie van wijze mensen besluiten de raaptijd te verkorten of te verlengen. De vier factoren zijn: de weersomstandigheden, de vorderingen van de agrarische werkzaamheden, de stand van de gewassen en de fase van eileg van de kieviten. Als de sluitingsdatum samenvalt met het beëindigen van de voorjaarswerkzaamheden breekt er een periode van rust in het veld aan die de verdediging tegen predatoren ten goede komt. In extreme jaren moet de mogelijkheid bestaan te rapen tot 13 april (denk bijv. aan het jaar 2006 toen voor 1 april uiterst weinig kievitseieren werden gelegd en geraapt).
Een bijkomend ecologisch voordeel van rapen tot 9 april is dat alle weidevogels synchroon gaan broeden. Grutto’s, scholeksters en tureluurs leggen zelden voor 9 april in Fryslân. Dat betekent meer efficiëntie bij de nazorg, bij het boerenwerk en bij de verdediging tegen luchtpredatoren.

Stelling: Rapen van kievitseieren moet niet mogen maar moeten! En wel tot uiterlijk 9 april met een adequate flexibilisering, die valt tussen 1 en 9 april.

7. Praktische weidevogelbescherming

De nazorger
Geïnspireerd en gemotiveerd trekt hij of zij het veld in om nazorg te doen. Dat is eigenlijk een verkeerd woord want waarna is de zorg? Het woord is ontstaan toen na de commerciële oogst uit de natuur nazorg werd gedaan om volgend jaar weer te kunnen oogsten. Uit historische motieven houden wij de naam graag aan als erenaam van zovelen die het veld ingaan om hun zegenrijke werk te doen. De nazorger is en man of vrouw die, gedreven door liefde voor de natuur, bereid is meer dan 90 uren per jaar in het veld te zijn om de natuur op te snuiven, te zien en te ervaren. Hij is als het ware één met zijn veld, waar hij iets vindt wat niet aan niet- of anderszins gemotiveerde mensen is duidelijk te maken. Het spel met de vogels die er alles aan doen om hem te misleiden, is een voortdurende bron van energie. Hij kent het veld en vertoont zelfs een zekere territoriumdrang: wee degene die in zijn veld komt! Hij of zij wordt verjaagd. Hij kan de eieren vinden en markeren. Hij markeert pas als de boer moet weten waar de nesten zich bevinden. Behalve die van de tureluur, de grutto en de eendensoorten kan hij alle nesten zonder markeren moeiteloos terug vinden. Hij markeert de moeilijk vindbare nesten met stokken zover mogelijk van het nest af, volgens een vaste, veelal persoonsgebonden systematiek om predatoren niet op het spoor te zetten. Hij pleegt overleg met de boer (wekelijks of vaker) over het weidegebruiksplan: wanneer wordt er vee ingeschaard en wanneer en waar wordt er gemaaid. Samen bespreken ze de strategie om te komen tot een optimale situatie voor de vogels. Hij plaatst nestbeschermers wanneer er sprake is van beweiding. Dat betekent niet zonder meer de kooitjes over de nesten zetten maar vooraf enkele dagen de kooien in de buurt van de nesten plaatsen voordat hij over het nest komt te staan. De vogel moet er aan wennen. Na het omweiden van het vee moeten de nestbeschermers weer weggehaald worden om te voorkomen dat deze later in de cyclomaaier terecht komen. Bij het ploegen van het maïsland overlegt hij met de loonwerker en schakelt zonodig de vliegende brigade in (dat is een groep mensen die beschikbaar zijn om tijdens de werkzaamheden van het loonbedrijf op het perceel de eieren te verplaatsen). Is bescherming op deze wijze niet mogelijk dan neemt zou hij de eieren weg moeten nemen.
Hij is een man of vrouw met een enorm incasseringsvermogen want er gaat veel mis: vogels verlaten de eieren, er is sprake van predatie: soms in één nacht alle of bijna alle nesten. Loonwerkers zijn onachtzaam, Franse jagers schieten honderdduizenden weidevogels die in onze provincie met zorg worden omgeven Mensen die niet weten of begrijpen wat hem bezielt, verketteren hem omdat hij eieren raapt. De rechterlijke macht volgt de letter van de wet- en regelgeving en begrijpt niets van de ecologische voordelen van zijn handelen, hij wordt geteisterd door regelgeving en moet bijna een karretje mee het land in hebben met formulieren en een computer om te downloaden waar hij wel of niet mag zoeken en rapen Het ganzengedoogbeleid legt hem nog meer beperkingen op, kortom hij is de onbegrepen veldman. Toch is en blijft hij een gemotiveerde vrijwilliger, die het verdient beter behandeld te worden. Het is dan ook te begrijpen, doch niet te billijken, dat sommige van deze veldmensen grijpen naar onwettige middelen om hun frustraties het hoofd te bieden ze gebruiken clandestien vangkooien, halen nesten van roofvogels uit e.d. Er moet echter wel bedacht worden dat de grenzen van de vrijwilligheid bijna zijn bereikt. Als de veldmensen de lier in de wilgen hangen is de vrijwillige weidevogelbescherming ten dode opgeschreven; behalve de veldmensen zullen dan de vogels de grote verliezers zijn.
De nazorger is geen persoon van formulieren en opschrijven wat hij of zij ziet. Daarom is één van de grootste problemen in de vrijwillige weidevogelbescherming de schriftelijke rapportage over datgene wat in het veld is gebeurd. Op dat punt zou enige bijscholing goed besteed zijn mits wij kans zien de mensen in de “schoolbanken” te krijgen.

Stelling: De nazorger/weidevogelbeschermer verdient zelf ook bescherming.

De plaatselijke vogelwacht
De nazorger is lid van de plaatselijke vogelwacht. Dat is de bakermat van zijn activiteiten. De wacht kent veel meer leden dan alleen de nazorgers. De sociale cohesie in het dorp zorgt ervoor dat een ieder die zichzelf respecteert, lid is van de vogelwacht en zo de vogelbescherming geldelijk steunt met een overigens zeer geringe contributie. Dit laatste is van groot belang omdat veel leden belangrijker zijn dan enkele goedbetalende leden. Het hele dorp mag gerekend worden tot het draagvlak van de plaatselijke vogelwacht. Praktisch de gehele middenstand is sponsor van de vogelwacht. In het bestuur zitten over het algemeen mensen die niet in eerste instantie de veldmensen zijn. Zij zijn echter van groot belang om te besturen, de broedstoof te zijn, cursussen op touw te zetten voor de leden en vooral ook voor de jeugd. Verder doen zij veel aan voorlichting over de natuur naar de leden via film- en dia-avonden e.d. De gezamenlijke 120 vogelwachten in Fryslân hebben 27000 leden van wie er ongeveer 8000 actief zijn in diverse werkgroepen en commissies van de Bond. Op elk actief lid kent de plaatselijke wacht dus gemiddeld nog ruim drie mensen die de doelstellingen van de wacht onderschrijven en die kennis nemen van de activiteiten en deze geldelijk ondersteunen.

De Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW)
De koepel van de 120 plaatselijke wachten is de BFVW. Er is inmiddels één wacht opgeheven (Elsloo) als gevolg van gebrek aan weidevogels. In die regio is de predatie zo groot geweest dat gesteld kan worden dat het gebied leeg is wat weidevogels betreft. De mensen zijn dan ook gedemotiveerd en dat betekent het einde van de vogelwacht. Er zijn meer wachten waar de demotivatie toeslaat en dat tracht het hoofdbestuur van de bond te voorkomen, door overal waar dat kan duidelijk te maken dat het Friese model van beperkt oogsten en daarna overvloedig beschermen het enig bruikbare model in onze provincie en wellicht ook daarbuiten is. De Friese situatie is uniek. Nergens in ons land en zelfs in de wereld komt een dergelijk netwerk van vogelbeschermingsorganisaties voor. En deze unieke positie hebben we te danken aan de keerzijde van het eeuwenoude gebruik van het aaisykjen.
Het bondsbestuur (15 leden) is het orgaan dat als gesprekspartner fungeert naar de overheden en andere organisaties die met hun doelstellingen min of meer overeenkomen met die van de BFVW. Het is te betreuren dat de BFVW de laatste tientallen jaren zoveel energie heeft moeten steken in de verdediging van het Friese model naar anderen. Als die energie was besteed aan meer educatie, voor zowel de volwassenen als de jeugd, en aan voorlichting aan boeren en loonwerkers, hadden de vogels daarvan kunnen profiteren. Vooral na de invoering van de Flora- en faunawet in 2002 is er veel energie nodig geweest om de krakkemikkigheid van de wet in de praktijk te compenseren. Onze voorspelling dat de wet veel werkgelegenheid zou betekenen voor juristen en een zegen zou zijn voor een aantal predatoren is nu al voor 100% bewaarheid. Dat de wet iets zou betekenen voor de weidevogels is een misverstand gebleken: de achteruitgang is sinds de invoering versneld!

Stelling: Vrijwillige weidevogelbescherming zonder een structuur zoals de BFVW die kent, ontbeert draagvlak van de lokale bevolking, ondervindt te veel verloop in de veldmensen en werkt daardoor op den duur contraproductief.

De boer
Een uitermate belangrijke factor in de bescherming van vogels is de boer. Hij behoort tot de maatschappelijke groep, die als kiezer numeriek niet meer van betekenis en dus een speelbal voor de politiek. Hij is verstikt door regelgeving die veelal niet eens is ingegeven door onderzoek maar door scoringsdrift van politici. Dit laatste geldt vooral voor regels op het gebied van mest. In Nederland moet men mest injecteren en in Duitsland mag het niet, beide om milieuredenen. De prijzen die de boer krijgt voor zij producten zijn enorm laag. Als de prijs voor de melk in 1955 was gekoppeld aan die van de postzegels of de ambtenarensalarissen, kregen de boeren nu € 1,10 voor de melk af boerderij. De boer vangt nu maar € 0,28 voor de melk en dat is nog geen tweemaal zoveel dan in 1955. En dat alles terwijl de arbeid en de grond, de beide belangrijkste productiefactoren van de boer enorm in prijs zijn toegenomen (meer dan vertienvoudigd), terwijl het geïnvesteerde vermogen per arbeidskracht veel hoger is dan in welke industrie ook. Het gevolg van de ontwikkelingen is geweest dat er een groot deel (70%) van de boeren na 1955 is verdwenen, terwijl de overgeblevenen ten koste van opnieuw investeringen groter zijn geworden. De quotering van de productie, die begon in 1984, heeft de boeren een middel om de lage prijzen het hoofd te bieden (productieverhoging) ontnomen en de handel in productierechten heeft het starten van een boerenbedrijf door jonge ondernemers vrijwel onmogelijk gemaakt.
De boeren hebben de eeuwen door om niet het landschap onderhouden en als de maatschappij en de overheid vinden dat dat nu op een bepaalde manier moet, dan hangt daar een prijskaartje aan. Het merkwaardige feit doet zich voor dat normaliter bij een product de prijs wordt bepaald door de producent. In het geval van het agrarisch natuurbeheer wordt de prijs bepaald door de overheid, dus degene die het product ‘afneemt’. En de boeren zitten in een dusdanig benarde geldelijke positie dat ieder kwartje welkom is en dan worden ze afgescheept met vergoedingen die ongekend laag zijn. Dat moet anders. Er moet onderhandeld worden over de prijs voor het beheer en als die prijs onvoldoende is, moet de boer en zijn belangenbehartiger gewoon zeggen dat er voor die prijs geen sprake kan zijn van beheer. Punt uit! In hoofdstuk 5 geven wij aan wat een vergoeding zou moeten zijn voor weidevogelvriendelijke bedrijfsvoering. Er moet niet uitgegaan worden van vergoedingen voor geleden schade maar van vergoeding voor een te leveren prestatie. Dan is er ook geen sprake van geldelijke steun aan agrarische ondernemers maar van levering en betaling van een product.
Fryslân kent vanouds veel boeren die de weidevogels een warm hart toedragen. Veel boeren zijn ook lid van een vogelwacht en werken op een voortreffelijke manier samen met de veldmensen waar het de weidevogelbescherming betreft. Van oudsher stonden de Friese boeren het aaisykjen toe en it frije fjild was een begrip wat men nergens ter wereld tegenkwam. Men kon overal eieren rapen tenzij de boer het verbood. En er waren natuurlijk boeren die het verboden: deels import die niets wisten van de traditie in Fryslân, deels lieden die slechte ervaringen hadden met niet bona fide aaisikers. Soms was er nog een ander aspect dat een rol speelde. Wij noemen dat “Het Grote Ongenoegen”: dat waren boeren die het niet konden verdragen dat er jonge mannen in het veld liepen terwijl zij, de boeren, 3500 uur per jaar of meer moesten werken en geen tijd hadden om de zuur verdiende centen op te eten. Zij vroegen aandacht door bordjes op de toegang tot hun landerijen te spijkeren. In gesprekken kwam dan veelal de geschetste frustratie naar voren.
Nu er sprake is van agrarisch natuurbeheer en de boer en de nazorger elkaar meer dan ooit nodig hebben, zijn de bordjes in de betreffende gebieden verdwenen. De vraag is echter of de instelling van die boeren is veranderd. Als geld het motief is om dingen te doen of na te laten, is iedere maatregel tot mislukken gedoemd. De boeren zullen het “tussen de oren” moeten hebben. Ze zullen gemotiveerd bezig moeten zijn met de doelstelling: wat ons betreft de vooruitgang van de weidevogels. Als die motivatie er achter zit is het goed. Zoals in het onderwijs is straffen en belonen weliswaar een motivatie maar die werkt alleen bij slechte leraren en leerlingen. Er moet sprake zijn van intrinsieke motivatie, een motivatie die uit het hart komt!

Stelling: Boeren verdienen meer eigen verantwoordelijkheid en een betere beloning voor wat betreft weidevogelbescherming.

De wildbeheereenheid (WBE)
De jagers zijn tegenwoordig regionaal verenigd in WBE’s. Deze WBE’s hebben inmiddels een wettelijke status waar het gaat om de regulering van bepaalde predatoren bij ontheffing. Evenals de veldmensen van de BFVW zijn de jagers bij uitstek mensen die hun veld kennen en weten wat er speelt qua beheer van wild en weidevogels en hun predatoren. Jagers zijn in Nederland uitstekend opgeleid en zijn in staat veel verantwoordelijkheid te dragen en dat betekent dat zij die verantwoordelijkheid ook moeten krijgen. De betuttelende wijze waarop jagers vergunningen krijgen voor bepaalde activiteiten maakt dat jagers uitermate voorzichtig zij omdat er niets hoeft te gebeuren of ze zijn hun acte kwijt en dat wil een jager natuurlijk niet. De WBE’s zouden samen met de vogelwachten verregaande bevoegdheden moeten krijgen om op grond van een gebiedsgerichte planmatige aanpak te komen tot een verantwoord beheer van wild, vogels en predatoren. Rapportage achteraf moet voor de overheden voldoende zijn om te weten wat er om gaat.

De terreinbeherende instellingen (NBO’s)
In Fryslân kennen we It Fryske Gea, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Zij kennen dezelfde problemen met de weidevogels als de BFVW ondanks het feit dat zij met hun beheersmaatregelen een optimale biotoop voor de weidevogels kunnen scheppen: een gestage achteruitgang van het aantal broedparen. Het ligt dus niet aan de boeren! In het opkrikplan, dat de Friese NBO’s hebben gemaakt, is sprake van een aantal aandachtsvelden maar van aandacht alleen kan een weidevogel niet overleven. Ook daar zal sprake moeten zijn van een gebiedsgerichte aanpak waarbij de predatie wordt beperkt. Veel vossen hebben wij te danken aan het beleid van de NBO’s die als fokstation hebben dienst gedaan. Het is not done in de kringen van natuurbeschermingsorganisaties om predatoren te lijf te gaan maar het besef begint nu te komen.

Samenwerking
De mensen en instellingen die in dit hoofdstuk zijn genoemd, moeten voor een goed weidevogelbeheer samenwerken. Er is al veel bereikt. Boeren en nazorgers vormen een goede eenheid als het gaat om de praktische uitvoering van het beschermingswerk op boerenland. Maar ook met de WBE’s zal moeten worden samengewerkt evenals met de NBO’s om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak. Het ministerie heeft ook de samenwerking hoog in het vaandel staan en wij vertrouwen erop dat de samenwerking ook tot stand zal komen. Daarbij is het van grote betekenis dat de organisaties elkaar in hun waarde laten, elkaars standpunten respecteren en beseffen dat er mogelijk meerdere wegen naar Rome leiden. Als dat wederzijdse respect er niet is, is samenwerking moeizaam dan wel uitgesloten.

Stelling: Samenwerking in het kader van de weidevogelbescherming is alleen mogelijk wanneer de participanten elkaars standpunten respecteren en zo mogelijk waarderen.

De overheden, rem of versnellingsbak
De rol van de overheden wordt door “het veld” ervaren als rijden met een aangetrokken handrem. De overvloedige en verstikkende procedures die nodig zijn om te komen tot beleid en tot ontheffingen dan wel overeenkomsten tot beheer vormen samen die handrem. Naar ons oordeel zou de overheid als versnellingsbak kunnen werken als de verantwoordelijkheden bij de boeren, de nazorgers, de WBE’s en andere veldmensen kwamen te liggen, waarbij ze worden afgerekend op van te voren afgesproken resultaten na een periode waarvoor de overeenkomsten zijn aangegaan. Als de doelstelling weidevogels is, zal de overheid alle middelen om te komen tot dat doel moeten gedogen uiteraard op basis van een verstandig beheer dat gebaseerd is op een gebiedsgerichte aanpak. De resultaten moeten blijken uit tellingen, niet alleen van de weidevogels maar van alle diersoorten die in het gebied voorkomen. Het voordeel is dat er dan snel, efficiënt en effectief gehandeld kan worden, met naar onze overtuiging ook een snel resultaat.

Stelling: De overheden moeten de moed hebben zo veel mogelijk verantwoordelijkheden over te dragen aan mensen en instellingen die in staat zijn deze verantwoordelijkheden te dragen. De controle moet berusten op rapportage achteraf over de resultaten.

8. Agrarische bedrijfsvoering en weidevogelbescherming
Een verantwoorde agrarische bedrijfsvoering is best mogelijk wanneer er rekening wordt gehouden met weidevogels. Het vergt echter wel bijzondere inspanningen van de boer. Tegenwoordig is het toverwoord het mozaïekbeheer, dat uitgaat van tenminste drie maaitrappen, om ervoor te zorgen dat jonge grutto’s altijd kunnen foerageren in halflang gras. Het project Nederland Gruttoland heeft echter aangetoond dat een dergelijke aanpak niet voldoende is. Bovendien is het de vraag in hoeverre andere weidevogelsoorten profiteren van de gruttomaatregelen. Er wordt verondersteld van wel maar wij weten dat de kievit duidelijk andere eisen stelt in grasland dan de grutto. De kievit wil voor zijn/haar jongen kort gras en liefst beweid land met weke koeienmest waarop vliegen afkomen. We moeten oppassen dat we met het mozaïekbeheer niet de grutto in het zadel helpen en de kievit uit het oog verliezen. Het mozaïekbeheer moet dus uitgebreid worden met nog een stuk ervoor namelijk het voorweiden van het grasland in april met pinken en eind april/begin mei met melkvee zoals we dat ook deden in 1955 toen we dezelfde veebezetting hadden als thans het geval is maar niet de hele eerste snede maaiden in één keer omdat dat nu eenmaal qua arbeidsfilm niet mogelijk was door de beperkte capaciteit van de machines en werktuigen. De boeren doen niet meer aan voorweiden omdat dat onaantrekkelijk is in verband met de mineralenhuishouding op het bedrijf (het derogatiesysteem). Dat betekent dat de minister verruiming zou moeten scheppen om er voor te zorgen dat de boeren toch weer gaan voorweiden met jongvee en melkvee. Dat moet gefaciliteerd worden! Het mozaïekbeheer komt dan vanzelf. Wellicht moet er een premie komen op het voorweiden vanaf de eerste week van april.
Wij willen graag een bijdrage leveren aan deze aanpak door een opzet met berekening van een weidevogelvriendelijke bedrijfsvoering. Voor een uitwerking in detail verwijzen wij naar bijlage 1. We volstaan hier met de stelling.

Stelling: Maaitrappen in het kader van het mozaïekbeheer moeten worden uitgebreid met beweiding van jongvee en melkvee voorafgaand aan het maaien van de eerste snede.

Beheerovereenkomsten
De overheid biedt veel mogelijkheden voor het afsluiten van beheerovereenkomsten met boeren waarbij de weidevogels de doelstelling zijn. Bij de nieuwe opzet van de overeenkomsten ware rekening te houden met de inhoud van deze notitie. Het moet worden betreurd dat in de overeenkomsten te vaak de nadruk ligt op ge- en verboden en niet op de doelstelling van de overeenkomst. Het gaat om de weidevogels en er zou moeten staan in de overeenkomst dat het aantal weidevogels bij de start bijv. 40 broedparen per 100 ha is en dat de doelstelling is na 6 jaar te komen op bijv. 70 broedparen per 100 ha. Dat is veel uitdagender dan wat nu in de overeenkomsten staat. Daarbij zouden de maatregelen en middelen veel meer in de handen van de Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s) moeten liggen die een verregaande bevoegdheid krijgen om op basis van een goed plan beleid te voeren waar het gaat om de beheersmaatregelen inzake de bedrijfsvoering, de beschermingsmaatregelen en de aanpak van de predatie. De verantwoordelijkheid moet liggen bij de ANV’s die daarbij de grootst mogelijk vrijheid en mogelijkheden moeten krijgen in samenwerking net de vogelwachten en de WBE’s (Wildbeheereenheden). Bedacht moet worden dat verantwoordelijkheid ook leidt tot motivatie en betutteling niet!
In dit kader mag niet onvermeld blijven dat het ganzengedoogbeleid slecht kan uitpakken voor de weidevogels. In de eerste plaats mijden weidevogels de plaatsen waar ganzen zich ophouden of opgehouden hebben (erg kaal land, waar vooral de kritische soorten tureluur en grutto een hekel aan hebben en onverdraagzaamheid van de ganzen). In de tweede plaats werkt het verbod van het eierrapen tot 1 april sterk demotiverend op de nazorgers omdat dan het eierrapen in gedooggebieden vrijwel uitgesloten is bij een sluitingsdatum van 1 april. In de derde plaats zijn rond 15 maart in een normaal jaar de kolganzen en rietganzen vertrokken. Alleen de brandganzen en de rotganzen verblijven nog in Fryslân en die kunnen op dat tijdstip uitstekend terecht op de terreinen van de NBO’s (Natuurbeschermende Organisaties). Wij pleiten daarom voor een sluitingsdatum voor het gedoogbeleid van 15 maart. Deze verkorting van de gedoogperiode mag geen nadelige gevolgen hebben voor de boer in geldelijke zin.

Producten afkomstig uit beheergebieden kunnen goed ingepast worden in de rantsoenen voor melkkoeien. We volstaan hier met de stelling en verwijzen voor de details naar bijlage 2.

Stelling: Met een iets verhoogde krachtvoergift is ruwvoer afkomstig uit beheersgebieden goed inpasbaar in de rantsoenen voor melkvee.

1. Internationaal
Reeds eerder hebben wij genoemd dat in de EU en daarbuiten praktijken een rol spelen die bepaald niet productief zijn voor de weidevogels. De jacht in Frankrijk en een aantal Zuid-Europese landen eist een grote tol van de weidevogels die in ons land met veel geld en inspanning worden beschermd. Daar moet een oplossing voor komen! Niet alleen ten gunste van de vogels maar ook en vooral voor de motivatie van de vogelbeschermers. Ons land zal in ieder geval in de EU actie moeten ondernemen om de jachtpraktijken in andere EU-landen aan te pakken en om te buigen naar een meer weidevogelvriendelijke aanpak. Hetzelfde geldt voor Afrikaanse landen die in de wintermaanden gastvrijheid bieden aan onze weidevogels. Er moet voor worden gewaakt dat de biotopen aldaar worden verslechterd door welke maatregelen dan ook. Nederland kan zijn internationale verantwoordelijkheid alleen dragen als er ook internationaal optimaal wordt samengewerkt.

Stelling: Ter voorkoming van een algemene demotivatie bij weidevogelbeschermers is een internationale aanpak van de problematiek noodzakelijk.

Stelling: De EU-regelgeving moet op een weidevogelvriendelijke wijze door de wetgever worden geïnterpreteerd, waarbij de ecologische motieven moeten prevaleren boven de letter van de wet.

2. Kennis en infrastructuur
Op initiatief van de BFVW is in de SANL (Samenwerkingsverband Agrarisch Natuur- en landschapsbeheer) een notitie aangenomen die onderzoeksvragen inventariseert om te komen tot een beter beheer van weidevogels. Wij laten die notitie hier volgen:

De beste kennis is het weten dat men niet alles weet

Inleiding

Natuurbeheer is een nog jonge wetenschap en een wetenschap zonder historie heeft ook een aantal kennisvelden, dat nog niet zijn ontdekt of waarover geen onderzoek is gedaan. Hoogleraar Veevoeding Boer Iwema in Wageningen had in de vijftiger jaren van de vorige eeuw de gevleugelde uitspraak dat men als veevoedingsdeskundige eigenlijk een jaar lang koe zou moeten zijn om bepaalde zaken te kunnen doorgronden. Wat weten wij bijv. over smakelijkheid van grassen en andere voedermiddelen voor vee? En wat weten wij als natuurliefhebbers en -beschermers over smakelijke hapjes voor weidevogels en over hun voorkeursbiotoop. En wat zijn de optimale omstandigheden voor bepaalde botanische wensen die we koesteren ten aanzien van een bepaald gebied? We denken het wel te weten maar zien in de praktijk dat er weerbarstige dingen gebeuren die we niet hadden verwacht. Wat zijn de voorwaarden voor een goed beheer om weidevogels in hun leefwijze en aantal tegemoet te komen? Kortom er is ontzettend veel dat wij niet weten en als we die dingen wel zouden weten, zouden we ons voordeel ermee kunnen doen in het beheer van de natuur en het landschap. En dat betekent dat er dingen onderzocht moeten worden en dat er wellicht beschikbare gegevens (bijv. van de BFVW) bewerkt moeten worden om ze dienstbaar te maken aan het beleid op het gebied van de natuur.

Natuur en landschap

In Fryslân is de natuur nauw verweven met het open landschap dat kernmerkend is voor de veehouderij en de akkerbouw in deze provincie. En het open landschap is een eis die veel weidevogels stellen. Solitaire bomen zijn rustpunten, uitzichtposten en broedgelegenheden voor vliegende predatoren. Maar we kennen ook landschappen met boomsingels (de Friese wouden) die weer onderdak en voedsel bieden aan andere vogels maar ook aan kleine zoogdieren. Tenslotte kent onze provincie nog bos, heide en water. Al deze landschappen noemen we graag natuur maar in feite zijn het cultuurlandschappen die eeuwenlang onder de invloed van menselijk handelen zijn ontstaan of in stand gehouden.
Iedere soort landschap heeft zijn eigen bewoners in de vorm van zoogdieren, vogels, amfibieën, vissen en insecten. Ook de flora is veelal specifiek voor een bepaald landschap.

Planten en dieren in het landschap

Ieder landschap heeft zijn eigen vegetatie en zijn eigen bewoners in de vorm van dieren. De flora en fauna zijn vaak specifiek voor een bepaald landschap omdat in een dergelijk landschap de voorwaarden aanwezig zijn voor de handhaving en uitbreiding van bepaalde soorten. Deze voorwaarden zijn deels afhankelijk van de grondsoort, de hydrologie, de begroeiing, het (landbouwkundig) gebruik en de toegepaste infrastructuur zoals ontwatering, verkaveling, ontsluiting e.d., kortom het menselijk handelen speelt daarin een belangrijke rol. Heel vaak hebben wij de neiging om bepaalde negatieve effecten in de natuur toe te schrijven aan het menselijk handelen in die natuur. Maar dat is niet altijd juist. Daarvoor zou je maar eens een jaar kievit of grutto moeten zijn! Sommige mensen willen “de natuur zijn gang laten gaan” en komen daarmee bedrogen uit omdat de natuur niet meer is wat het ooit geweest is, dan wel dat de omstandigheden teveel zijn veranderd of dat datgene wat ontstaat minder gewaardeerd wordt.

De natuur naar onze hand zetten

Als we iets willen in de natuur (een natuurdoel) proberen we er altijd achter te komen welke natuurlijke omstandigheden en welk menselijk handelen een gunstige invloed hebben op onze doelstellingen. Soms kunnen we dat gemakkelijk afleiden uit datgene wat we in de natuur waarnemen, maar ook vaak doen we iets waarvan later blijkt dat het niet effectief is.

Er zijn dus veel vragen die beantwoord zouden moeten worden om een adequaat beleid te kunnen ontwikkelen. Wij hebben die vragen geformuleerd en opgenomen in bijlage 3.

Stelling: Teneinde de weidevogelbescherming adequaat gestalte te geven dient het onderzoek naar de vele vragen die er zijn krachtig ter hand te worden genomen. Er wordt te veel beleid gemaakt op grond van veronderstellingen.

Bijlage 1.

Weidevogelvriendelijke bedrijfsvoering

Inleiding
In de gruttokringen is de doelstelling vooral de verbetering van de biotoop voor de grutto om daarmee deze vogel van een verdere daling in aantal te behoeden. Binnen deze doelstelling wordt vooral gedacht aan een mozaïekbeheer, zodanig dat voor de jonge grutto’s steeds binnen afzienbare afstand lang gras voor handen is om voedsel en dekking te bieden. Eén en ander is van belang in verband met het feit dat tegenwoordig veel en een nog steeds groeiend aantal veehouders in hun bedrijfsvoering ervan uitgaan dat de gehele eerste snede gemaaid dient te worden om zoveel mogelijk VEM (Voedereenheid melk, energiewaarde) de DVE (darmverteerbaar eiwit) te winnen voor de winterperiode om daarmee het aanwenden van krachtvoer te kunnen verminderen. Ook het derogatiesysteem en de daaraan verbonden sancties dwingen de boer tot minder gebruik van krachtvoer dus meer productie van VEM en DVE uit ruwvoer. Dat betekent dan weer dat bij een gunstige weerssituatie rond 8 mei plotseling in enkele dagen alle grasland wordt gemaaid. Dit is mogelijk door de grote werkbreedte en rijsnelheden van de machines, waardoor de capaciteit bij het inkuilen vrijwel ongelimiteerd is. Ook de loonbedrijven spelen in deze ontwikkeling een niet onbelangrijke rol. Vroeger was de boer wel gedwongen in fasen te maaien omdat hij niet in één keer de hele oppervlakte van zijn landerijen kon bewerken. Het zou een te grote piek in de arbeidsfilm betekenen.
Het moge duidelijk zijn dat de geschetste werkwijze voor de grutto een slechte zaak is. Daarbij zij ook opgemerkt dat het beweiden ook voedselaanbod voor bepaalde soorten (bijv. de kievit en de scholekster) oplevert.

Maaitrappen (en later maaien)
We zouden dus ten behoeve van de grutto weer moeten komen tot maaitrappen zoals we die ook kenden in de jaren 50 tot 70 van de vorige eeuw, toen de stand van de weidevogels, ook van de grutto, zeer goed was. Deze maaitrappen kwamen tot stand door de voorjaarsgift aan stikstof in trappen toe te dienen (stikstoftrappen). Vervolgens werd een deel van de landerijen voorgeweid met jongvee (pinken), vanaf bijv. 5 of 10 april afhankelijk van de weersomstandigheden en de grasgroei. Tenslotte werd een ander deel voorgeweid met melkvee, vanaf bijv. 20 april, waarbij de koeien overdag buiten liepen en ’s nachts binnen verbleven om na een dag of tien geheel buiten te blijven, zulks wederom afhankelijk van het weer en de grasgroei. De stikstoftrappen werden reeds spoedig afgeschaft. In de plaats daarvan werd er gewerkt met de temperatuursom als criterium om de eerste stikstof toe te dienen en van trappen was toen geen sprake meer. (De temperatuursom is de som van alle positieve dagtemperaturen na 1 januari; als deze som 180 bedraagt, is het tijd om stikstof aan te wenden.)
Zodra de periode van het maaien aanbrak, werd als eerste het land gemaaid dat niet was voorgeweid, vervolgens het met de pinken voorgeweide en tenslotte het met het melkvee voorgeweide. De tussenpozen bedroegen al naar gelang de weersomstandigheden ongeveer 10 dagen.

Maaitrappen in de praktijk.
Uitgangspunt is dat de voerderwinning in dienst staat van de beweiding. We gaan uit van een systeem van O4 dat wil zeggen omweiden om de vier dagen.
In de volgende berekening is een en ander uitgezet voor een bedrijf met 85 stuks melkvee met een productie van 8000 kg fpcm (voor de gehalten gecorrigeerde melk)en 30 pinken op 60 hectare grasland en 5 hectare snijmaïs.
Als de pinken op 10 april worden ingeschaard, is hun behoefte op dat moment ongeveer 0,70 are per dier per dag om vervolgens af te nemen (door meer grasaanbod) naar de normbehoefte van 0,55 are per dag. In de periode 10 tot 25 april hebben ze dus 3 hectare nodig. Vervolgens worden ze achter de melkkoeien aan geweid. De melkkoeien gaan per 20 april overdag het land in en hebben dan 0,4-0,5 are per koe per dag nodig. Zodra ze geheel naar buiten gaan (rond 1 mei) wordt die behoefte 0,94- 1,00 are per koe per dag bij een gewasopbrengst van ongeveer 1700 kgds per hectare. Een en ander betekent dat de koeien ruim 22 hectare nodig hebben(na 1 mei) en de pinken nog eens 5-10 hectare. We gaan uit van 5 hectare voorgeweid vóór 25 april en 22 hectare na 25 april. Dat betekent dat er een maaipercentage eerste snede overblijft van 30/60x100 = 50%.
Wat is nu de ‘schade’ als gevolg van deze bedrijfsvoering? Het betreft in feite vier soorten verlies:
3. Het minder efficiënt inzetten van de mechanisatie omdat er drie maal in plaats van eenmaal gemaaid en ingekuild moet worden. De machines moeten vaker omgebouwd worden. En behalve het maaien is er ook driemaal sprake van schudden, harken, oprapen, aanrijden en afdekken met plastic. Bij het loonbedrijf maakt dit een verschil van € 30,-- per ha. Als een loonbedrijf 60 hectare voor een ondernemer moet maaien en inkuilen is het verschil in kosten tussen het maaien(inclusief inkuilen) in één keer en het maaien in drie keer € 30,-- per hectare. Over alle hectaren gerekend is dat € 15,--. Daarbij moet nog worden opgeteld dat de boer of de loonwerker langzamer rijdt en regelmatig van de trekker af moet om gras rond nesten te verwijderen, jonge vogels te verplaatsen e.d. De “schade” wordt dus geraamd op € 30,-- per hectare over de gehele oppervlakte van het bedrijf. Een en ander is wel afhankelijk van de verkaveling en de perceelsgrootte.
4. Het verlies aan droge stof door het verschil in benutting bij beweiden en maaien. Als we het beweiden met melkkoeien vergelijken met zomerstalvoedering zien we een verschil in beweidingsrendement van 93 – 78 = 15 %. Bij een drogestofopbrengst van 11000 kgds per hectare is dat 1650 kgds per hectare. Bij een prijs van € 0,15 per kgds is dat € 247,50 per ha. Als de helft gemaaid wordt is het verlies per ha € 124,-- gerekend over alle hectaren.
5. Minder benutting van de eigen meststoffen. Er wordt minder mest verzameld in de mestopslag. Deze hoeveelheid is ongeveer: voor de pinken 30dagen x 26 liter per dier en voor de koeien 15 dagen x 62 liter per dier. Bij 30 pinken en 65 koeien is dat bijna 90 m3. 90 m3 x 2,3 kgN x € 0,70 = € 145 ofwel € 3,20 per ha. De mest hoeft echter ook niet te worden uitgereden.
6. De VEM-waarde van graskuil van voorgeweid land is ongeveer 15 eenheden per kgds lager dan die van de eerste snede zonder voorweiden. Bij 30 hectare voorweiden en een opbrengst van 2800 kgds per snede is het verlies aan VEM derhalve 30 hectare x 2800 kgds x 0,15 = 12600 kVEM, hetgeen overeenkomt met 12.600 x € 0,18 = € 2268. Dat is € 38 per hectare.
7. De € 38,-- per hectare leidt tot een extra krachtvoeraankoop van ongeveer 200 kg per hectare. Dit betekent voor het derogatiesysteem een extra belasting van 3,2 kg N per 100 kg krachtvoer met 20% re x 2 x € 2,2 = € 14,-- . Deze post is afhankelijk van het feit of de veehouder onder derogatienormen blijft of niet.
De totale ‘schade’ zou dus ongeveer € 209,-- per hectare bedragen, afgerond € 210,--
Teneinde een goede PR van een aanpak als deze te waarborgen moet de boer een vergoeding hebben voor het toelaten en ontvangen van publiek van € 10,-- per hectare. Voor de bijdrage van de plaatselijke vogelwacht bij het opsporen, markeren en beschermen van de nesten en de BFVW als voorwaardenscheppende koepel ware een bedrag op te voeren van € 3,-- per hectare. Dit is geen beloning maar een vergoeding voor materialen en administratieve werkzaamheden, alsmede voor de educatieve en voorlichtende inspanningen van de bond. Een goede nazorger besteedt gemiddeld 3 t0t 5 werkuren per hectare afhankelijk van het aantal broedparen. Om een agrarische ondernemer te prikkelen om te komen tot bovengeschetste aanpak ware een extra premie toe te kennen van ongeveer € 25 per hectare. De totale vergoeding zou dan € 255,-- per hectare moeten zijn.
Er is echter nog een aspect dat aandacht verdient. Bij hogere gemiddelde producties dan 8000 kg fcm wordt de kwaliteit van het ruwvoer veel belangrijker. Hoe hoger de productie per koe hoe meer aandacht moet worden besteed aan de concentratie van de nutriënten (VEM en RE of DVE) per kg ds in het totale rantsoen. Ook het ds-gehalte van het rantsoen moet voldoende hoog zijn (35 tot 45%) om te komen tot een maximale opname van ds. Bij het moderne melkvee zien we ds-opnames tot 28 kg per dag bij producties die hoger kunnen zijn dan 65 kg fcm per dag in de top van de lactatie. Als het aandeel van het ruwvoer in een dergelijk rantsoen 18 kg ds is zal een verlaging van de VEM-waarde met 15 betekenen dat de koe 18 x 15 = 270 VEM per dag minder opneemt. Dit komt overeen met ongeveer een halve kg melk over de hele lactatie is dat 160 kg melk overeenkomend met € 56 per koe ( € 79,-- per ha). Ook moet in een dergelijke situatie een koe extra worden gehouden om het quotum vol te melken en dat vergt een extra onderhoudsbehoefte van 2200 kVEM (= € 330,--) overeenkomend met € 5,5 per hectare.
Het aspect van de hogere productie zou met de volgende tabel kunnen worden ingevuld

Tot 8000 kg fpcm € 255,-- per hectare
8000-9000 € 2 per 100 kg fpcm extra per hectare
9100-10000 € 3
10100-11000 € 4
boven 11000 € 6

Voorbeeld: een veehouder met een gemiddelde productie van 9800 kg fcm per koe ontvangt een vergoeding van 255 + 18 x 4 = € 327,--
In aanvulling op de bovenomschreven maatregelen zouden nog de volgende reeds bestaande maatregelen kunnen worden toegevoegd:
• Perceelsrandenbeheer: 10 % van de bedrijfsoppervlakte, 3 meter langs de randen (afrastering of talud) in de eerste snede laten staan: vergoeding € 1,-- per m. Op deze wijze komen de randen, het talud en het water beschikbaar voor de vogels.
• Plas-dras: 0,5 hectare per bedrijf € 700,-- per hectare per jaar
• 3 of 4 hectare 15 juni-beheer € 415,-- per hectare per jaar
• Toepassen van strorijke mest volgens de geldende regeling.

Zomerstalvoedering
In geval een veehouder zomerstalvoedering toepast, dient voorop te staan dat dit een uitstekende wijze van bedrijfsvoering is om maaitrappen te creëren. Bij een dergelijke bedrijfsvoering wordt wel degelijk gebruik gemaakt van de eerder genoemde stikstoftrappen. We zien bij zomerstalvoedering dat alle land wordt gemaaid dus de inspanningen genoemd bij de voederwinning zijn onveranderd van kracht. Maar dan voor alle hectaren in de periode 15 april tot 1 juli, die dan 2 x gemaaid worden. Dit betekent € 75,-- per hectare. Het maaien voor de voerderwinning voor de winterperiode geeft ook een verlies van 15 VEM per kg ds als gevolg van de uitgestelde maaidata. De vergoedingen voor PR, diensten van de vogelwacht e.d. blijven ook dezelfde. Voor zomerstalvoedering komen we dan op een vergoeding van € 170,-- De reeds genoemde toeslagen kunnen tevens van toepassing zijn.

Uitvoering
De gruttokringen (beter ware te spreken van weidevogelkringen) zouden binnen hun gebied met de deelnemende boeren overeen kunnen komen om een pakket van weidevogelvriendelijk boeren op te nemen tegen een vergoeding van € 255,-- per hectare, eventueel verhoogd met een toeslag voor het productieniveau en reeds bestaande regelingen in het kader van Programma Beheer. Het bestuur van de kring ziet erop toe dat de deelnemers zich houden aan de regels. Daarbij wordt er van uitgegaan dat een en ander afhangt van de weersomstandigheden en de grasgroei in het voorjaar, zulks naar goed boerengebruik. Ook het gedrag van de vogels zou in de overwegingen meegenomen kunnen worden (overleg met de vogelwacht). Het bestuur van de kring bepaalt de datum van inscharen van de pinken en de melkkoeien.
De datum van inscharen van het jongvee zal als regel liggen tussen 5 en 12 april. Die van het melkvee tussen 17 en 25 april. De eerste snede (niet voorgeweid) zal gemaaid worden in de periode tussen 7 en 15 mei. Het met de pinken voorgeweide land wordt gemaaid tussen 18 en 26 mei en het met het melkvee voorgeweide land wordt gemaaid tussen 1 juni en 10 juni. Tussen de maaitrappen ligt dan een periode van 10 dagen. Als een bedrijf vervolgens nog 7-10% van de oppervlakte in 15 juni-beheer heeft met een extra vergoeding in het kader van Programma Beheer, is op bedrijfsniveau een perfect mozaïekbeheer t.b.v. de grutto en de andere weidevogels verwezenlijkt. De controle op de naleving dient te liggen bij het bestuur van de kring. De vogelwachters dienen alert te zijn bij het beweiden en het maaien zoals dat steeds het geval is. Voor alles geldt dat het systeem flexibel moet zijn zulks naar het oordeel van het bestuur van de kring in combinatie met de vogelwacht. Dat betekent o.a. dat op voorhand niet gerekend kan worden met vaststaande data.
Het beschreven systeem is uitstekend toe te passen op bedrijfsniveau, maar ook in collectief verband. Een veehouder zou individueel een overeenkomst kunnen sluiten betreffende weidevogelvriendelijke bedrijfsvoering. Er zijn echter ook goede mogelijkheden om te komen tot een gezamenlijke aanpak van een aantal agrarische ondernemers. De plaatselijke vogelwacht zou de monitoring en de bescherming van de vogels op zich kunnen nemen.
Overwogen kan worden om na een aanloopperiode van enkele jaren de inspanningen op resultaten af te rekenen. Uit een evaluatie en een jaarlijkse monitoring moet blijken hoe effectief deze methode is.
(Voor de gegevens waarop de berekeningen zijn gebaseerd zij verwezen naar het Handboek voor de Melkveehouderij 2006.)

Bijlage 2

Natuurproducten in de rantsoenenvoor melkvee
Eén van de meest in het oog springende maatregelen in het kader van agrarisch natuurbeheer is de verlate maaidatum. Als gevolg daarvan is het te maaien materiaal grofstengelig en de VEM en de DVE-waarde zijn laag. Afhankelijk van het type gras (weide of hooitype) kan het suikergehalte nogal variëren. In het algemeen heeft kuilgras en hooi van natuurbeheer geen goede naam omdat de concentratie van nutriënten (voederwaarde) per kilogram droge stof laag is en dat past slecht bij hoogproductieve melkkoeien. Het is echter ook uit de praktijk bekend dat koeien gunstig reageren op dergelijk hooi of kuilgras voor wat betreft de gezondheid.

Structuurwaarde
Vóór de quotering in de melkveehouderij (1984) deed de vraag opgang met hoe weinig ruwvoer een koe kon volstaan in haar rantsoen. Het was het verhaal van de structuurwaarde in de rantsoenen voor melkvee. Inmiddels is de veebezetting per hectare aanmerkelijk gedaald (we hebben bijna 30% minder melkkoeien dan in 1983) en de productie per koe is aanzienlijk toegenomen. Er is dus volop ruwvoer voor handen en dat betekent ook dat veehouders best bereid zijn een deel van hun landerijen te benutten voor agrarisch natuurbeheer mits daar tegenover een voldoende vergoeding staat.
De Universiteit van Wageningen heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van dergelijk kuilgras en hooi in de rantsoenen van melkvee. Het eerste onderzoek was in eerst instantie een oriëntatie door 13 veehouders te ondervragen over hun ervaringen met graslandproducten van natuurbeheer. Daar kwam het product niet slecht uit. De veehouders vonden het hooi en de kuil goed passen in hun bedrijfssystemen o.a. in verband met de benutting van het overige grasland en het derogatiesysteem. Verder was men van oordeel dat de gezondheid van de dieren gunstig werd beïnvloed en dat de vergoeding aantrekkelijk is. De boeren noemden als nadelen de op den duur teruglopende kwaliteit van het gras (verteerbaarheid) als gevolg van beperkte bemesting. Ook de moeizame samenwerking met de natuurbeherende instellingen werd als een bezwaar ervaren. Een beperkte hoeveelheid droge stof (ds) in rantsoenen van melkvee voorkwam ook lebmaagproblemen, gaf een betere vertering, een betere mestkwaliteit en een betere algehele gezondheid. Een voorwaarde is wel dat het materiaal goed gewonnen wordt zodat de smakelijkheid geen belemmering is voor de opname. Het totale gemiddelde ds-gehalte van het rantsoen voor melkvee moet tussen 40 en 45 % liggen.

Modelberekening
Op basis van de interviews heeft de landbouwuniversiteit een modelberekening gemaakt waarbij de krachtvoergift constant werd gehouden en 2-8 kg ds van het normale ruwvoederrantsoen werd vervangen door beheerskuil. Men zag dan een ruwvoeropname die afnam met 0-0,5 kg ds per dier per dag. Wel kostte deze ingreep tot 3,6 meetmelk per koe per dag. Er dan is er 2,6 kg krachtvoer per koe extra nodig om in de behoefte aan energie en eiwit te voorzien, waarbij rekening is gehouden met de verdringing. De OEB (onbestendig eiwit balans) van het totale rantsoen wordt lager waardoor het eiwit beter wordt bent.

Proef
Op het proefbedrijf te Zegveld werd naderhand een voederproef gedaan waarbij 0-50% van het gangbare ruwvoer werd vervangen door beheersgraskuil. Hieruit kwam naar voren dat 25% van de gangbare graskuil vervangen kon worden door beheersgraskuil. Een voorwaarde is dan wel dat het voer goed gewonnen is: geen regen en een goede conservering. Bij 25 % vervanging daalt de totale ruwvoederopname niet. Men veronderstelde dat de verzadigingswaarde van het beheersmateriaal 15 % hoger ligt dan die van gangbare kuil, maar het bleek dat de voederopname hoger was dan op basis van de verwachte verzadigingswaarde was verondersteld. Daardoor is ook het tekort aan VEM als gevolg van de vervanging geringer dan was verwacht. De melkgift daalt bij 25% vervanging met ca1-1,5 kg meetmelk per koe per dag, bij 50% vervanging is dat 2,5 kg. Rekening houdend met de verdringing is dan een extra krachtvoergift van 1 kg noodzakelijk. Het vetgehalte in de melk stijgt iets en het eiwitgehalte heeft de neiging tot een lichte daling.
In de zomermaanden past het voer van beheersland goed naast vers gras als bron voor structuur. Het graseiwit wordt er beter door benut. Vanwege de kleine voersnelheid is het inkuilen van beheersgras in sleufsilo’s niet aantrekkelijk. De methode van foliegewikkelde balen kuil of hooi is het beste. Gezondheidseffecten zijn in de proef in Zegveld niet waargenomen.

Conclusie
Goed gewonnen en geconserveerd natuurgrashooi of –kuil past tot een percentage van 15% van de ds-opname uit ruwvoer goed in de rantsoenen voor melkvee. Het zou dus geen enkel bezwaar zijn dat boeren 25% van hun landerijen beschikbaar stellen voor natuurbeheer en dat zou de weidevogels zeer ten goede komen. De compensatie op jaarbasis via de extra krachtvoergift ligt in de orde van grootte van 350 kg krachtvoer per koe per jaar dus ongeveer € 70,00. Deze en andere kosten moeten komen uit de beheersvergoeding als de boer zelf overeenkomsten dienaangaande heeft gesloten. Door het minder efficiënte werken als gevolg van de late maaidata en de prikkel om de boer te motiveren voor het natuurbeheer zou de vergoeding als volgt berekend kunnen worden.
Bij een veebezetting van 1,4 melkkoeien per hectare is de “schade” door krachtvoercompensatie 1,4 x € 70 = € 100 per ha, met de inefficiëntie en de prikkel komt men dan op een bedrag van € 125,00 per hectare over alle hectares ofwel € 1250,00 per ha natuurbeheer. Op een bedrijf van 100 hectare met 140 melkkoeien zou 25 hectare natuurbeheer ongeveer 25 x 4500 kgds opleveren, dat is per koe per dag 112500 : 140 x 365= 2.2 kgds over het hele jaar, dus te voeren naast gras en naast graskuil. De overige hectaren brengen op : 75 x 9000 = 675000 dat is 13,2 kgds per koe per dag over het hele jaar. Dat kan het jongvee nog van meeëten. Er kan natuurlijk ook voor gekozen worden natuurhooi aan te kopen. De te betalen prijs kan worden berekend uit de prijsvergelijking van ruwvoerders.

Geldelijke compensatie voor het beheer
Het beleid van de overheid om weidevogelvriendelijke bedrijfsvoering te stimuleren moet hoog worden gewaardeerd. Wij menen met het bovenstaande te hebben aangetoond dat de vergoedingen gelijke tred moeten houden met de inspanningen van de boeren om te komen tot een weidevogelvriendelijk beheer. De vergoedingen moeten tot stand komen met de inbreng van de overheid zelf, de kennisinstituten en de boeren. Alleen bij een goede consensus is er sprake van een vruchtbare samenwerking waarbij de belangen van de partijen parallel lopen. Het wij-gevoel staat dan voorop en een ver doorgevoerde controle kan dan achterwege blijven.

Bijlage 3.
Te beantwoorden vragen, die mogelijk omgezet kunnen worden in onderzoeksprojecten.
1. Wat is de invloed van (diep)ontwatering op de getalsmatige ontwikkeling van de weidevogels. Heeft dit iets te maken met de grondwaterstand of met de grondwaterkwaliteit. Of is het voedselaanbod voor weidevogels veel meer afhankelijk van het hemelwater? Deze vraag geldt zowel voor de periode van het aanvetten als voor de tijd waarin wordt gereproduceerd (eileg, broeden, grootbrengen van de jongen)
2. Er wordt door deskundigen vaak erg negatief gesproken over de moderne graslanden die bestaan uit een monocultuur van Engels Raaigras. Hoe slecht zijn deze weilanden voor vogels en waarom? Heeft dat iets te maken met de aard en de soorten van de insecten die erop voorkomen en hebben jonge vogels van diverse pluimage specifieke wensen wat de soorten insecten betreft? Of heeft het te maken met de frequente bodembewerking in de vorm van frezen en opnieuw inzaaien? Of met de structuur van de grasmat?
3. Zijn er methoden om de aantallen en soorten insecten te beïnvloeden in de verschillende perioden dat de weidevogels hier zijn.
4. Ganzen hebben een voorkeur voor de graslanden waar ook de koeien een voorkeur voor hebben: moderne grassen (de monoculturen) en een korte vegetatie met een hoog eiwitgehalte. Van de mest van de ganzen komt een niet onaanzienlijk deel terecht in ons oppervlaktewater (20%?) gedurende het overnachten op open water. Dit beloopt toch al gauw 30.000 ton mest op jaarbasis, dat is de jaarproductie van 7500 koeien. Hoeveel ganzen kan ons land verdragen om een te grote eutrofiëring (verrijking met meststoffen) van ons oppervlaktewater te voorkomen? En welke maatregelen zouden er dan genomen moeten worden mede gelet op het feit dat een groot deel van de wereldpopulatie van bepaalde soorten in ons land overwintert?
5. Het is onduidelijk hoe goed of hoe slecht ganzen en weidevogels elkaar verdragen. In de praktijk horen we daarover alarmerende berichten. Er zou eens uitgezocht moeten worden in hoeverre weidevogels de ganzengedooggebieden mijden, waarbij gelet moet worden op de verschillende soorten ganzen en ook op de overzomerende ganzen.
6. De stand van de weidevogels op het boerenland heeft een hoogtepunt gekend in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Is het mogelijk eens precies in kaart te brengen hoe het agrarische landgebruik, de veedichtheid, de wijze van grondbewerken, de ontwatering, de ontsluiting e.d. in die tijd was en welke veranderingen er hebben plaats gevonden. Mogelijk zijn er oorzakelijke verbanden te vinden.
7. Er wordt thans onderzoek gedaan (o.a. op Nij Bosmazathe) naar de verschillende aanwendingsmogelijkheden van stalmest ( zowel mengmest als gescheiden mest). Daar zal ook onderzoek gedaan worden naar rûge dong (strorijke mest), maar naar mijn weten helaas niet naar de uitrijdtijdstippen van rûge dong. Ik denk dat rûge dong alleen effect heeft als het vroeg in de winter (november tot februari ) wordt uitgereden (over de vorst) zodat zich onder de mest bodemleven ontwikkelt. Te laat aanwenden (april) op niet kaal land geeft weinig of geen effect. De mestregelgeving zou dan aangepast moeten worden om het uitrijden van rûge dong ook toe te staan op tijdstippen waarop dat thans verboden is. De vraag is ook in hoeverre rûge dong bijdraagt aan de ammoniakemissie. Een bijkomend probleem is dat in boerenkringen de potstal geen goede naam heeft omdat in een dergelijke stal bij de koeien te hoge celgetallen zouden voorkomen (dat is een maat voor het niveau van uierontstekingen, mastitis). Het is goed dit eens te laten uitzoeken bij verschillende strogiften per dier per dag. Er zijn in Nederland genoeg potstallen om een en ander na te gaan. De potstal is het enige alternatief voor de ligboxenstal met drijfmest. Aanbindstallen zijn arbeidstechnisch niet meer verantwoord, hoewel in dat staltype ook de mest en de gier afzonderlijk werden opgeslagen. In dat verband rijst ook de vraag in hoeverre gescheiden mestbewaring van belang is voor de weidevogels na aanwenden op het land.
8. Welke factoren spelen een rol bij de keuze van kieviten voor maïsland. Dat land moet iets aantrekkelijks hebben maar wat? Ze broeden daar min of meer in kolonies wat tegen de aard van het beestje is. Voorheen konden de mannetjes elkaar niet in de territoria verdragen en nu kan men op een kleine oppervlakte vele legsels van de kievit vinden. Voor de tureluur is dat jammer want die broedt graag onder dekking van de kievit. Ook de grutto kan deze functie voor de tureluur hebben maar deze soort broedt voor de tureluur steeds later en mogelijk te laat. Vraag: hoe krijgen we kievit weer op het grasland? Zodra de maïs een bepaalde lengte heeft willen de kieviten er graag uit. Waarom? Ik denk omdat de kievit graag ziet wie en wat er aan komt om zich te verdedigen of heeft dit ook te maken met voedselaanbod?
9. Wij vonden vroeger de eieren van kemphanen in het etgroen, het gras dat groeide na de eerste snede. Die eerste snede werd toen rond 18 mei gemaaid en de kempkanen kwamen dan eind mei aan de leg. Heeft het verdwijnen van de kemphaan te maken met de gewijzigde bedrijfsvoering in de veehouderij (vroeger maaien, andere botanische samenstelling) of heeft het alleen te maken met de gewijzigde waterbeheersing. Deze vraag rijst temeer daar ook in beheersgebieden van de NBO’s de kemphaan terugloopt in aantal.
10. De verzuring door de zure regen wordt alom aanvaard als een feit. Maar hoe erg is dat? Is de verzuring te kwantificeren als een neerslag van zuur op de bodem, door regenvalcijfers te combineren met grondonderzoek (pH). En is er een verband te vinden tussen de gekwantificeerde verzuring en bepaalde ontwikkelingen in de natuur, zoals weidevogelstand, de botanische samenstelling van de grasmat en het bodemleven?
11. De predatie zou eens gekwantificeerd moeten worden vanuit de voedselbehoefte van de predatoren. Veelal wordt de predatie in beeld gebracht door de verliezen aan eieren, jongen en volwassen vogels te monitoren, maar men zou ook kunnen bedenken hoeveel voedsel de gezamenlijke predatoren na een gedegen inventarisatie per soort, nodig hebben. Vervolgens kan men nagaan uit welke soorten prooidieren die behoefte gedekt moet worden. Uit een dergelijke kwantitatieve benadering zou dan een plan kunnen voortkomen om de predatoren per soort te beheren en beheersen. Dit plan zou dan onderdeel kunnen uitmaken van het Faunabeheersplan. Voorbeeld: roeken zijn v.w.b. de predatie van weidevogels opportunisten d.w.z. dat ze alleen eieren en jonge vogels consumeren als ze ze tegen komen. Als er nu ergens een broedkolonie is van 220 broedparen roeken hoeveel predatie van weidevogels is er dan in het kader van het opportunisme van de roek.
12. Er liggen nog vele gegevens vanaf 1981 bij de BFVW over inventarisaties van rayons. Die zijn feitelijk over een lange periode geregistreerd. Het betreft de aantallen broedparen en de broedresultaten. Er zou eens een onderzoek gedaan moeten worden naar de ontwikkelingen in vaste gebieden over een lange periode om te komen tot conclusies inzake invloeden van ontsluiting, ruilverkaveling, grondgebruik, vestiging van bedrijfsgebouwen, verlichting, ontwatering en mogelijk ander invloeden. De trends die gevonden worden, zouden een belangrijke ondersteuning kunnen zijn voor het provinciale beleid betreffende de weidevogels.
13. Meerkoeten hebben zich de laatste 50 jaar verplaatst van het boezemgebied naar alle water. In onze jeugd vonden we meerkoeteieren uitsluitend in de rietkragen van het boezemwater. Tegenwoordig vinden we ze in bijna elke sloot en zelfs op het land. Heeft dit te maken met de grote aantallen van deze vogel of heeft het te maken met de waterkwaliteit, de eutrofiëring of wellicht de predatie?
14. Wat is de beste methode om een nest van de grutto te beschermen bij het maaien van grasland? Een strook laten staan (hoe groot) of een pol (hoe groot) of alle gras wegmaaien en de eieren in een kuiltje in de grond neerleggen of wellicht nog andere methoden. Als je hierover praat met ervaren veldmensen krijg je vele antwoorden en het moet toch mogelijk zijn eens objectief vast te stellen wat nu eigenlijk de beste methode is. Hetzelfde geldt voor andere vogelsoorten. Inmiddels is hieraan gewerkt door het Van Hall Instituut.
15. De gangbare nestbeschermer bij weiden door vee, werkt goed bij rundvee. Maar is er ook een goede nestbeschermer te bedenken in geval van beweiden met schapen (met lammeren) en paarden? Het aantal schapen en paarden is de laatste jaren sterk toegenomen terwijl het beweiden met rundvee afneemt omdat de boeren vrij algemeen de koeien binnen houden tot en met de eerste snede en pas gaan weiden in het etgroen. Nestbescherming bij beweiden met schapen en paarden heeft temeer belang daar de beweiding kaal land oplevert en derhalve grote voorkeur geniet bij kieviten en scholeksters.
16. Zijn er maatregelen te bedenken om de kuikenoverleving bij weidevogels (met name bij de grutto ) te vergroten? Het plaatsen van lege zakken op stokken is weliswaar vrij effectief maar is er nog iets anders te bedenken.
17. Is er een methode te bedenken om broedende vogels en warme eieren op te sporen met moderne apparatuur. Als je met een straaljager dode mensen kunt opsporen, moet het toch ook mogelijk zijn dieren (vogels en zoogdieren) in het veld te vinden en vervolgens te beschermen.
18. Op het gebied van vissen, amfibieën, reptielen, insecten etc. is wel kennis aanwezig, maar vaak versnipperd over kennisinstituten, belangengroepen en personen. Het is onduidelijk welke rol agrarisch natuurbeheer juist voor deze diergroepen kan spelen. Een verkennende inventarisatie naar dit aspect zou welkom zijn.

In zijn algemeenheid wordt op veel plaatsen ( o.a. bij de universiteiten van Utrecht, Groningen, Wageningen en Nijmegen) al jaren onderzoek gedaan dat raakt aan natuurbeheer en natuurontwikkeling. Vaak is dat specialistisch onderzoek, dat slechts op deelvragen een diepgaand antwoord geeft. Dat kan gaan om vestigingsmechanismen van planten in relatie tussen begroeiing en hydrologie, de rol van landbouwvoedingsstoffen (bemesting) op de herstelmogelijkheden van vegetaties, herintroductieonderzoek aan bijv. vlinders, de benutting van grasland door ganzen en ga zo maar door. Het probleem is vaak dat deze kennis buiten de universitaire wereld slecht toegankelijk is. Daar moet je zelf haast specialist voor zijn.

Verdere werkwijze
Het lijkt ons wenselijk bovenstaande vragen voor te leggen aan de instituten die onderzoek doen. Behalve genoemde universiteiten kan in deze ook het Van Hall Instituut in Leeuwarden (diermanagement en veehouderij) een rol spelen. Denk ook aan Altenburg en Wymenga, Alterra e.d. Bij de vragen zou dan het verzoek moeten worden gevoegd in hoeverre deze vragen reeds door onderzoek zijn beantwoord en in hoeverre het instituut bereid is passend onderzoek te doen ten behoeve van de nijpende vragen die wij beantwoord moeten hebben om voortvarend en succesvol beleid te kunnen maken. Het gaat er om dat de beschikbare kennis operationeel wordt gemaakt voor de praktijk en ontbrekende kennis wordt gegenereerd.

 

F