17-11-2011 zienswijze en voorstellen PAN op het huidige 2e concept Wetsvoorstel Wet Natuur (WN) van 6 oktober 2011.

Nieuwspagina

Nieuwsarchief

Homepage

 

Excellentie,

Hierbij doen wij U namens onze achterban de zienswijze en voorstellen op de huidige 2e concept Wetsvoorstellen Wet Natuur (WN) van 6 oktober 2011.

Algemeen

Uit de inleiding komt sterk naar voren dat "Vrijheid en Verantwoordelijkheid" het belangrijkste gedachtegoed is uit het regeerakkoord. De nieuwe wet dient volgens onze inzichten en standpunten nog meer afgestemd te worden op Europa en de geldende EU verdragen en ook niet meer te regelen dan vanuit Europees perspectief noodzakelijk is. Verder zal de nieuwe wet er voor moeten zorgen dat door haar geen aparte nationale- of provinciale koppen gaan c.q. kunnen gaan ontstaan m.a.w. wetgeving moet helder en eenduidig zijn en zoveel mogelijk in harmonisatie zijn met de ons omringende EU landen, de natuur kent immers geen grenzen.

Wij zijn verder van mening dat in dit concept wetsvoorstel, de wetsvoorstellen erg selectief en zeker niet consequent zijn gedaan, m.n. voorstellen betreffende EU-richtlijnen v.w.b. beheer en schadebestrijding en het Benelux-verdrag over de jacht. Gezien de beperkingen, uitbreidingen en of verplichtingen die in de richtlijnen of verdragen zijn opgenomen, dient er volgens ons ook een duidelijke keuze gemaakt te worden voor deze nieuwe wet en dienen de richtlijnen van de EU volgens ons hierin maatgevend te zijn. Het spreekt voor zich dat zij dan ook nauwkeurig hierop moeten aansluiten zoals in de MvT wordt aangegeven. Een toelichting op de belangrijkste (Europese) begrippen (bijvoorbeeld aan de hand van jurisprudentie of aan de hand van de bestaande toelichtingen op de richtlijnen en verdragen) ontbreekt veelal. In de wet staan ook verschillende “foutjes” en daarnaast worden termen/zinsfrasen soms niet systematisch gebruikt. Dit gebeurt echter zeer selectief; voor de jacht is enerzijds het Benelux-verdrag bepalend terwijl ook de EU richtlijnen zich ook hierover uitspreken en anderzijds worden betreffende beheer en schadebestrijding de middelen die hiervoor gebruikt mogen worden ineens weer aan de Benelux- overeenkomst (jacht) gekoppeld, terwijl in de EU richtlijnen alleen maar de verboden middelen worden aangeven en niet de toegestane middelen. De termen en frasen uit Europese wetgeving zijn zoveel mogelijk overgenomen in de wet. In veel artikelen wordt verwezen naar andere artikelen of naar de tekst van de Europese richtlijnen en bijlagen (in plaats van de regels volledig uit te schrijven in het betreffende artikel). De keuze om te verwijzen naar de tekst van richtlijnen heeft belangrijke voordelen maar levert een minder toegankelijke wet op, ook de vele interne verwijzingen in de wet zelf hebben volgens ons minder voordelen. Het vastleggen in de wet zelf van de belangrijkste bepalingen, komt de helderheid en consistentie van de regelgeving ten goede vinden wij.

De Benelux-overeenkomst is volgens ons in eerste instantie alleen bedoeld voor de harmonisatie van de wetgevingen in de Benelux-landen betreffende het vervoer van wild en van in het wild levende vogels. Ook streeft zij naar de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux. Dit is ook in de EU in het verdrag van Maastricht vastgelegd. Onze vraag luidt daarom ook “Waarom hebben wij nog een aparte de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en vogelbescherming nodig”?

De Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming dient volgens ons i.v.m. de harmonisatie met de geldende EU verdragen aangepast te worden dit i.o.m. België en Luxemburg, daar zij v.w.b. de doelstellingen zijn achterhaald door de huidige EU verdragen, Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Maastricht (1992) handel en verkeer en vervoer etc.

Indien deze Benelux- overeenkomst nog van een wezenlijk belang is voor de jacht in Nederland, zie dan onze vragen hierover en de vraag waarom zij niet in zijn geheel zijn overgenomen in het voorliggende concept wetsvoorstellen.

 

De overeenkomst en de daarop gebaseerde beschikkingen bevatten:

a)  een lijst van bejaagbare soorten

  • Vraag: waarom wordt deze lijst niet in zijn geheel overgenomen of de soorten die nu ook in de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, in de WN en de bepalingen over de jachtseizoenen ( dit kan volgens ons ook gewoon vastgesteld worden op nationaal niveau en zoals in de andere EU landen die geen deel uitmaken van de Benelux en waarom is daar nu dan niet voor gekozen?),

b)  de afmeting van jachtvelden

  • Dit wordt nu ook per EU lidstaat bepaald ondanks de minimum afmetingen van de jachtvelden zoals genoemd in de Benelux-overeenkomst, (25 ha en 50 ha) dus is dit niet nodig, want Nederland heeft voor 40 ha gekozen.

c)   de toegestane jachtmiddelen

  • In de EU verdragen zijn alleen de verboden middelen genoemd niet de toegestane middelen, ook hiervoor geldt dat deze alleen maar gebruikt mogen worden indien de instandhouding niet in gevaar komt, criteria jacht, beheer en schadebestrijding diersoorten, ook hiervoor is de Benelux overeenkomst echt niet nodig.

  • Voor de jacht (exploitatie van de te benutten soorten), kunnen minder middelen toegestaan worden als bij schadebestrijding, dat volgens ons ook een geheel ander belang dient. Hier moeten dus ook meer middelen worden toegestaan en ook dit is helaas niet geregeld in Benelux-verdrag terwijl de EU richtlijnen dit aan de lidstaten overlaten; alleen de verboden middelen zijn genoemd.

  • De handel in wild is nu geregeld (in het verdrag van Maastricht, de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 december 2007, TRCJZ/2007/3930, houdende wijziging van de Regeling vleeskeuring en de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria en de Levensmiddelenhygiëne, vervat in Richtlijn 93/43/EEG)

Conclusie: Pas het Benelux-verdrag in zijn geheel aan de vigerende EU richtlijnen of hef deze in onze zienswijze onnodige overeenkomst op i.o.m. België en Luxemburg.

Decentralisatie Faunafonds

In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel staan een aantal passages over de decentralisatie van het Faunafonds. De genoemde bedragen (budget van het Faunafonds) komen echter naar oordeel van de PAN niet overeen met de daadwerkelijke bedragen. Zo bedraagt het jaarlijkse budget van het Faunafonds meer dan 7,9 miljoen euro per jaar en is er nu ook sprake van een open eind regeling. Volgens de MvT op het wetsvoorstel zou het gemiddelde van het budget van de jaren 2007-2010 naar de provincies gaan, dit is volgens ons gemiddeld ongeveer 20 miljoen euro per jaar.

De PAN verzoekt dan ook om de MvT zodanig aan te passen aan de juiste gegevens en meer duidelijkheid te verschaffen over de decentralisatie van het Faunafonds. Bijvoorbeeld, dat het hierbij gaat om het decentraliseren van de financiële middelen en bevoegdheden naar de provincies en de uitvoering te laten bij een centrale administratie. Ook zouden wij graag een provinciale adviesraad zien per provincie net zoals de huidige bestuursleden afkomstig uit kringen van de landbouw, jacht en natuurbescherming en gedragsecologie en die deskundig zijn ten aanzien van het beheer van soorten en het bestrijden van schade bij het Faunafonds.

HOUTOPSTANDEN Er zit ook een innerlijke strijdigheid bij het onderwerp Houtopstanden: In één bepaalde zin wordt gesteld: “omdat het een grote bijdrage levert aan het behoud van de hoeveelheid bossen in Nederland” staat in een volgende zin: “Bij houtkap voor natuurontwikkeling wordt de meld- en herplantplicht afgeschaft, zodat natuurontwikkelingsorganisaties een grotere armslag krijgen bij hun werkzaamheden.” Dat valt moeilijk met elkaar te rijmen. Bovendien is er geen definitie gegeven van wat zijn natuurontwikkelingsorganisaties zodat elke bosbezitter die meent dat hij “natuur “ maakt door te ontbossen een vrijbrief wordt gegeven. Daardoor vervalt elke bijdrage aan het behoud van de hoeveelheid bossen in Nederland dat volgens niet kan.

Opmerkingen en voorstellen per artikel

1.   Voorstel opnemen in Art 1.1. de omschrijving van Geen andere bevredigende oplossing;

Geen andere bevredigende oplossing betekent als er geen alternatieve oplossing is om het probleem op te lossen en die met objectieve en verifieerbare factoren dienen te zijn onderbouwd, zoals wetenschappelijke en technische feiten.

Deze omschrijving of woorden van gelijke strekking opnemen in artikel 1.1 is in het bijzonder van belang om de WN robuuster te maken. In het verleden heeft deze omschrijving in de FF-wet vaker geleid tot menige rechtszaak. Volgens ons worden hiermee veel onnodige procedures voorkomen wanneer onze voorgestelde omschrijving wordt opgenomen in de wet; ook in de MvT dient dit op deze wijze toegelicht te worden.

2.   Art.1.1 Definitie: Jacht uitbreiden met omschrijving van taak en noodzaak jacht conform EU richtlijn.

Jacht: het (opsporen en) doden van dieren in de geopende jachttijd met de toegestane middelen met het doel beheer/benutting en/of het doel beheer van diersoorten ter bescherming van belangen (ter voorkoming of beperking van schade).

Zo wordt beter de noodzaak van de jacht aangegeven zoals eigenlijk ook in de EU vogelrichtlijn wordt aangegeven. Ook blijkt uit de toevoeging op de lijst van bejaagbare soorten, allen probleem/schade/populatie soorten, dat de wetgever erkent dat de jacht een functioneel instrument is om populaties van diersoorten te beheren en schade aan erkende belangen te voorkomen.

Aanbeveling: De wetgever kan hier de kans grijpen om de jacht een functionele rol toe te dichten en afstand te nemen van de discussie “plezierjacht”.

3.   Art.1.1 Definitie: Beheer/bestrijding van diersoorten ter bescherming van in de wet genoemde belangen (= ter voorkoming of beperking van schade); het beheer kan omvatten: verjagen, vangen met de toegestane middelen en doden, doden met de toegestane middelen, bewerken van nesten en eieren.

4.   Voorstel opnemen in Art.1.1 Definitie: belangrijke schade (kwantificeren) deze omschrijving is voor de bescherming van de erkende belangen voor beheer en schadebestrijding diersoorten en de bejaagbare soorten.

5.  Voorstel opnemen in Art.1.1 Verwilderde diersoorten: verwilderde gedomesticeerde en ontsnapte gehouden dieren waarvan de eigena(a)r(en) zich niet bekend maakt/heeft gemaakt.

6.   Art.1.1 lid 3; In verband met het direct laten doorwerken van de Europese definities zou ook naar artikel 1 van Habitat- en Vogelrichtlijn verwezen moeten worden.

7.      Artikel 1.18 zorgplicht; In hoeverre geldt deze zorgplicht voor erkende exoten en verwilderde diersoorten, die bestreden moeten worden?

Voorstel tekstwijziging artikel 1,18 lid 1;

  1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de van nature in het wild voorkomende levende dieren en planten en voor Natura-2000-gebieden.

Hierdoor wordt voorkomen dat voor verwilderde of invasieve exoten ook de zorgplicht geldt. De consequentie van de huidige beschrijving van de zorgplicht is dat er op deze manier niet meer te beheren valt. Het is dan ook zeer de vraag of het nuttig is om de zorgplicht toe te passen op individuele soorten, planten en dieren, of dat het niet beter is de zorgplicht op populatieniveau van toepassing te laten zijn binnen de te beheren gebieden.

8.   §3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1sub 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Opmerking: aanvullen met de tekst.aan in de wet genoemde belangen te beschermen”

Tekst voorstel: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de verstoring tot doel heeft om schade aan in de wet genoemde belangen te beschermen en niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

9.   Opmerking §3.1 en §3: Uitgangspunt voor het schrijven van de wet is de evaluatie van de Flora- en faunawet. Punt van kritiek was de (on)leesbaarheid en verwarrende interpretatie. §3.1 en §3.2 tonen volgens ons weer grote overeenkomsten.

Voorstel: integreer de overeenkomsten van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn en benoem alleen de afwijkende regelgeving onder de verschillende richtlijnen en let hierbij vooral op de termen die gebruikt worden in de huidige FF-wet, deze i.v.m. de bestaande jurisprudentie. Zoals voor vogels wordt v.w.b. de schade gesproken over belangrijke schade en bij zoogdieren over ernstige schade, wat is hier het verschil en waarom wordt niet gewoon de tekst uit de FF-wet hiervoor gebruikt die spreekt over belangrijke schade, waar ook alle bestaande jurisprudentie op is afgestemd.

Voorstel; zowel voor schade van vogels en zoogdieren belangrijke schade als term en uitgangspunt gebruiken en opnemen in de begrippenlijst van de wet.

Onder deze Wet Natuur heeft de provincie de vrije keuze om ontheffing af te geven (GS) of zaken bij verordening te regelen (PS); zie artikel 3.3 en 3.8 jo. 311. Een ontheffing wordt in principe afgegeven aan een Faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan. Wat hier missen is hoe e.e.a. geregeld is wanneer een verordening kan worden ingezet en wanneer een ontheffing, daar het hier om twee fundamenteel verschillende middelen gaat.

Verwarrend (dubbelop geregeld) is dat naast de hierboven aangegeven mogelijkheden er nog een middel in de wet is opgenomen in artikel 3.12. Dit artikel is te vergelijken met het vrijstellingsartikel van 65 FF-wet. Bij verordening kan PS toestemming geven aan de grondgebruiker om soorten die in delen van het land schade aanrichten en bij AMvB zijn aangewezen, te bestrijden ter voorkoming van schade aan de landbouw, flora en fauna en ter voorkoming van schade aan eigendom en ter bestrijding van overlast (laatste twee gelden alleen voor zoogdieren).

Daar schadebestrijding en beheer, ook rechten en plichten (verantwoordelijkheid voor de schade) met zich meebrengt (zie ook hierna), verdient het de voorkeur om zoveel als mogelijk is, duidelijk vast te leggen wie welke rechten en plichten heeft. Dit wordt bijvoorbeeld bevorderd door het opnemen in de wet van een artikel voor een ontheffing en een ander artikel waarin de regeling voor vrijgestelde soorten is opgenomen (zoals onder de FF-wet art 65).

Diersoorten die veelvuldig schade aanrichten en die zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden, kunnen worden vrijgesteld. De grondgebruiker kan deze dieren redelijk onbeperkt laten bestrijden en ontvangt dan ook geen tegemoetkoming in de schade ook onder de huidige FF-wet vergoedt het Faunafonds de schade aangericht door de landelijk- of provinciaal vrijgestelde dieren niet. Daarnaast wordt een ontheffingsartikel voor dieren waarvoor planmatig beheer nodig is opgenomen.

10. Artikel 3.3 lid 4 Schadebestrijding

Voorstel: Bij vrijstelling opnemen voor vogels, ook andere vormen van eigendom, zoals dat ook voor de zoogdieren geldt, eenduidigheid in regelgeving, wanneer schade bestreden kan worden op basis van een vrijstelling.

Zie hiervoor ook art 3.8 waar dit wel is opgenomen als belang.

 11.Artikel 3.4, lid 1, onder a

Opmerking: Hoe plaatselijk is 'plaatselijk': werkgebied Fbe of Wbe of provinciaal?

12. Artikel 3.5. Het is - onder andere - verboden om in het wild levende dieren te doden of te vangen; te verstoren of hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.

Het toepassingsbereik van dit artikel is volgens veel te ruim. Ingevolge artikel 11 Flora- en faunawet is het slechts verboden om - voorzover hier relevant - vaste rust- of verblijfsplaatsen te beschadigen of te vernielen. De NOJG vindt dat er geen ruimere toepassing moeten komen ten opzichte van de huidige tekst van de FF-wet.

Voorstel: wijzigen artikel 3.5 lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen

13. Artikel 3.11, lid 2 Sub d deze tekst kan tot verwarring leiden. Zoals dit is geformuleerd lijkt het alsof deze soorten wel mogen worden gedood, als uitzondering op het eerste lid op basis van de artikelen 3.5 en 3.10 is dit echter verboden.

Voorstel: de tekst als volgt aanpassen 1.  Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën of reptielen die van nature voorkomen in Nederland opzettelijk te doden. (In de betekenis van de EU “ocurring in nature”)

Lid 2 sub b, verwilderde diersoorten begripsomschrijving opnemen in art 1.1, zie ons voorstel

Lid 2 sub c, Exoten; opnemen in een aparte bijlage of aanwijzingsbesluit

Opmerking: De minister wijst de exoten aan in overleg met de provincies, deze kunnen dan bestreden worden op basis van de Jachthuurovereenkomsten (JHOn) en de toestemming grondgebruiker. Dan is het volgens ons toch ook een verplichting van de provincie om deze landelijke aanwijzing van de minister uit te voeren d.m.v. een verordening, waarin zij personen en gebieden aanwijzen, waarin de bestrijding uitgevoerd dient te worden, dus geen aanwijzing, die is vatbaar voor bezwaar en beroep, wat dus weer de uitvoering kan vertragen met alle gevolgen van dien. De PAN vraagt zich hiermee af of het niet beter overwogen kan worden uit oogpunt van biodiversiteit, gedurende het gehele jaar de bestrijding d.m.v. de jacht opengesteld zou kunnen worden voor de verwilderde diersoorten en de aangewezen exoten.

14. Art.3.12 lid 4 – schadebestrijding/beheren in gezelschap van grondgebruiker of de houder van diens toestemming.

Net als jagen in gezelschap van de jachthouder is toegestaan, dient dit ook te worden toegestaan voor degene die in gezelschap van de grondgebruiker of wie namens hem m.b.v. de toestemming grondgebruiker beheer en schade bestrijding uitvoert.

Bij bv. het bestrijden van schade door ganzen, houtduiven, wilde zwijnen etc. buiten de jachtperiode dienen nu aan de jachtaktehouder die hen hierin ondersteunen aparte toestemmingen grondgebruikers te worden afgegeven bij het gebruik van het geweer, wat weer als een extra (onnodige) administratieve last wordt ervaren, die onnodig en belemmerend werkt en wat op deze wijze voorkomen kan worden, omdat vaak ook in de ontheffingen toestemming wordt gegeven voor de in het gezelschap van de ontheffinghouder zijnde jachtaktehouder(s) net als bij de normale jacht ook is toegestaan voor de jachthouder en de in zijn gezelschap aanwezige jachtaktehouder(s).

15. Schadebestrijding en faunabeheer Art3.12 is veel te ruim. EU/Benelux bejaagbare soorten binnen de bejaagbare periode dienen te worden uitgesloten van dit artikel. De Minister moet, zodra dit aan de orde is eerst een open jachttijd noemen voor de bejaagbare soorten waarvan in eerste instantie geen “open seizoen” is genoemd. De autoriteit, verantwoording en aansprakelijkheid en beschermende maatregelen liggen dan pas bij de jachthouder. Deze heeft dan ook de verplichting een redelijke stand te handhaven (bescherming).

Lid 4 en 5: De grondgebruiker (niet zijnde de jachthouder, die beheer en schadebestrijding uitvoert) heeft dit niet en hierdoor kan het (beperkt) recht van de jachthouder worden geschaad zonder schadevergoeding en ook hij kan hierdoor zijn wettelijke verplichting niet nakomen.

Voor de grondgebruiker dient eveneens te worden opgenomen dat hij verantwoordelijk is om bij beheer- en schadebestrijding een redelijke stand te handhaven ook voor de vrijgestelde diersoorten, die tevens ook bejaagbare wildsoorten kunnen zijn. Hiermee wordt ook de jachthouder voldoende beschermd in zijn recht.

16. Artikel 3.13 lid 1 (Wildbeheereenheden)

Voorstel: opnemen in de tekst; “en anderen” en “de door hen opgestelde afschotplannen” en tevens invoegen “wordt uitgevoerd in samenwerking met de grondgebruikers ter voorkoming, ter beperking dan wel ter bestrijding van schade aan in de wet genoemde belangen”. (Zie het onderstaand tekst voorstel)

Jachthouders en anderen kunnen zich organiseren in wildbeheereenheden om te bevorderen dat jacht, beheer en schadebestrijding, al dan niet ter uitvoering van de door hen opgestelde afschotplannen en het door de Faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan, dat wordt uitgevoerd in samenwerking met de grondgebruikers ter voorkoming, ter beperking dan wel ter bestrijding van schade aan in de wet genoemde belangen.

Dit is wat ook in de wet is opgenomen en wat als de juiste omschrijving van de taak voor de Wildbeheereenheden omschreven dient te worden. Anders wordt er volgens ons een te grote gezagsrelatie gecreëerd. Terreinbeherende organisaties dienen hierin niet meer te worden vermeld, deze zijn immers ook jachthouders en grondgebruikers.

Je moet niet direct jachthouder zijn om je aan te sluiten bij een WBE, dus vandaar de toevoeging en anderen.

17. Art.3.13 – werkgebied Wildbeheereenheid

Het werkgebied van de Wbe is beperkt tot de jachtvelden van de betrokken jachthouders – hier is geen rekening gehouden met jachthouders die geen lid zijn van een wbe, die wel vaak binnen de grenzen van het totale beheergebied van de Wbe vallen. Deze jachthouders (TBO’s individuele jachthouders, etc.) dienen wel te kunnen participeren in het opstellen van de afschotplannen van de betrokken Wbe en mogen daarom niet door de Wbe worden uitgesloten bij het toekennen van afschot etc. Dus alle” jachthouders” dienen hierin verplicht betrokken te worden en mogen niet worden uitgesloten op basis van het verplichte lidmaatschap van een Wbe. Beheren doe je immers over het totale gebied en niet op perceels of jachtveldniveau. Dit dient naar onze mening opgenomen te worden in de MvT of een aanvullende regel in de regeling beheer- en schadebestrijding die nog moet worden opgesteld.

18. Art.3.13, Lid 2; Daar de begrenzingen van Wbe’s geen vaste structuur vertonen, stellen wij voor om de grenzen, indien nodig, jaarlijks bij te stellen, onder auspiciën van de Fbe’s, die allen beschikken over een GIS systeem om kaarten mee te maken, ook als onafhankelijke partij kunnen zij bemiddelen in de grensconflicten tussen de Wbe’s en/of jachthouders onderling. Wat nu vaak moeilijk is als een partij niet wil, dan kan ook geen grens gewijzigd worden.

19. Art 3.14 – Faunabeheereenheden

Voorstel om de taak van de Faunabeheereenheid meer facilitair te laten zijn ten behoeve van de Wildbeheereenheden.

Het definiëren en afbakenen van de positie en rol van de faunabeheereenheden in de wet kan worden verbeterd.

Provinciale Staten stellen bij verordening regels aan faunabeheerplannen. Deze regels hebben in elk geval betrekking op: aanvullen met;

  1. dragen Faunabeheereenheden op om met Wbe’s en TBO’s afspraken te maken aangaande inspanning en effectiviteit voor uit te voeren gekwantificeerde maatregelen, gelet op redelijkheid en billijkheid, om schade aan erkende belangen te voorkomen, te beperken dan wel te bestrijden.
  2. dragen Faunabeheereenheden op om de wettelijke vereiste afschotplannen van Wbe’s te preadviseren en te toetsen aan de al bestaande faunabeheerplannen, zodat deze ondersteunend zijn.
  3. dragen Faunabeheereenheden op om Wbe’s en TBO’s adviserend, faciliterend te begeleiden.
  4. Het faunabeheerplan spreekt zich niet uit over bejaagbare diersoorten waarvoor geen afschotplan is vereist, voor de tijd waarop de jacht geopend is

20. Artikel 3.15 lid 2; Verlenen ontheffing tekst wijzingen

Lid 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de ontheffingen ook aan anderen dan een Faunabeheereenheid worden verleend, wanneer de uitvoering niet door een bij de FBE aangesloten jachthouder dient te worden uitgevoerd.

Dit geeft duidelijk aan waarom de ontheffing aan anderen kan worden verstrekt dan de Fbe.

21. Artikel 3.16 lid 1. Voorstel wijziging; Onverminderd het bepaalde bij en krachtens de paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3, kunnen Gedeputeerde Staten aan personen of groepen van personen opdracht geven tot het terugbrengen van de stand van daarbij bepaalde niet tot de verantwoordelijkheid van de jachthouder behorende bejaagbare diersoorten.

22. Artikel 3.17 lid 4; Invasieve Exoten; Is het niet verstandiger dat de Minister deze soort direct moet aanwijzen voor bestrijding en dat de betrokken provincies deze bestrijding niet gewoon moeten ingrijpen. Uit de MvT begrijpen wij dat GS van de provincies dit zijn

23. Artikel 3.18 Jacht;

Algemeen: Het onderscheid in de huidige FF-wet tussen schadebestrijding en beheer is nooit goed helder geweest. Dit geldt ook voor het voorliggende wetsvoorstel Natuur, de begrippen worden weer niet duidelijk afgebakend. Zijn schadebestrijding en beheer nu twee aparte begrippen of betreft het alleen “schadebestrijding en beheer”.

In de beide wetten zijn er eigenlijk maar twee “regimes”: zie onze voorstellen voor de begripsomschrijvingen in artikel 1.1.

a.     Jacht: het (opsporen en) doden van dieren in de geopende jachttijd met de toegestane middelen met het doel beheer/benutting en/of het doel beheer van diersoorten ter bescherming van belangen (ter voorkoming of beperking van schade).

b.    Beheer/bestrijding van diersoorten ter bescherming van in de wet genoemde belangen (= ter voorkoming of beperking van schade); het beheer kan omvatten: verjagen, vangen met de toegestane middelen en doden, doden met de toegestane middelen, bewerken van nesten en eieren.

De beide functies van de jacht worden erkend in de MvT (en de Vogelrichtlijn), zie o.a. p. 159 van de MvT “Jacht kan ook het planmatige beheer van populaties damherten, edelherten, reeën en wilde zwijnen ondersteunen en daarom zijn deze soorten in dit wetsvoorstel aangewezen als bejaagbaar.” En op punt 162 MvT staat: “De criteria die zijn toegepast voor deze uitbreiding (gedoeld wordt op de uitbreiding van de jachtlijst) zijn dat deze soorten zich allen lenen voor benutting, dat deze soorten algemeen voorkomen en jachtdruk kunnen verdragen en dat de jacht op deze soorten een belangrijk instrument kan zijn bij het voorkomen van schade en overlast door deze soorten.”

Het lijkt erop dat de term “schadebestrijding” wordt gebruikt om aan te geven dat het hier het recht betreft van de grondgebruiker/jachthouder om (op basis van de vrijstelling) dieren die in (delen van het) land schade aanrichten te bestrijden.

Het lijkt erop dat de term “beheer" wordt gebruikt voor beheer (en schadebestrijding”) door faunabeheereenheden/jachthouders. Dit is af te leiden uit de MvT, op punt. 160 van de MvT staat bijvoorbeeld over de FF-wet: “Consequentie van deze beperking van de jacht is dat de grondgebruiker in principe zelf de schade aan zijn eigendommen moet dragen die veroorzaakt wordt door in het wild levende zoogdieren en vogels die niet bejaagbaar zijn.

Beheer wordt uitgevoerd door zogenoemde faunabeheereenheden – erkende verbanden van jachthouders – op basis van een ontheffing van gedeputeerde staten en een faunabeheerplan, goedgekeurd door GS (artikelen 29, 30 en 68 van de FF-wet)

Voorstel: apart te definiëren in de wet, zoals aangegeven in art 1.1. “jacht” en “beheer en “”schadebestrijding”

24. Artikel 318 Lid 2; Opmerking; waarom worden hier niet alle in het Benelux-verdrag of in de Vogelricht- en Habitatrichtlijn genoemde bejaagbare soorten, niet wild genoemd, zoals wordt verplicht in het Benelux-verdrag; Artikel 1 lid 1; zie de onderstaande tekst.

Artikel 1 lid 1 van het Benelux-verdrag; Elk der drie Regeringen verbindt zich in haar nationale wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild.

  1. grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), en wilde zwijnen (Sus scrofa);
  2. klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus);
  3. waterwild: grauwe gans (Anser anser), kolgans (Anser albifrons), smient (Anas penelope) en wilde eend (Anas platyrhynchos);
  4. overig wild: houtduiven (Columba palumbus), zwarte kraai (Corvus corone corone), kauwen (Corvus monedula), Vlaamse gaaien (Garrulus glandarius), Eksters (Pica pica), konijnen (Oryctolagus cuniculus), Grote Canadese gans(Anser brachyrhynchus), vossen (Vulpes vulpes).

Deze soorten kunnen genoemd worden als bejaagbare soorten en de minister wijst de soorten aan die in een geopend jachtseizoen bejaagd mogen worden.

Voor de gunstige staat van Instandhouding is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

(1) Bron: Besluit van Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, 25344, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna.

(2) Bron: Basisrapport Rode lijst Zoogdieren Zoogdiervereniging VZZ, december 2006

(3) Bron: ELenl Soortendatabase wettelijk bescherming, beleid en signalering, Rode lijst Vogels, download 13-09-2011 http://mlneleni.Nederlandsesoorten.nl/get?slte=lnv.db&vlew=lnv.db&page_allas=zoekwet8ishow=speciesLlst^ faunafonds

Voorstel: De overige wildsoorten dan aanvullen met Vos, kraai, kauw en Canadese gans. Deze soorten kennen een gunstige staat van in standhouding en enkel op grond daarvan zijn zij vanuit Europees oogpunt al bejaagbaar. dit ter ondersteuning van het beheer en schadebestrijding van deze diersoorten die in vele delen van het land schade veroorzaken aan de belangen zoals vermeld in art 3.3.

Aparte ontheffingen zullen minder voorkomen wat lastenverlichting en efficiency in de hand werkt dit geldt voor de meeste soorten de op de Beneluxwildlijst staan en die schade doen. Onder de Flora- en faunawet stonden o.a. deze soorten vermeldt op de landelijke vrijstellingslijst. Voor bijvoorbeeld soorten als patrijs of korhoen zal vanwege de ongunstige staat de jacht niet geopend worden maar rust op jachthouder wel de verplichting datgene te doen wat een goed jachthouder betaamd om een gunstige staat van de bejaagbare wildsoorten in zijn veld te bewerkstellingen, (in overeenstemming met systematiek van de FF-wet ten aanzien van de patrijs).

Van bijvoorbeeld de fazant, haas, houtsnip is de stand gunstig en duurzame benutting is daarom mogelijk.

25.  Artikel 3.18 Lid 4 Vraag; Waarom is er hiervoor gekozen om de algemene verplichtingen van het jachthouderschap niet al bij voorbaat te laten gelden voor de aangewezen (Natura 2000) gebieden, daar er wel de jacht in principe is toegestaan?

Voorstel; of deze uitzondering op de algemene verplichting verwijderen uit de wet of in de MvT duidelijk aangeven dat in de door de provincie goed te keuren beheerplannen expliciet met redenen omkleed moeten aangeven waarom het beheer van de daar aanwezige bejaagbare soort die schade veroorzaakt of kan veroorzaken, niet bejaagd kan worden in een natura 2000 gebied. In het beheerplan wordt immers voorzien in maatwerk voor het beheer van alle soorten en is het dus niet nodig om deze algemene verplichting al bij voorbaat uit te sluiten. Met de reden dat in deze gebieden een verantwoord ecologisch beheer gevoerd moet kunnen worden waarin de jacht misschien een negatieve invloed zou kunnen hebben is voor ons geen geldige reden. Onze vraag is daarom wordt in de beheerplannen verplicht aandacht besteed aan de redelijke wildstand? Artikel 2.8 lijkt een dergelijke verplichting niet te omvatten. De wet en de toelichting in de MvT maken niet duidelijk wie kan worden aangesproken op het handhaven van de redelijke stand en ook niet wie, in het geval er geen verplichting is, kan worden aangesproken op de schade.

Het beschermingsregime van de jacht geldt namelijk voor alle gebieden in Nederland waar gejaagd mag worden en waarom daar juist niet, waar ook nog eens extra door GS goed te keuren beheerplannen (Maatwerk) voor worden op gesteld.

De meeste natura 2000 gebieden zijn natuurgebieden in het bezit van de TBO’s in Nederland, waar dan de jacht volgens de wet is toegestaan en waar nu ook de meeste overzomerende ganzen en wilde zwijnen voorkomen. Door deze vrijstelling van het jachthouderschap in deze gebieden, kunnen en hoeven zij geen verantwoording af te leggen voor hun eigen beleid om de jacht niet toe te staan, indien er in de omgeving schade ontstaat door bijvoorbeeld ganzen, edelherten, wilde zwijnen etc.

Bijvoorbeeld: De Amsterdamse Waterleidingduinen liggen in een Natura 2000-gebied. De Wet natuur lijkt de aansprakelijkheid van de jachthouder in een Natura 2000-gebied nadrukkelijk uit te sluiten. Dit heeft waarschijnlijk tot gevolg dat de provincie als eerste (en enige?) aansprakelijk is. Het is niet duidelijk in hoeverre Amsterdam nog op basis van onrechtmatige daad kan worden aangesproken, indien zij niet bereid zijn om de stand van de aanwezige damherten terug te brengen, die veel schade aanrichten aan de landbouw en overige eigendommen en zorgen voor grote verkeersonveiligheid.

26. Nieuwe wildsoorten en schade aan de genoemde belangen in de wet

Dit wetsvoorstel breidt, in vergelijking met de Flora- en Faunawet, het aantal bejaagbare soorten uit (artikel 3.18, tweede lid). De bejaagbare soorten onder de Flora- en faunawet – de wilde eend, fazant, haas, konijn en houtduif – zijn aangevuld met de grauwe gans, kolgans, smient, damhert, edelhert, ree en wild zwijn. De criteria die zijn toegepast voor deze uitbreiding zijn;

a.       dat deze soorten zich allen lenen voor benutting,

b.       dat deze soorten algemeen voorkomen en jachtdruk kunnen verdragen en

c.       dat de jacht op deze soorten een belangrijk instrument kan zijn bij het voorkomen van schade en overlast door deze soorten.

Bij de soorten die zijn toegevoegd aan de bejaagbare soorten, zijn een aantal die belangrijke grote schade veroorzaken in delen van het land. Nu deze soorten bejaagbaar worden geldt ook dat de jachthouder in het geopende jachtseizoen verantwoordelijk wordt voor de schade die deze diersoorten kunnen aanrichten.

De PAN vindt dat de jachthouders nu niet ineens hiervoor de verantwoordelijkheid kunnen worden gesteld. De jacht op de nieuwe soorten is nooit geopend, behalve op de ganzen voor meer dan 12 jaar geleden. De populaties zijn volledig uit de hand gelopen door de verboden in de wet en het beleid van de TBO’s en de provincies en nu zouden de hiermee gemoeide kosten bij de jagers en grondgebruikers terecht komen.

Het ligt hierbij voor de hand om in de regel (uitzonderingen daargelaten) de soorten die in de geopende jachttijd onder de verantwoordelijk van de jachthouder vallen, buiten de geopende tijd op ontheffing te laten beheren door de jachthouder/WBE op basis van het faunabeheerplan van de faunabeheereenheid.

GS is volgens ons in deze nieuwe wet verantwoordelijk voor de schade die ontstaat ondanks het uitgevoerde faunabeheer en kan ook de goede wildstand bewaken aangezien zij de ontheffing dient af te geven met de daarin gestelde voorwaarden v.w.b. de uitvoering hiervan. GS zijn onder deze wet verantwoordelijk voor de tegemoetkoming in de schade. GS dienen bij de beslissing over welk beheer wordt toegestaan, rekening te houden met het geld dat beschikbaar is voor de tegemoetkoming. Schade die ontstaat ondanks het uitgevoerde beheer, moet dan ook naar onze mening deze schade naar redelijkheid en billijkheid worden vergoed. Graag vernemen wij uw zienswijze in deze.

Wetgeving moet helder en eenduidig zijn. Wij pleiten ervoor dat er een goede en duidelijke overgangsregeling moet komen, waarin de jachthouders voldoende middelen krijgen om de standen van de nieuwe bejaagbare soorten aanvaardbaar te kunnen beheren of de stand adequaat terug te brengen naar dit niveau. Dit moet echter niet via eindeloze rechtszaken geregeld gaan worden er zijn immers voldoende mogelijkheden volgens de EU richtlijnen.

27. Art.3.18 lid 5 – Duur verklaring jachthouder om in en buiten gezelschap te mogen jagen.

De termijn waarvoor een toestemming voor in- of buitengezelschap te mogen jagen dient naar onze mening de zelfde te zijn als de duur van de geldende jachtakte dat naar onze mening niet langer mag zijn dan 3 jaar. Dit is volgens ons een overzichtelijke periode. Denk hierbij ook aan de kosten van de leges en verzekering die dan ineens betaald moet worden door de jachtaktehouder.

28.  Art.3.19 Toegestane middelen jacht.

Opmerkingen:

-      Lid 1 Sub f en g worden gescheiden door het woord of, dit verwijderen en punt komma plaatsen. Nu leest    men dat beide toegestane middelen afzonderlijk moeten worden gebruikt.

-      Lid 1 Sub e nu de grauwe gans en kolgans op de lijst van de bejaagbare soorten zijn geplaatst dient volgens ons dit ook aangevuld te worden met: lokganzen (grauwe en kolganzen).

Voorstel;

  • alle huidige toegestane middelen die in de Benelux beschikking staan opnemen voor de jacht;
  • alle huidige middelen die toegestaan zijn in het besluit Beheer en schadebestrijding FF-wet weer opnemen in de NW;
  • Elektronische lokmiddelen toestaan bij beheer- en schadebestrijding, die zijn immers ook niet verboden door de EU regelingen en worden in geheel Europa en ook in België toegestaan en toegepast, vooral bij schadebestrijding en voorkoming.

Artikel 3 van de beschikking M (96) 8 van de Benelux (middelen toelaatbaar voor de jacht)

De middelen voor de jacht die ook door de bovengenoemde Benelux beschikking zijn genoemd worden maar gedeeltelijk meegenomen in het voorstel, wij missen hierin;

  • de vangkooien,
  • kastvallen voor de vangst van zoogdieren
  • levende lokvogels, mits niet blind of verminkt; (dus ook de ganzen toestaan nu zij als wildsoort worden aangewezen, dit ter ondersteuning van de schadebestrijding in het jachtseizoen)

De vraag hierover is ook waarom zijn de huidige toegestane middelen voor Beheer- en schadebestrijding diersoorten niet genoemd zoals in het Besluit beheer en schadebestrijding diersoorten Ff wet, waar meer middelen tot heden zijn toegestaan. Er is hiervoor geen enkele reden aan te wijzen, waarom deze nu niet meer zouden zijn toegestaan. Is het mogelijk om ter bevordering van de toegankelijkheid van de wet, de middelen voor beheer en schadebestrijding op te nemen in de wet of in een Algemene Maatregel van Bestuur of om een toelichting op te nemen in de MvT?

Zoals;

  • de vangkooien,
  • kastvallen voor de vangst van zoogdieren;
  • klemmen, niet zijnde pootklemmen;
  • levende lokvogels, mits niet blind of verminkt; ( dus ook de ganzen nu zij als wildsoort worden aangewezen)
  • kunstmatige lichtbronnen;
  • middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, en
  • rodenators.
  • Bij schadebestrijding moet het ook toegestaan worden om vanaf of uit een stilstaand voertuig te mogen schieten, dit is hierbij een heel effectief middel.

Wij vinden dat de Minister/Staatssecretaris meer middelen moet toestaan net zoals in Vlaanderen, daar is bij schadebestrijding het toegestaan om gebruik te maken van elektronische lokmiddelen, deze dienen dan naar onze mening voldoende effectief en selectief te zijn.

Zij worden immers ook niet verboden door de EU en artikel 13 van het Benelux-verdrag geeft daar toe ook de mogelijkheid in het belang ter voorkoming van schade.

Bijvoorbeeld de duivenmolen is in België (zie hiervoor het Jachtvoorwaardenbesluit Vlaanderen, Hoofdstuk IV) wel toegestaan voor schadebestrijding en voorkomen van schade door houtduiven Dit is een effectief en selectief middel. In geheel Europa zijn deze middelen normaal in het gebruik bij de jacht en vooral bij de schadebestrijding, waarom hier niet?

De uitspraak van het Hof van Benelux, is zeer verwarrend nu zij de handelingen van de jacht (opsporen, bemachtigen en doden van) gelijk stelt met de verschillende belangen en uitgangspunten tussen de jacht ( benutting) van beheer (aantallen beheer) en schadebestrijding (verdelgen) hiervan en de middelen die hiervoor gebruikt mogen worden.

Ook het gebruik van kunstlicht bij de jacht op de vos (verspreider van rabiës, vossenlintworm en veroorzaker achteruitgang fauna m.n. bodembroeders, opererend in binnen- en buitengebied zonder predator) en wild zwijn die effectief zijn gebleken om de stand enigszins in de hand te kunnen houden worden nu weer verboden, terwijl zij wel opgenomen zijn in het huidige BBS. Dus weer de vraag waarom nu wel toegestaan en straks niet meer. Welke willekeur ligt hieraan ten grondslag?

29. Artikel 3.19

Voorstel; opnemen in de wet WN en de WWM dat het gebruik van kogelpatronen voor geweren met gladde loop voor de jacht wordt toegestaan voor de grofwildsoorten zoals Ree, wild zwijn, Edelhert, Moeflon en Damhert. Zoals al is afgesproken in de Benelux beschikking M (2010)

Door het toestaan van deze munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten, kan beter worden aangesloten bij de ontwikkelingen in de huidige jachtpraktijk, die overal in Europa wordt toegestaan

Voordelen Dit is een effectief en extra middel (munitie)voor de jacht op grofwild, doordat nu een en het zelfde wapen zowel voor de jacht op klein- als grofwild gebruikt kan worden.

Toelichting Benelux beschikking: Het Europese juridische kader (Beschikking M (83) 17) vormt geen belemmering om dit zodanig aan te passen, dat er voortaan net als in de andere landen van de Benelux geweren met gladde loop van kalibers tot 24 mogen worden gebruikt. Ook in Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk bestaat er geen enkele beperking op het gebruik van wapens met gladde loop van klein kaliber bij de uitoefening van de jacht;

Kleine kalibers veroorzaken minder geluidsoverlast en zorgen ook voor minder zware metalen in het milieu;

Het gebruik van een breder gamma van kalibers voor geweren met gladde loop is voornamelijk door de technische vooruitgang van de kogelpatroon gekomen, die hiervoor speciaal zijn ontwikkeld en rechtvaardigt, dat het gebruik van kogelpatronen voor geweren met gladde loop breder moet worden toegestaan voor het schieten van grofwild, vooral wegens de geografische uitbreiding van grofwildpopulaties naar gebieden met kleinwild, zoals in de Benelux beschikking wordt aangegeven.

Daarom heeft het comité van Ministers van de Benelux in 2010 het volgende beslist in Beschikking M (83) 17:

      Artikel 2 komt als volgt te luiden:

« Onverminderd de bepalingen van artikel 1 mogen alleen de onderstaande geweren worden gebruikt:

-      geweren met gladde loop van het volgende kaliber: 8, 10, 12, 16, 20, 24, 28, 32 en 36 (of.410);

-      geweren met getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste.22 of 5,58 mm. »

Artikel 2

Onder punt 1 van artikel 3 komt de laatste alinea van de categorie « Grofwild » als volgt te luiden:

“op grond van de verschillende cynegetische omstandigheden mogen de regeringen voor de jacht op groot wild kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 20, 16 en 12 toestaan”.

30. Artikel 3.19 lid 4: Zowel onder de Jachtwet als onder de Flora- en faunawet diende het begrip bebouwde kom beoordeeld te worden naar de feitelijke situatie. Maatwerk derhalve waar jurisprudentie een en ander verduidelijkt heeft. Wat is de overweging om van de bestaande regeling af te wijken die nu redelijk uitgewerkt is. Wij voorzien met deze nieuwe begripsbepaling problemen omdat deze te ruim uitgelegd kunnen worden, uitleg conform oude jachtwet heeft voor ons de voorkeur.

31. Artikel 3.20, lid 1: Deze bepaling maakt het niet mogelijk om – met een provinciale ontheffing of vrijstelling – bejaagbare soorten in het kader van beheer en schadebestrijding te doden buiten de geopende tijd van de jacht omdat ook beheer en schadebestrijding als gevolg van de definitie van jacht (Hof van Benelux) te allen tijde moet worden aangemerkt als jacht (dezelfde handelingen).

Dit kan worden opgelost door aan de definitie toe te voegen: “gedurende de periode waarin de jacht op de bejaagbare wildsoort is geopend krachtens artikel 3.20”.

-     Beheer diersoorten; Het Rijk zal in regelgeving verder duidelijkheid verschaffen over de soorten die landelijk als schadelijke soorten zijn te beschouwen die in ieder geval vallen onder de reikwijdte van de bepalingen betreffende het beheer (landelijke vrijstelling)?

De vraag is of er weer door de minister een aantal diersoorten worden aangewezen die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten en die dan door de provincies of landelijk vrijgesteld dienen te worden?

32. Art 3.20 Duur Jachthuurovereenkomst;

Voorstel: opnemen, minimum duur jachthuurovereenkomst van tenminste zes jaar en geen maximum duur.

In dit wetsvoorstel zijn de regels over de huur en verhuur van het jachtrecht vereenvoudigd. Voor de jachthuurovereenkomsten worden geen regels gegeven en aangesloten bij het BW.

Het volledig loslaten van de regels rond huur en wederverhuur heeft tot gevolg dat de grondgebruiker de jacht per wildsoort kan verhuren en ook dat de verhuur voor bijzonder korte perioden kan plaatsvinden, zelfs per dag. In één jachtveld kunnen dan vele jachthouders zijn en in het geval dat de jachthouder voor slechts korte periode huurt (kan huren), is de verantwoordelijkheid van de jachthouder voor een redelijke stand niet goed waar te maken In het verleden is het juist in het belang geweest van het wild om zorg te dragen voor het duurzaam beheer en de continuïteit en behoud van een goede stand van de bejaagbare soorten waardoor de ondergrens van zes jaar is vastgesteld en later zelfs is uitgebreid naar twaalf jaar!

Daarom is ons voorstel ook om zeker de ondergrens in het kader van continuïteit te handhaven. Door dit niet te doen zal er veel onzekerheid gaan ontstaan op het lokale niveau van de Wbe’s en zullen geen langdurige investeringen kunnen gedaan worden om de biotoop te verbeteren, Bijzondere opsporingsambtenaren/jachtopzichters aan te stellen, langdurige wildbeheer en afschotplannen etc., daar de zekerheid ontbreekt. Veel TBO’s en andere grootgrondbezitters zullen dan alleen nog maar per jaar gaan verhuren. Dit is voor de jacht in Nederland van essentieel belang.

33.  Art 3.20 Wederverhuur in zijn geheel weer opnemen in de wet

Artikel 34 van de Flora- en faunawet bevat regels over de minimale en maximale duur van de huurovereenkomst dat wederverhuur alleen in zijn geheel kan plaatsvinden.

Nu dit niet meer is opgenomen in het voorliggend concept, kan dit voor de praktijk betekenen, dat verhuurder (grondeigenaar/jachthouder) voor iedere wildsoort een aparte JHO kan afsluiten met een andere jachthouder en zou er in theorie, dus 12 verschillende jachthouders (per bejaagbare soort) kunnen jagen in hetzelfde beheergebied, dit lijkt nergens op en gaat totaal voorbij aan de grondslag van deze wet en gaat nog verder terug als voor de oude jachtwet (1954)

Wij adviseren U dan ook dringend om wederverhuur in zijn geheel weer op te nemen in de huidige voorstellen, zoals ook in de huidige FF-wet is opgenomen in art 34.

Degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht op de in het eerste lid bepaalde wijze heeft gehuurd, kan dat genot slechts in zijn geheel wederverhuren aan één ander, mits met schriftelijke toestemming van de verhuurder en bij schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Een overeenkomst als hierboven bedoeld, is nietig voor zover het genot van de jacht op de betreffende grond al aan een ander is verhuurd of de verhuurder niet toekwam.

34. Criteria nietigheid van de huurovereenkomst voor de jacht, weer opnemen in de wet

Dit is een belangrijk middel om na te gaan of een JHO geldig is. Dit heeft niets te maken of op een stuk grond goed wildbeheer plaatsvindt. Het moet duidelijk zijn voor de handhaving of bij het gebruik van het geweer dus bij de 40 ha regeling of ook de JHO voldoet aan de eisen van de wet b.v. wie is de eigenaar/jachthouder, is deze gerechtigd om te mogen verhuren of kan er sprake zijn van een beperkt recht etc.

Voorstel: Een overeenkomst als bedoeld in de vorige leden, is nietig voorzover het genot van de jacht op de betreffende grond al aan een ander is verhuurd of de verhuurder niet toekwam.

35. Artikel 3.22. lid 4 Voorstel is om de woorden in het veld hier weg te laten.

De vraag is hier wat de omschrijving veld inhoudt?

Artikel 3.22 lid 4 Een ieder verhindert dat een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt, tenzij het gebruik van het dier hem bij of krachtens deze wet is toegestaan.

De conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat alle gronden die dan buiten een bejaagbaar veld vallen, geen veld zijn volgens deze omschrijving. Artikel 3.22 lid is hier dan ook niet op van toepassing en het is dan ook niet strafbaar, wat volgens ons zeker niet het doel van dit artikel kan zijn. Door de woorden “in het veld” te verwijderen, is dan de handhaving mogelijk in alle gebieden in of buiten een bejaagbaar veld op loslopende stropende honden en katten en ook de stroperij.

36. In artikel 3.24 worden beperkingen gesteld aan het gebruik van het geweer en op basis van dit artikel kunnen beperkingen worden gesteld aan het gebruik in een AMvB. Wat wij hierin missen is om de mogelijkheid om een ontheffing hiervoor te geven.

 Voorstel: Kan een regeling worden opgenomen om ontheffing van de verboden van artikel 3.24 mogelijk te maken?

 37. Artikel 3.25, Voorstel tekst aanpassen; jachthouder

in plaats van houder van de jachtakte, daar deze laatste niet automatisch over een bejaagbaar jachtveld beschikt, een jachthouder heeft dat wel en wordt vaak vergezeld door anderen, dit geldt ook voor het schieten van kleiduiven en het houden van jachthondenproeven.

Nieuw tekstvoorstel Het is de jachthouder en de personen in zijn gezelschap toegestaan in zijn jachtveld gebruik te maken van het geweer voor:

  1. de jacht;
  2. de uitvoering van handelingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.3, 3.8, 3.10, eerste en derde lid, en 3.11, derde lid, is verleend;
  3. de uitvoering van artikel 3.17, tweede lid;
  4. de bestrijding van bij ministeriële regeling aangewezen verwilderde dieren en exoten;
  5. het schieten van kleiduiven
  6. jachthondenproeven.

38.  Art.3.32 lid 1; Het is verboden dieren of eieren van dieren in de vrije natuur uit te zetten.

Praktijk. Dit artikel schiet tekort op de praktijk van natuurbeheer, vooral het recentelijk introduceren van “tijdelijke natuur” en het beëindigen van die status noopt tot handelen, vangen en opnieuw uitzetten of doden van inheemse diersoorten is niet geregeld. Dit is een gemiste kans. Ook het menselijk handelen met als gevolg schade en bedreiging van diersoorten noopt tot handelen in het belang van de natuur, dus ook het uitbroeden van uitgemaaide eieren van b.v. patrijzen en deze weer terug brengen in de natuur, zou normaal toegestaan moeten kunnen worden.

39. Overgangsregeling Artikel 9.3

In de overgangsregelingen dienen volgens ons opgenomen te worden voor de hun looptijd

  1. de huidige Jachthuurovereenkomsten,
  2. de verleende toestemmingen grondgebruiker en
  3. de geldende Faunabeheerplannen

Houtopstanden

40.  Art 1.1. definitie dunnen: de huidige boswet en daarop gebaseerde praktijk en jurisprudentie definieert dunnen als: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd.

De voorgestelde definitie maakt de bedoeling van dunning onduidelijker en daarmee moeilijker handhaafbaar door te definiëren dat dunning naast verzorging ook is: het vellen “ter ontwikkeling” van de overblijvende houtopstand.

Het aldus herdefiniëren van het begrip dunning leidt ook tot afwijking van het internationaal in de bosbouw gebruikelijke begrip van wat dunning is. Het is een maatregel ter bevordering van de groei van de blijvende opstand zodat deze meer licht en voedingsstoffen krijgen en is ook niets anders.

De PAN wil de definitie handhaven uit de huidige boswet. Er is niet gemotiveerd waarom de definitie zou moeten wijzigen.

40.Definitie Exoot: de definitie en de toelichting erop maken niet voldoende duidelijk dat er een aantal boomsoorten, zoals Lariks en Douglas en de Tamme Kastanje zijn waardevolle boomsoorten met goede houtkwaliteiten, wier negatieve effecten op biodiversiteit zeer beperkt zijn; dit in tegenstelling tot exoten als bijvoorbeeld Wasbeerhond en Nijlgans en die volgens ons als “gevestigde exoot” (net als de fazant en het konijn) deel uitmaken van de Nederlandse biodiversiteit.

41. Art 1.1: definitie vellen: is onjuist.

Voorstel nieuwe definitie vellen: het om/afzagen of kappen van bomen van een houtopstand bij dunning evenals het geheel of gedeeltelijk om/afzagen van een houtopstand.

Het suggereert dat vellen slechts rooien zou zijn en daarmee ook alle andere handelingen( zoals om/afzagen en kappen) zou omvatten die “de dood of ernstige beschadiging” tot gevolg kunnen hebben.

De huidige jurisprudentie, spraakgebruik, woordenboek en andere wetsteksten evenals het begrip kapverbod sluiten hier totaal niet op aan. De suggestie wordt geleverd dat vellen in rechtstreekse relatie staat tot dood of ernstige beschadiging terwijl het in 99% van de gevallen gaat om de uitvoering van een reguliere beheersmaatregel die met het oog op het verkrijgen van een vitale houtopstand wordt uitgevoerd.

Het in art 4.3.2 vervatte “tenietgaan van houtopstanden, anders dan door vellen” omvat zowel rooien (het met stobbe, wortels en al verwijderen van houtopstanden) als veevraat, stormschade e.d.).

42.  Art 1.8: klopt het dat “de zorgplicht” alleen zou gelden binnen de Natura 2000 gebieden en dat overigens Hoofdstuk 3 de beschermingsmaatregelen afdoende definieert? Vervallen daarmee de gedragscodes voor de niet-Natura 2000 gebieden? Indien dat de bedoeling is wordt dat van harte onderschreven als een zeer terechte invulling van verminderde lastendruk.

43.  Art 3.1.4 Het bekende(re) begrip “verontrusten” is hier kennelijk vervangen door “storen”, terwijl art 3.5.2 spreekt over verstoren van dieren. Dat komt door letterlijke overname van de betreffende teksten uit Vogel- resp. Habitatrichtlijn.

Het is gewenst eenheid van begrip te hanteren in de uitleg/interpretatie ervan, temeer daar in de artikelsgewijze toelichting hieraan geen beschouwing wordt gewijd terwijl huidige gedragscodes nog refereren aan het begrip verontrusting. Dat geldt ook t.a.v. de overeenkomstige toepassing van art 3.1.5 voor dieren: het verbod op (ver)storen/verontrusten is niet van toepassing indien de (ver)storing/verontrusting niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogel- resp. diersoort.

44.  Art 4.1.g.: waar a t/m f betrekking hebben op houtopstanden /beplantingen /bomen gaat h. over de handeling periodiek vellen (van griend- en hakhout). Voorstel: g: griend- en hakhout.

45. Art 4.3.3 en 4.3.4: dit impliceert dat er 12 verschillende verordeningen kunnen ontstaan. Het is wenselijk dat tenminste in deze wet wordt bepaald dat deze verordeningen en ontheffingen in geval herbeplanting op andere grond wordt toegestaan er niet eerder zal worden geveld dan dat de compensatie is gewaarborgd door een uitgevoerde aanplant. “eerst planten dan vellen”. Daartoe is toe te voegen in het lid 5: na onder meer betrekking hebben op: zekerheden ter waarborging dat die andere beplanting wordt uitgevoerd alvorens de velling toe te staan.

46.  Art 4.3.5: kunnen moet worden zullen en de beperkte natuurwaarde moet worden waarden zodat ook de andere waarden kunnen worden meegewogen.

47.  Art 4.4: anders dan in de aanbiedingsbrief aangekondigd heeft de “omvormingsvrijstelling” alléén betrekking op Natura 2000 gebieden. De vraag in deze is of dit wel een juiste interpretatie is?

Echter nu de instandhoudingmaatregelen en niet de ontwikkelingsmaatregelen in een goedgekeurd beheerplan moeten zijn opgenomen is er geen reden om een algemene uitzondering in de wet op te nemen: immers de wet heeft een “eeuwige en onbeperkte” geldigheid, terwijl de maatregelen ter instandhouding na een bepaalde periode al zullen/moeten zijn gerealiseerd.

Niet valt in te zien dat het vellen van bos in een Natura 2000 gebied, zoals bijdragen aan de instandhoudingdoelstelling waarvoor het gebied is aangewezen, niet hoeft te worden gecompenseerd door aanplant op andere grond (al dan niet grenzend aan of binnen een ander) Natura 2000 gebied. Het heeft er alle schijn van dat het ministerie alle bossen opgeeft die in Natura2000-gebieden liggen, waardoor er dus veel minder bos overblijft omdat er niet herplant hoeft te worden gelet op de generieke uitzondering op de herplantplicht. Dit staat op gespannen voet met het streven dat de bescherming van de Boswet goeddeels gecontinueerd wordt. Ook internationaal gezien is het niet geloofwaardig de herplantplicht al te zeer los te laten. Daarom pleiten wij er voor in alle gevallen tenminste de meldingsplicht te handhaven.

48. Art 4.4.c: Het is ongewenst dat de minister de wet die “een grote bijdrage levert aan het behoud van de hoeveelheid bossen in Nederland”, zelf weer ineffectief kan maken door subsidiemaatregelen waarvoor slechts een ministeriele regeling is vereist. Indien dit al zou moeten is tenminste een Algemene Maatregel van Bestuur nodig waarover de Tweede Kamer zich vooraf kan uitspreken.

49. Art 4.6.a: gelet op de discussie over het bestaansrecht van PBO’s zoals Bosschap is het noodzakelijk hiervoor een plan B te formuleren voor het geval de registratie bij het Bosschap komt te vervallen (door in de wet zelf de oppervlakte-eis die het bosschap in de praktijk hanteert op te nemen)

50. Art 6.1: Het is gewenst ook een bepaling op te nemen die regelt dat boseigenaren in – of nabij een Natura 2000 gebied die schade ondervinden als gevolg van de uitvoering van maatregelen als bedoeld in art 2.2 eveneens een tegemoetkoming in de geleden schade wordt verleend. Een voorbeeld hiervan is het verhogen van de waterstand als gevolg waarvan goed groeiende opstanden verloren zullen gaan.

51. Art 8.4: zie de opmerking hierboven bij art.4.6.a

52. Art 9.5.1: indien de betekenis hiervan zou zijn dat de boswet ministeriële regelingen voor SBB en RWS ( Regeling ontheffing RWS d.d. 27 juli 1999, stcrt 1999, 143) en Regeling verlening ontheffingen aan Staatsbosbeheer d.d. 24 februari 2000, Stcrt 2000, 40) onverminderd van kracht blijft, dan wordt daartegen bezwaar gemaakt. Met de intrekking van de Boswet als bedoeld in art 11.1a dient ook de generieke omvormingsvrijstelling voor SBB te vervallen. Temeer omdat het in de lijn van het wetsvoorstel is om de provincie de beheersplannen van SBB te laten keuren en op dit punt voor alle eigenaren, m.u.v. Defensie en I&M (Rijkswaterstaat), een en dezelfde lijn te trekken.

Met bovenvermelde opmerkingen verwacht de PAN een constructieve bijdrage te leveren aan de totstandkoming van deze wet Voor vragen of praktische uitleg van onze voorstellen zijn wij altijd bereid, dit telefonisch of mondeling of per e-mail met uw Ministerie te bespreken of nadere uitleg te geven.

Vertrouwende U hiermee van dienst te zijn geweest,

Hoogachtend,

Namens de Platteland Alliantie Nederland

De secretaris,

P.H.J.Croughs